wat ervan te maken viel. Er was limonade en er waren koekjes. Verschillende lotgenoten droegen liedjes voor. Die nacht hebben wij een kamertje gekregen achter het toneel. Wij hadden hiervandaan gemakkelijk kunnen weglopen, maar wij hebben dit niet gedaan, 1. omdat de andere jongens borg stonden, en 2. omdat ik mijn ouders niet alleen wilde laten.’
Men leefde er, maar het was er niet gemakkelijk. Een noodkreet van de Expositur:
‘Gelieve nog 800 porties salade te bezorgen, daar er 1400 mensen in de Schouwburg zitten.’ Het was er soms nog voller. Men sliep er vaak slecht, het was er bepaald niet hygiënisch. Men paste zich aan, maar niet iedereen even gauw; een bekend lid van de rechterlijke macht verzocht er na twee dagen om een schoon boordje. Niet iedereen paste zich aan; er kwam een enkele zelfmoord voor. De nachten konden er vreselijk zijn, vooral ook als er veel huilende kinderen waren: ‘in de couloirs, de wandelgangen, op de balcons, de amphitheaters, de trappen, in de parterre, de hall.’ En die mensen, die maar niet ophielden: ‘het geschuifel van voeten, de trappen op, de trappen af’. En dat aldoor loerende gevaar, die onzekerheid.
‘Op een avond kwam de SS-officier die toen de leiding had; hij sprak tegen niemand, maar dronk stevig. Na enige tijd, toen hij nogal dronken was, begon hij het gebouw te inspecteren. Daar het laat in de nacht was, sliepen de mensen. Hij beval de lichten aan te doen. Iedereen moest opstaan en de schoenen en kousen uitdoen. Daarna begon het onderzoek. Hij was van oordeel, dat slechts tien mensen schone voeten hadden. Die konden naar huis. Tegen de rest zei hij: “Jullie voeten zijn vuil. Daarom kan ik jullie niet loslaten.”’1
Men leefde er, maar niet prettig:
‘Sommige mensen vertoefden er vele weken, slapend op de stoelen, bestemd voor toeschouwers, gemarteld door een nimmer aflatende dorst, gevolg van de stoffige atmosfeer. Dag en nacht werden hun ogen gehinderd door kunstlicht. Ze kregen geen ademtocht van frisse lucht.’ Vooral Wielek2 heeft in zijn boek over die jaren van de Schouwburg bijzonderheden medegedeeld, die de lezer bijblijven.
Wij zullen nog moeten terugkomen op dat grote, logge gebouw in de Plantage Middenlaan, dat de Joden opslokte. Er hing iets heel merkwaardigs om heen; het treft dat er Joden waren, die er a.h.w. niet van-