Nu is mijne wooning geheel volbouwd; een korte aftekening van haare ligging zal u niet misvallen; eene locale beschrijving van haare inwendige gedaante, zal u weinig vermaak geeven; het zal genoeg zijn als ik zeg, dat hij met de spaarzaamheid van een eerstbeginnenden planter, en de bekrompenheid van eenen jongeling, die niet heel veel behoeft, en tot het meeste gemak, zoo eenvoudig als lustig, is opgebouwd; derzelver ligging en uitzicht is ruim en vrolijk; ik zal u dit naauwkeurig aftekenen:
Heureuse Solitude ligt aan den oever van een wijde kreek, of klein binnen-riviertjen, dat uit de groote land-rivier voordspruit, al slingerende andere plantages bespoelt, en zig eindelijk in de zee verliest; de toegang aan deeze zijde is eenigzins woest; de oever is met struiken begroeid, en een paar schoone Cocosboomen, die gij reeds kent, overschaduwen dezelve; maar aan de landzijde is de toegang meer geregeld: geen kostbaar, van ijzeren staven gevormd hek, door pijlaaren met gesneedene wapens ver-
sierd, ontdekt zig hier, maar een eenvoudig, ongesloten hek, even als dat van eene Europische landhoeve, opent 'er den toegang, en brengt u in eene lange allée van verschillende boomen, die, door hunne onderscheidene gedaanten, door den geur en kleur hunner vruchten en bloemen, aanstonds eene aangenaame werking op de zinnen doen: ter zijde van deeze laan ligt, aan den eenen kant, een veld, waarin mijne koejen, schaapen, en geiten weiden; ik plantte daar eenige Gouava- en Acajou-boomen, onder wier lommer het vee eene aangenaame rustplaats vindt, en wier vruchten de vogelen lokken zullen; aan de andere zijde ligt mijn moestuin, tusschen een akker met mais en Banaanboomen ingesloten, en door Amerikaansche, zoo wel als Europische, kruiden en vruchten beplant: aan het einde nu van deeze laan ligt mijne, niet hoog opgetrokken, maar gedeeltelijk met een plat dak, naar de oostersche wijze, overdekte wooning, dat mij op eenen koelen avond een heerlijk gezicht zal opleveren: het voorplein van mijn huis, is eene halve, door Oranje-, Citroen-, Tamarinde- en andere boomen, afgeperkte cirkel; de grond is bedekt met fijn gras, en een eetbaar onkruid, dat na vaderlandsche porcelein gelijkt, en 't welk hier, als klaver in eene hollandsche weide, groeit; het heeft des, dit merkt gij, niets van eene vaderlandsche lustplaats, waar
de eene zijvleugel van het rijzend kasteel, schoon slechts de verblijfplaats van paarden en rijtuigen, somwijl trotscher gebouwd is, dan mijne geheele wooning; echter mist de vermogende eigenaar van zulk een aanzienlijk goed, iet, dat ik bezit, en zou mij welligt daarom benijden - die schoone Curacau-, Oranje-, en Citroen-boomen, die mijn' grond beschaduwen, mijnen dampkring bewierooken, en wier bloesemen voor mijne voeten gestrooid liggen, kan hij, door al zijne grootheid en bouwvermogen niet doen worden; wat de pracht en kunst hem vergunt, dat wil de eenvoudige en schoone Natuur mij dubbel vergoeden, en ik benijde hem niet: geene waakende doggen liggen hier aan sierlijke hokken geketend, en hun dompig hoef! hoef! noch het gerammel hunner ketenen, jaagt den optreedenden vreemdeling eenigen schrik aan; neen, zulke, geheel van hunne natuurlijke vrijheid en geluk beroofde schepselen, zouden mijn genoegen stooren, en hun klaagende toon zou mij verveelen; maar mijn goede, vrije Cheri, die hier los en blij tusschen de graazende faizanten, en ander pluimgedierte, met een paar tamme zwarthairige zwijntjens doorloopt, en met hun speelt en dartelt, vertoont hier een eigenaartig beeld der gelukkige vrijheid, die mij bekoort.
Zie daar, Karel! de ligging van mijne woo-
ning; nu een enkel woord van haare vorm en gedaante - zij heeft ruime vengsters, die het licht en de lucht mild doen binnenstroomen: beslagene glazen zullen nooit mijn uitzicht belemmeren, dewijl ik die niet heb, en enkel gaas, bij nacht of slecht weder, hunne plaats vervangt: de frissche wind die hier meest altijd waait, brengt alle zijne zuiverheid en koelte mild en vrij hier binnen; de regen zal aanstonds zijnen frisschen geur tot mij brengen; en al vloeiden zelfs zijne droppelen eens binnen mijne wooning, geen turksch tapijt, noch geschilderde behangsels, zullen daardoor schade lijden, noch gepolijste meubelen hunnen glans daardoor verliezen; groengeverwde stoelen zijn mijn eenig sieraad, en voor het overige is alles zoo eenvoudig en weinig omslagtig als de bouworde van mijn huis, en als de bewooner zelf; maar het beantwoordt geheel aan zijn voornaam oogmerk, de behoefte: want waarlijk, in mijn beter en geschikter verblijf wilde ik niet gaarne mijnen grondregel vergeeten: ‘De Natuur is met weinig te vreden: de behoeften der weelde zijn onverzadelijk!’ - In mijne arme hut heb ik dit ondervonden; daar heb ik geleerd wat wáár geluk is, en hoe weinig dit van uiterlijke omstandigheden afhangt; nooit hoop ik de wijsgeerige, de godsdienstvoedende lessen, welken ik in dat kleine verblijf verzamelde, in ruimere omstandighe-
den te vergeeten - o! die lieve hut! zonder aandoening - kunt gij 't u verbeelden, Karel? - heb ik haar niet verlaaten; zij was mijne eerste eigendomlijke schuilplaats op eenen vreemden grond, en ik heb veele gelukkige uuren in dezelve gesleeten; ik zal haar niet afbreeken, maar zij zal mij heilig blijven tot eene leerzaame herïnnering, wanneer ooit de toeneemende voorspoed, zoo de hemel mij die beschoren heeft, mij te veel mogt inneemen, of mij hoogmoed inblaazen; want zoo dwaas is tog dikwijls de ijdele sterveling, dat hij trotsch wordt op den zegen van God - dan zal ik deeze hut aanzien, en denken hoe ik daar eens, van alles ontbloot, rijk was, alleen door den godsdienst; en ik zal van mijne ijdelheid geneezen worden.