terug  begin 
[p. 176]

5. De Invloed van het Nederlandsch op de talen van den Archipel.

Ten aanzien van den invloed, uitgeoefend door het Nederlandsch op de talen van den Archipel zijn wij, alles te samen genomen, eerder de overwonnenen - vae victoribus in dit geval -, dan de overwinnaars. Al is er geen apart kreolendialect ontstaan, er bestaat toch reeds, zooals aangetoond is, een eigenaardig Indisch Hollandsch bij de hiergeborenen, terwijl ook de meegebrachte taal der Totoks op den duur niet van vreemde smetten vrij blijven kan. Bij de hier geborenen is dat niet enkel een quaestie van ontleeningen of van Indisch gekleurde klankvorming, maar het Maleische taaleigen breekt op sommige punten reeds constant bij hen door, al zijn zij overigens vrij ja zelfs zéér goed ter tale.

De invloed van het Nederlandsch daarentegen op het Maleisch en andere inlandsche talen, is bijna enkel aan de oppervlakte en bestaat hoogstens in het opnemen en pasklaar maken van Nederlandsche woorden. Inwendige wijzigingen in de inlandsche talen zijn zeer schaars. Een enkele maal slechts volgt men bijv. met het Maleische kita orang het Hollandsche ‘wijlieden’ na en heeft men verder het gebruik van por (= voor) en sonder (= zonder) op rekening van onze taal te schrijven evenals het causatief maken der werkwoorden door middel van bikin en het gebruik van betrekkelijke voornaamw. als waarop, waarmee enz., maar in het Soendaneesch is de heele grammatische

[p. 177]

inwerking beperkt tot het gebruik van ‘van’ in de vertaling van bijv. de tafel is van hout.

Twee factoren hebben er toe meegewerkt om de taal van het moederland in engen kring beperkt te houden. Ten eerste het beginsel van de Regeering, waarmee men ongelukkigerwijze - ik zeg ongelukkigerwijze omdat het geld vermorsen is - begint te breken, om het Hollandsch voor den Hollander als een soort van hiëratische taal te bewaren; ten tweede: de moeielijkheid van het Nederlandsch. Wat dit laatste betreft, vermeldt Van Troostenburg de Bruijn1) dat de predikanten Caspar Wiltens en Sebastiaan Danckaarts in 1627 te Ambon beproefden de jeugd het Nederlandsch te leeren, en die taal in te voeren in kerk en school. Tevergeefs echter, tengevolge van de moeielijkheid. Later, in 1660, beproefde men het opnieuw met 140 kinderen in 2 scholen, maar alweer zonder vrucht.

Ook te Batavia heeft men getracht het Nederlandsch ingang te doen vinden, zooals blijkt uit het schoolreglement van 1778, waarin het bevel opgenomen werd, dat alle kinderen en slaven van Christenen de ‘Nederlandsche’ taal moesten aanleeren en spreken2). Zeker, men was op den verkeerden weg, want het hielp natuurlijk weinig, zooals prof. Werndly zei,3) of de kinderen der Inlanders op de scholen onderwezen werden in de Nederlandsche taal, en of ze vervolgens daarin al leerden opzeggen eenige formulieren van gebeden en ka-

[p. 178]

techismussen, waarvan ze weinig of niets begrepen en dan ‘tot zekere jaren gekomen zijnde van de scholen afgenomen worden, en vervolgens weder tot den godsdienst en levenswijze hunner ouderen overgaan.’ Dit bezwaar is nog steeds van kracht, want ook nu legt men een duren grondslag, waarop niet wordt voortgebouwd. Immers de voortdurende beoefening van het Nederlandsch vereischt voor den inlander een maatschappelijken stand, waartoe alleen weinige door geboorte bevoorrechten het kunnen brengen. Minder geldt het in die streken, waar de inlander zich vereuropeescht onder den invloed van het Christendom. Zooals reeds gezegd is, heeft het Nederlandsch daar misschien een toekomst. Een basis is in elk geval ook nu reeds aanwezig in de thans ter sprake komende leenwoorden uit het Nederlandsch, die in de voornaamste inlandsche talen opgenomen zijn.

In de eerste plaats komt natuurlijk het Maleisch. Aan boord te Amsterdam of Rotterdam begint het al tegenover de spada's,1) die ook djongos (van ‘jongens’) genoemd worden en voor wie woorden als: dek, hofmeester, hut, kamar (kamer) striman (stuurman) enz. volstrekt geen vreemdelingen zijn. In de hut zelf bedient men zich tegenover de inlandsche gedienstige geesten van seperai (sprei), ples (flesch), gerendel (grendel), andoek (handdoek), kopor (koffer), bolsak (bultzak), enz. Aan wal te Batavia heeft men te maken met: opsinder (opziener), lôs (loods), telepon (tele-

[p. 179]

phoon) en het onvermijdelijke: presènan (present, fooi).

In huis spreekt men van: kakoes (kakhuis)1), gòt (goot), hek, setal (stal) en men heeft er als meubelen een boepet (buffet), een bangkoe (bank), een kenap (knaap) met de noodige setolps (stolp), lampoe's (lamp), ember's (emmer), waarin het gelas (glas), de kan ès (ijskan) en de karap's (karaf) gewasschen worden, terwijl voor de schoolgaande jeugd de gerip (griffel) en het pottelot (potlood) klaar gelegd moeten worden. Wil men uit, men richt zich tot den koesir (koetsier) na orders gegeven te hebben aan de kokkie en derzelver kenek (knecht = helpster). Van uit háár gebied komt de soep in een tampat sop, gegeten wordt ze met een sendok sop, die naast de garpoe of porok (vork) ligt op het tapelak (tafellaken). Bij het kleeden roept men om zijn: kamisool, dasi (das), pelanel (flanel), djas (jas), keraag (kraag, boord), manset, kaôs (kous) of korset, rok en setûvel (stevel = laarsjes). Wie lekker ruiken wil, vraagt de flesch met klonjo (eau de Cologne). Tegenover de naaister spreekt men van poppie (rotan), de costuum-pop, van pasemen (passement), van laken dat soms belaoe (blauw) moet zijn, setik (stikken), trens en sòm (zoom). De groenteverkoopers komen aanzettten met andewi (andijvie), biet, boontjes, kool, peterselli, radijs, selada (slade) seladeri of sledri (selderij), bortol (wortel), of andere stoop (van stoof) enz. Verder koopen we om te eten: tjokelât (chocolade), setroop (stroop), perkedel (frikkadel), karmenâtji (carbonnade), enz. en om te drinken: bier,

[p. 180]

limonada, permoet (vermouth) en berendi (brandy) of wiskie. Op de passer kunt ge per stuk of per losin dozijn kontan (à contant) alles koopen, van af een blik beskwit tot een sekroep (schroef) of een peer erlodji = horlogeveer toe, obat pil en pelester (pleister) niet uitgezonderd, mits ge maar doewit (duitgeld) hebt, hetzij in sen (cent) of kwat (kwartgulden) voor de ongkos (onkosten). Laat u echter geen pergol, d.i. verguld, voor echte waar in de handen stoppen, want de koopman is hier even sekaker (schacher = inhalig) als overal.

Zooals men ziet, komen onze woorden er nog gehavender af dan de Maleische, die wij overnemen, maar strika voor strijken, reken voor rekenen, prop voor prop = kurk, (s)konkol voor konkelen, permisi voor permissie = excuseer, of lât voor laat zijn nog zeer toonbare gevallen. Bij de benamingen voor ambten, bedieningen, posten en de gebouwen, die daarmee in verband staan, zal men er echter hieronder ook aantreffen, die voor den pas uitgekomene niet zoo gemakkelijk te herkennen zijn. De advokaat wordt apokat, de agent agèn, de ambtenaar amtenar, de resident residèn, de assistent-resident assisten (residen), de controleur konterlier of kontolioer, konterler of konterloer, de dokter doktor, de ingenieur insenior, de inspecteur spektor, de notaris notarîs, de schout sekaoet, de post pos, de politie-oppasser oppas polisi, verder de school sekola, de gevangenis... boei, de boom boem = douane en de gage of het salaris gadjie, die men kan halen op het kantor oewang (geldkantoor = 's Lands kas), waar de een of andere Chineesche kasier er ook wel eens mee vandoor gaat.

[p. 181]

In de kazerne is verder obroes een heel ontaard ‘overste,’ terwijl men er bovendien vlotweg spreekt van adjudan en onderadjudan, poerier = fourier, djindral = generaal, litnan = luitenant, major, sappir = sapeur, kamerwak en skilwak, kornel, kapten, polisie, kresrad = krijgsraad, opsier officier, kopral aplos = korporaal van aflossing, sersan major en tamboer. Heel nauwkeurig maakt de inlandsche soldaat verschil tusschen strip = streep voor het chevron als distinctief en sepron voor het chevron van langdurigen dienst. Hij vraagt perlop = verlof en durft te reklamir, als hij niet krijgt wat hem kompetir of competeert, of als hem iets mangkir. Van een slokki houdt hij minder dan zijn Europeesche krijgsmakkers, door Daendels ‘mennekes’ gedoopt, en hij verdwaalt dies zelden in klas doewa of te wel de klassianen-afdeeling. Na een ruim gebruik van smir = smeer en lap gemoek = vetlap, ziet ge hem netjes aantree voor de speksi, want hij weet dat slordigheid geboet moet worden in de kamar strapan of strafkamer.

Ook in het meer litteraire Javaansch zijn de Hollandsche woorden,1) die daarin burgerrecht verkregen hebben, reeds zoo talrijk, dat men er een vrij lange lijst van zou kunnen maken. Zoo wordt bijv. in het Javaansch van Koedoes2) ons haak: hak; horloge: herlodji, terwijl de Maleier er ajarlodji van

[p. 182]

heeft gemaakt, een tegenhanger van het Javaansche hoerdhah, dat werda beteekenen moet! Merkwaardig is de h-aspiratie in hoepas voor: oppasser, hapel voor: appel of appelleeren en hongkos voor: onkosten. Nog vallen te vermelden roendå voor ronde of nachtwacht, rat voor raad, rekoewes voor request, rol voor politie-rol, repot voor rapport, koentrak voor contract, koesir voor koetsier, kellah voor klacht, kamar voor kamer, tir voor teer, tråmol voor (blikken) trommel, tong voor ton, sak voor zak in een buis, slebrak voor schabrak, slompret voor trompet, setroep voor siroop, setring voor streng van een wagen, segel voor zegelpapier, wol voor wollen deken, landhrat voor landraad, laken voor laken, lis voor leidsel, poennis voor vonnis, pir voor rijtuigveer, påtrålijoem voor petroleum, patikelir voor particulier, pas voor reispas, pal voor mijlpaal, palsoe voor valsch naast prasoe, pabrik voor fabriek, destrik voor district, got voor goot, gelas voor glas, goepermen voor gouvernement, båtol voor flesch, beskot voor voorschot, beskoewel voor paskwil, boewi = boei voor gevangenis, boem voor haven of rijtuigboom, bangkoe voor bank en ngas voor aas in het kaartspel en de as van een rijtuig. Afzonderlijke vermelding verdienen setin = satijn en knikker(s); sipil = civiel, gebruikt voor een burgerlijke rechtszaak of schuldvordering; prin = vriend, als antwoord op den aanroep ‘werda’ ples = flesch, maar in den zin van vierkante groene kelderflesch; de's = dienst, maar ook tegelijk noodlot; gådem = gulden, maar in de beteekenis van 2 ½ centstuk of rijksdaalder.

Natuurlijk is deze lijst niet volledig, evenmin als de

[p. 183]

hier volgende van Nederlandsche woorden, die in het Soendaasch opgenomen zijn.1)

A.
amtenar ambtenaar
andoek handdoek
anplok enveloppe
anslah aanslag
apel appel = hooger beroep
aprekin afrekening (koffie-procenten aan de inlandsche hoofden uitbetalen)
argol orgel

B.
bak bak (waterbak)
bang bank(-instelling)
bangkoe bank
batis batist
bengkel winkel
bĕre brei
biola viool
bisloewit besluit
bistik beefstuk
boekoe boek
boepet buffet
bolsak bultzak
bor schoolbord of boor
bordel borduurwerk
botol bottel

[p. 184]

D.
dam dam
dangsa dansen
dasi das
dines dienst
djalan sepoer spoorweg
djalosi jaloezie
djas jas
djongos jongens (bedienden)
does doos
dokar dogcart
dosado dos-a-dos

E.
eksamen examen
elak lak
elit lid
elo el
elos loods
engsel hengsel
entres interest
eram (katja) raam
erlodji horloge
esteger stijger

G.
gardeng gordijn
gelas glas
gerendel grendel
gesin gezien
Groepernemen Grouvernement
gopikan koffiekan
got goot

[p. 185]

H.
hak haak
herdinĕs heerendienst

I.
istrika strijken
istrolop stolp

K.
kaartjis visite kaartjes
kakoes kakhuis
kamar kamer
kantor kantoor
kar landkaart
karambol carambole
karap karaf
kartoe speelkaart
kas kist
kĕlah aanklacht
kelar klaar
kelbak schildwacht
kenap knaap (een klein tafeltje)
kenop knop (van eene deur)
koelisi of polisi politie
koemisi commissie
koesier koetsier
koki kok of kokin
kolem kolom
komplet compleet
konkol konkelen
kontrak contract

[p. 186]

L.
laken laken
lampoe lamp
lantera lantaarn
leger legger
lodji loge
loemoer roemer, drinkglas
losmen logement

M.
madali medalle
medalion medaillon
mesin naaimachine
modrah voordragen
moersetel voorstellen

N.
nekĕn handteekening zetten.
nekin teekenen
netjis netjes
(ng) abiola een viool bespelen
ngĕlak (keun) aanklagen
ngoemisi onderzoeken

O.
oepas oppasser
oendoerberoek onderbroek
onkos onkost(en)
onslah ontslag

[p. 187]

P.
pandemen fondement
pak pacht
pal paal = afstandsmaat.
palester pleister
palitoer politoer
pantji pan
patlot potlood
peloer vloer
pena pen
pilar pilaar
ples flesch
podrah voordracht (lijst der candidaten
poersetel voorstel = voordracht
pokrol procureur
pot bloempot
potji pot (theepot)
potret portret

R.
register register
rekes rekest
ronda ronde

S.
sakoe zak
sakola, iskola school
saoes saus
schroep schroef
sebrak schabrak
selop slof
sĕlot slot

[p. 188]

sen cent
seng zink
sep chef
sepen dispen
sepoer spoor
sepre sprei
serebet servet
setat staat, lijst
setrap straf
sop soep

T.
tariko tricot
tekĕn handteekening zetten
tekenan geteekende stukken
tekin teekenen
tekinan teekening
ter teer

W.
waterpas waterpas

Aan de prediking van het Christendom is het zeker toe te schrijven dat er zoo opvallend veel Hollandsch opgenomen is in het Maleisch van Ambon en in dat van de Molukken in het algemeen. In zijn Vocabularium van vreemde woorden voorkomende in het Ambonsch

[p. 189]

Maleisch1) zegt de oud-gouverneur G.W.W.C. van Höevell, dat verscheidene Hollandsche woorden ‘niet alleen burgerregt verkregen hebben, maar zóó veelvuldig gebruikt worden, dat de synonieme Maleische woorden òf niet begrepen worden, òf in vergetelheid zijn geraakt ....... Ook niet gering is het aantal verbasterde Hollandsche uitdrukkingen, waarmede de Ambonees zijn taal doorspekt. Men denke niet, dat hij die bastaardwoorden slechts bezigt uit zucht om ons na te volgen of uit aardigheid, het zij verre van daar’. In welke mate dit alles geschiedt, laat ik zien door uit het Vocabularium de Hollandsche bestanddeelen te lichten:

A.

Af(g)ekēr, afgekeurd.
akordēr, accorderen.
akten of soerat akten, acte van aanstelling.
arlosi, verbastering van horloge.
ārtapel. Het elders gebruikelijke ‘kentang’ wordt hier slechts zelden gebruikt.

B.

Balak, balk.
bās, baas, ‘toekang’.
bĕlas, belasten, iemand iets opdragen, ‘kepala soa soedah bĕlas beta’.
bolsak, bultzak, matras.
borgor, burgers, ‘orang bebas’ (‘bebas’ beteekent in 't Mal vrij).
bōtolmantji2), dwerg, de kabouters der Ambonezen.
baki, presenteerblad.
boba, frambosia.
bors, ‘bajar bors,’ contributie betalen aan de schutterskas.
[p. 190]
blaoe, blauw; groen wordt ‘biroe’ genoemd.
broigom, bruidegom.
broit, bruid, ‘moeka broit’ opgeruimd gelaat.
brot, ‘roti’ wordt slechts hoogst zelden gebruikt.

D.

Dag, ‘kasi dag’ voor groeten.
danki, dank je, ‘tarima kasi’.
dansa, dansen op Europeesche wijze in tegenstelling met het ‘menari’.
deftig, ‘dija soedah basalin pakean deftig’, hij is op zijn zondag's gekleed.
dointji, zang of danswijze (Holl. deuntje), ‘ana(q) badointji’, lastig kind, ‘moeka badointji’, van vreugde stralend gezicht, synoniem van ‘moeka aringan’; ‘peti dointji’, een speeldoos of orgel.
dĕp, vischsaus, misschien in verband staande met doopen, datgene waarin de visch gedoopt wordt.
dosi, doosje.
drail, draaijen, bijv. ‘medja kaki drail’, eene tafel met een gedraaide poot.
dril, ‘kapitan dril’. Aldus worden de aanvoerders of voorvechters der ‘ana(q)-ana(q) parisi’ genoemd. Zij zijn gekleed in oude officiersmonteringen, getooid met steeken (‘stēkhoet’) en hebben oude verroeste degens in de hand.

E.

Eis, volmagt, ‘koewasa’ (eisch?). ‘siapa kasi eis par oese?’ Wie heeft u volmagt gegeven?

F.

Farlegen, om iets verlegen zijn of aan iets gebrek hebben. ‘Beta farlegen kepen(g) sekali’, Ik ben zeer om geld verlegen.
fatsoen, ‘orang fatsoen’, de notabelen.
flak, (‘baflak’), vlek, bevlekt.
fleskoe, vierk. kelderflesch, in tegenstelling van een ‘bŏtol’ of wijnflesch.
floit, fluit, ‘soeling’, ‘banse’
frak, ‘perkara frak’, hoogst gewichtige zaak.
franje, franje.

G.

Galderei moeka, voorgalerij, de binnengalerij van een huis wordt ‘vōrhois’ genoemd.
gardin, gordijn; wordt ook voor ‘klamboe’ gebezigd.
gĕbet, bijbellezing in den regel Vrijdag door den meester gehouden.
[p. 191]
gĕson, gezond, ‘badang gĕson’.

H.

Hagel, ‘mimis’ wordt nooit gebruikt.
hāk, haak, bijv. in hāk klamboe.
handel, behandelen, bijv. ‘dija handel orang tra baik’; met iets omgaan, bijv. ‘itoe parampoewan tahoe handel roemah tangga’; ook in den zin van teregtzetten, bijv. ‘itoe orang tahoe handel dija poenja ana(q)’.
harmonīk, harmonica, die reeds in bijna alle inlandsche huizen gevonden wordt.
hastik1) (afleiding niet na te gaan) ‘zeer boos’, men hoort dit woord veel op Batoemerah en Lariki bezigen.
hawater, waarschijnlijk afgeleid van gewaterd2); ‘hati hawater’, een hart, dat vol is van droefenis of overloopt. Wordt ook gebezigd van moiré lint (Manipa, Lariki)
hengsel, hengsel.
hik, ‘dija hik’ hij heeft den hik.
hof, ‘djambating hōf’, een hoofd in zee uitgebouwd.

K.

Kagesasi, catechesatie.
kakerlak, niet alleen voor het insekt van dien naam, maar ook in ‘orang kakerlak’ voor albino.
kansi, ‘dija dapa(t) kansi’, hij vond gelegenheid.
karam, kramp; ‘penjakit moenta berag karam’, cholera morbus.
kasi over, overgeven, bijv. ‘dija kasi over kaparintahan’, hij geeft het bestuur over. Ook gebruikt in den zin van ‘overdoen’, bijv. ‘kasi over itoe par beta’, geef mij dat over, n.l. voor den prijs waarvoor gij 't gekocht hebt.
kēs, (‘kees’) aap, ‘monjet’ wordt nooit gebezigd) ‘kelsan kēs,’ een hansop; ‘kēs poenja telor’ is een triviale Ambonsche verwensching, die veelvuldig gebezigd wordt; ‘kēs boei’, eveneens een scheldwoord, zooveel beteekenende als ‘een aap aan de ketting’.
klam, echo, ook gebruikt voor klamp, ‘klam pintoe’.
klār, klaar, ‘sadia’; ‘makanan’ soe (soedah) klār’, 't eten is reeds gereed.
klawarnet, klarinet
[p. 192]
klom, houten klompjes.
kneintje, konijn, hoewel 't elders gebruikelijke ‘klintje’ ook begrepen wordt.
knek, knecht.
knōp, knoop, ‘kantjing; ‘boenga knōp,’, immortellen soort; een knoop digt maken, ‘kantjing knōp.’
knor, knorren, brommen, ‘pai toewah knor sesadja’.
koekis, gebak, koekjes (‘kwe-kwe’ nooit gebezigd) ‘koekis pisang’, ‘koekis kanari’ enz. koelĕr, kleur (Mal. warna).
koi, bed; ‘kenari koi’ of ‘koïn’, kenari van den bolster ontdaan.
kōlwater, soms verbasterd tot ‘kalwater’, overgehaalde sagoeweer; ‘kōlwater kapala’ en ‘kōlwater kaki’, enkel en en dubbel gebeide.
komandēr, kommanderen.
komisi, iets onderzoeken in zeer uitgebreide beteekenis; ‘pergi komisi’, eene inspectiereis maken.
komplemen, (compliment) ‘ini orang banjaq komplemen’ hij heeft veel noten op zijn zang.
kons, (kunst) ‘itoe banjaq kons’, dat is moeijlijk uit te maken.
kontji-stori, verbastering van consistorie.
kostor, koster.
krois, ‘tanda krois’, kruis, merkteeken voor een grens of handteekening, ‘kajoe krois,’ ook ‘orembai krois,’ voor een zeer groote orembaai van 6 koijangs of meer.
krōn, rottingknop (‘kapala rotan’) van goud of zilver, zooals de Regenten dragen als teeken hunner waardigheid. Waarschijnlijk zoo genoemd, omdat daarop het Nederlandsche wapen gegraveerd is.
krōntji, bruidskroontjes van papier en papatjeda vervaardigd, die bij een bruiloft overal in het huis van de bruid worden opgehangen; ‘tikam krontji,’ zonderling gebruik bij huwelijk, beschreven in mijn werk Ambon en meer bepaaldelijk de Oeliasers enz.
kwas, besmeren, bestrijken, ook voor grof schilderen.

L.

Lansig, misschien eene verbastering van landziek, ‘zich niet wel gevoelen’.
lap, voor ‘tampelin’, een oorveeg geven, ‘sabantar beta lap oese’.
lāt, laat, ‘soedah liwat horas’.
lēs, lezen, ook wel gebruikt voor bidden vóór 't eten.
lĕter, ‘tra sa lĕter’ beteekent volstrekt, hoegenaamd niets.
leven, (‘balewen’) leven of rumoer maken.
lis, lijst van een schilderij of bij timmerwerk.
[p. 193]
litjis, versjes of gelegenheidsgedichten, niet te verwarren met de ‘pantoen-pantoen’. Wordt zoowel in den singularis als in den pluralis gebruikt, bijv. ‘menjanji satoe litjis’.
loer, beloeren (Mal. ‘menginte’); ‘pigi loer’, op de loerjagt gaan.
lōkīs, waarschijnlijk eene verbastering van lokjes, haarlokken. Bruiden en ook ‘djoe-djaro’, die bij de ‘kabesaran’ fungeren moeten, hebben de gewoonte het haar kort langs het voorhoofd weg te scheren, doch zóó dat er een streep haar langs de haarlijn blijft. Deze streep wordt ook dikwijls vervangen door valsch haar, dat op het voorhoofd geplakt wordt. Deze dragt nu wordt ‘pake lōkīs’ genoemd.
lont, gebruikt voor Hollandsch vuurwerk en dan met of zonder toevoeging van ‘fagĕti’; ‘bakar lont’ of ‘bakar fagĕti lont’, vuurwerk afsteken.
los, loods, loodsen.

M.

Mĕnĕr, mijnheer; aldus tituleren de mestiezen elkander. Een volbloed Europeaan wordt ‘toewan’ genoemd.
mĕpraoe, mevrouw, titel voor de vrouwen van mestiezen en mindere inlandsche ambtenaren; de echtgenoote van een volbloed Europeaan heet ‘njonja’.
metsel, metselen.
mīr en semoe(t), beide gebruikt, ‘mir poetih’, ‘mīr besar’, ‘semoe(t) api’.
mister, (‘goeroe’) schoolmeester.
miskrām, ontijdige bevalling.
moei, tante. Alle vrouwen op leeftijd spreekt men aan met den naam van ‘moei’ (vrouwtje).
moesik, muzijk.
morgen, goeden morgen, ‘siang baik’; midden op den dag slechts zegt de inlander ‘tabe’.
morĕto, ook wel ‘stoipīs,’ stuipen van kinderen.

N.

Naoe, waarschijnlijk ons ‘nu’, doch door den Ambonees veelvuldig gebruikt als voegwoord, zooals het ‘en toen’ bij ons; bijv. ‘naoe beta pergi per dya, maoe tanja itoe perkara’, naoe beta datang di dya bilang par beta’, enz.
nāt, naad, ‘tra nāt lai’ beteekent. in de puntjes iets doen.
natīr, [natuur], ‘sperma’.
nawing, goeden avond, ‘malam baik.’
[p. 194]
netjis, netjes, doch meer gebruikt in den zin van mooi.
nihi, nicht.
njong, jongeling, waarschijnlijk afkomstig van ‘ngoegare’1).
nois-nois, ‘stori nois-nois’, (soms uitgesproken als ‘nos-nos’), door den neus praten.
nōt, uitnoodiging, invitatie.

O.

Ofstōk, opstoken.
ōm, oom.
ombekwām, zie ‘lodja.’
ondersoek, onderzoeken, ‘tjari tahoe;’ dikwijls hoort men ook zeggen ‘sisi naïq’, doch dit beteekent eigenlijk ‘iets op eene slinksche manier te weten komen.’
onkos, onkosten, uitgaven.
ons of onslag. voor iets wat niet meer dienen kan.

P.

Palsir, pleizier, genoegen, ‘orang palsir’, opgeruimd mensch.
palwin, liefst nog ‘angin palwin’ valwind. Dergelijke pleonasmen zijn bij den Ambonees niet zeldzaam, zoo spreekt hij steeds van ‘minjaq petroli’, ook wel van ‘piso pĕnemes’, ja 'k heb hem zelfs wel eens ‘medja ampat virkan’ hooren zeggen.
pandjaloes, heeft de beteekenis van jaloersch en is er zeer zeker eene verbastering van.
parkĕror, rekwestenmaker, woordvoerder, procureur.
parmisi, verlof, vergunning, permissie.
pas of pals, valsch, niet opregt, ‘hatinja pas-pa’.
patrŏn, ruwe patroontasch, van geverwd of geteerd linnen of zeildoek gemaakt, waarin de inlander zijne jagtbenoodigdheden bergt. Ook ieder Alifoeroe is er van voorzien.
perhemel, hemel van een ledikant; ‘tendah’ wordt slechts zelden gebezigd.
perneik, voor den mal houden. Dit woord wordt zelfs door fatsoenlijke inlanders gebezigd en heeft in 't Ambonsch maleisch dus niet die triviale beteekenis, welke aan het gelijkluidende woord in het Hollandsch gehecht wordt.
pet, pet.
pil, ‘obat pil’.
piola, viool; ‘iris piola’, vioolspelen.
plā (g) (k), plagen, maar in den
[p. 195]
zin van ergens om aanhouden, dringend verzoeken.
plat, ‘hidon plat’, een platte neus.
plester, bepleisteren. De vloeren in de meeste Regentswoningen zijn bepleisterd.
plot (flot), troep, bende, ‘barbahagi orang dalam doewa plot’, de lieden in twee troepen afdeelen, bijv. op de jagt.
pokis-pokis, tooverkunsten, waarschijnlijk afgeleid van ‘hokus-pokus’.
pols (fols), ‘raba fols’, den pols voelen.
popo, pudendum muliebre.
porgasi, ‘soedah minom porgasi’, beteekent: ‘'k heb reeds een laxans ingenomen’ (purgatie).
pos, brievenpost.
prĕkstoel, predikstoel; ‘mimbar’ hoogst zelden gebruikt.
prĕsen, ‘kasi prĕsen’, niet alleen in den zin van iets cadeau geven, maar ook voor een ‘fooi’, ‘nanti beta kasih prĕsen par don’ [dija orang], beteekent dus, ‘ik zal hen een fooi geven’.
pronk, oppronken, ‘pronk roemah’, een huis stofferen of in orde brengen voor de ontvangst van personen; ‘pronk koi’, een bed netjes opmaken en versieren, bijv. een bruidsbed.

R.

Rāi, oplossen, raden; ‘rai tjigoeloe’, raadsel oplossen.
rām, (‘rām kadera’) het matten van een stoel met vlechtwerk van rotan.
reken, tellen; ook gebruikt in den zin van ‘eerbied of achting toedragen’, ‘ini orang tra reken beta par sakali’.
rĕmedi, beproeven.
rok plōi, geplooide vrouwenrok van chits, elders in Indië ‘saja’ genoemd.
rond, bijv. in ‘hitam rond’, het geheele uitspansel is zwaar betrokken; ‘pele rond’, omsingelen.
rosbank, rustbank.

S.

Segel, zegel, ‘soerat segel’, ook wel gebruikt voor ‘verzoekschrift’ (‘mintaban’). De inlander zegt ook dikwijls eenvoudig ‘kartas’ voor een rekwest, bijv. ‘beta maoe kasi maso(q) beta poenja kartas par toewan’, ik wenschte een verzoekschrift aan mijnheer te overhandigen.
segen, gebed doen bij een lijk, hetzij in huis of op het kerkhof (zegenen).
sei, zijde, ‘angin datang deri
[p. 196]
sei’, de wind komt van terzijde.
skakar, gierig.
skāp, schaaf.
skarnir, scharnier.
skelderij, schilderij.
skeling, scheel.
skēt (scheet) ‘beta tra skēt deng (dengan) oes’. Veelvuldig gebruikte triviale uitdrukking, zoo veel beteekenende als ‘ik geef niet om je.’
skitsel, schutsel, scherm.
skop, iskop, schoppen.
skŏrok. (iskŏrok, iskŏrak) schurk.
skŏrsten, lampeglas.
skotol,:ruwe gebloemde schotel, die met de ‘pingang batoe’ eene groote rol speelt in de Ceramsche harta.
skrik, ‘dapat skrik’ verschrikken.
skroep, schroef.
skroepmes, schroevendraaijer.
slag, in eens; ‘dija minoem slag’, hij drinkt het in eens uit; voor iets dat eensklaps plaats vindt, bijv. ‘dija djatoh slag’ hij viel eensklaps; ‘slag-slag dija dapat demam’ ieder oogenblik heeft hij de koorts.
slek (g), slecht ‘dija soedah sakit slek’, hij is gevaarlijk ziek; ‘kadera slek’, gewone stoelen zonder armen.
slender, ‘slender diri’, zich verslingeren.
slēp, over den grond slepen, bijv. ‘dija slēp beta deri ramboet kasana kamari.’
slim, in den zin van verkeerd, slecht, bijv. ‘diorang kerdja slim sekali.’
slinger, slingeren. ‘Dija badjalan slinger’. Hij slingert langs den weg.
slot, slot; ‘koentji’, sleutel.
smŏkel, smokkelen.
snip, ‘masarihoe’, snip.
soeēt (‘basoeēt,’ ‘basoear’) bezweet.
soesi, zuster.
sofa, rustbank.
soi, soja. ‘Ketjap’ wordt nooit gebezigd.
sokolāt, ‘kakao’, chocolade.
solder, zolder, van ‘gaba-gaba’ of ‘boeloeh’, is die van hout dan zegt men lŏteng.
sonder, zonder, bijv. ‘dija poelang sonder kasi tahoe beta.’
sopi, arak, ‘djenewer’, Hollandsch genever.
spānsmat, (‘ringgit’) rijksdaalder.
spēlman, speelman, vedelaar.
stem, of liever ‘stem diri’ voor ‘stemmig kijken’ of ook wel ‘zich een air geven.’
sterk, (‘isterk’) gespierd.
stori, hier gebruikt in den zin van praten, vertellen, ‘par apa oese sēn stori akan?’ Waarom zegt gij 't niet?
[p. 197]
strāt, groote weg, straat.
strei, strijden, in den zin van woordenwisselen, ‘bŏkoe strei’.
strēp-strēp; strepen.
stron, (stront) ‘stron par oes’, zeer veelvuldig gebezigde triviale verwensching.
strop, de lussen van ‘gamoetoe’ of ‘rotan’ op zijde van een draagstoel (‘kadera pikol’) waardoor de ‘hahalan pandjang’ gestoken worden.
swak, ‘dija dapat swak’ (zwak).

T.

Taksēr, schatten, taxeren, ‘toeroet takser’, volgens schatting.
tamboer, trom, ‘tamboer dangsa’.
terg, (‘baterg’) plagen, tergen, ‘gangoe’ wordt evenwel ook gebezigd.
tering, altijd te zamen met ‘babato(q)’ gebezigd, ‘babato(q) tering’, de tering hebben.
tofor, tooveren, ‘orang tofor’. toovenaars.
toni, verbastering van tenu; ‘itoe orang bapake toni betoel’, hij is netjes aangekleed.
trap-trap, trappen, stoep met treden, ‘dija doedoeq di trap-trap.’
trekter, trekker van een geweer.
trop, (‘orang trop,’ ‘kerdja trop’), heerendiensten. Voor eenen gelijkmatigen druk zijn de dienstpligtigen in eene negorij in verschillende ploegen of troepen verdeeld, die elkander afwisselen, van daar de naam.

U.

U, met dit persoonlijk voornaamwoord spreken de zoogenaamde ‘mĕnēr-mĕnēr’ elkander aan, doch gebruiken het in alle naamvallen. bijv. ‘begimana u boleh bilang; beta sēn kasi akan par u’.

V.

Vaksinatēr, vaccinateur, ‘mantri tjatjar’ wordt nimmer gebezigd.
vam, van, geslachtsnaam. De inlander zoowel Christen als Mohamedaan is hier ten minste zoover, dat hij er geslachtsnamen op na houdt. De voornamen der Christenen zijn evenwel bijna allen aan den bijbel ontleend en soms zoo verbasterd, dat de eigenlijke naam niet meer is uit te vinden. Zoo vond ik bijv. dezer dagen nog in een officieel stuk den naam van Andarias Ondernikus (Andreas Dominikus?).
van doen, ‘beta tra van doen dengan dija’, ik heb niets met hem uit te staan, 'tzelfde als ‘tra mister’.
[p. 198]
verkēr, verkeerd, ‘tasalah’.
verlĭp (f), verliefd, doch niet platonisch, zoodat ‘itoe nona soedah tahoe verlīp’ beteekent, ‘dat meisje heeft reeds gemeenschap gehad met een man.’
vervēl, verveling, zich vervelen, ‘rasa vervēl’.
vīrkan, vierkant, ‘medja vīrkan’.
voer, voering, ook grondverf.
vōrbei, voorbij voor iets wat reeds is, bijv. ‘itoe tandjong soedah vōrbei’.
vork, vork; ‘garvo’ wordt nooit gebezigd.
vrehaven, slaven, die bij de afschaffing der slavernij vrij zijn geworden. Verbastering van vrijgegeven?
vreman, gepasporteerd soldaat; ‘pakean vreman’, burgerkleeding in tegenstelling met eene montering.
vroeg, veelvuldig gebruikt, doch men hoort ook ‘dengan tempo’ bezigen.

W.

Wār, meestal gebruikt als ‘tra wār’, niet waardig zijn, bijv. ‘dija tra wār par parintah’.
warmoes, iets in wanorde brengen?
weger, weigeren, niet afgaan van een geweer.
wimpel, onderscheidingsteeken der regenten, vide Indisch Staatsblad 1824 no. 19a.

 

Behalve door dit, uit verschillende oogpunten interessante Vocabularium leeren wij veel over de verspreiding van het Nederlandsch uit F.S.A. De Clercq's ten onrechte in De Gids zoo hard beoordeeld: Het Maleisch der Molukken, een lijst der meest voorkomende vreemde en van het gewone Maleisch verschillende woorden, zooals die gebruikt worden in de residentiën Menado, Ternate, Ambon met Banda en Timor Koepang. Hieruit kan het boven gegeven uit het Vocabularium getrokken woordenlijstje aangevuld worden met:

A.

Adrès. M.A., ‘Holl. adres,’ het adres van een brief. (T. koefèr). De enveloppes heeten overal, ‘pemboengkoes soerat.’
agèn, Holl. agent, agent van eene maatschappij.
amtenar, Holl. ambtenaar.
[p. 199]
anès, Holl. anijs, de Anethum graveolens; de fijn gestampte zaden worden in allerlei gebak gedaan.
anslag, M., Holl. aanslag. ‘Poekoel anslag’, hct aanslaan in de hasielbelasting; ‘soerat anslag’, het aanslagbiljet.
araroet, B., Holl. arrowroot. (A. sagoe wolanda).
arès, Holl. arrest. ‘Taroh di arès’, in de gevangenis zetten; ‘kamar arès’, arrestantenkamer, ook ‘toetoepan’.
as, het aas bij kaartspel; ook de as eener pedatie.

B.

Band, M.T., Holl. band; gew. de buikriem van een zadel.
bèdèng, M.T.B., Holl. bedding, voor kweeking van jonge plantjes. (A. bèd).
bĕnaud, M.A., Holl. benauwd, ‘dia rasa benaud sakali’, hij heeft het zeer benauwd.
besloit, Holl. besluit; gew. ‘soerat besloit.’
bètèr, Holl. bitter, de pomeranzen spiritus of het maagelixer; ‘toewan soeka minoem bètèr,’ wil u een bittertje drinken?
bijgebouw, M.A., Holl. bijgebouw.
bijwak, M., Holl. bijwacht, eig. schildwacht.
birman, M.A., Holl. buurman.
blas, Holl. blaas, b.v. blaasjes op de tong, op zweertjes, enz.
blok, het blokhout, ook ‘tjongko’ en ‘tarongko’ (Port. ‘tronco’) geheeten; ‘taroh dia di blok’, zet hem in het blok.
boek, Holl. boek, ook ‘kitab’; boekoe beteekent alleen gewicht.
bòg, T., Holl. boog; zie ‘arkoes’.
bok, M.A., Holl. bocht; met ba tot ‘babok’, bochtig, afgerond.
bòlong, M., varkensworst. (Jav. bolongan, holte)1).
bontjis, Holl. boontjes; ‘bontjis boelan,’ de Vigna Sinensis.
bor, Holl. boor; ook boren.
bordir, Holl. borduren; bij ‘soedji’ werkt men met garen, bij ‘bordir’ met gouddraad.
borg, Holl. borg, in den zin van borg zijn; in schrift soms ‘sikoeta’.
bosman, M.A., Holl. bootsman.
botol, Holl. bottel, d.i. een gewone flesch; een vierkante flesch heet ‘flesko’ en ‘fles’.
broek, (M. ‘tjelana’; A. kalĕsan’).
[p. 200]

D.

Dèk, Holl. dek, het dek van een schip.
dèrwardĕr, Holl. deurwaarder.
diens, Holl. dienst; ‘soerat diens’, een dienstbrief: ‘masok diens’, in dienst treden.
djaga, A., tak van boomen, elders ‘tjabang’; de kleinere takken heeten te T. ‘takis’, verb. van het Holl. takjes.
djĕnéwĕr, Holl. jenever; Arak heet ‘sopi’.
djoeloes, Holl. jaloersch.
djongĕs, Holl. jongen, bediende. Te M. wordt van bedienden steeds als ‘anak’ gesproken.
dobol, Holl. dubbel.
doesèn, Holl. dozijn.
dopis, Holl. dopjes, slaghoedjes.
draf, M., Holl. draven.

E.

Eksamĕl, Holl. examen, ook wel kapariksaän.
el, Holl. el.
estrak, Holl. extract, de vendurekening.
estra pos, Holl. extrapost.

F.

Fabrik, A.T., Holl. fabriek; ‘toewan fabrik’, de Ingenieur van den Waterstaat.
famili, Holl., familie.
fandisi, M.A. Holl. vendutie (z.o. ‘lélang’).
farlak, Holl. verlakt; ‘tjapatoe farlak’, verlakte schoenen.
fĕrandĕr, Holl. veranderen.
fĕrfèl, M.A., Holl. vervelen; beta rasa fĕrfèl, ik verveel mij. (T. bòsan).
fĕrgol, Holl. verguld.
figir, M.A., Holl. figuur; ‘kasih figir’ het afroepen van de verschillende figuren bij het dansen der quadrille.
flau, M.A., Holl. flauw. (M.A.) ‘dapat flau’, flauw vallen.
flinggĕr, M., Holl. vlieger (A. ‘lajang-lajang’; T. faligĕr; B. saronggola).
floer, Holl. vloer; ‘lantei’ als die van niboeng of bamboe is
foer, Holl. voering.
folmak, Holl. volmacht of gevolmachtigde; ook djoeroe-koewasa.
fòrskot, Holl. voorschot.
fòrnês, M.A., Holl. fornuis.

G.

Galopèr, M., Holl. galoppeeren. (T. koeda lari andjing).
gardoes, Holl. kardoes, bordpapier.
gĕménĕ, M., Holl. gemeen, een gewoon schutter, in tegenstelling van een korporaal of sergeant.
[p. 201]
gĕnotschap, M., Holl. genootschap, het Ned. Zend. genootschap.
gèspèr, Holl. gesp.
goevernement, Holl. Gouvernement: kompania geraakt meer in onbruik, alleen te T. nogin het ‘maibapa kompania’.
gòt, Holl. goot; ‘galei got,’ een goot graven.
grap, M., Holl. grap; ‘dia panggrap sakali;’ hij is een echte grappenmaker (A. gràpis).
grèf, Holl. griffel.
groei, M., Holl. Groeien; bertoemboeh is meer ontkiemen.
groet, A.T., Holl. groeten.
gros, M.A., Holl. grof, het tegengestelde van aloes. (T. ‘kasar’).

H.

Ham, Holl. ham.
hambak, Holl. ambacht; ‘pergi adjar hambak’, zich voor eene betrekking gaan bekwamen.
hamĕr, T., Holl. hamer. (M.A. martélo).
handoek, Holl. handdoek.
harspèl, Holl. haarspeld.
hêk, Holl. hek.
hoek, Holl. hoek; ‘djiko’ heet een hoek aan de kust tusschen twee kapen.
hoesar, M., Holl. huzaar, eerewacht.

I.

Infĕl, Holl. invullen; het invullen van cijfers op een staat.
istòp, M.A., Holl. stoppen. Het stoppen van gaten of scheuren in kleederen. Het stoppen van gaten in kousen heet te A. meer bijzonder ‘toekis’.

J.

Jas, Holl. jas.

K.

Kadrili, Holl. quadrille.
kakoes, Holl. kakhuis; ‘tempat bitjara’ is fatsoenlijker, maar ‘djamban’ zeer onbehoorlijk. Te A. heeft dit woord boven. dien eene andere beteekenis-
kalomp, Holl. klompen; eig. de houten sandalen, die op Java ‘gamparran’ heeten.
kàmar, Holl. kamer.
kana, M.A., Holl. kan, kruik. (T. ‘kan’).
kandelar, Holl. kandelaar; ‘tampat lilin’ is ook bekend.
kanikĕr, M.T., steenen of glazen knikkers (A. moetĕl).
kanoei, Holl. knoeien.
kantoor, Holl. kantoor.
karèmp, Holl. krimpen. (M. ‘foro’. A. ‘takoro’)
kart, Holl. kaart; ‘pĕta’ is ook bekend.
kartir, M.A., Holl. kwartier; ‘orang kartir’, ketting jongens; ‘roemah kartir’ het kettingkwartier.
kas, de bank, waar de Hoofden zitten in de Maleische kerk;
[p. 202]
bet. ook ‘kast, kleêrenkast’.
kèkĕr, Holl. kijker; tròpong of ‘trompong’ in de bamboe om vuur aan te blazen.
kèldĕr, Holl. kelder, een kelder jenever.
kĕlok, Holl. klok.
kèrkof, Holl. kerkhof, de begraafplaats van Europeanen en Christen inlanders; ‘Kaloe maoe poelang melainkan pigi di kèrkof,’ fig. uitdr., wordtgezegd tot iemand die weg wil gaan, als men gezellig bijeen zit, en duidt daarop, datalleen de dood eene scheiding kan te weeg brengen.
kétĕl, Holl. ketel.
kéwĕl, A., Holl. keuvelen, praten of kletsen.
klad, Holl. klad; ‘békin klad dhoeloe’, schrijft het eerst in klad.
klak, Holl. klacht; ‘bawa klak’, zich beklagen.
klèd, Holl. kleed; ‘pakei klèd’. Europeesche, meer bijzonder vrouwen kleederen dragen.
klerk, Holl. klerk; ‘djoeroe-toelis’ is een inlandsche schrijver.
knopsgat, Holl. knoopsgat, ‘dia pakei knopsgat di moeloet’ wordt gezegd van iemand, wiens aangezicht door de bobaziekte geschonden is.
koerant, Holl. courant; meer gebruikelijk dan ‘soerat’ of ‘kertas(!) chabar.’
koffi, voor koffie.
kofor, Holl. koffer.
koif, Holl. kuif. (T. id. en ook ‘tédé’).
koléra, Holl. cholera.
kòmandan, Holl. kommandant, de kommandeerende officier der schutterij.
kòmando, Holl. kommando
kompas, Holl. kompas; aldus noemt men een boussole.
kondisi, M.A. Holl. conditie; ‘angkat’ of ‘békin kondisi’, een toast slaan. (T. ‘angkat salamat’).
koning verjar, M. Holl. Konings verjaardag.
konsèn, Holl. consent; ‘soerat konsèn’, de gezegelde huwelijksakte.
kontan, Holl. kontant.
kontĕrbos, M.A. Holl. contributie, de contributie aan de schutterskas.
kontrak, Holl. kontract.
koopbrief, Holl. koopbrief.
koopi, Holl. koopje; ‘kasih koopi’, een koopje geven.
koopman, A. een soort kaartspel: eenige, gewoonlijk vier kaarten worden gekeerd, de hoogste wint.
koord, Holl. koord, voor boordsel.
[p. 203]
kòpi, M., Holl. kopje; mangkok is een groote kom.
kopia, Holl. kopie; ‘ambil kopia’, kopie nemen.
kordèr, M.A., Holl. accordeeren; ‘bakoe kordèr baik’ een accoord treffen. (T. akkordêr).
korkĕtrèk, Holl. kurketrekker.
korsèt, Holl. korset.
kosèn, Holl. kozijn.
kous, Holl. kous; handschoenen heeten wel ‘kous tangan’.
krak, Holl. kraag.
kramp, Holl. kramp.
kroesmon, B., Holl. kruis of munt. (A. poetar képĕng) Andere spelen zijn: ‘bermain oeli’ (A. ‘bermain oeli’) en ‘bermain koba-kobä’ (A. ‘bermain médi lobang’).
krol, Holl. krul; ‘ramboet krol’, gekruld haar.
kwart, Holl. kwart, ¼ deel ook ¼ gulden.
kwartaal, Holl. kwartaal; alleen door de burgers gebruikt, die kwartaalsgewijs hunne schutterlijke contributie moeten betalen.
kwitantie, Holl. quitantie.

L.

Lak, Holl. lak.
laken, Holl. laken, voor kleedingstukken.
landraad, Holl. landraad; te A. heeft men nog de ‘landraad besar’ en ‘landraad ketjil’.
lars, Holl. laars; gewoonlijk ‘tjapatoe lars’.
lastok, Holl. laadstok.
latje, Holl. laadje, in kast of doos.
lau-lau, Holl. lauw, van water, enz.; een ander woord daarvoor is ‘satengah panas’.
lawèr, M.A., Holl. laveeren, (T. ‘pal-pal’).
lei, Holl. lei; ook ‘batoe lei’ en ‘batoe toelis’.
leif, T., Holl. lijfje.
lèm, Holl. lijm.
lémon, Holl. limoen, Citrus sp. (‘djĕroek’ is niet bekend).
lènban, M., Holl. lijnbaan, waar het gomoetiweefsel tot touw wordt gedraaid; bestaat alleen te Amorang (Menado).
lèpĕr, M., Holl. lepel (A.T. sèndok).
liniar, Holl. liniaal.
lobortji, M.A., Holl. lovertje, bij het borduren met goud- of zilverdraad gebezigd (T. ‘lobtji’).
lòdji, M. Holl. loge; kontroleurs woning.
loi, B. Holl. lui.
lòp, Holl. loop, geweerloop.
losjĕmèn, Holl. logement.
losjèr, Holl. logeeren.
[p. 204]
lotĕrei. Holl. loterij; te A. ook ‘boewang ondei’.

M.

Maklòn, M.A., Holl. maakloon, van kleedingstukken.
matskappij, M., Holl. maatschappij. ‘Kapal matskappij’, de stoombooten der N.I. stoomvaartmaatschappij.
medali. Holl. medaille.
mèstĕr, Holl. meester; te M. worden de onderwijzers der genöotschapscholen meestal ‘pengadjar’ genoemd.
modèl, Holl. model.
modo, Holl. mode; ‘modo toewa’ eene van oudsher bestaande gewoonte; ‘modo baharoe’, eene nieuw ingevoerde gewoonte.
moerbei, M., Holl. moerbei, de ‘daoen babesaran.’
moesling, Holl. mousseline.
mofrou, Holl. mevrouw, tegen Europeesche dames, in plaats van ‘Njonja’, als meer beleefde uitdrukking.
mors, M.T., Holl. morsen; te A. zegt men voor storten ‘toempah’, dat te M. inschenken beteekent.
mostòr, Holl. mosterd.

N.

Nis, T., Holl. niezen. (M. ‘soré’ A. ‘bersin’).
nol, Holl. nul.
nòmor, Holl. nommer.
nota, Holl. nota; ‘pegang nota’ iets opteekenen.

O.

Oester, M., Holl. Oester T. ‘tiram’).
onbeskoft, Holl. onbeschoft, eene sterkere uitdrukking dan ‘koerang adjar’.
onderbroek, Holl. onderbroek.
ondermèstĕr, Holl. ondermeester, ook ‘penoeloeng goeroe.’
oom (of òm), Holl. oom; in brieven wel ‘pa moeda’. Te M. worden in het algemeen bejaarde lieden met dit woord toegesproken.
oranja, Holl. oranje.
orgol, Holl. orgel, speeldoos.
orlosi, een klok, die het uur aanwijst; ook een horloge.

P.

Pak, Holl. pacht; ‘pak’ alleen is pachter; ‘pegang pak’, pachten.
pakhois, M., Holl. pakhuis, in ‘toewan pakhois’, de pakhuismeester. Het pakhuis heet ‘gĕdong.’
pal, Holl. paal, bij afstandsberekening en houten palen. Zoo worden de triangulatie pilaren in de Minahassa ‘pal toewan de Lange’ genoemd.
[p. 205]
panspèk, Holl. van Speijk, aldus heeten de politiemutsen der schutters naar de karakteristieke roode en zwarte kleuren.
pap, Holl. pap.
par, M.A., Holl. paar, een paar stuk (T. ‘pasang’); ook wordt aldus de dame genoemd bij het dansen, b.v. ‘Sapa toewan poenja par?’
paris, 1. M.A. Holl. paar; ‘djadi satoe paris’, een paar worden, in den echt treden. 2. M.A. ‘parisnonis’, even of oneven. (T. ‘gĕnap lébéh’) 3. T. de nageboorte.
pasjènsi, Holl. patientie; ‘minta pasjènsi’, verzoeken om geduld te hebben, nog wat te wachten, bij betaling als anderszins.
pasmên, Holl. passement, gouden of zilveren borduursel.
peet, B. Holl. peet. (M.A. ‘bapa sarani’).
peetji, B., Holl. peet (M.A. ‘mama sarani’).
pĕlsir, Holl. pleizier; ‘ramei’ is ook gebruikelijk.
pên, Holl. pin, een houten pin.
pêna. Holl. pen, om te schrijven. (A. ook ‘pèntjĕs’; B. ‘pantoendjoe.’)
pensioen, Holl. pensioen; algemeene benaming ook voor onderstand.
pèp, M. Holl. pijp (A. tjoepa; T. pipa; te. M. en A. is ‘pipa’ een vat).
pĕrsèn, Holl. percent, ook ‘boenga’.
persent, geschenk.
pètjĕs, M.A. Holl. pet; een hoed is ‘sapéo.’
pis, M.T. Holl. pissen; ‘kintjing’ wordt alleen te A. gehoord.
pispot, Holl. pispot.
pistòl, Holl. pistool.
poes, M.A., Holl. poes; alleen bij het roepen eener kat.
polisi, Holl. politie.
pompa, Holl. pomp, op de schepen; ‘pompa’ is ook inspuiten.
pompoen, T., de Lagenaria vulgaris (M. ‘sambaki’; A. ‘laboe meirah’).
pond, Holl. pond.
potjĕ, M.A. Holl. pot; alleen gebruikt van een thee- of trekpot.
potlot, Holl. potlood.
proimpi, Holl. pruimpje, tabakspruim. Te T. wordt door de bevolking nimmer tabak gerookt, maar alleen gekauwd.
prop, Holl. prop, kurk; ‘tjaboet prop’, ontkurken.

R.

Ràbrak,1) met een stuk hout, rotan of zweep slaan, afranselen.
[p. 206]
radès, M.A., Holl. radijs, de Raphanus caudatus, die elders ‘lobak’ heet.
ransel, Holl. randsel, een lederen randsel.
ràport, Holl. rapport; ‘bawa raport’, rapporteeren.
rĕbis, T., Holl. rib. (M.A. roesok).
rĕgèr, M.A., Holl. regeeren, iemand dwingen onafgebroken bezig te zijn.
rekès, Holl. rekest, gew. ‘soerat rekès.’
riki, M., Holl. bereiken; ‘kita riki per dia’, ik heb hem gesnapt.
rompis, T., voor ‘rompi’ (M.A. wèskĕt).
roms, Holl. roomsche: ‘agama roms’, de roomsche godsdienst.
rosi, Holl. roosje; gew. ‘boenga rosi’.
roskam, M., Holl. roskam; ‘kĕrok koeda’ is het in de rivier reinigen van paarden met een tandvormig uitgesneden kalapadop.

S.

Sabĕl, Holl. sabel; ‘pĕdang’ is ook gebruikelijk.
sak, Holl. zak. Bij wijze van aardigheid heet een zak in kleedingstukken te B. ‘schrijflaadje’.
sàl, M., Holl. zadel. (T. ‘séla; te A. bij gebreke van paarden niet bekend).
schéma, M.A., Holl. scheidsmaal; ‘békin schéma’, een vertrekkende ter eere een afscheidsmaal geven.
sèlderei, Holl. selderij.
sènt, Holl. cent; de waarde van een koepang verschilt van 6 tot 8 centen.
sĕrfèt, Holl. servet.
silab, A., Holl. sijllabe, lettergreep; elders ook ‘patah’, ‘patah hedja’ en ‘hedja’ genoemd.
sinapan (of snapang), Holl. snaphaan.
sipir, Holl. cipier.
sjabrak, M.T., Holl. schabrak.
skèl, Holl. scheel, gew. ‘mata skèl’; te A. ook ‘mata djoeling’.
skoetjĕ, Holl. schuitje, sloep.
skoim. A., Holl. schuim.
skòt, Holl. schot; ‘pasang doewa skot’, twee schoten doen.
skotis, Holl. schotsch; echter niet de schotsche wals, maar de duitsche polka.
sla, Holl. salade.
slof, Holl. ‘slof; ook ‘tjĕnéla’.
smal, Holl. ‘smal’; ‘sesak’ is meer nauw.
smer, Holl. smeren; ‘gosok’ en ‘oeroet’ hebben een meer speciale beteekenis.
[p. 207]
soen, Holl. zoen; ‘kasih soen’ of ‘tjioem’, iemand een zoen geven; ‘kolonĕ soensoen’, z. ald. ‘Tjioem’ is ruiken, ‘berbaoe’ meer rieken.
soep, Holl. soep.
soldèr, Holl. soldeeren.
som, Holl. zoomen.
sosak, T., de nangkaboom (verm. verb. van zuurzak).
span, M., Holl. spannen, een touw spannen. Niet van de hand, daarvoor gebruikt men ‘djingkal’.
spèl, Holl. spellen, ook ‘hédja’.
spèt, M., Holl. spek.
spoel, Holl. spoelen, van waschgoed.
spoit, Holl. spuiten, z.o. ‘pompa.’
spòk, Holl. spook.
spòr, M., Holl. spoor, ook hanespoor.
sprei, Holl. sprei, soms ‘pengalas badan.’
staat, Holl. staat, ook ‘daftar’.
steipis, Holl. stuipen.
stèl, Holl. stel.
stikbogĕl, M., Holl. stijgbeugel (T. stombogĕr).
stirman, Holl. stuurman.
stokfles, Holl. stopflesch.
stòlok, Holl. stolp.
stoot, Holl. stooten, van een geweer.
strant, M.A., Holl. astrant (T. ‘serant’); ‘moeka strant’ een brutaal gezicht.
strik, Holl. strijken, ook hetijzer.
stroop, Holl. stroop; ‘ajer goela’ is niet gebruikelijk.

T.

Tafĕlak, Holl. tafellaken.
tambrin, T., Holl. tamarinde. (M.A. asam djawa).
tékĕn, M.T., Holl. teekenen (A. ‘loekis’): ‘toekang tékĕn’ een photografist.
tĕkor, M.A., Holl. te kort, ook ‘koerang.’
tèl, M., Holl. tellen.
ten, T., Holl. tent.
tèr. Holl. teer; ‘gosok tèr’ teeren.
tjit, M.A., Holl. chits; ‘kabaja tjit’, een chitsen kabaai (T. ‘tjita’).
tom, M., Holl. toom, teugel met toebehooren.
toonslag, A., stemvork.
trali, Holl. tralie.
trèh, M., Holl. strekken; ‘trèh kaki’, de beenen uitstrekken (wellicht verb. van ‘tarèk’; z.o. fénok).
trèktrèk, M., Holl. trechter; A. ‘Tjatjorang’.
troef, Holl. troef, bij het kaartspel.
tròmòl, Holl. trommel.
tròmòlstok, A., een hooge boom, als de Cassia fistula beschreven.
[p. 208]
trompet, Holl. trompet.

W.

Wals, Holl. wals, de bekende dans; nog onderscheiden in ‘wals ladjoe’ en ‘wals pandjang’.
warnèmĕnd, Holl. waarnemend.
wensel, Holl. winsel.
wol, Holl. wol, ook ‘benang wol’.

 

De in het voorafgaande opgesomde ontleeningen zijn om meer dan één reden merkwaardig. In de eerste plaats omdat zij het peil aangeven van de inwerking van onze beschaving op de veroverde naties, in de tweede plaats omdat ze niet alleen een interessant verleden maar ook - sommige althans - een toekomst hebben. Het ‘gemeene’ Maleisch toch breidt zijn gebied met den dag uit en nu reeds is bij de zendingsgenootschappen een streven merkbaar om zich van dit idioom te bedienen, dat, ofschoon volgens steiloorige academici géén taal, door het grootste aantal het best begrepen wordt en dus de voorkeur verdient boven het bij sommigen als het eenig ware geldende boeken-Maleisch. Zelfs door buitenlanders wordt beseft van hoeveel belang die taal, die géén taal is, worden zal voor het algemeen verkeer in het verre Oosten. Reeds in 1876 schreef de Lenthiolle in zijn Relation d'un Voyage aux Iles de la Sonde: ‘En terminant cette esquisse, nous voudrions dire ce qui nous a surtout porté à écrire. Frappé de la facilité, de la rapidité avec lesquelles les Arabes, les Chinois, les Bengalais, les Européens à quelque nation qu'ils appartiennent, apprennent à parler le Malai et sont en mesure de traiter toutes les affaires de leur commerce, nous nous sommes demandé pourquoi le Malai ne deviendrait pas vérita-

[p. 209]

blement la langue franque de l'Extrême Orient. Et surtout, si l'on réfléchit que la race Malaise, à elle seule, compte 176 millions d'individus répandus dans les îles de l'Océanie. - Toute la population maritime et commerciale qui encombre les ports de l'Archipel Indien et de la Chine, parle déjà et ne se sert que de cet idiome. Le Français rebelle à la plupart des langues, a beaucoup de disposition pour le malai et parvient rapidement à le parler très correctement, et même bien mieux que les Hollandais, les Anglais et les Américains.

Au lieu de s'efforcer à retenir quelques mots de Chinois, de Siamois ou de Cochinchinois - toutes les langues phonétiques sont horriblement difficiles à apprendre -, qui empêcherait de vulgariser cet idiôme, de chercher à le répandre dans nos possessions de l'Extrême Orient, d'en provoquer l'étude chez nous et de la rendre obligatoire pour les employés qui se destinent au service des colonies?’ Zal het over honderd jaar bijvoorbeeld niet de moeite loonen eens na te gaan, hoeveel Nederlandsche woorden in de nieuwe lingua franca stand gehouden hebben en in welken vorm zij voortleven?

 

Einde.

1)De Hervormde Kerk in Ned. O.-I, p. 389.
2)Ibid. ......... p. 399.
3)Ibid. ......... p. 401.
1)Samentrekking van sapa ada wie is (daar), veel gebruikt als substantief.
1)Ook op Ceylon is dit woord nog altijd in gebruik en in het Tamil is het overgegaan als kakkoesoe.
1)Ook volksetymologieën van Fransche woorden vindt men tot in het Javaansch. Immers verleid door haar banjoe = water maakt de Javaansche kokkie van bain-marie eenvoudig banjoe Maria!
2)Vgl. de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N.I. dl. IV, pag. 373.