De werken. Deel 10. Poëzy 1827-1874


auteur: E.J. Potgieter


bron: E.J. Potgieter, De werken. Deel 10. Poëzy 1827-1874 (ed. Johan Carl Zimmerman). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1890 (3de druk) 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 170]

XV
Gedroomd paardrijden.
Antwoord aan de vrouwe van Meerhof.

Beau fils! laat door uwe voorspraak aanstaanden Vrijdag op de Burcht twee rijpaarden ter onzer beschikking zijn.’
1
 
Wat wolk van dwarlend stof, met weêrlichtspoed geheven,
 
Zou Meerhof op zien gaan bij 't dreunen van zijn grond, -
 
Wat even stouts als schoons verrassend haar ontzweven,
 
Van onder 't hoog geboomt' door 't blijdst gebriesch verkond, -
 
Wanneer uit 's Konings stal de keus mij waar' gegeven
 
Of 's Prinsen stoeterij1 tot mijn beschikking stond.
[p. 171]
2
 
Der schemerstilte ontijld van beider hooge hallen,
 
Om weem'ling over 't veld, om klaat'ring in den vloed,
 
Doen rossen zonder tal daar 's levens lust weêrschallen, -
 
Verbeidt, verbaast, verrukt me in stijgend welgevallen
 
Er vormenpracht gestaêg met meer genots begroet,
 
'Wijl fraaijer wijkt voor fraaist en glans bezwijmt voor gloed.
3
 
Bedeelt der vorsten gunst vaak weelde deez' gelijke?
 
Drie werelden, Europe en Azië en Afryke
 
Wedijv'rend om de bloem te biên van teelt en tucht:
 
Der malsche weiden sier, geboren tot genucht, -
 
Den lust der steppen, daar de wind in vaart voor wijke, -
 
De tarters der woestijn, uit wie de zonne lucht.
4
 
Verscheidenheid van ras, verscheidenheid van gaven!
 
Wier mengeling den blik bewond'rend tot zich trekt
 
Als minne uit dubb'le deugd een nieuwen adel wekt,
 
Waar de eigenaardigheên het weêrzijdsch bloed in staven,
 
Mogt immer schoonheidszin zich aan uw schepping laven
 
Die tot bestijgen niet de hand heeft uitgestrekt?
5
 
De mijne deed het ras, van honderd edelingen
 
Den edelste, - zoo zou, misschien, mijn hoogmoed zingen,
[p. 172]
 
Als deze reeg'len niet tot u, o schalke! gingen,
 
Die 'k vast hoor vragen of ik 't sein gaf tot den togt
 
Eer uit der schoonen drom 'k me een gunstelinge zocht,
 
Aan wie mijne allerliefste ik toevertrouwen mogt?
6
 
Mijn renpaard overtrof wat ooit the turf zich droomde
 
Van veêrkracht, daar 't alleen in slankte borg voor ziet, -
 
Schoon hoog de haag mogt zijn, schoon wild de woudbeek stroomde,
 
Geen sprong voor wien de zoon van zulken huize schroomde! -
 
Zijn' oogen straalde 't uit, verslinders van 't verschiet:
 
Laat toch die teugels los, aan mij het luchtgebied!
7
 
Hoe echter hij van zelf meer voorwaarts schreed dan snelde
 
Verheugd ontwarend' dat Mimosa ons verzelde,
 
Mimosa hem ter zij' de vlugge hoeven zacht
 
En sierlijk nederzette of zij haar schreden telde,
 
Mimosa die haar schoon de hulde zag gebragt
 
Dat rappe Robin Hood1 niet botvierde aan zijn kracht.
[p. 173]
8
 
Ten volle was zij 't waard! Mogt hij op luister bogen
 
Zoo als de zomerzon dier bruine vruchten geeft
 
Wier bloesem, wit of rood, den vorm eens ruikers heeft.
 
En hief zijn forsche hals een flikkergloed ten hoogen
 
Door wien hem 't voorhoofd ook in vlokken bleek omzweefd
 
Van verw de veêr gelijk der ravenwiek onttogen;
9
 
Innemender loeg zij door smetteloosheid aan,
 
Wie louter zilverglans de leên zoo mild omvloeide
 
Dat, waar 'k een sprank azuurs die kringend door zag gaan,
 
Of 't hoogsel was van 't wit, te meer haar blankheid boeide;
 
Wier manen, als haar trots die suiz'lende uit liet slaan,
 
Naar zeeschuim zweemden, daar het morgenrood meê stoeide.
10
 
Geen jagthoorn doet zoo schel zich langer heinde en veer1
[p. 174]
 
Als Robin Hood dien stak door Eng'lands wouden hooren; -
 
Zijn forsch gedreven pijl vergaauwt geen herten meer; -
 
De vogelvrije kromde in 't juk der wetten neêr, -1
 
Doch wat er flink en fier dier wildheid uit mogt gloren,
 
Veredeld scheen het in zijn naamgenoot herboren!
11
 
De warmste dag in 't Noord is vreemd aan weeld'righeid
 
Als Spanjes lusthof smaakt wanneer de zonne scheidt,
 
En 't koeltje, dubbel zoet door 't geuren en door 't klinken,
 
Uit elk getralied raam een tweelingstar ziet winken: -
 
Maar bleef behaagzucht die bij beurt daar weert en vleit
 
Spijt onzen dampkring me ook niet in Mimosa blinken?
12
 
Eerst stak zij de ooren op, als streelde melody
 
In 't luid gehinnik, waar zijn blijdschap toe vervoerde, -
 
Toen was 't of staartgezwaai electrisch hem beroerde, -
 
Daar deinsde, aanvalligst in haar schuchterheid, ze op zij:
 
Hooghartig Albion geloofde zich nog vrij
 
Schoon Andalusië aan haar zegekar 't al snoerde!
[p. 175]
13
 
U is 't bekend, vriendin! dat ik geen vonnis vrees
 
Als over verzen vaak de nuchterheid er wees,
 
Die puntjes geeft aan d' i's en streepjes d' f's en t's; -
 
Maar toch, als in haar hand dit blad papiers ooit raakte,
 
Wie weet hoe niet alleen 't gespring des stijls zij laakte,
 
Wat mooliks voor de jeugd zij van ons tweetjes maakte?
14
 
‘Den tegenwoordigen met den verleden tijd
 
Verwisseld, schoon geen wenk den overgang verkondde, -
 
Dat korte, daar altoos de duid'lijkheid bij lijdt,
 
Die beelden, onverhoeds gegrepen wijd en zijd,
 
Als stoof door alle lucht hij rusteloos in 't ronde!’ -
 
Vergrijps genoeg, voorwaar! maar 'k pleegde zwaarder zonde!
15
 
‘Stel u het blozen voor, daar elk beschaafde vrouw
 
Deez' weelderige schets meê van zich werpen zou
 
Die lager leven stout durft schild'renswaard verklaren
 
Zoo in den minnelust’... als in de moedertrouw
 
Waar de onschuld zelve op 't land toeknikkend naar mag staren
 
Wanneer met d' aêm des winds zij 't veulen leert te varen!
16
 
Wat ‘lager leven!’ - heeft vergeefs dan 't meesterstift
 
Van hoff'lijken Buffon het ros ons zoo welsprekend
[p. 176]
 
Des menschen schoonste zege en trouwsten vriend geteekend?
 
Wat ‘minnelust!’ - als of uw kiesch-onkuische drift,
 
O nuchterheid! zich op mijn phantasietjen wrekend
 
Den hoofdtrek looch'nen kon 't geschapene ingegrift!
17
 
Een schertsziek lachje plooit, me lieve! uw schoone lippen
 
En voor dat geestig licht versmolt mijn gramme vlaag
 
Deed and're stoornis mij geene and're klagte ontglippen:
 
Waar ook de poëzy een zweem verheffens waag'
 
Daar grijpt de proza haar, belemm'rend, bij de slippen,
 
Niet smeekend: voer me meê! - gebiedend: blijf omlaag!
18
 
't Verscheid'ne boeide mij, waardoor één zelfde weelde
 
Uit sterkte en schoonheid sprak maar deez' gewijzigd streelde: -
 
De blik, die op zich hief, - de blik, die neêr zich sloeg, -
 
Waar fierheid blijde in blonk, - waar schalkte loos uit loeg; -
 
Mimosa, die haar lust betooverend verheelde,
 
En Robin Hood, die roem op zijne liefde droeg!
19
 
Zoo vaak aan Sherwood door zijn paramour gekluisterd,
 
De Yeoman alle groen door glans zag opgeluisterd
 
En alle gras gebloemt' van honderd verwen bood,
[p. 177]
 
Heeft tot zijn Marian1 hij zacht en zoet gefluisterd
 
Van wat de lijster2 luide in 't weeld'rig wieg'len floot; -
 
Vermeidt in d'eigen beê zich nu zijn naamgenoot?
20
 
't Weerbarstigst hartje volgt gedwee der minne wetten
 
Wanneer Sevilla blinkt van held'ren maneschijn;
 
Geen voetjes die zich fluks niet in beweging zetten
 
Zoo dra de roep weêrklinkt der rappe castagnetten,
 
Zoo dra der driften drom zwiert langs de tamboerijn; -
 
Hoe, telge Iberia's, hoe mag 't Mimosa zijn?
21
 
Der liefde hemel wordt gewelfd door alle tinnen:
 
't Gelukkig tweetal dat elkanders hart mogt winnen
[p. 178]
 
Vaart op het vleug'len paar der hoop dien juichend binnen!...
 
Maar uit heeft, plots'ling uit, der neiging dartel spel,
 
Wedijv'rend draven beide om 't zeerste practisch snel:
 
Au trot’ gebood op eens Monsieur de Pluvinel.1
22
 
Wie? vraagt gij, nieuwsgier, wie? me dacht gij moest het weten
 
Dat sints twee eeuwen hij heeft in den zaal gezeten
 
Als voor hem niemand deed, als na hem niemand kon, -
 
De ruiter daar Euroop haar rijschool meê begon, -
 
Hem dien trois rois de France2 eerbiedig meester heetten,
 
Die chambrière en main het van hun schepter won!
23
 
Weêr blijkt het dat te schaars de Burcht gij komt bezoeken,
 
Of, doet gij 't, zoo veel geest in uw gesprekken plengt
 
Dat aan den theedisch Neef geen surrogaat gehengt;
 
Hoe willig anders, uit de schemerzieke hoeken
 
Van d' eiken studiecel, hij heel een stapel boeken, -
 
Wichilde en Leonoor ten schrik, - beneden brengt.
[p. 179]
24
 
Wat vreest ge, ondeugende! dat kwaamt ge ook alle dagen, -
 
In beeld van leergrage ernst, herschapen op mijn beê, -
 
Als zulk een oud kwartijn voor u werd opgeslagen
 
Uw handje noch uw blik met welgevallen gleê
 
Door l'Instruction du Roi, niet meer verguld op sneê,
 
Maar steeds aan ruit'ren rijk als nooit uwe oogen zagen?
25
 
Al liet het leed u koel van 't arme titelblad
 
Waarop de tijd den inkt van 't handschrift droef miskleurde
 
Dat staaft hoe lang ons huis het exemplaar bezat, -
 
Al scholdt gij 't wreed zoo ik den ondergang betreurde
 
Van 't steekspel, 't geen den gloor der middeleeuwen had
 
Waar riddertrouw de lans voor zijne liefste beurde, -
26
 
Hoe menig phrase bood tot jokkernij u stof!
 
Ons vragende of niet vaak door d'overmaat van lof
 
L'Escuyer principal zich zelv' in 't vak vereerde?
 
Hij niet, professoraal, inaugureel oreerde:
 
‘Geen kunst die in waardij mijn kunst ooit overtrof!
 
Geen wetenschap die 't volk zoo tot zijn schade ontbeerde!’ -
[p. 180]
27
 
Zou ik u dus de rol bedeelen der Kritiek, -
 
Wier roe' voor d'ijdelheid de Pluvinel mag treffen, -
 
Als ik me ‘een feeks’ ze dacht, gelijk de rijm'renkliek
 
Die schetst, ‘op vitten uit, van louter afgunst ziek’;
 
Als ik geen priesteres in haar ons op zag heffen
 
Tot zoo gemoed als geest, genietend, 't schoon beseffen!
28
 
Gij, die veel liever looft dan laakt, zoudt gaarne regt
 
Aan 't edel harte doen, waarvan zijn lessen tuigen:
 
‘Uit vrees bevleug'le zich de traagheid van de vuigen
 
Een hooger prikkel blijk' 't heldhafte niet ontzegd;
 
Alleen waar liefde 't ros aan zijnen ruiter hecht
 
Is 't grootsch zoo fier een moed gewillig te zien buigen!’1
[p. 181]
29
 
‘Laat mij 't aanschouwen’, vraagt ge, en 'k biê mijn dank u voor
 
De gisping, - poëzy stelt haar publiek te loor
 
Wanneer zij 't oog vergeet ter wille van het oor:
 
Een wijle moog' het spel der zoete klanken streelen,
 
Tot zelfs het murm'len toe van 't meirvlak zou vervelen
 
Als niet de zonnestraal kwam met zijn golfjes spelen.
30
 
Beklagenswaardig dien 't aan zulke wenken faalt!
 
Of was ik, prijzend, tot den preektoon niet gedaald
 
Me vleijend dat ik 't best de Pluvinel dus vierde,
 
Wiens weidsche vederbos aan mijne regte zwierde,
 
Wiens slinke, schoon de toom werd op- noch aangehaald,
 
De viervoets, die zijn wil te raden schenen, stierde? -
31
 
Te wonderbaar is niets in onzer droomen rijk:
 
Door kreet noch blik toch gaf ik van verbazing blijk,
 
Opzwevend naar het zaal, - bij 't vatten van de teugels,
 
Bij 't grijpen naar den knop, - niet l'Escuyer gelijk
 
Maar leerling zijner waard, als schonk mij 't voorbeeld vleugels,
 
Aan 't ros te raken met de sporen noch de beugels!
[p. 182]
32
 
En echter, beider vorm was vreemd mij als mijn dos,
 
Hoe fraai, min schitterziek dan sierlijk: statig plooide
 
De kant, - 't fluweel, - de zij' - wat edelknaap mij tooide; -
 
Vrij golfde alleen mijn haar, in lokken lang en los
 
Het koeltje tegen dat der heest'ren bloesems strooide;
 
Au trot, als straks ik zong, au trot doorschreên wij 't bosch.
33
 
Verbeeldingswereld zijn geen grenzen aangewezen
 
Als tijd en ruimte om 't zeerst 't onz' werkelijke doen:
 
Wat zij verdwenen wenscht, of wat zij wenscht verrezen,
 
Het deinst! het daagt! 't volstaat dat zij de zucht durft voên;
 
Des wijsgeers ergernis, die haar de les blijft lezen
 
Voor luttel logica in 't wiss'len van visioen.
34
 
Wie wakk'ren Robin Hood uit mijn geheugen wischte?
 
Waarom 'k aanvallige Mimosa niet herriep?
 
Gelooft gij dat ik 't paar met vol bewustzijn miste?
 
Ik zag, ik hoorde slechts wie van de vaart besliste
 
Waarmeê, toen heel de groep op eenmaal om zich schiep,
 
Des meesters Normandie en mijn Provence liep.
[p. 183]
35
 
Te donkerder van git, door 't vlokjen sneeuws gezegen
 
Op d'ebbenkleur'ge kruin, was d'eerste naauw bestegen
 
Of 't vuur herblonk, waarvan zijn voorzaat had gegloord
 
Toen schildgekletter juichte om 't schrik beschamend woord:
 
‘'k Val niet, maar neem voor u bezit!’1 - en lansen negen
 
Voor wie zich, struik'lend, kroonde op Eng'lands oeverboord!
36
 
En de and're, lief'lijk bleek als 't loover van d'olijven,
 
Alleen der manen vloed door 't zachte rood getint
 
Waarmeê d'amandelboom in bloei den voorrang wint,
 
Liet weêrschijn van den glans des edens om mij drijven
 
Dat Frankrijks Muze altoos gewijde grond zal blijven
 
Schoon vast de nagalm van zijn minnezang verzwindt.
[p. 184]
37
 
Zachtzinnige aard der vrouw, waarvan al 't zoete ik huldig!
 
Gij vraagt met volle regt, doch vraagt niet ongeduldig:
 
Waarom de Pluvinel van proza ik beschuldig?
 
En nimmer viel mij nog 't bekennen minder zwaar:
 
Al werd den toestand ik weêr dichterlijk gewaar,
 
't Ondichterlijke scheen me in d'onderwijzer daar!
38
 
Wij zwenkten, - 't klonk: ‘plus vite!”’ - een haarbreed was ik achter;
 
Wij zwenkten -: ‘“lentement!”’ een haarbreed was 'k vooruit;
 
Ons drietal had in hem een onverbidb'ren wachter, -
 
Die niet maar mij beval: wat vlugger, of: wat zachter,
 
Door wien in 't rossenpaar elk teeken werd gestuit
 
Van loosheid of van lust, van teelt uit Noord of Zuid.
39
 
Provence en Normandie! de scherpste tegenstelling
 
Gelijkelijk gedoemd om door een zelfde kwelling
 
Den hals te krommen in der pligten looden juk;
 
Tot aan geene enk'le drift de dart'lende opwaartwelling
 
Van 't bloed, dat hen natuur bedeelde, meer gelukk',
 
Tot, triomfant'lijk, tucht op beide 't zegel drukk'!
[p. 185]
40
 
Wat dorst die ook in mij de zege zich belooven?...
 
Daar geurde ons uit de veerte een frissche meidoorntak!
 
Hoe 'k in gedachte een twijg door 't goud der nestels stak; -
 
Hoe 'k toch de hand niet hief toen wij op zij haar stoven; -
 
Hoe 'k bloosde of l'Escuyer vermoedde wat me ontbrak,
 
Of staat'lijke ernst volstond om d' oproervonk te dooven!
41
 
De vlugge draf verkeerde in vliegenden galop:
 
Gelijk een golvenpaar, dat voort zich rept ter kuste,
 
Als beurden naar de maat heur blanke kruinen ze op -,
 
Als school in harmonie een weelde ook haar bewuste, -
 
Zaamstemmend 't ziedend schuim doen steigeren ten top,
 
Zaamstèmmend slaan uitéén voor slechts gewaande ruste;
42
 
Zoo, schoon de ruwe weg in gladheid niet geleek
 
Naar 't rimpelloos verschiet dat nimmer baar zag stronk'len;
 
Verhiefde en nijgde zich, bij 't spoeden door de streek
 
In 't eigen omzien tijds het blinkende en het bleek:
 
Geen tweetal ruiters meer, één reuzenslang wier kronk'len
 
Het dubbel oogenpaar liet, tusschenpoozend, vonk'len!
[p. 186]
43
 
Was gindsche boomengroep 't ons aangewezen doel?
 
Hoog hieven d' eiken zich, hoog boven 't wild gewoel
 
Dat stof in wolken zweepte om de overeeuwde stammen,
 
Al hoorden oost noch west der winden heir vergrammen;
 
Waarin trompetgeschal te loor ging door 't gejoel;
 
Waaruit ik spiets bij spiets van speeren op zag vlammen.
44
 
Hier lag een ruit'ren hoop, gestrekt in mos of gras,
 
Wier rossen teug'lental aan hek of heining knoopte,
 
Zijn welkom klonk het luidst wie 't rapst bij huisliên stroopte;
 
Daar rammelde onbesuisd, hoe ruw ook 't speelbord was,
 
Der dobbelsteenen vaart, bij 't rondgaan van het glas;
 
Wel dwaas wie van dien drom een schitt'rend schouwspel hoopte!
45
 
Wel dwaas? - de veldbanier wuift, wapp'rend, van de brug
 
Vaarwel toe aan 't kasteel; - wat springen ze allen vlug
 
Elk naar zijn viervoet heen, - gezeteld op hun rug
 
Zoo goed geregeld, dat de voorjaars zonneglansen
 
Verkeeren in een krans die flikkert van de lansen,
 
Dat naar één melody hun bonte pluimen dansen!
[p. 187]
46
 
Zoodra het vriendenpaar elkanders blik ontmoet,
 
Erkent de burgtheer zich die bloem van oorlogsknapen
 
De Pluvinel verpligt, - en viert hem heel die stoet
 
Van dapp'ren, of ontlook in school zoo streng gehoed,
 
Hen 't eikenloover niet thans zwierende om hun wapen?
 
Helaas! geen lauwerkrans geeft burgerkrijg den slapen!
47
 
Daar l'Escuyer herneemt: ‘Souvenez vous d'Ivri,1
 
‘Y battant les Wallons vous en avez cueilli!’
 
Gaan hoeden in de lucht en zwaarden uit de schede;
 
Doch hooger geestdrift wekt de krijgsman als hij die
[p. 188]
 
Door zijn: ‘Vive Henri Quatre!’ omzwaaijen doet voor vrede:
 
Het woud, - de stroom, - 't gehucht, - de gansche streek juicht mede!
48
 
't Vliegt al zijn woning uit in menigte zoo digt
 
Dat 'k mij de dwaasheid schaam die tegen tucht straks morde:
 
Heeft dan deez' proza niet haar poëzy in orde?
 
Één wenk: de breedte van 't geharnast achttal zwicht;
 
Één wenk: zoo vrij als ooit een pijl der peeze ontsnorde
 
Valt, dwars door 't volk, de togt ons paarsgewijze ligt.
49
 
Parijs gaat over!1 roept de heuvel zijn valleijen,
 
Parijs gaat over! roept het boschje tot den beemd;
 
Daar stoort om d'ouden olm onz' veldklaroen het reijen, -
 
Waar jeugd die deel als deze aan al wat schittert neemt? -
 
Maar hoe aanvallig ook zoo bruine als blonde vleijen
 
De straffe dienst gedoogt niets dat naar kozen zweemt!
50
 
Parijs gaat over! - als we aan 's Konings heir ons sluiten
 
Laat binnentrekkend toch niet alle vreeze 't buiten:
[p. 189]
 
‘Verdoolden kome zijn grootmoedigheid te sta:
 
Dat niemand dies de hand aan burg'ren have sla;
 
Doch waar de Zestien1 u door hun trawanten stuiten
 
Op pistoletten2 uit; velt neêr! 't gebroed verga!’
51
 
Ons lacht slechts blijdschap toe, ook uit de naauwste straten,
 
Waarin wij, stapvoets, ruimte aan grijze en kind'ren laten,
 
Als hadde elk snuivend ros zijn steigerzucht verleerd;
 
Den spaanschen krijgsman moog' de goê gemeente haten
 
Om d'overmoed die aan haar kermen zich niet keert,
 
Door grooten Henrik wordt der kleenen hart begeerd!
[p. 190]
52
 
Hij mijnt die, schalk vernuft niet sparend bij hun snappen -
 
Hij mijnt die, elk een hoen toewenschende op elk feest,
 
Hij mijnt die, waar wij hem de dertien breede trappen
 
Der weidsche Notre-Dame op 't achtbaarst af zien stappen;
 
Gelukkiger is nooit dat vroom gemoed geweest,
 
Daar 't aller liefde thans in aller oogen leest.
53
 
De hemelvaart voorbij dier reuzige kolommen
 
Is, toen der priest'ren beê er 't orgel deed verstommen,
 
Naar aller Heeren Heer zijns harten zucht geklommen
 
Om Frankrijks ruste, Frankrijks welvaart, Frankrijks roem;
 
Trots ieder offer waar hem d'ijz'ren tijd toe doem',
 
Tot vader van zijn volk hem heel de wereld noem'!
54
 
We zien de vochte glans dier oogen 't schitt'rend tolken:
 
Verhoord acht hij haar nu de vendelpracht der volken
 
Zich voor zijn witte van die dubb'le torens nijgt;
 
En, zoeter hulde, schoon hun klokgebom niet zwijgt
 
Vive le Roi’ 't beschaamt, weêrklinkend door de wolken,
 
Als op 't onrustig ros de Koning rustig stijgt!
[p. 191]
55
 
Il sent son maître,’ juicht bewond'ring aan mijn zijde:
 
Le superbe étalon, il hennit de plaisir;’
 
De blanke vederbos wuift van den helm zoo fier,
 
Wuift van des kleppers kruin1 of 't weder ging ten strijde -
 
Al tempert vast de taak, waaraan de held zich wijdde,
 
Op 't geestige gelaat het vroeger oorlogsvier!
56
 
Geen gulden eeuw smee' nog de zwaarden om tot sikk'len,
 
Zoover zijn schepter reikt zij 't woên des krijgs geschorst,
 
Tot grootscher roeping hem ter zegepraal zal prikk'len
 
Dan godsdiensttwist bedeelt! - wordt niet dier breede borst
 
Het harnas te eng, geblaakt door zulk een gloriedorst
 
Herscheppend 't oude Europe in nieuwen bloei te ontwikk'len?2
[p. 192]
57
 
‘Die hulde Hooft te regt in zijnen held geboôn,
 
Verlustigt de achtb're schimme, aan 't hooge Huis te Muiden,
 
Om 't schandelijk verval door ons gedoogd1, ontvloôn;’
 
Vooghdesse van mijn ziel! mag dus uw vonnis luiden?
 
Of ducht ge, zoo een wijl de Burcht zij koos ter woon,
 
Zou ze op den dietschen hoed de fransche veêr misduiden?
58
 
Als ik gelooven kon dat ge inderdaad het deedt,
 
'k Had niet in luchte scherts de straffe les gekleed;
 
Wat zou 'k me zijn bewust, waarvoor ik heb te boeten?
 
Daar onze meistreel zelf de nimfen, bij 't ontmoeten
 
Van zijne liefste, gunt uitheemsch gebloemt2, gereed
 
Ten krans, zoo 't kleurt zoo 't geurt, te leggen aan haar voeten.
59
 
In vollen ernst, - al vier ik meê den goeden smaak,
 
Verheelend' wat hem krenkt in bastaard-euphemisme, -
[p. 193]
 
Ik schaam den vloed mij niet van vloeken dien ik slaak'
 
Wanneer de dagbladpers zoo driest, zoo bont, zoo vaak
 
Haar germanismen reit om eenig ander cisme:
 
En toch is 't ook een plaag, dat overpreutsch purisme!
60
 
Wel heeft de Drossaard al het wrange er van geproefd,
 
Als hij ons gulgaauw volk bij zijn goedrond verschijnen
 
Ten statelijken schred verpligtte der Latijnen;
 
Wel, minnezanger, hem de deftigheid bedroefd
[p. 194]
 
Waardoor zijns harten zucht in marmer scheen gegroefd,
 
Terwijl Guarini dien versmeltend weg liet kwijnen1!
61
 
Uit alle zeeën beurt zich niet dezelfde visch;
 
't Valt voog'len aan te zien wat lucht hun hemel is;
 
Verscheiden vruchten biedt in noord en zuid de disch;
 
En zou het wederzijds dan taal bij taal gelukken,
 
In al zijn tinten, al zijn toetsen uit te drukken
 
Wat, onvertaalbaar, ons in ééne mag verrukken?
62
 
Het fransch heeft zijn: esprit; - wij hebben geest, vernuft,
 
Wij oordeel, wij verstand, - de buur werd overbluft,
 
Of minder scherp hij dacht, of minder fijn hij voelde;
 
Tot door een stortbad ons d'ondeugende bekoelde,
 
Tot bij zijn schalke vraag het stoffen bleek versuft:
 
Wat Lafontaine, en vrai Gaulois, er meê bedoelde?
[p. 195]
63
 
Aldus het duitsch: Gemüth; - eene innigheid van hart
 
Waardoor ons Göthe boeit aan Gretchen's vreugd en smart:
 
Wanneer zij zich verbaast wat Faust in haar mag vinden, -
 
't Verlies der rust betreurt, en echter d'onrust tart
 
Voor zijner kussen vier, - in 't smeekende onderwinden,
 
Of zaligend geloof hun zielen zaam mogt binden!
64
 
En 't engelsch: fancy; - 't geen verbeeldende behaagt.
 
Uitsluitend eigendom dier stijf gescholden natie, -
 
Dat zich aan humor huwt, dat gaat gepaard met gratie, -
 
Maar vreemd bleef aan de borst der koninklijke Maagd1
 
Zoo Shakespeare waarheid sprak, door dubb'le alliteratie:
 
A meditating maid, die fancy-free zich draagt.
[p. 196]
65
 
Ons Hollandsch... waarom zie 'k u bij die wending schrikken,
 
Als beurde vast mijn hand 't bedwelmend wierookvat?
 
Schoon kleine volken zich aan klankgeruisch verkwikken
 
Hun tongval prijzende op miskende gaven prat:
 
Ik zou bij 't zelfgevlei mij schamen voor uw blikken,
 
De taal ontwijdend' daar het voorgeslacht in bad.
66
 
Eéne enkle hulde slechts die zooveel ernst bevredigt, -
 
Geen odes haar ter eer zwaait zij in vreê den staf -
 
Voor lof alleen maar oor wanneer zij wreed beleedigd,
 
Haar regt gehandhaafd wenscht, - als Loots1 het heeft verdedigd
 
Toen haar Napoleon gebieden dorst: ‘treed af!’
 
En de arm van Bilderdijk2 der wank'lende begaf! -
67
 
Een hulde aan ophef vreemd, die echter daaglijks rijze, -
 
Waar ondicht en waar dicht om 't zeerste haar door prijze,
[p. 197]
 
't Zij 't eene, kernig kort, in zinnen geestig ets',
 
't Zij 't aêre, weeld'rig warm, in zangen lieflijk schets', -
 
Een keus van woorden, die haar overvloed bewijze:
 
Een keur van woorden, die door overdaad niet kwets'.
68
 
Een eerbied voor de stof, die, schoon zij nooit in 't kneeden
 
Als flink hij bootst en beeldt des meesters hand weêrstaat,
 
Tot louter vormenspel zich kwalijk buigen laat, -
 
Die nimmer afstand doet van de eigenaardigheden
 
Des gronds, waaruit zijn greep haar riep aan 't licht te treden,
 
Die zeegeweld braveert, doch niet in zonlicht baadt.
69
 
Ons Hollandsch, - laat mij nu tot lof van Hooft het zeggen,
 
Wiens torentjen hem rap den tabbaard af zag leggen
 
Als 't heuv'lig oord, ten dank voor 't ploegen en voor 't eggen,
 
Een handvol zaads herschiep in meiren zilvrig graans, -
 
Is hem een woord verpligt, latijnsch noch italiaansch,
 
Oorspronk'lijk heel het Gooi ons schild'rende uren gaans.
70
 
't Gaf weêr met wat genot door 't geurenbad hij doolde,
 
Bij 't fluiten in het loof, bij 't flikk'ren in den vliet, -
[p. 198]
 
Waar ergens in de schaaûw een paartje zamenschoolde
 
En fluks de borst zijn lief om zoete kusjes foolde, -
 
Waar zelfs het water 't zong langs 't walletje van riet:
 
Zijn lustighjes, de leus van 't inheemsch minnelied!1
71
 
Geen Klaere die 't weêrstond, ook in haar droefste luimen;
 
Geen Rosemont die 't niet het zwanendons deed ruimen
 
Als de ochtendwildzang 't won van alle luit en veêl;
 
't Klonk Tesselschade toe in 't: ‘pluk me,’ van de pruimen,
 
Waar 't blaauw des hemels week voor zijner starren geel;2
 
Maar streelde zoetst den Drost zoo 't jubelde uit haar keel! -
[p. 199]
72
 
Als Neef den foliant dier Mengelwerken tilde,
 
- Een zijpad is me lief, mits 't weer mij brenge in 't spoor,
 
Vond hij voor Bearnais noch Medicis gehoor;
 
Doch smeekte, als Daifilo, ‘den wind daar 't bosch af drilde’1,
 
'k Om hulpe, lachlust gierde uit bruine Leonoor,
 
Terwijl de blos bezweem der blondheid van Wichilde.
[p. 200]
73
 
Geleid'lijk ging tot hier zoo wat ik zag als zong,
 
Al rafelde ook bij wijle het dunne roode draadje:
 
Door 't rossenpaar verrukt, daar 'k stout voor u naar dong,
 
Gedacht onz' rijschool ik als grooten Henrik's paadje,
 
En niet halsbrekend was van hem tot Hooft de sprong...
 
Maar wie bragt me eensklaps in zoo donker een bosschaadje?
74
 
Vergeefsche vraag voorwaar: gunt toch Calliope, -
 
Die prijs stelt op haar regt voorspellend te verrassen
 
En dus haar transen kleurt met naad'rend wel of wee -
 
Uit heel den zust'ren stoet alleen Melpomene
 
Het meêlij of den schrik door droomen te doen wassen,
 
Wier zin bij voorbaat elk op de uitkomst toe kan passen.
75
 
Helaas! van episch noch van tragisch vuur vervuld
 
Werd even weinig mij de wijze als 't wit onthuld,
 
- Het tweetal muzes doelt alreeds in de eerste op 't laatste, -
 
Des wond'ren overgangs die me uit Parijs verplaatste
 
Waar de eik van Pharamond,1 door zomerzon verguld,
 
Langs ieder kroongewelf der stralen vloed weêrkaatste.
[p. 201]
76
 
't Was zeker 't zelfde woud, - bewond'rend aangestaard
 
Toen 'k wakend gaêsloeg hoe de daauw in paarlen beefde
 
Van dubb'le tint, waar blank en bruin het loofdak weefde
 
Uit zilver en uit brons, in berk- en beukgeblaêrt, -
 
Al faalde er thans wat trouw mijn heug'nis had bewaard:
 
Het wuivend naaldgroen dat zoo fier ten wolken streefde1;
77
 
Het bosch in 't bergrijk oord, - eer door begeertes hand
 
Om schatten toevertrouwd aan 't steenig ingewand,
 
Uit groeven zonder tal, 't zich wreed zag aangerand; -
 
Het bosch, - waar beek bij beek nog wild in voort mogt schieten,
 
Om, breed als meiren fluks, tot spiegels te vervlieten,
 
Wier vlak de lommerschaâuw haar stilte deed genieten; -
78
 
Hier mosbed, losgewoeld van wortelrijken tronk
 
Waarop het everzwijn de scherpe tanden wette
 
Tot uit het borst'lig zwart zijn tweelingwapen blonk, -
 
Daar groene klip, van wie de hinde frischheid dronk
 
Als ze aan haar speelziek jong der klitten ruigte nette
 
En, schilderige groep, in 't hooge gras zich zette.
[p. 202]
79
 
Stoffeerde erinn'ring me ook niet dus 't herdaagde woud,
 
Al had, omlaag, omhoog 'k er zelden wild aanschouwd,
 
Toch was 't Fontainebleau: van onder 't ruischend loover
 
Werd weder, in 't verschiet, me een alpenreeks ontvouwd:
 
De wind joeg 't zandsteengruis in wolken op, en 't stoof er,
 
Aan versche sneeuw gelijk, der rotsen kruinen over1.
80
 
Ginds rees met schel gefluit, de aeloude dolle jagt,
 
't Gekrijsch, 't geblaf, de toorn, de lust der honderd honden;
 
Was 't spoor van 't edelhert verloren of hervonden?
 
Daar schoot le Grand Veneur in overeeuwde dragt
 
Der hoornen flikk'ring na2... maar bleek 't gezigt verzwonden
 
En gaf ik ijlings op een ander schouwspel acht?
[p. 203]
81
 
Uit schemerzieke laan op 't staatlijkst voortgereden,
 
Verraste, in 't volle licht, me een dubbel schimmelpaar,
 
Harmonisch, niet alleen door vorm en verw der leden,
 
Tot in zijn rijders toe, ernsthaftig van gebaar:
 
Vier beeltenissen Gods uit ebbenhout gesneden,
 
Een hagelwitte wrong op 't glinst'rend zwarte haar.
82
 
Hoe anders blikten deez' den zadel af der keem'len,
 
Waar 't vloeijend vuur, gekwist door goudgelijke heem'len,
 
Verdoofde in 't kronk'len van hun donkerblaauwen Nijl,
 
Waar ze offers van de fee, die heerscht in lucht zoo ijl,
 
De pelgrims ter moskee van Mecca zagen weem'len, -
 
Gelukkig door 't bedrog in geestdrifts korte wijl!
83
 
O laaiheid Nubiëns, betreurd in 't laauwe Europe!
 
Vergoedt ons stugge kalf zijn schrandere antilope?
 
Wat jacht eischt mannenmoed als die van d' olifant?
 
Schoon 't Westen linde en eik met minne en trouwe doope,
 
Verdient de dadelpalm, waar breed zijn tent hij spant,
 
Niet dubbel beider lof? voorzienigheid van 't land!
[p. 204]
84
 
't Was dichterlijke waan, dat ik hun stemming raadde:
 
Geen glimlach straalde er, - maar -, er wolkte ook geen gefrons;
 
Het viertal sloeg vernoegd de gulden tressen gade
 
Waarmede een Vorst der Kerk hen 't purper overlaadde; -
 
Toen schoot, de wimpers uit, het weêrlicht over 't brons,
 
Vernamen zij van veer een zweem van hoefgebons?
85
 
't Gehoor bedroog hen niet: in 't bad hun jeugd ten hoede,
 
Als strand noch stroom verried dat ergens onraad broedde
 
En toch de krokodil zich uit de diepte spoedde; -
 
't Gehoor, waar 't lot aan hing van heel een karavaan
 
Als stil de zandzee sliep in 't zilv'ren licht der maan
 
En echter Lybia haar leeuwen op zag staan.
86
 
't Verschiet waarin, mij voor, hun toortsenblik mogt dringen
 
Gaf beurtlings 't zwieren bloot van pluimen en van klingen, -
 
De lelievaan woei uit, bij 't rijzend hoorngeschal, -
 
Een wacht, een ruitren'drom op rossen hoog van stal,
 
Dien met: ‘Messieurs du Roi!’ d'Afrykers heusch ontvingen,
 
Op hunne beurt begroet: ‘Messieurs du Cardinal!’1
[p. 205]
87
 
Wij schelden 't Oosten slaafs, als knechtsche dienstbetooning
 
Zijn vorsten goden maakt, voor stof in 't stof geknield:
 
Maar trouw, die dag aan dag ter strafste taak bezielt,
 
Maar trouw, die nacht aan nacht niet wijkt van 's meesters woning,
 
En schamel voedsel slechts verlangt tot haar belooning,
 
Wat kroost, als 't kroost der zon, dat vlekkeloos die hield?
[p. 206]
88
 
Haar eerbied duldt geen scherts, als die waarvoor 't geleide
 
Des jeugdigen monarchs zich straks niet heeft geschaamd,
 
Toen eensklaps 't bloeijend paar van beider hofstoet scheidde, -
 
‘- A gauche!’ - ‘- à droite! -’, deelt de wachten hier verzaamd:
 
Niet met haar mind're magt had Nubië geraamd
 
Als weêr in spotternij zich Gallië vermeidde!
89
 
Gij, die u met de helft van een roman vernoegt,
[p. 207]
 
Om, frisscher dan d'autheur, zijn fabel af te dichten,
 
Waart heiligje! in uw rol zoo gij me plaagziek vroegt:
 
‘Wat stroobrand wilt ge door mazarinades1 stichten?’
 
Indien de schoonheidsleer daar 't waken zich naar voegt
 
Het droomen evenzeer tot orde mogt verpligten.
90
 
Acht ge ook voor dat gebied haar theorie gesmeed
 
Van aanhef, niet te weidsch? - van opzet, niet te breed? -
 
Van afvaart, zoo volmaakt ter juister plaatse en ure,
 
Dat, naar 't verrassend wit, van zelv' het bootjen sture? -
 
Van wat, - weêr bastaardwoord! - zij expositie heet?
 
De geest der opera verkond door de ouverture?
[p. 208]
91
 
Verklaar dan 't raadsel dat geen heugenis mij bleef
 
Der lessen die ik lang en vaak met lust betrachtte:
 
Hoe 't aan ging dat wie u het dreigend zwerk beschreef
 
Niet zuchtte toen de bui zoo zachtkens overdreef?
 
Hoe 't naspel van de Fronde aanschouwende in gedachte
 
'k Geen dolkgeflikker uit dier scheden goud verwachtte?
92
 
Verband, als 't oordeel van den kunst'naar vergen mag
 
Hem gunnend' dat hij ons des weefsels draên verbloeme,
 
Ontbreekt geheel der sfeer die dichterlijkste ik roeme,
 
Al geeft zij nimmermeer de teugels van 't gezag
 
Aan starrenrijken nacht of luistervollen dag,
 
Schoon d'eeuw'ge scheem'ring ons tot lijd'lijk toezien doeme.
93
 
Wat tooverstaf weêrhield, bij 't glooijen veler paên
 
Des overwelfden wegs, 't gesuis van dorre blaên
 
De nadering mijns voets der schuwheid te verraên,
 
Die, vlinder, opzweefde of ze een lichtstraal vangen wilde,
 
Die, eekhorentje, al haar kracht aan dart'le sprongen spilde,
 
Die, vogel, van den gloed der minne kweelend trilde?
[p. 209]
94
 
Dezelfde wis, die me uit den nacht der mijmering
 
Op 't ruime grasperk voerde en me in den hoofschen kring
 
Van jonkheid, daar vereend om carrousel te rijden,
 
Een klepper gunde die, bij 't naar 't geboomte glij den,
 
Zoo zeker ried wat twijg mijn lans aanlokk'lijk hing
 
Dat dra de rapsten onz' triomfen mij benijdden;
95
 
Dezelfde wis, waardoor het edelaardig dier,
 
Gewoon te steig'ren bij 't verheffen der banier,
 
Als 'k op de beugels stond van lust tot rijzen blaakte:
 
Of 't meê behagen schiep in d' ongelijkb'ren zwier
 
Der bloesemregens die ik 't wuivend groen ontschaakte,
 
Wier geuren en wier gloor een stoet van schoonen smaakte;
96
 
De tooverstaf, - of werd geen beker mij bereid
 
Wier wedergade nooit de werk'lijkheid mogt brengen? -
 
Door wien, al was 't verboôn den toegang te gehengen,
 
Hoe? vraagt ge vruchteloos, 'k zoo veilig bleek geleid
 
Waar togten des gemoeds hun tranen ik zag plengen
 
Aandoenlijker dan op die plek natuur er schreit.1
[p. 210]
97
 
Een stilte, die niet wist van 't verre vreugdgeschater,
 
Een stilte, die niet wist van 't verder zwaardgedruisch,
 
Leende ademloos het oor aan langzaam dropp'lend water,
 
Verzuchtend glijdend door der rotsen donkre kluis:
 
Zoodra 't een ommezien zich ophief tot geklater
 
Stierf 't ijlings weder weg inkrimpend tot gesuis.
98
 
Onvruchtbaar, - of geboomte en gras dien grond blijft schuwen,
 
Hoe mild'lijk licht en vocht er beurt'lings neêr op strijk'; -
 
Steeds naakt, - of 't grijs verleên den storm niet voelde luwen
 
Door wien eens zee bij zee deez' blokken voort mogt stuwen, -
 
Voegde aan dat steenig oord die sombere muzijk, -
 
Al koos verliefde kout 't zich nu ter veil'ge wijk.
99
 
Wanneer eene ijd'le beê verhooring mogt verwerven
 
Ik wenschte mij de vaart, ik wenschte mij de verwen
 
Waar Rubbens zulk een paar meê uitdoste op zijn doek:
 
Slechts hij zou leest zoo slank, slechts hij zou leest zoo kloek,
 
Trots schitt'ring van sieraên, hun indruk niet doen derven,
 
Bij weidsche woordenpraal, vóór 't eind' des zins, al zoek.
[p. 211]
100
 
Wat eisch voor alle kunst ik 't zelfde beeldvermogen?
 
Verveling mengde dra zich in der zust'ren rij!
 
Ook boeide, ook trof wel 't minst de glans dier weelde mij,
 
Niet door hun tooisels werd zoo innig ik bewogen
 
Die beider liefde las bij 't licht uit beider oogen:
 
Begon zij: ‘Maestà!’ ‘“Luigi,”’1 smeekte hij.
101
 
Zij spraken wat hem zoo verrukk'lijk had geklonken,
 
Daar liefelijke lach, daar luistervolle lonken
 
Wedijv'rend uit den vloed van zijn vokalen blonken,
 
Het zoete Si; 't geen ons de rassche zegepraal,
 
Waarvan Mancini's telg zich roemen mogt, verhaal:2
 
Was niet de minnegod zijn meester in haar taal?
102
 
Geen antwoord! Immers wordt d' innemendheid dier lijnen
 
Niet enkel door den rand des jagthoeds overschaâuwd:
[p. 212]
 
De wimpers doen den glans van 't starrenpaar verdwijnen,
 
Der lippen faalt de lust die straks de scherts dorst mijnen,
 
Haar boezem hijgt of vrees de zijden keurs benaauwt;
 
Wat toekomst mag het zijn die haar zoo dreigend graauwt?
103
 
De jong'ling vraagt het meê: zie, witte en groene veder,
 
Hun beider kleuren1, zie, zij buigen statig neder,
 
In d'eigen rigting daalt zijn wolk van krullen voort;
 
Hij grijpt haar kleene hand, die, van 't juweelrijk leder
 
Op 't hoffelijkst bevrijd, verrassend blank bekoort:
 
Ai! wie benijdt hem niet wat naauw'lijks wordt gehoord?
104
 
Weemoedig staart zij op: ‘Houd, bidde ik, 't mij ten goede
 
Dat hier, zelfs aan uwe zijde...’ - iets trillends in haar stem,
 
Als waar 't vergrijp te grof, hoe vleijend streelt het hem! -
 
‘Vervaard door wat me omringt, ik vroeg'ren angst weêr voede,’
 
Een pauze, en zucht op zucht geeft aan de klagte klem
 
Waarvan bij zijn gelaat ze al 't grievende bevroedde.
[p. 213]
105
 
‘Wat fronst gij 't voorhoofd dus? Bij 't staren op 't gesteent',
 
Hoe huiverziek ik ook van 't somber schouwspel grouwde,
 
Verrees de jonkvrouw mij, die in deez' grotte weent:
 
De ellende groet zoo gaarne in deernis een vertrouwde; -
 
Och, zang- en zienersgaaf wie u benijdbaar meent
 
'k Wist nooit u weelde dank die me ijlings niet berouwde!
106
 
Ontwaarde zij een helm? een ros? een lans? - 't Gezigt
 
Bezielde haar, - ter zij schoof 't golvend goud der lokken, -
 
Van vreugde blonk die blik, als 't meir van middaglicht, -
 
Weêr had de bleeke roos zich blozende opgerigt:
 
“Wees welkom!” borst zij uit; wie was zoo onverschrokken
 
Als loeg 't gevaar hem aan, voor haar ten strijd getrokken?
107
 
Een held den lof der lier van Ariosto waard!
 
Op zijnen klepper trotsch, maar trotscher op zijn zwaard
 
Waarvoor hij toovenaars en reuzen heeft zien sidd'ren;
 
Het trotscht van al op 't blijk dat hem de bloem der ridd'ren
 
Dat een'ge gunst'ling van de schoonste hem verklaart:
 
Haar lint, verworven spijt een honderdtal aanbidd'ren!
[p. 214]
108
 
Hij daagt het monster uit dat in zijn boei haar sloot,
 
Dat weet van schrik noch schroom bij d'aanval der bedreig'ren,
 
Dat veinst ook hem 't genot des tweestrijds niet te weig'ren,
 
En echter 't schild verheft welks stralen, zengend rood,
 
Den dappre blinden eer hij 't valsche hart doorstoot...
 
Mogt niet tot jammerkreet ons beider klagte steig'ren?’
109
 
Wanneer de liefste schreit geeft vindingrijke min
 
Ons zoete woordekens tot haar vertroosting in:
 
‘Maria!’ fluistert hij, ‘mijn schoone koningin!’
 
En kust, wat schittrend snoer van paarlen ook moog hangen
 
Om haren donzen hals, er held'rer van haar wangen,
 
In wie de kuiltjes fluks de groefjes weêr vervangen.
110
 
‘De kroone Frankrijks die geen mededingster ducht!’
 
Herneemt ze en bij dien lof zie ik den ijdl'e blozen;
 
‘Niet om haar luister waagt mijn wensch zoo steil een vlugt;
 
In stilte hebbe ik om uw hoogen rang gezucht,
 
Waart ge ook maar edelman mijn hart hadde u gekozen....
 
De scherpste doornen zijn de vloek der schoonste rozen!
[p. 215]
111
 
“De diadeem zij weidsch, toch zal hij al zijn pracht
 
Beschaamd zien door den glans uitstralend van deez' nacht!”’
 
Is 't weêrwoord als hij 't lint des hoeds haar mogt ontstrikken;
 
‘Heeft ieder welfsel niet zijn eigen sterrewacht?’1
 
Hoe vleit hij zich dat hem haar glimlach toe zal knikken
 
Die schalk de suiz'ling om haar schouders durft verschikken.
112
 
‘Geen kozerij!’ zegt de ernst, gezeteld op 't gelaat
 
Dat nieuw'ren beitel tot model zich aan mag bieden
 
Voor wat door de ouden we als 't verhevenst ons zien dieden
 
Eens menschenaanschijns: orde, ontvouwd in evenmaat;
 
't Geen, blakend' van een gloed als nooit we uit marmer rieden,
 
Door de oogen tolkt wat diep in 't binnenste ommegaat.
113
 
O spiegels onzer ziel! van klaarte en kleur verscheiden,
 
Dewijl gij in natuur der mildste welle ontsteegt,
[p. 216]
 
Zou speling des vernufts mij op een dwaalspoor leiden
 
Die waan dat vorm en verw ge naar heur aard verkreegt;
 
Dat, schoon gevoel en geest ge om strijd ten toon kunt spreiden,
 
Gij toch verrassend tuigt wat in u over weegt?
114
 
Niet op denzelfden prijs hebt gij dezelfde kansen!
 
Als 't lentelandschap drijft in tint'ling van zijn transen,
 
Der minnegoden drom de hartsgeheimen gist,
 
Hij honderd boogjes spant, hij met geen pijltje mist,
 
En wij om 't hoofd der bruid d' oranjebloesem kransen,
 
Wordt ooit de voorrang aan de bruine dan betwist?
115
 
Ach! voer de najaarsstorm alleen maar door de hoven
 
Wij zien ons vriend en maag, ons gade en kroost ontrooven,
 
Vereenzaamd bij de baar grieft boezemsmart zoo fel!
 
Maar heft, 't beneden moê, de blik zich op naar boven,
 
Wie zeggen 't aardsche leed verhemelendst vaarwel?
 
De blaauwe scheppen licht ook in de boetecel!
116
 
Wij torschen keet'nen die onze oorsprong moest verfoeijen,
 
Des vreemden dwing'lands prooi, der eig'ne dwaasheid buit:
[p. 217]
 
Om echter 't vaderland te vrijën van zijn boeijen,
 
Om voor wat goed en groot mag heeten weêr te ontgloeijen,
 
Zoo dra de geestdrift ons den weg ter zege ontsluit;
 
Straalt niet der zwarte zij het onweerstaanbaarste uit?
117
 
Maria viert haar bot, - van teed're minnaresse
 
Herschapen in heldin, die 't vaandel op de bresse
 
Durft zwaaijen, - viert haar bot, volschoone profetesse
 
Van and're gulden eeuw; - hoe zeer ten strijd zij spoor'
 
Om 's konings schedel eischt ze onsterfelijker gloor
 
Dan ooit de god des krijgs in bloedig loof beschoor:
118
 
‘Roemruchtig wenscht ge u in de halle der historie!
 
En willig zal mijn hand u waap'nen ter victorie,
 
En blij mijn blik, als gij, der dapp'ren dapp're gids,
 
Verwinnaar wederkeert, u groeten aan hun spits,
 
Geeft ge ook der beê gehoor die rijst om reiner glorie,
 
Uw lof bevelende aan der kunsten schoonste trits!
119
 
De luister van haar sfeer heeft langs mijn wieg gevloten;
 
Al wat ter wereld, fraaist gebootst, geschetst, gekweeld,
[p. 218]
 
Ons door verrukking vormt, ik zag me er door omspeeld:
 
Voor mij is zielen-weelde aan zinnen-lust ontsproten!1
 
Hoe schijnt me uw moeder bij haar taak te kort geschoten,
 
Hoe gaarne heeft mijn voogd in haar verzuim gedeeld!2
120
 
Beschaam ze, Lodewijk! ik wil geene and're wrake
 
Dan die waardoor uw naam zich tot de starren heff'!
 
Geef met den schepter 't sein dat Frankrijks geest ontwake,
 
Tot heel het volk wat 't u verpligt zal zijn beseff':
 
Bourbon zoo Medici als Este's overtreff'
 
En ijverzucht de stad der zeven heuv'len blake!’3
[p. 219]
121
 
Och! bleek hij zoo bezield, als hij betooverd blijkt!
 
Ter schoone dweepster strekt hij de armen, in vervoering,
 
Van hartstogt gloeijende, uit; - een hulde die ze ontwijkt -;
 
Te loor gesteld verbergt zij naauw'lijks hare ontroering
 
Hoe weinig laaije lust op lout'rend licht gelijkt,
 
Hoe hemelvlugt zij wenscht, geene aardsche zamensnoering!
122
 
Veel minder vlijmt de smart, die ons door 't ligchaam vaart
 
Bij wond van pijl of dolk, dan 't leed van teed'rer aard
 
Waardoor, zoo 't woord gij duldt, 't gemoed schijnt weg te krimpen:
 
Als, wreed ontnuchterd, wij vergeefs het nog verglimpen
 
Dat om ons ideaal zich duisternis verzwaart,
 
Schoon 't zegevierend blind moest stralen wie 't beschimpen.
[p. 220]
123
 
Is 't wonder, zoo de blos op 't lief gelaat verbleekt?
 
Zoo 't vonk'len schuil gaat met der lokken sierlijk wuiven?
 
Zoo uit der wimp'ren floers 't weerhouden traantje leekt?
 
Niet vreemder dan dat luid zijn stille deernis spreekt,
 
Dat om haar vinger hij zijn dierst kleinood wil schuiven,
 
In smachtend wachten of zich 't voorhoofd zal onthuiven;
124
 
En 't wolkje wijkt! - wie des behaagzucht haar verwijt
 
Vergeet hoe vaak hij zich in 't zoetste der saizoenen
 
Gevleid heeft dat op 't lest de dorheid zelv' zou groenen:
 
Jeugd, - schoonheid, - gloriedorst, - het drietal voert geen strijd
 
Waarin de star der hoop ooit aan zijn trans ontglijdt,
 
De handvol bloesems vast verkeerende in festoenen.
125
 
Een lachje omzweeft haar mond, zóó schat ze wat hij schenkt:
 
‘Uw zegelring! - ofschoon des wigch'laars roede wenkt
 
Dat ge om der minne wil uw dierste pligten krenkt!’ -
 
Bij zulk een blik doet zelfs geen Mazarin vertsagen:
 
‘Hoe zoude ik van mijn echt me levenslang beklagen,
 
Als and'ren raad dan dien mijns harten ik kon vragen!’
[p. 221]
126
 
‘Uw harte, Lodewijk! maar gunt uw rang het keus?
 
Bekeerbaar, - Pulci's dicht getuigt het, - is de reus,1
 
En Tasso schildert ook de tooveresse2 ontvank'lijk
 
Voor kreten des gemoeds,3 doch, in geen beê toegank'lijk,
 
Eischt staatszucht, nimmermeer verlegen om een leus,
 
Dat ge in haar juk u kromt, verlooch'nend en afhank'lijk.’
127
 
‘Ik heb gekozen, ik! dezelfde wien de zweep
 
Volstond om 't parlement,4 met heel zijn jammersleep,
[p. 222]
 
Uit één te jagen, bang voor 't klett'ren van de sporen;
 
Sints zag het oorlogsveld hoe ik naar 't wapen greep,
 
De jong'ling had den moed van 't knaapje niet verloren:
 
Maria! spijt uw oom, mij zult ge toebehooren!’
128
 
‘Herhaal het! dat uw woord weêr hoop in 't harte wekk'!
 
Te dikwerf ziet de nacht me aan 't hooge venster marren,
 
Vertwijf'lings offer bij de profeetcy der starren,
 
Die me afscheid nemen doet na 't lang, na 't laatst gesprek,
 
'Wijl gij het net niet scheurt dat niemand kan ontwarren:
 
“Gij hebt mij lief, - ge zijt de Koning, - en 'k vertrek!”’1
[p. 223]
129
 
‘Nooit!’ zweert haar Lodewijk. Wat ridder sloeg gereeder
 
Bij zijnen eed op 't zwaard dan hij? Verrassend bluscht
 
Dat vuur der gramschap ze uit, door blik zoo trouw, zoo teeder,
 
Waarin hem regenvlaag en zonneschijn verlust,
 
Bij wien hij haar omarmt en zich voor 't eerste weder -,
 
Voor 't eerst, trots schaamte en schroom, verloofde - voelt gekust!
130
 
Verrukkend oogenblik! volzaligst uur des levens,
 
Als onze ziel zich vleit dat zij haar weêrhelft vond!
 
Ach! waarom zijt gij ook 't bedriegelijkste tevens?
 
Zoo zuchten wie 't genot des blijden opwaart zwevens
 
In onverwachten val op bitter lijden stond,
 
Voor beide hoofd en hart een ongeneesb're wond!
131
 
Zou hij het duchten die het frissche loof der wing'ren
 
Zich nooit om forschen eik bevalliger zag sling'ren
 
Dan langs zijn breede borst der lokken pracht 't nu doet?
 
En echter, de innigheid waardeerend van 't gemoed
 
Uit de oogen hem verklaard, zijn dartelzieke ving'ren
 
Weêrhoudt, of eerbied voor haar onschuldswaas hij voedt!
[p. 224]
132
 
Zou zij het duchten die alreeds de volle halmen
 
Hoort ruischen van den oogst, dien ze in verwachting schept?
 
Gelukkigst 'wijl de faam haar wieken minder klept,
 
Voor 't lauwerloof des krijgs dan voor der kunsten palmen:
 
Waar 't loflied Lodewijk's de wereld door mag galmen
 
Verneemt de erkent'nis ze ook die van Maria rept!
133
 
Neen, - moedig, of voor hem de hindernissen weken,
 
De dochter Habsburg's had verleerd in toorn te ontsteken,1
[p. 225]
 
En Mazarin, gekrenkt, verzoenlijk waar' gebleken; -1
 
Neen, - vrolijk, of het wit bereikend van haar trots
[p. 226]
 
't Lief aanschijn oplook in den dampkring des genots, -
 
Verlaat het bloeijend paar de schreispelonk der rots.
134
 
Daar gaan zij, hand in hand: de schoone troont den sterke
 
Naar elke zij' des wegs waar frisch gebloemt' verrast, -
 
En eischt, als vaak zij poost, dat oog en oor bemerke
 
Wat schitt'rend licht er stroomt door de ongekorven kerke, -
 
Hoe bij den schemerschijn 't geroep der woudduif past,
 
Tot hij in 't roode vest naar 't jagersfluitje tast.
135
 
Waar beuk bij beuk het scherm der breed gespreide twijgen
 
In ied're hemelstreek ten lommerdak laat zijgen,
 
Warande, die den blik uit twintig vista's noodt,
 
Zoo laai, zoo laauw, dat ze om een koeltje zouden hijgen,
 
Wanneer des middags niet alle adem 't bosch ontvlood,
 
Herroept de schelle klank het leven uit den dood.
136
 
Dóór dringt hij: 't woud blijkt oor! - de diepste vergezigten
 
Ontwaken, - pracht stoffeert het landschap, - wederschijn
[p. 227]
 
Verkondt hier vonk'lend goud, daar vlekkeloos satijn -
 
Van honderd tronies zie den glans der vreugde ik lichten;
 
Ach! ware Wouwerman's penseel een omzien 't mijn,
 
Voor welk een rossenpaar zou dit Arabisch zwichten?
137
 
Een luister, als alleen 't azuren zwerk van 't Oost
 
Zijn weergalooze zon des avonds mag ontleenen,
 
Verzelt Dhéjâne alom, bekleedt haar onverpoosd:
 
Uit manen en uit staart slaan vlammen langs haar henen,
 
Terwijl zij, witte wolk, op 't weelderigste bloost,
 
Van stargevonkel, als het waas der lucht, doorschenen.
138
 
De stoutste rijknecht plage in 't knabb'len op 't gebit,
 
Uit afschuw voor zijn boei, onlijdb're schoon vergulde,
 
Geeft Omar's drift zich lucht: hoe stuift het ziedend wit
 
Des schuims den teugel af in 't ronde op 't glanzig git,
 
Tot, of des konings komst met eerbied hem vervulde,
 
Den forschen hals hij kromt in fier geboden hulde.
139
 
Dhéjâne, 't valt de vreugd dier oogen aan te zien,
 
Ontwaart haar meesteresse, en buigt de blanke kniên
 
Op 't vloertapijt dat rap de Nubiërs ontrolden,
 
En beurt den zoeten last, en draagt zoo willig dien
[p. 228]
 
Als zag zij reeds den rid zich duizendvoud vergolden
 
Door 't sierlijk korfje dat Maria's handjes volden.
140
 
Uit Omar's zadel rigt de vorst'lijke gestalt'
 
Van Lodewijk zich op; als hij de gouden toomen
 
Verheft is ord'lijk plaats door hof en wacht genomen:
 
Een flikk'ring van de zweep, die zonder dat zij knalt
 
Gebiedt, en 't liev'lingslied van Henri Quatre schalt,
 
't Geen heel de wereld deed van Gabrielle droomen.
141
 
De god der minne zweeft op 't wiekenpaar den drom
 
Der stil-verloofden voor; hij zwenkt de vista's om
 
Tot beide leste pluim en leste zwaard verglom:
 
Een weelde wier gemis betreurd ware in verzuchten
 
Hadde eensklaps 'k in 't verschiet geen toekomst aan zien luchten
 
Om 't zeerst betoov'rend door haar bloesems en haar vruchten!
142
 
Itaalje's hemel trok van donk're wolken zaêm,
 
Haar renaissance-zon ging, moêgeschenen, onder: -
 
Noch kunst noch wetenschap die niet voor Leo's naam
 
Thans dien van Lodewijk de hulde wenscht der faam:
 
Versailles biedt aan de aard' het achtste wereldwonder, -
 
En 't Invaliden-Huis verzoent met d' oorlogsdonder.
[p. 229]
143
 
't Herschapen landschap volgt gedwee Lenostre's wet;
 
Beschikker beurtelings van beitel en palet
 
Leidt uit dier parken beemd Lebrun ons in zijn zalen, -
 
Wier prachtig welfsel dus niet in verbazing zet
 
Als dat voor weidscher troon dan immer hof zag pralen
 
't Genie op allen rang de zege mag behalen!
144
 
Wie boeit u in de groep van die vernuften 't meest?
 
De schoone Markiezin, occupée à distraire
 
Haar fabeldichter door 't: ‘Quiconque ne voit guère’?1 -
 
Boileau, uit zelfkritiek voor geen kritiek bevreesd? -
 
Racine, qui du coeur dévoile tout mystère? -
 
‘Molière’ roept gij uit, ‘d'oorspronkelijkste geest!’
[p. 230]
145
 
Ach! waarom, lieve! mag dat woord ik niet beloonen,
 
Door frissche blijken hoe zijn vuur te flonk'ren plag?
[p. 231]
 
Ik, die hem Harpagon1, schrikwekkende, vertoonen,
 
Noch, schalkheid zelve, Sganarelle2 geven zag;
 
Of, met een doornenkrans, zich als Alceste kroonen,
 
Tot schreijens toe ontdaan bij der bewond'ring lach!3
146
 
Hij peinsde: er school genot in 't pogen zijn gedachten
 
Te gissen, - 't zij ze, droeve, een wijle schaduw bragten
 
Op 't helder voorhoofd, - 't zij ze, gramme, om de ijdelheên
 
Zoo schaamteloos gevierd, den knevel trillen deên, -
 
't Zij, blijde, 't welkom ze uit de diepe kijkers lachten
 
Waar jeugd en schoon en min hem, reiënde, verscheen!
147
 
Contemplateur!’ die nooit in 't oordeel heeft vergeten
 
Met welk een kleine maat de menschheid dient gemeten,
 
Hoe zwak zij is van hart, hoe ziek'lijk ze is van hoofd!
 
Trots d'overvloed van luim bewaard voor lasterkreten
[p. 232]
 
Als groette hij den glans der toekomst onverdoofd
 
Door waarheidszin en liefde aan ons geslacht beloofd.1
[p. 233]
148
 
Ontging 't me hoe 't penseel dat echte vroomheid maalde:
 
Volkomen harmonie in alle woord en werk!1
[p. 234]
 
Een bliksemflits gelijk in zijne ving'ren straalde
 
Toen 't op de huich'larij Tartuffe's zegepraalde?
 
Wie 't waant, hij wete: als 't kwaad de momme kiest der kerk
 
Stelt maar de hand die stout haar afrukt 't euvel perk! -
149
 
De witte vaan benijd wat luchtstreek haar doe zwieren,
 
Niet 'wijl des standaards kroon mag prijken met laurieren,
 
Om vruchten zoo van vlijt als handel die haar sieren; -
 
De zucht naar kennis door geen steile vlugt vermoeid; -
 
Der kunsten beemd die wijd en zijd verrukkend bloeit, -
 
Heil haar die Lodewijk er 't hart voor heeft ontgloeid!
150
 
Maria!... waarom faalt zij in deez' weidsche kringen?
 
Slechts haar ter eere moest de trits fonteinen springen,
 
Tot zuilen stijgend, die 't verstuivende kristal
 
In bogen welven doen van kleuren zonder tal:
 
Den koning moge een stoet bevalligheên omringen
 
Met haar gelaat ontbreekt 't bezielendste van all'.
151
 
Maria!... dat haar lach weerklonk door deze gaarde!
[p. 235]
 
Hoe streelde ons dan in scherts verscheidenheid van toon,
 
Der staat'lijkheid ontzegd gezeteld op den troon:
 
Waar 't vleiziek brons zijn beeld zoo schitt'rend hief te paarde
 
Of, zegevierend, hij den wereldstaf aanvaardde,
 
Daar voegde in marmer 't hare, als vreugde, lust der goôn.
152
 
Ai! - zoo de geest voorzag hoe des gemoeds begeeren
 
Vervulde zich zijn wensch zou boeten voor zijn waan,
 
't Verstand mogt aan 't gevoel met regt den rug toekeeren;
 
Wie weet of niet uw hoofd 't mijn hart reeds heeft gedaan?
 
Als koninginne waar' Maria in die laan
 
Niet door haar hof omstuwd dan om ons diep te deeren!
153
 
Que de misère au sein d'un faste sans pareil!’
 
De heug'nis van hun wijle in 't woud is hem ontvloden,
 
Toen vonkelende wijn en coupe de vermeil
 
Niet halen mogt bij melk uit houten nap geboden
 
Door lieflijke onschuld; - blijkt al vast le roi-soleil
 
Zoozeer der zinnen prooi dat zij de ziele dooden?
154
 
't Gedroomd paleis verrees, de wonderbeemd ontluikt,
 
Waarin hem de adel viert wiens trots hij heeft gefnuikt,
 
Waarin zelfs vorsten naar zijn gunsten hij ziet honk'ren;
 
Maar hoe die luister voor zijn lust zich zou verdonk'ren
[p. 236]
 
Ontbrak ze er wie zijn blik, van schaamte rood, ontduikt1,
 
Ontbrak ze er wie haar gloed hem schaamteloos laat flonk'ren!
155
 
Marie-Thérèse! al noodt die spiegel-statiekoets
 
Ten wandelrid u uit, al brieschen haar genetten2
[p. 237]
 
Of 't naar den Prado ging, u toeft meer zuurs dan zoets:
 
Daar naauw verheelden spot des overwulpschen stoets
 
Gij opvangt, trots 't gedruisch van trommels en trompetten,
 
Daar van de treê gij deinst en 't echter voelt beletten!1
156
 
Uw meester wijst u plaatse en kiest zich naast u die;
 
Wat huivert gij dewijl hem twee sirenen volgen?
[p. 238]
 
De bitt're drank glijdt zachtst met blijd gelaat gezwolgen!
 
Voorkoom dat bij de scherts van 't landvolk: wie der drie
 
De koningin mag zijn? heur blik een traan bespie':1
 
Hoe daverde d'Olymp werd Zeus op u verbolgen!
157
 
Vroegt, Spaansche lelie! die geleên hebt en gedoogd,
 
Vroegt gij u zelve nooit, als gij in demoed boogt:
 
Waar de Italiaansche roos tot mijnen rang verhoogd,
 
Zou 't lust haar zijn geweest, in ijverzucht ontsteken,
 
Zich op viooltje en tulp des Franschen beemds1 te wreken
 
Al had des konings vloek van rouw haar hart doen breken?
158
 
Verlooch'nende! of in 't wee van uw bespiegeling
 
Hij toch niet d'afgod bleef daar heel uw ziel aan hing,
[p. 239]
 
Wien ge, eer hij haar u vroeg, vergiffenis woudt schenken:
 
Niet als Mancini's telg kon u de jammer krenken
 
Dat digte bij de krans van stralen onder ging
 
Dien ze uit de verte zich zoo schitt'rend toe zag wenken!
159
 
Veelvormig van gelaat zweemt liefde naar de zee:
 
Die lokkend straalt en streelt in 't ruischen langs de reê,
 
Die schokt, die slaat met schrik wil zij de wolken naad'ren;
 
Geweldig als de leeuw, of als het lam gedwee;
 
Gevierd waar gade en kroost om 't keerend zeil vergaad'ren,
 
Gevloekt als 't zinkend schip ons 't bloed verstijft in de aad'ren.
160
 
Ontvangt wie Aphrodite aan de oudheid heeft gebaard
 
Thans hooger hulde in 't lied dat alle tongslag mengelt
 
Wanneer met zusterband zij werelden omstrengelt,
 
Wie prijst den hartstogt, die geen andere evenaart,
 
Niet godd'lijkst als 't geslacht, in 't grootsch verschiet verengeld,
 
Hem hier reeds wieken dankt, wier vlugt aan 't stof ontvaart?
161
 
U teedre! wars van alle ontleedzucht in 't gevoelen,
 
U, die het lyrisch-kort gaat boven 't episch-lang,
[p. 240]
 
Verklaart mijne enk'le vraag der geestdrift snel verkoelen
 
Voor Frankrijk's gulden eeuw zoo goed als heel een zang;
 
Maar schildert ze ook hoe 'k bij dat dartelzieke woelen
 
Steeds somb'rer werd gestemd, tot 't uitzigt viel te bang?
162
 
't Was noch meêwarigheid, die om Maria schreide
 
Daar ze ontrouws offer bleek in d' opgedrongen echt1:
 
Teloorgestelde, als hoop op dank der kunst haar vleide,
 
Teloorgestelde, als 't eind der ballingschap zij beidde,
 
De zwerfster zuid en noord, wie ruste was ontzegd
 
Eer ze in 't vergeten graf vergeten werd gelegd; -
163
 
Noch verontwaardiging, 'wijl d'adelaar, wiens pennen,
 
Volstonden om der zonne in 't aangezigt te rennen,
 
Uit laauwe hoflucht niet naar frisscher dampkring heeg:
 
'Wijl Bossuet, wiens stem tot die des donders steeg,
 
Molière's heug'nis op zijn lijk'baar aan dorst schennen,
 
Doch in de wierookwolk van 's konings gruw'len zweeg; -
[p. 241]
164
 
Noch afschuw van de vrouw1, den hofkring ingeslopen
 
Als trouwe hoedster van der dubbele echtbreuk teelt, -
 
Die stroef, die stemmig maar de vroomheid bragt in beeld
 
Om voor ennui sans fin de schaâuw eens rangs te koopen, -
 
Die d'ouden zondaar op een troon omhoog doet hopen,
 
Wanneer omlaag geloofsvervolging hij beveelt!
165
 
Die nacht viel nog niet in; - mijn blik zag langs de kimmen
 
Der wereld van het west een oorlog tegen grimmen,
 
Waaruit zijn gloriezon ten hoogsten trans zou klimmen:
 
In toomeloozen trots lachte, alle marren moê,
 
Een dubb'le zegepraal zijn veldheersdegen toe,
 
Om strijd der koopliên en der kett'ren geeselroe!
166
 
Hij heft dien dreigende op: ‘wat durft het zich vermeten
 
Ons wederstand te biên, als niemands onderdaan,
 
Dat kroost van visschersvolk, 't geen met gesmoord geweten
 
De teugels van 't gezag aan flarden heeft gereten,
 
't Geloof den schop gaf in verguisde kerksieraên:
 
Zijn slibb'rig erf gelijk het schuim van d' oceaan.
[p. 242]
167
 
Wat stoft het op zijn beemd, ontwoekerd aan moerassen?
 
Wat op zijn staap'len gouds die gierigheid mogt tassen,
 
Geneugten-arm als dag aan dag zij d'arbeid rekt?
 
Wat op 't verkeeren van de hulkjes uit zijn plassen
 
In zeekasteelen, waar geen kust door wordt ontdekt
 
Op wie zijn winzucht niet de bavianen lekt?
168
 
Wat hebben er, door God tot heerschers uitverkoor'nen
 
Zich in Europa's raad zoo lang, zoo laf bekreund,
 
Aan 't oordeel van zijn Maagd op 't bijbelboek geleund?
 
Een huich'larij alleen volstaande tot vertoornen! -
 
Als van Vauban's geschut der duinen grondslag dreunt,
 
Buigt d' oproerspeer voor ons, in 't purper grootsch geboor'nen!’ -
169
 
Vriendin! 'k verheelde u niet wat lof mijn harte wijdt
 
Dier slechts al mijm'rend voor ons hoofd te ontsluiten wareld,
 
Waardoor verbeelding met haar reuzenschreden schrijdt
 
Van dienaressen in der droomen stoet omdwareld,
 
Waaruit gezigte bij gezigte ons dus verblijdt
 
Dat der verrassing dank in vochte blikken parelt;
[p. 243]
170
 
Toch tuige ik dat mij van dier penning keerzijde ijst,
 
Hoe zeer de ontroering voor de ontbeering 'k niet wil ruilen,
 
Zoo vaak in 't visioen een vrees'lijk schouwspel rijst
 
Dat alle tusschenkomst wreedaardig van zich wijst:
 
Als ik het arme lam niet ijlings weg doen schuilen,
 
Den wolf niet vellen mag, dien 'k hong'rig aan hoor huilen.
171
 
Vermoedt gij hoe de hoon van zoo verwaten vorst,
 
Wiens zedeloosheid zelfs de deugden last'ren dorst
 
Ten pijlers strekkende aan de Zeven Vrije Landen,
 
Onduldbr'e folt'ring werd door 't knellen van die banden?
 
Verteerende, als het vuur mogt smeulen in mijn borst,
 
Onmagtig, als het bleek in laaije vlam te ontbranden;
172
 
Of gij niet moeder waart! of nimmermeer het hart
 
U zaamkromp scheen de kreet eens kinds uw slaap te storen,
 
't Geschrei uit vuur of vloed zoo jamm'rend drong in de ooren,
 
Dat, toegesneld, gij gloed of golven hadt getart,
 
Zaagt, radelooze! vast versteenend, ge in die smart,
 
Ter redding langer maar de veerkracht u beschoren.
[p. 244]
173
 
Ontwakend' smaaktet gij 't verteed'rendst zielsgenot:
 
In 't wiegje lachte 't wicht; erkent'lijk voor uw lot
 
Verhieven dank en lof al jub'lend zich tot God, -
 
Maar viel de wassende angst uit mijn gemoed te weeren
 
Die 's lands bewind, dat tal van legers moest braveeren,
 
De borg van magt niet meer in eendragt zag waarderen?
174
 
Partijzucht offert driest der goê gemeente heil
 
Haar driften op, - wist ze ooit van aarz'len in 't verminken
 
Eens volks? - vreest haar triomf dat, ‘nergens is zoo veil
 
De nietverwachte val, als op de toppen steil;
 
Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken
 
Het gypen als voor wind, en zoo gereedt het zinken?’1
175
 
Vergeefs zag 't gister nog den Theems gezet in brand2, -
 
Ten oorlog uitgezeild, de vreê gehaald in 't land, -
 
Den vijand als weleer in 't aangezigt gevlogen
[p. 245]
 
En van 't ligtzinnig hoofd de pracht gemaakt tot schand'1, -
 
Zelfs in 't gevierd Verbond2, trots al zijn glans, bedrogen,
 
Wordt, weerelooze schaar! uw ondergang voltogen!
176
 
‘Te wapen!’ klinkt uw kreet; te wapen? zonder heer
 
En zonder legerhoofd? aan wien de burgerijë
[p. 246]
 
Gewillig goed en bloed voor 't erf der vaad'ren wijë,
 
Den dood niet schromend redt in 't sneuv'len zij hare eer? -
 
‘Te wapen! dat nog eens de wanhoop ons bevrijë,
 
Of overzwalp' de zee het lieve Holland weêr!’ -
177
 
Verkwikkende ommekeer!.... Straks hevig aangevochten
 
Door al wat vreeze of schrik ooit borstbeklemmends had
 
Ontging op eens ik 't juk dier beide onvruchtb're togten:
 
Voor 't weegejammer van de radelooze stad
 
Genoot op stille hei, haar slingergrage bogten
 
Er smakend, geel door bruin, ik 't streelendst herfstluchtbad.
178
 
Slechts bruin? - moest menig plek zich met deez' kleur vernoegen,
 
Als witte wolkjes, die naar d'avondkimme joegen,
 
Heur sluijers spreidden, op 't bevalligst fluks verbreed;
 
Zoodra in snelle vaart de schaduw verder gleed,
 
Scheen 't weidscher: paars ter nood bij 't bloeijend veld te voegen,
 
Bleek 't vorst'lijk: purper 't woord wel waard er aan besteed.
179
 
Slechts geel? - waar schaars, waar nooit, door 't hellen naar het noorden
[p. 247]
 
Van klingen zonder tal, de zonnestralen gloorden,
 
Misschien; - maar louter goud, bij beurte in oost en west, -
 
Maar toen metalen gloed, in kwikken, kransen, koorden,
 
Om heuvelen gekwist; - maar blinkend, tot op 't lest
 
De luwt' van 't bosch ik wenschte, als wacht in 't zuid gevest.
180
 
Verfrissching aêmde me uit het oosterkoeltje tegen,
 
Al woei 't zoo weinig, dat de daauw in drop bij drop
 
Aan 't schomm'lend struikgewas haar luister bleef bewegen;
 
Wat schrikte dan, gerust in 't lommerloof gelegen,
 
Wat hief dan blaauwe hals, wat hief dan roode kop,
 
Van die patrijzenkluft vervaard in 't zwerk zich op?
181
 
Om blikte de oude haan, wiens zorg de zijnen telde:
 
Niet één die faalde; - voort! was 't sein naar veil'ger velde
 
Dan 't heivlak, waarop hem geene ijdele onrust kwelde:
 
Mijn oor ving uit de veerte een schett'rend jagtrumoer,
 
Dat ondergang den vorst der gindsche wouden zwoer,
 
Die met des weêrlichts vaart het dwar'lend stof ontvoer.
182
 
De wilde woede van wie hijgend na hem renden,
 
Begeerig uit op 't bloed dat afdroop van zijn lenden,
[p. 248]
 
Waar walgelijk geweest, had zij hem niet vergood:
 
Wat aardsche majesteit bleek afgestreên zoo groot,
 
Als toen zijn fierheid ik de horens op zag wenden,
 
En naar den trans zijn blik 't vaarwel in tranen schoot?
183
 
Gedacht zijn hart hoe hier de min zijn moed beproefde,
 
Wanneer, op d' oorlogskreet die door den nacht weêrklonk,
 
In 't maanlicht breeder vlugt dan hij mogt beuren blonk;
 
De bangste worst'ling hem in beider schaak'ling toefde;
 
En echter hij het graf des mededingers groefde,
 
En de overwinning hem de schoonste hinde schonk?1
[p. 249]
184
 
Een heugenis van zege in wanhoops laatste stonde!
 
Gejammer noch gejuich dat blijk gaf aan de schaar,
 
Die daav'rend digter kwam, hoe d' indruk zalfde of wondde;
 
Maar uit had alle schrik bij 't steig'ren van 't gevaar:
 
Verwinnaar keerde hij verwonnen zich tot haar,
 
Een eerbied vergend' dien zij hem al huiv'rend gonde!1
185
 
Voorbij bleek die: - der zweep viel 't zwaar genoeg den troep
 
Bespring'ren in hun roes van zege te weêrhouën, -
 
Daar galmde langs de hei der jaag'ren vreugderoep,
 
Ten hoogen hemel steeg 't Wilhelmus van Nassouwen, -
 
Een jeugdig ruit'renpaar stoof uit der eed'len groep
 
Ons spoorslags nader: waar mogt beide ik meer aanschouwen?
[p. 250]
186
 
't Was of in 't antwoord mij de kunstkast openging,
 
Het sieraad van de Burcht, - daar vriend noch vreemdeling
 
Ooit meesterhand als die haar beitel wist te sturen
 
Een eikenlooverkrans zag sling'ren bij de buren, -
 
Ons echter dierbaarst door de wijding die ze ontving
 
In 't allerheiligst', rijk aan twee miniaturen.
187
 
Geen dankb're stoffe boôn heur beeldekens 't penseel
 
In vrouw'lijk schoon dat ons bij d'eersten blik betoovert,
 
In wangen perzikwaas bedeelende aan fluweel,
 
In lokken, goud of git, wier dartelziek gespeel
 
Naar bladgesuizel zweemt dat bloesempracht omloovert,
 
In geest en gloed die al wat deez' bestraalt verovert!
188
 
Wel zwaarder eisch had zich de schilder zien gesteld,
 
Door 't uiterlijk verschil bij 't innerlijk gelijken
 
Van 't jong'lings tweetal, wier gemoedsaard niet mogt blijken
 
Uit wedstrijd om wat borg voor mannen-toekomst geldt:
 
De lust in 't leven, daar de breede borst van zwelt,
 
De worstelkracht, waarvoor 't weêrbarstig lot zal wijken;
[p. 251]
189
 
Verheev'ner indruk toch dan zinnen-poëzie
 
Te weeg mag brengen, vroeg, in zielen-sympathie,
 
Zoo ernstige eerste jeugd van 's kunstenaars genie:
 
Aanschouw'lijk had het ons een vriendschapsbond voor 't leven,
 
Orestes-Pylades, wier schimmen zamen zweven1,
 
Of David-Jonathan, de onscheidb'ren2, weêr te geven;
190
 
En slagen mogt het! - nooit werd ongelijkb're trouw,
 
Werd lout'rer weelde nog dan liefde voor een vrouw3
 
Verheerlijkt als 't om 't zeerst geschiedde op deze ovalen:
[p. 252]
 
Den weêrspoed tartend, schoon hij schicht bij schicht liet dalen,
 
Daar 't innigst meêgevoel hen 't leed verzachten zou,
 
Daar in 't verscheidens-uur hun handdruk niet kon falen1!
191
 
En slagen mogt het! - toen der rossen wilde ren
 
Voor 't hert zich teug'len zag, begroette ik fluks in hen
 
Den luister van ons huis in 's lands geschied'nis-blaêren,
 
De glorie eens geslachts welks weergade ik niet ken:
 
't Gaf mind'ren lof geen pas aan meerd'ren zich te paren
 
Wanneer de laatste 't eerst mijn lippen ware ontvaren.
192
 
Onz' voorzaat, - Neef's gestalt' verheft zich als hij 't zegt, -
 
Was, eer de vier'ge vaart zijns kleppers bleek bedwongen,
 
In paadjes overmoed, den zadel uitgesprongen,
 
En stond bij 's Prinsen hengst, en wierp ten rapsten knecht
 
De toomen, allen voor die meê om de eere dongen
 
Den meester 't hert te biên naar 't oude jagersregt.
[p. 253]
193
 
Hoe sierlijk kwam zij uit, de slankheid van zijn leden,
 
Het offer tillend dat te zwaar den arm niet woog
 
Al was 't, bezwijkend', diep het heizand ingegleden;
 
Hoe schild'rig beurde hij de staat'lijkheid omhoog
 
Der kroon, wier takken zich nog even fier verbreedden,
 
Als toen er in den vloed der golven schuim om vloog!
194
 
In beeld gebragte vreugd door 't weidmans-hart genoten
 
Omvonkte hem niet slechts het bloeijend aangezigt
 
Een gulden tinteling der lokken pracht ontschoten:
 
Voldoening, 'wijl de kamp met zege werd besloten,
 
Vond, werwaarts ook zich 't blaauw der kijkers had gerigt,
 
Bij ieder lid des krings weêrkaatsing van hun licht.
195
 
En toch, den trots ten spijt dien deez' triomf mogt wekken,
 
Viel zelfs geen blijdschapsgloor op 't bleek gelaat te ontdekken
 
Des jongen vorsten, die, hoe lief de jagt hij had,
 
Te groot een heerschappij op elke drift bezat
 
Om meê ten speelbal van hartstogt'lijkheid te strekken,
 
Die, stillend, door de schaar tot voor de hoofdgroep trad;
[p. 254]
196
 
Het staal ging uit de scheê, - verhief hij 't onbewogen? -
 
Mij dacht zijns voorhoofds strak zoo schitt'rend ruime baan
 
In graauwheid van gepeins, wegscheem'rend, schuil gegaan,
 
De wimperhuive strekte een scherm voor d'aadlaars oogen;
 
Verteederde die val 't gemoed tot mededoogen?
 
Of greep dat lot den geest als een voorspelling aan?
197
 
‘Ach, Bentinck1!’ sprak de Prins, - als weêr te paard gestegen,
 
't Gevolg vooruitgesneld, aan 't eind der heidewegen
 
Hen lommerloof ontving ten welfsel zaamgezegen: -
 
‘Ach, Bentinck! hoe ik straks werd door den wensch verzocht
 
Dat, dra de grens genaakt van 's levens lijdenstogt,
 
Manhaftig, 't hert gelijk, ik strijdend' sterven mogt?’
198
 
Er ademde uit de wijz' waarop zij balsem stortte
 
Een teederheid van wie schaars jong'lings-vriendschap weet:
[p. 255]
 
De paadje hoorde naauw hoe 's meesters stemme hortte,
 
Of zachter draafde 't ros dat hij den teugel kortte;
 
Den paadje deerde naauw des harten jammerkreet,
 
Of d' aanblik van het bosch beloofde troost in leed.
199
 
‘Uw heden, Hoogheid! geeft maar stof tot somber klagen,
 
Wanneer, de blikken naar die dorre blaên geslagen,
 
Ge alleen het duister ziet daar mos en gras in kwijnt;
 
Doch and'ren indruk zoudt gij vrolijk mede dragen,
 
Verraste u, treffend beeld van wat me uw toekomst schijnt,
 
Omhoog dier kruinen glans, waaruit de schaâuw verdwijnt.’
200
 
‘Vergeef,’ - was 't wederwoord, - ‘ofschoon uw doel ik schatte,
 
Het middel mist bij mij: zoo vinding u verheugt,
 
In dichterlijken droom schiep nooit mijn geest geneugt;
 
Vergeef mij, die dan eer het woord der Schrift nog vatte:
 
“Gelukkig wie zijn juk mag dragen in zijn jeugd”1,
 
Het borgt zijn kracht dat in niets oevels uit zij spatte.
201
 
Och! waar 't mij niet ter straffe, uit wraakzucht opgelegd!
 
Heeft dan mijn voorgeslacht den geest des volks verdorven? -
[p. 256]
 
Die overgrootvaêr1, voor zijn onvervreemdbaar regt
 
Op vrijheid van gewisse, als martelaar gestorven? -
 
Die oud-oom2, door de zege omstraald in elk gevecht,
 
Tot de onafhank'lijkheid bleek met 'zijn kling verworven? -
202
 
Die grootvaêr3, goelijk, als d' olijf hij heeft gezwaaid
 
Zoodra de lauwerkrans mogt blinken om zijn schedel,
 
Gevierd, 'wijl overvloed van oogsten werd gemaaid,
 
Als nimmer zaad nog bood in tranen uitgezaaid? -
 
Ai! wat misdreef ik toch, een twijge uit tronk zoo edel,
 
Dat niet om gunst, dat om mijn regt vergeefs ik bedel!
203
 
Mijns vaders hooge moed, wat staat zijn wees gij duur!
 
Een zetel in den raad, waardoor des lands bestuur,
 
Een rang in 't heir, waardoor ik oorlog voeren leere,
 
Geweigerd wordt wat ook het kind des staats begeere:
 
Des jammers zoon zoo vaak, na 't vlugtig jagensuur,
 
Op 't Huis te Dieren4 ik tot mijn bespieders keere!
[p. 257]
204
 
‘Bespieders? heeft mij straks 't Wilhelmus niet verschrikt,
 
Of voor die oproerleus, wegstervend' langs de heide,
 
Me een straffer hoede van mijn strenge meesters beidde?...
 
Zie, hadde ik toen als thans ten hemel opgeblikt,
 
't Bewustzijn waar' gekeerd dat liefd'rijk voorbeschikt
 
Een werktuig van zijn wil de Heer in ons bereidde!’1
205
 
Geloof! dat als een star zijn somber pad bescheent,
 
Schoon later wijsbegeerte u maar een dwaallicht meent,
 
Wat hebt ge al kracht van ziel den zwakken knaap verleend,
 
Die, sedert in uw school zijn pligtbesef ontwaakte,
 
Hoe menigwerf 't geluk op 't grilligst hem verzaakte,
 
Trots wapen-wederspoed den heil'gen strijd niet staakte!
206
 
Misdeelde, had geen lach in 't leven hem begroet
 
Dewijl van vreugd noch dank 't langs moeders wangen leekte,
[p. 258]
 
- Voor d'eersten zoeten kus een zilten tranenvloed! -
 
Der vroeg verweeuwde1 greep de heug'nis in 't gemoed
 
Wat weelde haar gemaal den forschen boezem weekte,
 
Toen 't blosjen hem verried hoe blijde hoop zij kweekte; -
207
 
Misdeelde, wien 't gewest, - welks trouwe zijn geslacht
 
Onkreukbaar als de moed des waterliebaarts dacht
[p. 259]
 
De golven tartend door: ik worstel, maar drijf boven;1
 
Eene eere derven deed in zijn geboortenacht,
 
Een luister om zijn wieg haar glansen uit liet dooven
 
Die erfelijk zijn huis zich mogt verknocht gelooven;2
208
 
Misdeelde, vreemd aan vreugde in vorstelijke zaal,
 
Als vrouw'lijke ijverzucht om zijn voogdijschap twistte,
 
Als louter luim van spel en straf des knaaps besliste,
 
Princesse Douairière3 of wel Princes Royaal;
[p. 260]
 
En wiens ontwikk'ling in zijn meesters mannen miste
 
Op 't harte-winnen uit, ook bij het stugst onthaal.
[p. 261]
209
 
Het stugst onthaal? Wanneer ge uit duister zulker boomen,
 
Wanneer ge in luister als dier scheem'ring grenzen daagt,
 
Van verre, op 't fiere ros, hem, fierder, hadt zien komen,
 
Er zou door u van stuursch- noch stroefheid zijn geklaagd:
 
De lachjes mogen nog die dunne lippen schromen,
 
De vroeg're rimpel blijkt van 't voorhoofd weggevaagd.
210
 
In schalkte wijkt hij voor des paadjes ondeugd geerne,
 
Zoo vaak langs doornenhaag een flinke boerendeerne
 
Hen gaêslaand wegschuilt of weêr opduikt uit het groen,
[p. 262]
 
- Gelijk de zoete Mei 't er wit en rood zag doen, -
 
En Bentinck schertsziek roept dat zij haar lokken tweerne,
 
'Wijl ze in zijn flikkerts vaart den wind voorbij zal spoên;
211
 
Doch wie, zoo 't heuschheid geldt, die hem op zij' mag streven?
 
‘Al is ons Prinsje...’ wordt daar vrolijk aangeheven,
 
Om de oude linde liep 't van speelsche schooljeugd vol,
 
En 'k zie de regterhand hem d'ouden krijgsman geven,
 
Die 't neuriede, of zijn borst van trotsche erinn'ring zwol
 
Des blijden zegegalms: ‘Prins Frederick heeft Grol!’1
212
 
Verscheiden mann'lijk schoon der lente-levensjaren,
 
Zoo kwistig door natuur het vriendenpaar bedeeld,
 
Hoe blijft de menigte op uw tegenstelling staren:
 
Hier 's ochtends blonde tint, - daar glinst'rend bruine haren, -
 
Een blik zoo blij te moê, dat aller hart hij steelt, -
 
Een oogenopslag, die, verzoekende, beveelt.
[p. 263]
213
 
‘Och, waarom beurt gij niet, als eertijds tegen Spanje
 
Uw grootvaêr plag te doen, “'t veldteeken van oranje
 
Versierd met gouden kant, en blaauwe en zilv'ren franje”1
 
Thans tegen den François?’ - maar Willem leent geen oor
 
Zoo hagchelijk een beê, - op 't smalle heuvelspoor
 
Zwiert vast de witte veêr den wapenbroeder voor;
214
 
Steeds kronk'lend stijgt de weg; - de stopp'lige akkers wijken
 
Allengs voor boschjes, die met roode bessen prijken,
 
Voor eiken-herfstgroen, dat hun voorjaars- overtreft: -
 
Als zich een vleugelslag ter slinkerzij verheft,
 
Dan zien de lijster naar een diepte neêr zij strijken
 
Waarvan zoo rap een rid den afstand naauw beseft; -
215
 
Ter regter zwenken ze op, waar enk'le popels trillen: -
 
Daar sluimert aan hun voet een beukenblaad'ren zee;
 
Wat wolkje rook's blaauwt voor langs gindsche geele steê? -
 
Wel mogt van eenzaamheid zoo doodsch als deez' hem rillen
 
Wiens arm het hout er hakt om 's levens nood te stillen
 
Ging huw'lijksliefde niet in 't schamelst hutje meê, -
[p. 264]
216
 
Neêr stuiven ze in hun vaart, - niet uitgelokt tot poozen,
 
Schoon loof- bij loofgang zich ter wederzij verbreedt,
 
Schoon 't wijfje, dat haar wicht de borst geeft zonder blozen,
 
Met d'eersteling zoo blijd, hen hartlijk welkom heet, -
 
Gewezen is de weg, dien zij den kortsten weet:
 
Op rent weêr 't rossenpaar, als had het zelf gekozen;
217
 
En echter blijken prins en paadje, om 't zeerste, doof
 
Voor allen prikkel, die hen riep naar 't Huis te Dieren
 
Zoo lang des heuvels zand in 't klaav'ren om hen stoof:
 
Den top bereikend, waar het naaldhout 't mos laat tieren,
 
Weêrstaan den lust zij niet, verkwikt door 't geurend loof,
 
Bewond'ringsweelde in 't schoon van 't landschap bot te vieren.
218
 
Schakeering-rijk beheerscht de verw der hoop 't verschiet, -
 
Waarover 't zonnelicht een gulden luister giet,
 
Die weêrkaatst van den vloed in kronkelflikkeringen,
 
Of aad'ren zilvers door 't smaragd der beemden gingen;
 
Die weêrkaatst waar de blik zich kerken beuren ziet,
 
Wier torenspitsen tot in 't graauw der veerte dringen; -
[p. 265]
219
 
Een uitzigt, 't geen niet slechts des landbouws lof verkondt
 
Als, onder 't stappen dat de kleppers doet bedaren,
 
Hen 't bont tapeet verrukt van zoo verscheiden grond:
 
Voor wien hij 't velerlei dier zaadgewassen vond,
 
Wier ruischende oogsten vast ten dorschvloer zijn gevaren,
 
Wier weêr beloofde ze in dien zweem van groen ontwaren;
220
 
Een wereld, waarin 't lot geen wreev'lige aanklagt ducht
 
Wijl 't minder hoog dan laag bezoekt met krankte en kommer
 
De stulp gelijk 't kasteel opnemende in haar lommer,
 
Voor beiden mild met licht, - voor beiden mild met lucht:
 
Der armoê eenvoud dus verkwikkend' door genucht,
 
Dat rijkdom last haar schijnt in overvloeds beslommer!
221
 
Niet Willem mijmert zoo: de zadelknop van 't paard
 
Verstrekt hem steunpunt voor de uit een gevouwen kaart
 
Van 't landschap, waar hij met zijn kijker om in waart,
 
Of hij in hinderlaag des vijands heir vermoedde,
 
Of hij, ter hulp der schaar, bevolen aan zijn hoede,
 
't Bedreigde plekje zocht en pijlsnel derwaarts spoedde:
[p. 266]
222
 
‘Als ginds de lelievaan haar banen wapp'ren deed,’
 
Vraagt stouter vlugt, ‘als vast de veldbrug werd gereed,
 
Wat plek zou Lodewijk tot landingsplaats verkiezen?
 
Deez', - dunkt me, - en toch zoo hier de Zeeuwen, daar de Friezen,
 
In 't midden Holland, zich verhieven op mijn kreet,
 
Bebloede vederpracht moest schuil gaan in die biezen!
223
 
‘Zie, Bentinck!’ - maar de blik des jongen mans verraadt,
 
Schoon dien gedroomden krijg hij schijnbaar gadeslaat,
 
Dat minder tooverkracht hem boeit aan 's vorsten vinger
 
Dan de uiterwaard bezit, daar 't vee zich, spieg'lend, baadt,
 
Dan troont naar 't schild'rig veer, waarheen, hoe dwars zij slinger,
 
Dat touw die pont toch voert, des dwarelstrooms bedwinger.
224
 
‘Uw Hoogheid!’ - zegt de paadje, - ‘aan elk van ons zijn taak!
 
Gij mogt het uit den mond diens ouden krijgsmans hooren
 
Hoe u de veldheersstaf door 't volk al werd beschoren:
[p. 267]
 
Voor mij, uw dienaar, zie de slag, naar wien ik haak
 
Als deez' rivier naar zee, door u de plek gekoren,
 
Waarop mijn degen tuig' van welk een trouwe ik blaak.’ -
225
 
Gij dienaar...! even min als Zuylestein 't mag heeten, -
 
‘Gij dienaar...! even min als ik dus Huygens schat, -
 
Gij, Bentinck! die den last verligt hebt van de keten
 
Uw makker aangelegd bij d'opgang van zijn pad;
 
Gij, vrienden, die mijn hart te vuur'ger dank moet weten,
 
Te grooter vleijersdrom mijns vaders gunst vergat!’ -
226
 
Vóór alles eischtet gij steeds waarheid in 't vertellen,
 
‘Soet vrouwtje, diens gebed gebod is over my,’1
 
En, trots verschoonb're vrees hoe gij me uit jok zoudt kwellen
 
Wat hoogmoed bij die groep mijn naneefs borst deed zwellen,
 
Had hunne omarming mij verlokt tot hovaardij
 
't Ware u beleden,... maar op eens verflaauwde zij.
[p. 268]
227
 
Geen hechte schalmen, door der rede wil geklonken,
 
Gelijken in den droom gedachten maar de vonken
 
Ontspringende aan het staal, als 't laai op 't aanbeeld gloeit:
 
Veelkleur'ge tinteling, die slechts verdwijnend boeit,
 
Gispt de ouderdom de jeugd, zoo vaak, verrassing dronken,
 
Ze bij de smidse wijlt, waaruit de stormwind loeit;
228
 
Maar schat hij, in zijn waan van weten, ons niet wijzer
 
Dan wat er blonds of bruins in rossen schemer draal',
 
Dan wat die vaart van vuur er toejuich' honderdmaal,
 
Wij groeten, als die drom, de ontnuchtering wel grijzer
 
Maar niet gelukkiger, 'wijl bij 't verspattend ijzer
 
Haar zin zij dierf voor 't schoon dier spranken van metaal.
229
 
Ofschoon van 's heuvels top noch prins noch paadje weken
 
Scheen tegen 't blaauw der lucht hun omtrek te verbleeken,
 
Terwijl vergeefs ik zocht dien 'k noode er zag ontbreken:
 
‘Het ijdel wenschen daar der jonkheid hart van hijgt,’
 
Valt wijsheid vinnig in, ‘of niet meer gloed nog stijgt,
 
Als in de duisternis de laatste flonk'ring zijgt.’
[p. 269]
230
 
U is 't geen raadsel meer naar wien mijn blik zich rigtte,
 
Sints d'aanhef ik gedacht vernuft en vriendschap diêr,
 
Sints 'k u het fraaije vers dorst wijden dat hij dichtte,1
 
Fraai, - schoon 't gebruik zijn tijds hem tot een diens verpligtte,
 
Door d'onzen, ligt min juist, verzangerigd in wier, -
 
Fraai, - hart'lijke innigheid gepaard aan hoofschen zwier.
231
 
Uwe oogen hadt ge, als ik de mijne, laten weiden
 
Of ergens, op de paên, die naar ons loofdak leidden,
 
Geen statig stijgend ros een deftig ruiter droeg,
 
Wiens heuschheid, in 't gebaar zijns groets viel te onderscheiden
 
Zelfs als de wind door 't blond der dunne lokken joeg,
 
Wiens ernstig aangezigt van zielenvrede loeg:
232
 
Gemoed en geest elkaêr opwegend en doordringend,
 
't Geheim der grootheid van dier gulden eeuw gemeent', -
[p. 270]
 
Wier zin en ziel in hem verrassend bleek vereend,
 
Geen kracht, geen gaaf, geen lust verlooch'nend of bedwingend;
 
Die prikk'len achtend' ter ontwikk'ling ons verleend, -
 
In 't stof alreê naar 't heil van hooger sfeeren dingend! -
233
 
Hij, in wiens eerste lied1 zich hoofd en harte ontsluit,
 
Of 't blad of 't bloesem waar' van zijn gevierde linden:
 
Wat frischheid straalt er af! Wat balsem geurt er uit! -
 
Schoon hij de banden prijst, die 't hechtste aan de aarde binden, -
 
Der vaad'ren land, der liefste lippen, - weet zijn luit
 
Verheev'ner noten voor onz' hemelvaart te vinden!2
[p. 271]
234
 
Werd vroege kennisdorst ooit weeld'riger gedrenkt
 
Uit schalen, die om strijd verleên en heden boden,
 
Dan 't hem weêrvoer, wien oud en nieuw den lauwer schenkt?
 
Zag immer jong'ling zich door kunst bij kunst gewenkt
 
Als hij, dien alle om 't zeerst in haren lusthof noodden
 
Eer naar de lier hij dong, de hoogste gaaf der goden?1
235
 
Hij, die de wereld van zijn dagen, 't licht en 't bruin,
 
Benijdbaar gâ mogt slaan als gunst'ling der fortuin, -
 
In vaderlandschen beemd, van vergelegen reede,
 
't Gebloemte plukkend waar 't ook oplook voor zijn schrede,
 
Nu in der Britten hof, dan langs der Alpen kruin, -
 
Ging niet naar 't zoet tehuis al wat hij zaâmlas mede?
236
 
Gekeerd stoffeerde hij geen breed gespannen doek
 
Met wond're wemeling van reuzige figuren:
[p. 272]
 
Slechts in de korte wijl der werkzaam ledige uren, -1
 
De zoetste wis zijns dags, - kwam d'etsplaat uit den hoek
 
En griffelde zijn naald zoo kunstig en zoo kloek
 
Dat ze in een oogwenk schiep wat de eeuwen zal verduren;
237
 
Toch had, trots al den lof dien 't werk ge waardig keurt,
 
- Zoo zijn verrassing ons ware uit het dal gebeurd, -
 
Uw dank'bre hulde, opregt, de soberheid betreurd,
 
Die, schoon kenschetsend hij zijn vorstentrits dorst roemen2,
 
Hunne egaas hem alleen eerbiediglijk deed noemen,
 
Als ging het oordeel schuil in schaduw zulker bloemen!
238
 
Gij, die den spot drijft met onz' kieschheid, - zoo verfijnd
 
Of ze alle vlam van minne, of ze al heur vonken bluschte,
 
Hoe zeer ze in donker nog de liefste dartel mijnt, -
 
Gij, die 't geen grofheid acht wat haar een gruwel schijnt
 
Dat, op zijn ouden dag, zich Hofwyck's heer verlustte
 
In 't luist'ren naar het paar dat om een hoekje kuste3;
[p. 273]
239
 
Gij die dat, wedde ik, al wat zingt gerust liet doen,
 
- Het luist'ren, meene ik, - als ook ons in ‘vrouwen-soen’
 
Het lief'lijk voorspel klonk van eerbaar huw'lijks leven1,
 
Van hope als Keesjes beê van Trijntjes ja! mogt voên,
 
Van hand en hart zoo graag en zoo geheel gegeven
 
Dat d'evenaar gestaêg bleef in het huisje zweven2;
240
 
Gij, and're Sterre3, - die zijn Daghwerck 't minst genoot
 
Waar, 't meest om harent wil, hij schijnschoon onkruid plukte,
 
Marino volgend, - maar wier hoofd in weemoed bukte
[p. 274]
 
Niet enkel toen de klagt Petrarca's 't lied besloot,
 
Neen, telkens als hij zoo oorspronk'lijk uit het drukte
 
Wat heil een echt, als deez' hervormd en huis'lijk, bood;
241
 
Gij hadt hem, als hij ons ware in dat uur verschenen,
 
Vol geest toch goelijk, zoo beminn'lijk schoon bedaagd,
 
Uw bede niet gestort of haar ook 't oor zien leenen:
 
Prinsessen, daar zijn dicht te zelden van gewaagt,
[p. 275]
 
Schoone oogen, licht van vreugd, - schoone oogen dof van 't weenen, -
 
Hoe waren zij door u bewonderd en beklaagd!
242
 
Wis deedt ge 't fluks om 't zeerst de grijze, fransche vrouwe1,
 
Die hij in wijlen zag van onvertroostb're rouwe
 
Toen zij hem, knaapje aan 't hof, ten handkus naad'ren liet;
[p. 276]
 
Wat vleijend vorstenwoord zijn' heugnis ooit ontschiet'
 
Het voorbeeld dat zij hem beval in vaders trouwe:
 
La patrie et la foi!’ die les vergeet hij niet!
243
 
Aanvallig tegenbeeld van Freed'rik Hendrik's moeder
 
Daagt jonge Amalië u, - dien prinse door zijn broeder
[p. 277]
 
Tot gemalin beschikt, ten bate van den staat;
 
‘Is Mouringh’, twijfelt gij, ‘niet meer zijn huis ten hoeder
 
Dan 't vaderland, als hij gerust ten grave gaat
 
Daar ze aan zijn stervensspond verschijnt in bruidsgewaad?’1
[p. 278]
244
 
Sla jaren lang haar gâ, met dochteren gezegend
 
Wier deugden volk bij volk houdt in gedachtenis1,
 
Het dankbaarst voor een zoon2, in wien zoo overwegend
 
Wat groot is blinkt, of 't lot den hoorn des voorspoeds leêgend
 
Hem alle gaven kwist, opdat hij geene er miss':
 
En tuig hoe echtpaar en gemeent gelukkig is!
245
 
Ach! waarom faalde toch den toovenaarspenseelen
 
Van Dyck's 't vermogen om in schets van kinderspelen
 
Ons harte door een greep uit schalk genot te stelen?
 
Hij, schild'rend schepper van waarachtige edelliên
 
Vergt huiv'rende eerbied af als wij zijn Stuart zien;
 
Maar mogt door 's meesters hand den kleenen regt geschiên?3
[p. 279]
246
 
Der bloode Mary, toen te Helvoetsluys zij landde? -1
 
Der blijde Mary, die zoo geestig zich vermande2
[p. 280]
 
Waar 't hof op Honslaersdyck3 voor haar den feestkelk hief,
 
En zij zijn Hoogheid vroeg wat Willem's ‘hartedief!’
[p. 281]
 
Beduidde, als hij haar leest ten welkomkus omspande?
 
Het bruidje Mary zoo luchthartig en zoo lief?
[p. 282]
247
 
Uit zwacht'lend mos voorspelt de roos 't betoov'rendst bloeijen,
 
In 't maagdelijn komt reeds der schepping sier aan 't licht:
 
Doch waar ook van 't paneel haar blik op ons hij rigt
 
Wien kondt die aan hoe fier deze oogjes zullen gloeijen,
 
Wat lust, ach! ook wat leed, in tranen hen ontvloeijen
 
Wordt d'argelooze dra de prooi van 't minnewicht?
[p. 283]
248
 
De jonkvrouw Mary, tot dat gulden tijdperk komend'
 
Waarin wat adem heeft ons 't lied der liefde zingt, -
 
De jonkvrouw Mary, zich met waardigheid betoomend,
 
Als menig speelnoote uit den stoet die haar omringt
 
Te dartel naar de gunst des dapp'ren Willems dingt,
 
De gade Mary, van het zoetst verwachten droomend;
[p. 284]
249
 
Sir Antony1 hadde in verrukking ons gezet
 
Elk oogenblik gepeins der eeuwen reeks vermakend'
 
Door tinten slechts voor hem beschikbaar op 't palet,
 
Als eer zij mijm'ren mogt zoo hopende en zoo hakend'
 
Niet lang reeds in St. Paul's2 het allerlaatst gebed
 
Ware aan een ziel gewijd te laai voor 't schoone blakend'!
[p. 285]
250
 
Geen gunst'ling van ons hof, - als deez' 't aan Karels was, -
 
Geen Gerard Honthorst die in hoofd noch harte las
 
Bij 't staren op 't gelaat van vorsten en vorstinnen,
 
Voor zielsverlangen doof, maar oor voor dat der zinnen,
 
Gelukkigst slagend klonk de veêl en blonk het glas,1
[p. 286]
 
Gevierdst viel 't licht, des nachts,1 iets schild'rigs af te winnen;
[p. 287]
251
 
Geen tweeden rangs talent, als 't zijn', vermogt het ooit
 
Den strijd van herfst en lente op doek met tact te brengen:
 
Amalië, - nog schoon als schitt'rend ze is getooid, -
 
Naast Mary, - die ten lach alleen de lippen plooit; -
 
Den weemoed, dien bij d' eene in 't huldeblijk we mengen,
 
De geestdrift, waarmeê wij aan d' andere offers plengen;
[p. 288]
252
 
Hartstogt'lijke van aard, eerzuchtige van geest,
 
Der scheem'ring uitgebeurd 't gevolg eens hofs beschoren
 
Ziet Freed'rik Hendrik's gâ haar starre in luister gloren,
 
Herschept door kunst bij kunst zij 't aanzijn in een feest,
 
Geroemd, gevierd, gevleid..... tot zij haar spiegel vreest,
 
Tot de eerste rimpel grijnst, moog' ze alle klagt ook smoren!
253
 
Schoon fier, of van geboort' zij telg der goden waar',
 
Buigt, ja, zich 't lokkig hoofd van Mary nog voor haar,
 
Doch zwaait alreê den staf in 't statelijk gebaar...
 
‘Foei!’ roept uw deernis uit, ‘foei, van die schilderije!
 
Wien trekt het flonk'ren aan der felle jaloezije?
 
't Is zulk een schouwspel niet 't geen Huygens ik benijë!
254
 
‘Wel anders zou door hem mijn weetlust zijn beloond
[p. 289]
 
Had heur verzoening hij aanstaande mij vertoond
 
Toen zij de laatste hoop, na drie te zware slagen1,
 
Voor beider troost en lust bedreigd, verijdeld zagen:
 
Toen Cromwell's eisch de Witt en Holland had gehoond2
 
En toch 't bewind geen strijd voor 't weesje durfde wagen;
255
 
‘Verloochend, trots de trouw die Nassau haast een eeuw
 
Met beide goed en bloed gestand deed aan den Leeuw!’
 
‘Zoo moge Amalië, als zij 't kleinkind aanziet, kermen:
 
“Verloochend, schoon tot God om wraak de gruwel schreeuw',
 
Wist nog de burgerij verdrukten te beschermen,
 
Wie zou onnoozelheid als deez' zich niet ontfermen?”’
256
 
‘Uit Mary's oogen straalt een ongemeene glans
 
Daar 't jongsken op zij beurt waar helm en harnas prijken,
 
In wie zijns vaders jeugd den oorlogsgod gelijken
[p. 290]
 
Haar lauw'ren plukken mogt op Spanjes legerschans1:
 
“Wiens glorie”, juicht ze, “zal zoo groot als d'uwe blijken
 
Wekt thans zoo teêr een jeugd de vreeze al des tirans?”’
257
 
‘Wie geeft het weesjen 't in, dat ondanks wreed verneed'ren
 
Ons 't wapen grijpen leert zijn beter lot wij waard?
 
De kleene vingers gaan den bos oranje-veed'ren
 
Voorbij, zij strekken naar de kling zich onvervaard;
 
Of moedervreugd de borst van Mary mag verteed'ren
 
Omhelst ze Amalië, uit wier tranen hulde staart!’
258
 
Hélas! pour mes pensers, qui viennent de la tête!
 
Gevoelige! hebt nog ge met mijn verzen vreê?
 
L'art, des transports de l'âme est un faible interprète;
 
L'art ne fait que des vers, le coeur seul est poète2,’
 
Een weêrgalm van de klagt dier vrouwen is uw beê,
 
En gij, bezielde! raadt den wellust in heur wee!
[p. 291]
259
 
Verrast getuige van uw droomen, dichten, dweepen
 
Had Constantin mijn wensch verhoord door een dier grepen
 
Waarmeê den vorm hij schiep het passendst voor de stof:
 
Als toen zijn hoofsche luit des liefsten meesters lof
 
Verkondde in 't praatje aan boord der ‘Seven-lantsche Schepen’1
 
En met ‘den jongen Vaêr’ het hart van Janmaat trof;
260
 
't Zou lust hem zijn geweest, door weidsche alexandrijnen
 
Te zeer gedachtenrijk voor de ‘ick en weet niet wat's
 
Of ‘des al niet te min's’ der rijmlarij van Cats,2
[p. 292]
 
Ons, sloeg de zomerzonne op 't Binnenhof1 aan 't kwijnen,
 
Te voeren naar 't Noordeind', waar, bij het rosse schijnen
 
Der fakkels, zoo veel schoons zich huwde aan zoo veel schats!2
261
 
Het deftig voorplein hoort de daverzieke raad'ren
 
Der staatsiekoetsen er zijn open hekken naad'ren, -
 
Heur pluimen zwieren ze in - en d'erentfeste vaad'ren,
 
Zich reppend' van de treê zoodra hun tweespan poost,
 
Biên hoffelijk de hand aan lieve gast of kroost,
 
Waar uit dier halle loof d'oranje geurt en bloost.
262
 
Make room!’ - ons volk verstaat alreê 't uitheemsche roepen
 
Der dragers van dien stoel met beeldwerk zwaar verguld, -
 
Maar wijkt zijn glazendeur, de staat'lijkste aller stoepen
 
Blijkt voor die voetjes te eng, daar wederzijdsche groepen
[p. 293]
 
Van dart'le jonkers, in bewond'rend ongeduld,
 
Het aanschijn willen zien door sluijergaas omhuld.
263
 
Trompetgeschal verkeert in jubel der fanfare:
 
Wat stuift des prinsen ros of aanvalssein zij ware
 
Vooruit?... tot vonk bij vonk der hoeven slag ontspringt...
 
Waar tweede Willem rijdt weet van geen schrik de schare!
 
Het steig'ren deert haar niet hoe eng zij hem omkringt
 
Wiens onverwrikb're hand dier driften vlaag bedwingt;
264
 
Vóór 't Oude Hof1 moog' nog de hengst van 't worstlen hijgen,
[p. 294]
 
Glimlachend zegt de vorst, al wuivend met zijn hoed
 
De trappen opgesneld, - voor luiden bijvalsgroet
 
Der bonte menigt' dank, te innemender door 't stijgen
 
Van zijner wangen blos, van zijner oogen gloed,
 
Het bleek ten sier waar langs de bruine lokken zijgen.
265
 
Gedost de feestzaal waard in wie uit goud men dient,
 
Omsuizeld door een wolk, de keur van kostb're kanten,
 
Ontvangt Amalië ons in dubb'len zin gebiênd;
 
Of overschijnt zij niet haar helste diamanten
 
Door vonk'ling van vernuft, met elk talent bevriend
 
En voorwerp van den lof der geestigste afgezanten?1
[p. 295]
266
 
Hoe weet de moederliefde in 't harte der vorstin
 
Van ligt gekrenkten trots het smeulend vuur te blusschen:
 
Al trad de prins te laat der gasten halfrond in
 
Bevalliger zag nooit de grootste koningin
 
Zich 't fraaije handje door der helden fierste kussen
 
Dan 't haar weêrvaart: die groet zou zwaarder grieve sussen!
267
 
Daar lokken veêl en bas ten franschen menuet,
 
Daar opent zij het bal: wat zwierigheid van schred!
 
Comme à Paris!’1 getuigt d' Estrades haar ter zijde;
 
't Boheemsche nichtje2 zweeft naast Willem, - wie 't benijde
[p. 296]
 
Niet Mary, - schoon ze schier zich wegschaamt om 't belet
 
Hoe hartelijk die maar heel Holland ook verblijdde!
268
 
O weêrgalooze bloei van ons gemeenebest!
 
De zeeën over stort de handel op uw stranden
 
Uit vloot bij vloot den cijns der oostersche waranden,
 
Waarin gij steden bouwt, waarin gij troonen vest,
 
Terwijl door 't zoet te huis de hulde galmt van 't west
 
Daar gij gemoed noch geest gelegd wilt zien aan banden!
269
 
Europe in 't kleen gelijkt dit schouwspel ons beschikt,
 
Een rei van natiën door zust'renband omstrikt,
 
Die naar de jongste, als mag den weg ze wijzen, blikt;
 
Europe in 't kleen beschaamt de vrijheidshoed de kroonen
 
Aanschouwelijk als wij der gansche wereld toonen
 
Hoe willig vrede en vlijt en voorspoed zamen wonen!
[p. 297]
270
 
't Wegkrimpend Duitschland vraagt der Keizerlijke zon1
 
Hier 't flikk'rend zevental Keurvorstelijke starren2
 
Dofstralend door haar pracht, wat bij den oorlog 't won
 
Dien Habsburg om den staf der heerschappij begon?
 
Hoe lang nog aan zijn kim het morgenrood zal marren
 
Weêr orde brengende in 't chaotische verwarren?3
[p. 298]
271
 
Het trio is gespeeld1, de dans voleindigd. Eer
 
Een vlugger aanvangt zet Amalië zich neêr
 
In haren zetel; ‘Thans tot u, mijn heeren Staten!’
 
En wenkt den afgezant van Brandenburg van veêr:
 
‘Hier hoort gij;’, - als ze zaam van haar Louize2 praten
 
Mag 't hart der moeder zich op dat gehoor verlaten;
[p. 299]
272
 
Een vreemd'ling, dien de baard tot om de voeten zweeft,1
[p. 300]
 
Trekt fluks de opmerkzaamheid: ‘Wat winste, liên van zaken!’ -
 
Vraagt schalk zij Amstel's raad, - ‘valt bij den beer te maken?’
 
Verbaas' 't haar door wat ijs 's lands wakk're jonkheid streeft,
 
Ons schijnt Moscovië onder 't weefsel dezer daken
 
Min vreemd dan dat te gast Hispaniën1 zij heeft!
273
 
Pavane of sarabande? om 't even! driften zieden
 
Den breeden golfslag uit dier bruisende muzijk:
 
Gij, trots des Heeren Kruis hoogmoedige edellieden,
 
Eens schrik der Halve Maan, eens steun van 't Christenrijk,
 
Gij, Ridders van Sint-Jan!2 moest deez' bekoring vlieden,
 
Armida's hoven in verboden lust gelijk!
[p. 301]
274
 
't Penseel des nabuurs geef' de weeld'righeid van leden
 
Der docht'ren Vlaand'rens weêr, in welke aanvalligheden
 
Staan Zeelands schoonen bij haar achter? Nimmer vloot
 
Ooit over lelieblank een zachter rozenrood
 
Dan rees met blooden blik toen ‘'t ijz'ren rijk van Zweden’
 
In gindschen dapp're d'arm 't juweel van Vlissing' bood.
275
 
Langs wolkenloozen trans des bliksems laaije schichten,
 
Valt nog de zon van 't Zuid niet slechts op de aangezigten
 
Dier prinsen Portugael's1 te aanschouwen, blaakt zij voort
 
In beider sangue azul: zoo vaak de lokken lichten
 
Der elfen Albions, of goud door neev'len gloort,
 
Benijden zij in haar 't bezielde albast aan 't Noord.
[p. 302]
276
 
‘'t Is wonder hoe de min de menschen kan verkeeren’;1
 
Waar ergens staafde zij haar heerschappije als hier?
 
Volzoete worstelstrijd van dringen en van weren,
 
Die steelsgewijze lach en lust ziet triomfeeren,
 
Weet van geen zorgen 't hoofd gewijd aan 't staatsbestier
 
En geldt een kusje meer dan pleitzak of rapier.
277
 
Schoon 't licht den schepter voer' de schaâuw valt niet te bannen:
 
Geen feestgenot, geen wijn, geen dans, geen scherts ontspannen
 
De donk're tronies van dat tweetal achtb're mannen;
 
Waar zijn de dagen toen, bij hoffelijk bezoek,
[p. 303]
 
De Leeuw die 't zwaard verheft den Leeuw die waakt voor 't Boek1
 
Nooit in de scheem'ring liet van donk'ren vensterhoek?
278
 
De jongste waagt een schreê vooruit: weêrkaatsend vangen
 
De gulden sieraân om 't scharlaken kleed2 gehangen
 
Der luchters stralenvloed, maar, ruische rei bij rei
 
Hem langs, noch oog noch oor voor 't weelderig gevlei,
 
Verlangt ge vruchteloos het schitt'ren van de spangen
 
Verdoofd te zien door vreugd die uit zijn blik zich spreî';
279
 
De grijsaard hoort zijn zucht; ‘wat is u?’ vraagt hem deze;
[p. 304]
 
‘Ach! arm Venetiën, de schoone1!’ - klinkt de klagt,
 
‘Vast overtreft de mededingster haar in magt,
 
Verbaast ge u, dat ik meê in 't rijk der kunst die vreeze?
 
Nog faalt haar feesten een Paolo Veronese2,
 
Maar schuil gaat, vindt zij dien, der Staten Licht3 in nacht!’
280
 
‘San Marco's hulk trotseerde al tienmaal honderd jaren’,
 
Is 't ernstig weêrwoord, dat beschamend hem vertroost,
 
‘Orkanen 's hemels glans verduist'rende op zijn baren
 
Uit stormen scheppend West, uit onweêr kweekend Oost!
 
Terwijl deez' republiek geen kroost ziet van haar kroost
 
Of om den veldheersstaf laat zij den drietand varen!’4
[p. 305]
281
 
Geeft dat den indruk weêr eens stillen gadeslaans
 
Van twistvuur, 't geen de mom der vreugde moog' verhelen
 
Maar uit niet dooft? - Bedreigt der bruid des oceaans
 
Om invloed op Euroop 't verlies van werelddeelen
 
In ernst? - Of schat de nijd zoo sluwen Italiaans
 
Te zwaar de zelfs op 't feest beluistb're staatskrakeelen?
282
 
Eén enk'le trekt hem aan: dien enkele verloor
 
Hij nergens uit het oog; waar deze ook plaats zich koor,
 
In rei, in rust, - hetzij den jok hij bot ging vieren
 
Bij Mary, - 't zij de pracht des bruinen haars mogt zwieren
 
Op 't maatgeluid, - hetzij een hebe van 't dressoor
 
Hem nectar bood, - hij bleef omringd van officieren;
283
 
't Is Willem, - dien een drom van mannen, hoog in rang
 
Te velde, prikk'lend vleit: - zoo vrede bij 't vergrijzen
[p. 306]
 
Zijns vaders pas gaf, ruste is duldelooze dwang
 
Voor dapp're jeugd; - maar tuigt in 't flikkerziek gedrang
 
Wel een verweerd gezigt van moed, die, zonder ijzen,
 
Tot in der polen nacht 's lands vlag den weg dorst wijzen?
284
 
De vloot? - wie rept van haar?1 - Ter deuren blikt hij heen
 
Waar 't smeltend snarenspel der hellebaarden bonzen
[p. 307]
 
Niet smoort: de cavaliers, die dart'lend binnen gonzen,
 
Verzellen Jamie1, wien met vluggewiekte schreên,
 
De lieve ontmoet, die straks, omsluijerd, ons verscheen:2
 
Doet beider minnekout hem 't hooge voorhoofd fronsen?
[p. 308]
285
 
Dien treff' vrouw moeders blaam, - die krenk' zijn gemalin, -
 
Wat Anne Hyde ook waag', wat Anne Hyde ook winn'
 
Geen floers zou 't werpen op zijn feestelijken zin,
 
Zoo niet dat wuft gevoel fluks ergernis moest wekken,
 
Zoo 't minder luide sprak uit gindscher gasten trekken
 
Wat al berisp'lijks ze in deez' ballingen ontdekken;
286
 
Hun schitterzucht is 't niet, die hen tot stroefheid noopt,
 
Noch lokken, rijk aan geur, in love-knots zaamgeknoopt,
 
Noch halskraag rag gelijk, noch regenboog van kwikken:
 
't Is 'wijl als hommels zij van onzen korf beschikken,
 
't Is 'wijl de beker van hun lusten overloopt,
 
't Is wijl hun d'ernst ontbreekt in d'ernstigste oogenblikken!
287
 
De orkaan des burgerkrijgs verheert hun eilandtrits;
 
Aan stormenzwang're wolk ontschoot de bliksemflits
 
En Whitehall zag 't hoofd van d' eersten Karel vallen:
 
Wat toeft hun vederbos te wuiven aan de spits,
 
Hun kling te wed te gaan, hun krijgspistool te knallen,
 
Waar 't puriteinsche heir zijn psalmen laat weêrschallen?
[p. 309]
288
 
Zij dansen! - maar de stoet inheemsche schoonen dunt
 
Allengs, - zij dansen! - maar ter zij' der moeders schuilen
 
's Lands docht'ren weg, zoodra 't orchest van maat mag ruilen,
 
't Voor luchte country-dance de wilde hornpipe gunt; -
 
En toch, niet enkel op dat preutsch zien, op dat pruilen
 
Heeft Willem's gramme vlaag het in die groep gemunt.
289
 
Hij hoort de deeg'lijkheid 't ligtzinnig jub'len laken,
 
Al wacht zij, staande voor 't paneel, daar Mierevelt
 
Zijn grootvaêr op herschiep, zich klagt of zucht te slaken;
 
‘Och, tabbaards!’ barst hij uit, ‘die mij zoo sticht'lijk kwelt,
 
Uw burgerlijk geluk mogt gij bekrompen smaken,
 
Waar' slechts zoo eng een grens mijne eerzucht niet gesteld!’
290
 
Gij, Constantin! - die trouw ‘'s Lands sorgh, en ziel, en zegen’1
 
Uw veder hebt gewijd vast driemaal zeven jaar;
[p. 310]
 
Dien, vroeg hij u om raad door: toegestemd of tegen?
 
‘'t Schael-tongesken,’1 van aard tot weifelen genegen,
 
Nooit ongeduldig zag, hoe velerlei bezwaar
 
Te berde werd gebragt, - waar schuilt ge, Huygens! waar?
[p. 311]
291
 
Gij, - die ‘den Mann te roer’1 in ‘'t schepen als in 't landen’
 
Ten wissen zegetogt niet maar ‘als maet uw handen’,
 
Die 't meesterschap uws hoofds, - zoo wel der rede klem
 
Als 't schitt'ren van vernuft, - hebt veil gehad voor hem, -
 
Verheft ge, nu de boot zijns liev'lings dreigt te stranden,
 
Verheft ge, als vaders vriend, niet in den storm uw stem?
292
 
Hoe voeren in het hart des vorsten wulpsche en wilde
 
Begeerten, roekeloos, haar wedstrijd om den staf:
[p. 312]
 
Genot? hij baadt er in, al zien de censors straf;
 
Gezag? als stout van greep zijn hand den schepter tilde
 
Dan boog zich diep in 't stof wie straks hem driest bedilde...
 
Weer, Willem's raadsman! weer toch die sirenen af!
293
 
Laat vleijers, als zijn jeugd zich haar verknocht mag wanen,
 
Der zege lauwerloof voorspellende aan hun vanen,
 
Zijn kling ten koningstroon het spoor op 't slagveld banen:
 
Uw vriendschap wijze hem verhevener verschiet
 
Dan heerschappije ontsluit, - want ‘Kroonen en Gebied
 
En sulcke schaduwen, vergaen 's in 't ende niet?’1
294
 
Tot grootscher roeping dorst uw profeetcy hem wijden,
 
Toen gij ons erfdeel bij een landschap vergeleekt
 
Gedoemd alle oorlogswee in huis en hof te lijden,
 
Tot zich de wanhoop van den dwing'land mogt bevrijden
 
En uit den grond, met bloed der burgerij doorweekt,
 
De vrijheids bloem ontlook door dankbaarheid gekweekt;2
[p. 313]
295
 
Hem toevertrouwde taak zou voor haar bloei zijn zorgen
 
Geen einde nemen, - van den avond tot den morgen,
 
Gelijk den ganschen dag, de Schutsheer van 's Lands tuin;1 -
 
Een wake waard zijn naam een heugenis te borgen
 
Eeuw uit eeuw in haar schijn vernieuwende om zijn kruin,
 
Als oost- en wester-zon den blinkerts van ons duin.
[p. 314]
296
 
Ach! - tot verdwijnens toe verflaauwd, verbleekt, verduisterd
 
Is hem zijns grootvaêrs ons verrukkend ideaal:
 
Der vrijheid vriend te zijn, die slechts voor haar het staal
 
Doet lichten uit de scheê; die, redt hij haar, niet luistert
 
Naar wie het godd'lijk regt wil werpen in de schaal,
 
Als waar der volk'ren lot aan vorstengril gekluisterd!
297
 
Ontroerd als Stuart's strijd, ge, o Huygens! gade sloegt,
 
Met dubb'le deernis, die hij regt had u te vergen
 
Daar ge in 't rapier het blijk der gunst zijns vaders droegt,1
 
Wat deed u 't oordeel door hare overdrijving tergen?
[p. 315]
 
Wat was u, dat ge, dus partijdig, nimmer vroegt
 
Of meêlij's mantel zijn vergrijpen mogt verbergen?
298
 
Gij zongt, in Rome's taal, der Stoïcynen lof
 
Toen Strafford's wenk ten beul 't noodlottig teeken rigtte,
 
Toen eerzucht offer bleek der ontrouw van het hof;1
 
Maar school voor Hollandsch dicht niet een u diêrder stof
[p. 316]
 
In Hampden's weêrstand, die den geest zijns volks verlichtte,
 
Die sneuv'lend voor het regt nog op het doodsbed stichtte?1
[p. 317]
299
 
Betoov'ring sleepte u meê zoo vaak ge maagd of vrouw,
 
Door ballingschap beproefd in beide moed en trouw,
 
Hier, spijt heur kommer, lust zaagt scheppen in 't leven;
 
Doch greep u, achttet ge ook die vroomheid overdreven,
 
Geen eerbied aan als daar 't boetvaardige berouw
 
Uit 't aardsche vaderland naar 't hemelsch zocht te streven?
[p. 318]
300
 
Al kendet op den staf gij Karel aanspraak toe
 
Bleef dubbelhartigheid geregtigd dien te dragen
 
Zich zelv' verstrikkende in haar loos gelegde lagen?
 
Al schrikt in Cromwell's kling u van een slaande roê
 
De vrijheid der gemeente is veilig in zijn hoe';
 
Wat stormen geeft ge ons prijs door meê hem aan te klagen.
301
 
Jong, - dapper, - rijk begaafd, verwenscht d'Oranjevorst,
 
Der werkeloosheid prooi, geblaakt door gloriedorst,
 
In 't feestgewoel het juk door hem zoo noô getorscht; -
 
Leent hij, dus luist'rend, 't oor der Stuart's onheilsleere
 
Dat boven aller wil ééns enk'len wil braveere,
 
Als blonk in dien alleen 't afschijnsel van den Heere?
302
 
‘Lucht!’ hijgt hij, ‘frissche lucht!’ - de milde zomernacht
 
Wuift hem die ijlings toe, daar tal van vensterdeuren,
 
Geleidend naar den hof,1 in wien der bloemen pracht
[p. 319]
 
Van licht omschitterd blijkt, zich oop'nen op zijn klagt;
 
Ach! waarom mag de wind niet maar haar zoete geuren,
 
Bij tusschenpoozen naauw de stilte storend, beuren?
303
 
Ten blijk hoe vorst en volk gemeenzaam hier verkeert
 
Wordt uit die wandeldreef de menigt' niet geweerd,
 
Ook zonder wacht een grens, als d'eerbied eischt, bewarend;1
 
Haar arendsblik ontdekt den liev'ling uit de veert':
 
Hoe 't: ‘Leve Willem!’ lang en luid ten hemel varend',
 
Verrast, bedwelmd, verrukt, zijn roeping hem verklarend'!
304
 
Voer, Constantin! voer, eer des prinsen regterhand
 
't Gevest van 't lemmer grijp' vast rijzende in zijn slinke,
 
Voer, eer in 't klinggezwaai verzoekingsjubel klinke,
[p. 320]
 
Hem meê, waar grootvaêrs ernst, vermanend van den wand,
 
Op zijner driften zee als and're noordstar blinke:
 
Zoo redde in 't kleinkind die nog eens het vaderland!... -1
305
 
Me lieve! mogt ik dus de dorens van de rozen
 
Des drooms, - ach! ook dat rijk gunt die niet zonder deez', -
[p. 321]
 
U sparen, in den vorm voor 't wenschental gekozen
 
't Geen aan alle orde vreemd uit brein en boezem rees,
 
Laat niet te lang uw blik bij mijn groepeering poozen,
 
Hare onvolledigheid maakt dat zijn toets ik vrees;1
306
 
Gij, - waartoe 't mij verheeld? - zult in die heugenissen
 
't Verklarend antwoord op een trits van vragen missen,
 
U ingefluisterd door gedachte en door gevoel;
 
Ontschuldig 't: geen der drie liet hoofd of harte koel,
 
Al schoot mijn kunst te kort voor 't vruchtelooze gissen
 
Een rol te scheppen in 't alreê zoo druk gewoel.
307
 
Wat dreef toch, - vroeg ook ik, - ons volk, dat hulp dorst zoeken
 
Bij meer dan aardsche magt, toen 't roemrijk viel te boeken
 
Hoe vrijheidshoeksteen werd in burg'ren bloed gelegd,2
 
Tot schorren wedergalm der smadelijke vloeken,
[p. 322]
 
Waarmeê de dwing'landij 't zijn eischen had ontzegd,
 
Als gold voor d' eigen nood niet elders 't zelfde regt?1
308
 
John Selden, - dacht mij, - had een handdruk mogen hopen
 
Van Huygens, sints zijn spreuk: ‘de Vrijheid boven al!’
 
't Gezag te niet deed, om tot onderzoek te nopen;2 -
[p. 323]
 
John Milton, sloot hij hem geen hooger hemel open,
 
Toen d' eerste zondaar zelfs in straffe voor zijn val
 
Genade prees, die 't kwaad in goed verkeeren zal? -1
309
 
Voorbij! - hoe dankbaar hoort ge mij den uitroep slaken,
 
Voorbij, - niet teist'rende als d'erinn'ring doet in 't waken,
[p. 324]
 
Voorbij was d' onrust van mijn peinzen, vorschen, haken:
 
Eens aad'laars vleugelslag uit d'eene in d'and're sfeer,
 
De weelde, die ik om haar schaarste hoog waardeer,
 
Gaf prins en paadje me op de kruin des heuvels weêr;
310
 
Wij daalden, - immers wierp het wuivend naaldenloover
 
In 't breed ontvouwde scherm er d'ijle schaâuw ook over
 
Een viervoet mij beschikt, - van 't luchtige tooneel;
 
Ons badende in 't gesuis dier golven van struweel
 
Verrukte heinde en veêr mij 't vonk'lend lichtgetoover,
 
Al viel dat schoon geen lof bij 't vriendenpaar ten deel.
311
 
Gewisseld hadden zij van stemming: ernst verbreedde
 
Op Bentinck's aangezigt zijn plooijen, tot de lach,
 
Die uit der kijkers blaauw zoo blij te stralen plag,
 
Bezweem; - terwijl 't gelaat des vorsten, of zijn bede
 
Verhooring vinden mogt, voor glans van zielevrede
 
De wolkjes wijken deed 't verduist'rend bij geklag;
312
 
Hoe wij, laan in, laan uit, door loofgewelven joegen
 
Een halven boog aan 't eind tot alle hemelruim, -
[p. 325]
 
Hoe twee der rossen daar begeertes blik naar sloegen
 
Trots 't hijgen van den aêm en 't zieden van het schuim, -
 
Hoe, verre ons voor, zij rees, die weidsche oranjepluim,
 
Wier veêren, met den wind in wedloop, d'eerrang vroegen!
313
 
Verraste u zulk een vaart, u, meester van de lier,
 
Onovertroffen, wie ook vóór of na u 't waren,
 
Van vorstengunst zoo wars, op vrijheidszin zoo fier,
 
U, Vondel! hem ten lof de hand slaande aan de snaren,
 
Verzoend door 't bitter leed, verrukt door 't blakend vier,
 
Voorspellend' dat hij eens uw held zou evenaren?1
[p. 326]
314
 
Geen beemd der kunst waarin zij u haar krans niet vlocht:
 
Uit lauwertwijgen, als uw kennis schitt'ren mogt
 
In 't leerdicht;1 - eikenloof verkiezende, als de roede
[p. 327]
 
Der huichelaren bent kastijdde tot ze bloedde:1 -
 
Van palmen, als uw geest aan 't hemelsche verknocht
 
Ten driemaal heilig zich op eng'lenwieken spoedde:2
315
 
Geleerdheid, - geest, - gemoed, - die ge in uw poëzy
 
Dus beurt'lings bot viert, wist verheffendst, gij te ontvouwen,
 
Zoo vaak, van allen dwang der vroeg're scholen vrij,
 
Ge als schepper ons verrukt dier grootsche galerij
 
Waarin onz' gulden eeuw, haar mannen en haar vrouwen,
 
Gebootst, - gebeiteld, of gegoten, - wij aanschouwen!
316
 
Klei? marmer? brons? hoe zien zij zich beschaamd door 't woord,
 
Dat van den tand des tijds geen schennis heeft te duchten:
 
Nog treft uw bliksemflits als toen gij dien deedt luchten,
 
Nog rolt uw donder als toen gij dien slaaktet voort;
 
Uw liedt verkondt zoo lang de wereld hollandsch hoort
 
Der lijdens nacht ellend, des zege dags genuchten!
[p. 328]
317
 
Oorspronk'lijk huldigt gij de kracht, den moed, de deugd
 
In oost- en wester-lucht ontwikkeld door haar jeugd,
 
Op alle glorie uit, vol zin voor alle vreugd;
 
Legt Clio 't stift ter zij', vermoeid door 't bloot vermelden
 
Van zoo veel staatsliên, zoo veel kunst'naars, zoo veel helden,
 
Gij zingt ze: onsterf'lijk mag uw lied hen lauwer gelden!
318
 
Augustus in den vrede, Achilles in den strijd,
 
Bemind door onz' gemeent', bewonderd wijd en zijd,
 
Als vloot in zijn gemoed wat goed en groot is zamen,
 
Preest Freed'rik Hend'rik gij den luister van uw tijd,
 
Tot wien met cijns bij cijns de verste volken kwamen
 
En nimmer vruchteloos verdrukten toevlugt namen!
319
 
Och! had zijn zoon, - voor wien in uw ‘Geboorteklock’1
 
Langs heel het zonnig zwerk geen enk'le kim betrok, -
 
Zich nooit vergrepen om 's lands vrijheid t' overheeren,
 
U waar' het wee gespaard, door onverzoenb'ren wrok
[p. 329]
 
Te ervaren hoe in haat de liefde kan verkeeren
 
Tot wij, meêdoogenloos, de mensch'lijkheid onteeren!1
320
 
Vergeef 't, grootmoedige!... of was deernis u genoeg,
 
Toen 't weesjen steeg in 't zaêl aan 't hoofd der Aemstelridd'ren,
 
Toen op 't ‘schuimbeckend paert’ de teng're u sloeg met sidd'ren,
 
Toen gij, meêjuichend, zaagt hoe hij manhaft zich droeg:
 
Wie dan uw lier bleek tolk van 't hart der heil toebidd'ren
 
Als zij voor 't volk in 't: ‘Leve Oranje!’ zegen vroeg?2
[p. 330]
321
 
‘Is 't voorspel goet,’ riept ge uit, ‘hoe kan het hoogtyt doolen?’
 
Ging slechts het vreugdgeschal niet onder in d'orkaan:
 
Wel blijkt de veldheersstaf aan Willem's hand bevolen,
 
Wel beurt in vrije vlugt zich als van ouds zijn vaan,
 
Maar Frankrijk kiest ons erf ten buit der wraakphiolen!
 
Maar Groot-Brittanje weert onz' vloot van d' oceaan!
322
 
‘Voort!’ wenkt, een ommezien naar Bentinck rugwaarts blikkend,
 
‘Voort!’ wenkt de prins en viert weêr d'isabel den toom,
 
Aanvurend met de hand haar op de manen tikkend';
 
Weet dan dat helder hoofd van d'overmagt niet schrikkend'
 
Ook voor dat hijgend hart van angst, noch vrees, noch schroom,
 
Wat donk're blos op 't bleek dier wangen dreigend koom'?
323
 
In houdt hij, - 't ros zijns vriends is brieschend aangevlogen:
 
‘Wie geeft,’ vraagt deze, ‘me op uw Hoogheid toch 't vermogen
 
Dat d'ergsten vijand in uw ijver 'k overwinn'?
 
Ofschoon de lelievlag van Utrechts torentin
[p. 331]
 
's Lands ondergang voorspell',1 begroeten aller oogen
 
In u der redding borg! - wat acht ge uw leven min!’
324
 
‘Verhoede God, dat ooit ik roekeloos mij drage,’
 
Zoo bidt de held, ‘maar wis waar d'ondank even groot
 
Gaf 'k immer voor dit lijf een enkel bolwerk bloot!
 
Zie 't gister me in het heir, zie 't morgen me in den Hage
 
Er zij van geene rust voor zwakte of ziekte vrage:
 
Me kwijtend van mijn pligt, verrasse mij de dood!’
325
 
Een wijle zwijgens, - in wier stilte 't zijn gedachten
 
Vermeidt het schakelnet der zaamgezworen magten
 
Van één te rijten daar den leeuw zij 't minst verwachten:
 
De vriend verneemt het uit zijn vragen, waar de geest
 
Des wakk'ren bij getuigt: tot welk een diepte leest
 
Die arendsblik in 't volk zoo wat hij hoopt als vreest.
326
 
Wij rennen spoorslag voort, - doch van weêrszijde stegen
 
Geen heuv'len langer op, wedijv'rende om den prijs
 
In uitzigt met gebergte aan d'oostertrans gelegen;
 
Geen dalen meer in 't rond van lommer overzegen;
 
Geen beemd door wien de vloed zich kronkelt lintsgewijs;
 
Waar, boschrijk Gelderland! waar bleef uw paradijs?
[p. 332]
327
 
Wij rennen spoorslags voort, - het malsche groen der weide
 
Smelt weg in 't zilv'rig blaauw des hemels; tusschen beide
 
Schijnt over 't veld die schuit haar zeilen uit te slaan;
 
Wat kudde! 't eêlste waard dat ooit nog klaver spreidde;
 
Wat oogen groot en diep; wat uijers, zwaar gelaên;
 
Zoet Holland! laat ge ons 't rijk des zuivels binnengaan?
328
 
't Is 't Huis te Dieren1 niet, dat evers en dat reeën
[p. 333]
 
De beukenwouden, die 't omringen, ziet ontspoên
[p. 334]
 
Als d'ochtendherfstlucht trilt van 't schett'ren der klaroen:
[p. 335]
 
't Is 't Huis in 't Bosch, 't geen daar, vol lieflijker trofeeën,
[p. 336]
 
Zoo fier zijn koepel welft, hoog boven 't glanzig groen
 
Der linden, weêrgekaatst door 't vlak dier vijverzeeën.1
[p. 337]
329
 
Oranje-zaal! wie ook uw tempel in moog' treên
 
Hij wendt, de schepping uit der ongelijkb're kleuren,
[p. 338]
 
Luid lovend fluks den blik naar d'achtb're weduw heen,
 
Die, toen den zoeten band des huw'lijks zij zag scheuren,
[p. 339]
 
Gevoelde dat te zwak in tranen, dat ze alleen
 
Door 't vieren van haar held hem waardig zou betreuren.1
[p. 340]
330
 
Al gunde d'asch zij rust, bij vaders diêr gebeent',
 
Waar zich in 't uur der zege ons volk zoo dankbaar toonde
 
Aan wien in 't uur des noods 't zoo bitter had beweend,1
[p. 341]
 
Hier moest van wand bij wand der starende gemeent'
 
De glorie stralen daar hem d'oorlogsgod meê kroonde,
 
Schoon menschenliefde in 't hart des stedenwinnaars woonde!
[p. 342]
331
 
Der zuster-schilderschool, - wier verwen overvloed
 
't Van lelies wint in pracht, 't van druiven wint in gloed;
 
Wier meest'ren greep, naar lust, gedrochten of genieën
[p. 343]
 
Het schemerrijk ontschaakt der grijze allegorieën;
 
Wier godendrom, te rijk bedeeld door melk en bloed,
 
Den wellust van het vleesch in 't naakte leert bespieën; -
332
 
Haar droeg de taak zij op den luister van al 't goud,
 
Waarmeê die bogen naar dat weidsch gewelf zich heffen,
 
Door d'intogt van den vorst des vredes t' overtreffen;
 
Een wedstrijd haar penseel met volle regt vertrouwd,
 
Daar ieder, langst en liefst, ten vriend der vrijheid schouwt:
 
Het voorhoofd van den held is als zijn hemel effen!1
[p. 344]
333
 
En toch, hoe hart'lijk deez' gedachte toe ik juich'
 
In d' ega, voor wier faam haar nakroost blozend' buig'
 
Tot even hooge zin weêr van verwantschap tuig': -
 
En toch, wat huldekreet deez' schilder mogt omschallen
 
Uit mededingers mond, hij d' eenige onder allen
 
Op wien de mantelslip huns meesters bleek gevallen:1
334
 
Amalië! als er plaats geweest ware in uw zaal
 
Toen voor dat doelenstuk zich Aemstels burg'ren drongen,
 
Waarop inheemsche vreugd niet uit geborgde schaal
 
Maar eigen horen dronk aan 't Schutters Vrede-maal,
[p. 345]
 
Gij hadt om d' ouden vorm geen nieuwe stof verwrongen
 
Noch Van der Helst vergeefs naar 't zegeloof gedongen! -1
335
 
Jordaens! wiens keuze zich in dubb'le kunst'naars bent2
[p. 346]
 
Om bijstand nederboog tot velerlei talent,
[p. 347]
 
't Vermaardheid gunnend' hielp het meê uwe eerzuil stichten,
[p. 348]
 
Wat droegt gij u als bleef de gave u onbekend
[p. 349]
 
Door wie voor Rembrandt's stijl alle and're stijl moest zwichten,
[p. 350]
 
Deed eigen zonne hij uit eigen duister lichten? -
[p. 351]
336
 
Wat Freed'rik Hendrik's regt op eeuw'gen roem beslist:
 
Een hoofd, het heil des volks bevord'rend heel zijn leven;
[p. 352]
 
Een hart, gelukkigst als 't grootmoedig dorst vergeven;
 
Eene eerzucht, die zoo vroed van zelfbeperking wist;
[p. 353]
 
Had trouwer Hollands Kunst, vol waarheidsliefde in 't streven,
 
Weêrspiegeld dan de Vlaamsche, op dicht uit dat zij kwist. -
[p. 354]
337
 
Our life is twofold!’1 - wordt, vriendinne! bij die woorden
 
't Ons niet te moede of van een liev'lings-symphonie
[p. 355]
 
Wij d' eerste nooten weêr verrassend suiz'len hoorden?
 
Uw zoete stem verzelt, uw vingeren spelen die,
 
Tot, mij verliezende in 't geheim'nis der accoorden,
 
Toeluist'rende en toeziende ik dubb'len dank u biê.
[p. 356]
338
 
‘De slaap’ - zoo klinkt het - ‘mag op eigen wereld roemen;
 
Gelegen tusschen wat wij te onregt doodzijn noemen
 
En te onregt vieren als bestaan: een werk'lijk rijk;
 
Ook heerscht maar schijnbaar ruste in zijner droomen wijk,
 
Geweldiglijk als tot hun wigt van wee ze ons doemen,
 
Of van den druk des dags ontslaan genadiglijk; -
[p. 357]
339
 
‘Ons aanzijn splitsend', - ons niet enkel overheerend'
 
Door steigering van vrees, van angst, van schrik, - verkeerend'
 
In deel van ons en onzen tijd, gebiedt de stoet, -
 
Als schimmen van 't weleer 't meêwarig harte deerend',
 
Als boôn der toekomst in verwachting blij begroet, -
 
Uit visioenen zoo van geest als van gemoed!
[p. 358]
340
 
‘We blijken speelbal van maar schaduws die verdwijnen!
 
Doch zijn ze 't waarlijk? is 't verleên iets meer dan schaaûw?
 
En mag de ziel den drom niet als haar schepping mijnen,
 
Een hooger levensvorm dan zon of maan beschijnen,
 
Dan onze dwaalstar duldt?’ - valt toch haar dampkring blaauw
 
Der vlugt, waartoe zich zij bestemd gelooft, te naauw!
341
 
Wie dan de droom vereent tot vlam der wake spranken? -
 
Onschatbaar zij de gaaf, waaraan 't genot wij danken,
 
Door meer dan wilden kreet, door meer dan raauwe klanken,
 
In woord bij woord, uit wie de keuze bootst en beeldt,
 
Elkaêr te tolken wat voor onze zinnen speelt,
 
Wat diepst der ziele smart, wat hoogst der ziele streelt; -
342
 
Waar staven hoofd en hart hun vrijheid als in droomen? -
 
Benijdenswaardig schijn' wie op de breede stroomen
 
Des zangs, in 't speeltuig zich eens tooverstafs gezag
 
Bewust, de schare aan zijn triomftogt boeijen mag:
 
De droeve of blijde snaar dien ademloozen 't omen
 
Van deernisvollen traan of vreugdevollen lach; -
[p. 359]
343
 
Maar spreken, - trots den waan als leerden wij 't van zelven, -
 
Eischt moeders liefde, eischt meesters lessen, voeg er bij
 
Eischt studie, wat ook 't wit van onze rede zij; -
 
Maar dichten, arbeid is 't uit groef bij groef te delven
 
't Geen nergens mag verraên, waar 't glad den boog doet welven,
 
Hoe zwaar het beit'len viel, door 't vaak weêrstreefd geglij; -
344
 
Als lout'ren lust valt slechts het visioen te smaken:
 
We aanschouwen 't! en dat zien volstaat: het voelt, het denkt;
 
't Geheugen kwijt zich van zijn pligten als in 't waken,
 
Het oordeel handhaaft al zijn regten ongekrenkt, -
 
Mysterie! dat ons 't rijk der geesten binnenwenkt
 
Is 't wonder zoo in u naar hun verkeer wij haken?...
345
 
‘Wil 't mij vergeven, die m' een rapper ruiter dacht
 
Dan t' uchtend ik tot mijn beschaming ben gebleken,
 
Indien, mijnheer de Witt! ge lang hier hebt gewacht;’ -
 
Zou 't Willem zijn wien dus het Huis in 't Bosch hoort spreken,
 
Omschitterd door wat goeds en groots uit zijn geslacht
 
Wie t' onzent 't licht mogt zien in liefde doet ontsteken?1
[p. 360]
346
 
Dus tot den man, op wiens wel eerelijk gelaat
 
Vergeefs gij rimpels zoekt, ofschoon in fellen haat
 
Hij vroeg're hulde boet, - zoo loff'lijk dank betuigend
 
Voor heusche ontvangst, - en toch geen haarbreed dieper buigend
 
Dan toen hij stond te roer op 't groote schip van staat,
 
Om holle of effen zee niet klagend of niet juichend!
347
 
‘Doe meer nog: gun me kort te wezen; ik verpand
 
Mijn woord u dat ik tot deez' stap slechts werd gedreven
 
Door liefde voor 't als u mij dierbaar vaderland!
 
Gij weet wat overmagt er tegen zamenspant,
 
Dat naauw'lijks uitzigt op bevrijding is verbleven:
 
Ik vrage u: moogt gij ons met raad en daad begeven?’
[p. 361]
348
 
Geen kreet, geen woord, geen zucht ontglipp' de Witt's gemoed,
 
Van welk een weelde hij het fiere hart voelt zwellen
 
Hoe d' akers, trillende aan dien linnen kraag, 't vertellen;
 
Trots 't ijlings nederzien ontstraalt den wimp'ren gloed:
 
O mededingers hulde, ons boven alle zoet,
 
Wel mag bij u een wacht hij voor zijn lippen stellen!
349
 
‘Den roem van Holland hebt gij twintig jaar verhoogd!
 
Wedijv'rend, - zoo dat woord ge tusschen ons gedoogt, -
 
Werd door mijne eischen nooit een minder doel beoogd;
 
Wat zoudt ge, nu fortuin het prijs geeft aan haar nukken
 
U niet vermannen of 't, vereend, ons mogt gelukken
 
De weerelooze prooi der dwinglandij t' ontrukken?’
350
 
Vermoên, terwijl hun beê zij rigten tot de Witt,
 
Die ad'laars oogen welk een toets zijn blik bezit,
 
Vlug 't lokkenrijke hoofd opbeurende uit gepeinzen?
 
Om 't even! - zijn ze aan trots niet vreemd, ze zijn 't aan veinzen,
 
De geestdrift is gemeend die hem om bijstand bidt, -
 
Helaas! dat al haar hoop bij 't antwoord zij ziet deinzen!
[p. 362]
351
 
‘Uw Hoogheid hebbe dank! - Sints d' omzwaai van mijn lot
 
Verduurde ik wreed verwijt, trotseerde ik bitt'ren spot,
 
Viel deernis harder nog, - wat keerzij van den penning
 
Der volksgunst! - oordeel dus hoe zeldzaam een genot
 
Gij me in uw bede gunt, die blijk geeft van erkenning, -
 
Toch pleegde ik zoo ik haar gehoor gaf heiligschenning!’
352
 
- Een stilte! - Er zijn verleid door 't lokaas des gewins,
 
Er zijn die goud versmaên doch voor gezag bezwijken,
 
Er zijn... maar durft ge met de menigt' hem gelijken?
 
Nooit was de weelde lust zijns huiss'lijken gezins, -
 
En 's werelds vonnis heeft zijn wijsheid mogen strijken, -
 
Aan onzer vaad'ren leus herinnert hem de prins1:
353
 
‘“Concordia,” - moog' nog ze ons redden!’ - breekt het zwijgen
 
Die af, en bij haar lof herschept zich 's lands verschiet
 
Of vast de zuidertrans het onweer weg zag zijgen
 
Waarin de krijg den vloek, die hem vervolgt, ontvliedt;
 
Of vast al 't ov'rig zwerk het welkom hoorde stijgen
 
't Geen ieders hart den vreê, ten zetel varend, biedt;
[p. 363]
354
 
Hoe 's vijands pijlen dra vergeefs door 't luchtruim trilden,
 
Hoe afgekeerd, verstompt in 't zand des duins zij gleên
 
Zoo, mannen broeders, lijf aan lijf, in onze schilden
 
Een ondoordringb'ren muur we om gade en kind'ren tilden;
 
Zoo d'aanvalskreet met regt zich hief uit onz' geleên
 
Dewijl der tweedragt toorts te pletter bleek getreên!
355
 
‘Gereed’ - dus pleit hij - ‘goed en bloed het volk te wijden
 
Zou 'k in 't verdedigen aanvank'lijk mij verblijden
 
School in 't verzoenen niet het zwaarste van mijn last:
 
Zoo lang als bestevaêr en bezem op den mast
 
Elkaêr den staf der vloot hartstogtelijk benijden
 
Geen kans dat met een zege onz' weêr de zee verrast1.
[p. 364]
356
 
‘Wilt gij de hand mij biên d' onzaal'gen twist te slechten,
 
Stel zelfverlooch'nend' dan hun taak in vollen dag:
 
Wat make ik louter van den tijdgenoot gewag?
 
Als later over ons het nageslacht zal regten
 
Gelooft ge niet dat steeds zijn schoonsten krans 't blijft vlechten
 
Voor hem die slechts het land, die niet zichzelven zag?’
357
 
Daar wiss'len in de Witt's èn schrand're èn zedige oogen1, -
 
Al faalt hun bruine diepte ook 't blaauw der hemelbogen
 
Toch beurtlings, deez' gelijk, nu blinkend dan betogen, -
 
Daar wiss'len om zijn mond, - die met het weêrwoord mart
 
Of 't hoofd nog aarz'len mogt ter wille van het hart, -
 
Als licht en schaâuw zij af, des staatsmans vreugd en smart;
[p. 365]
358
 
Bewond'ring voor een jeugd haar gaven even spoedig
 
Ontwikk'lend als de nood zijn eischen tot haar rigt, -
 
Uitvorschende in den raad, op 't oorlogsveld stoutmoedig, -
 
Voor eigen zwakheid streng, voor and'rer zwakheid goedig, -
 
Genot, gezondheid zelve opoff'rend aan haar pligt, -
 
Ach! waarom grijpt ze naar een kroon in 't vergezigt?
359
 
‘Uw Hoogheid! tusschen ons gaapt eene ondempb're klove!
 
Zoo zeker als van u 's lands redding 'k mij beloove
 
Zoo willig kweet ik mij van wat mijn pligt gij acht,
 
Ware ik me niet bewust dat nimmermeer ten hove
 
Ik haar vergeten zou aan wie ik alle kracht,
 
Mijn gansche leven lang, ten offer heb gebragt;
360
 
‘Ik droomde, - spotzucht moog' voor dwaasheid 't woord misbruiken
 
Niets hoogs, niets heiligs of zij scheldt het maar gedroomd, -
 
Ik droomde een vrijheid als voor 't menschdom zeker koomt...
 
En 't was me als zag ik in den staatsvorm haar ontluiken
 
Die heerschzucht niet alleen in d' enkele betoomt,
 
Die, gordt hij zich ten strijd, bij magte is hem te fnuiken;
[p. 366]
361
 
‘Een burgerlijk bewind den vroedsten toevertrouwd
 
Verheven uit wat nacht ook hun talenten blonken, -
 
't Geen d' oceaan voor borg van onze welvaart houdt, -
 
Dat kennis en dat kunst bij allen tracht te ontvonken, -
 
Wat ijdelheid!... ik stoffe op 't geen ik heb gebouwd
 
Al blijkt het, onvoltooid, in puin reeds zaamgezonken!’
362
 
‘Zie op!’ valt Willem in en wijst naar 't schilderij
 
Het meesterstuk Jordaens', ‘is u de knaap vergeten
 
Dien ge eens alleen hier vondt, der grillige voogdij
 
In arren moede ontsneld? of heugt u nog hoe hij
 
Zijns vaders beeld u wees en aanhield om te weten
 
Wanneer op zulk een ros ook hij zou zijn gezeten?1
363
 
‘“Als steeds ge uw lessen kent,” was 't antwoord dat ge gaaft;
 
Een raad van wien al d' ernst gij sedert hebt gestaafd
 
Daar ge in de wiskunst mij behagen leerdet scheppen2:
[p. 367]
 
U danke ik 't zoo de kooi mijn vleugels hoorde kleppen
 
Maar ver mijn doel voorbij is uwe vrees gedraafd
 
Vermoedt ge dat ik die ten hoogsten trans zou reppen!’
364
 
‘'k Voorzag uw kansen,’ tuigt de Witt, ‘en stond ze u toe;
 
Van lage staatzucht wars, die mij met zege vleide
 
Zoo strikken des verderfs ik voor uw jonkheid spreidde,
 
Volhardde ik in 't besluit daar 'k nog te goed me op doe:
 
Wordt Holland eens in mij zijn hooger roeping moê
 
Dan vinde een vorst het waard 't in hem dien 'k onderscheidde.
365
 
‘Die ure, 't blijkt me, sloeg; - zoo zij het!’ - Hoog en straf
 
Moog 't klinken, waardigheid als Hellas' beitel gaf
 
Straalt 't levend marmer van dat heldenvoorhoofd af; -
 
‘Dat uur zal nimmer slaan!’ - meent Willem, hem een schrede
 
Genaderd, hem de hand toereikend met de bede
 
Dat hij als vriend die drukk', voor 't minste tot den vrede!
366
 
‘Ten afscheid!’ - Schoon dat woord, 't geen allen zoen verwerpt
 
Gebrek aan deernis toon' met 't leed van landgenooten
 
Voor wie zich, dag aan dag, het oorlogswee verscherpt?
 
Ten afscheid! - 'Wijl de kreet nog in zijne ooren snerpt
 
Dien wraakzucht langer niet den gorgel uit moest stooten
 
Sints van de kerkerpoort de deuren zich ontsloten!1
[p. 368]
367
 
Wat vragen! - doe wie waant dat zulk een groote ziel
 
Ooit dus hardvochtig doemde, ooit dus haatdragend viel,
 
Door 's prinsen eerbied zich haar wederzin verklaren:
 
‘Waar nam zijn jammer eind, die niets meer overhiel'
 
Dan d' achting voor zich zelv', liet ook dien troost hij varen?
 
Begins'len eischen mede in staatsliên martelaren!’
368
 
Gij, Willem! gij, de Witt! der Vrijheid evenkniên!
 
Wier trouwe om 't zeerst de taak u toegedacht vervulde
 
Haar vestend', naar den geest der oude wereld 't duldde,
 
Haar spellend', als haar der die nieuwe laat gebiên;
 
Waar, geniale groep1! waar brengen we u een hulde
 
Die al wat wetten geeft tot u leere op te zien?
[p. 369]
369
 
Wees, lieflijk landschap! 't geen me op eens weêr schijnt t' omvangen
 
Door balsemrijke lucht uit bloemen toegereed;
 
Weest, heuv'len! die uw loof ten dalen af laat hangen,
 
Als troonde 't beekje 't meê dat van geen ruste weet;
 
Weest, trots uw stilte, toch niet somb're loovergangen!
 
Waarin de mijmerzucht alle ijdelheid vergeet;
370
 
Weest... - was 't mij dan vergund dat ik den groet volendde
 
Daar, dochter Gelder's! gij meê instemt? - toen 'k mij wendde
 
Ten laaijen luister van een open plek in 't bosch
 
Stond plots'ling in de veerte er Robinhood op 't mos!
 
Wat vraagt gij me of ik hem bij d'eersten blik herkende?
 
De wedren zoekt vergeefs de weêrga van dat ros!
371
 
Een blijd gebriesch klonk voort tot in de diepste lanen, -
 
Een flikkering van lucht ontschoot den nacht der manen, -
 
Doch nevens mij bedwong de drift zich, roereloos, -
 
Op steeg ik, - om mijn roem als ruiter te zien tanen,
 
Wij stoven naar zijn wil de dreef in die hij koos...
 
Bezwoer de booze fee der streek mijn spieren voos?
[p. 370]
372
 
Een booze fee? ik had, in 't schoonst der paradijzen,
 
Wie slechts een ommezien mijn hand haar kracht ontnam
 
Ter duiding van den weg, een engel moeten prijzen,
 
Zoodra we in 't groen gewelf iets weem'lends zagen rijzen
 
Bij wijle sneeuwgestuif, bij wijle vier'ge vlam,
 
Waaruit, weêr jeugd en vreugd, Mimosa tot ons kwam.
373
 
Wat steig'ring van genot! verrassinge der ooren:
 
Gehinnik op de maat des vluggen drafs te hooren,
 
't Welluidendste dat ooit de rust van 't woud mogt storen; -
 
Bezieling van den blik; - die zich door dringend strekt
 
Naar 't boeijend vergezigt als 't hooger schoon ontdekt
 
Dan waar 't, omsluijerd, zweem van hope op heeft gewekt; -
374
 
Verrukking des gemoeds: wanneer voor luchtkasteelen
 
In wie zoo vaak de waan mogt met zijn wenschen spelen
 
't Verwezenlijkt aanschouwt 't geen inniglijkst het vroeg; -
 
Driedubb'le weelde daar mijn harte hoog door sloeg
 
Toen schitterglans noch schaâuw 'k me langer zag verhelen
 
Wier kleine hand den toom der telle sierlijk droeg!
[p. 371]
375
 
Was 't westewindeke uit den lommer aangetrokken
 
Zijn vleugels bleken niet op 't boschgebloemt' getild
 
Om 't wapp'ren van die veêr, om 't wuiven van dat vilt:
 
Naar 't rozemondje heeg 't voortsuiz'lende in de lokken
 
Wier duister, hief de vaart des schalken enk'le vlokken,
 
Opvonkelde of de trans werd van gestarnt' doortrild:
376
 
In breede vouwen mogt haar blaauwe rijkleed glooijen
 
Langs 't glinst'rend lijf van 't ros, den slanken vorm der leên
 
Verried, waar 't voetje rees, het vallen van de plooijen;
 
Geen siersels wonden zich om hals of schouders heen,
 
Volkomen, vergenoegt der stoffe maar bekleên,
 
Zou keten en zou kraag die buste schendend tooijen;
377
 
Daar week het nijdig floers: haar hemelsch aanschijn straalt!
 
Wat woorden waarin niet, lofzingend voor 't begroeten,
 
Dier oogen opslag, niet de lach dier lippen faalt?
 
Al moest ik beide met een wijl verblindens boeten
 
Te duur waar' tot geen prijs eene ure heils betaald
 
Wier heugenis het leed eens levens zou verzoeten!
[p. 372]
378
 
Och! arme beeldenschat die 't woud ten beste geeft:
 
Het wieg'len gindscher webbe uit zilverstof geweefd,
 
't Zich baden in het licht dier breede beukentwijgen,
 
Het wippen van dat meesje eer wij 't voor goed doen stijgen,
 
Hoe alles wordt beschaamd door wie ter zij me zweeft,
 
Bevalligste evenzeer in 't beuren als in 't nijgen!
379
 
Een vergezigt ontrolt wat, oud en nieuw, 't stoffeert
 
Waar 't mastbosch duister spreidt, waar held're golfjes vlieten:
 
Dien bouwval, van wiens kruin de moker blijkt geweerd,
 
Dat dorp, door noeste vlijt in stedeke verkeerd:
 
Een vrijer wereld dan de vaad'ren na ons lieten,
 
'k Mogt, dacht me, honderdmaal dien indruk reeds genieten;
380
 
Toch is 't of zich de beemd voor 't eerste me opensluit
 
Zoodra, vertellende, ik de groepen van 't verleden
 
In weidschen tooi, ter kerk, de burgtpoort uit doe treden
 
Den trots des bruigoms schets', de traantjes van de bruid...
 
Tot met een ommezwaai den overgang zij stuit
 
Hoe d'eigen hartstogt nog den staf voert over 't heden!
[p. 373]
381
 
Waar' ze al de aanminnigheên der geestdrift zich bewust
 
Als wiss'ling van verschiet haar schoonheidszin verlust
 
Zou zij den mijnen zoo gedurig, zoo gerust,
 
Wel tarten? zij wier aêm 'k mij naauw'lijks aan voel roeren
 
Of 'k vrees dat eerbied slechts te kort een strijd zal voeren
 
Met neiging, wier triomf zoo vele prikk'len zwoeren!
382
 
Geen weelde die haar lokt naar 't vorstelijk terras,
 
Al prijkt in roos bij roos 't uitheemsche bloemgewas,
 
Al noodt de zuilengang op 't geuren zijner winde:
 
‘Een wijle pozens’ zegt ze, ‘in schaduw van die linde,
 
't Zal frisch zijn bij de bron, 'k zag nooit zoo fleurig gras,
 
Wie weet of ik er niet het laatst viooltje vinde?’
383
 
Een flinke knecht schiet toe, - de wakk're vrouw schenkt graag
 
Het zoetste dat zij heeft, - hoe gluren om de haag
 
Daar blaauwe kijkers uit de blonde kopjes: boudste
 
Van allen springt er een op naar mijn zweep: - ‘ai, plaag
 
Dat heerschap niet!’ - ik laat hem klappen, ‘Is 't uw oudste?’ -
 
‘Die naar zijn vaertjen aardt, van zeven wis de stoutste!’
[p. 374]
384
 
Ik lei de lieve voort waar mos den eik omzoomt,
 
Waar 't ‘duyster is in 't groen’ waar 't ‘groen is in den duyster,’1
 
Ik lees een tuiltje zaam, ik bied het haar, ik fluister,
 
Verbleekt ze een oogenblik een hooger blosje koomt....
 
Maar 'k verg der vriendschap niet dat langer nog ze luister:
 
Schoonst droom' zij zelve zich wat zaligst 'k heb gedroomd.