Ten aanzien van den invloed, uitgeoefend door het Nederlandsch op de talen van den Archipel zijn wij, alles te samen genomen, eerder de overwonnenen - vae victoribus in dit geval -, dan de overwinnaars. Al is er geen apart kreolendialect ontstaan, er bestaat toch reeds, zooals aangetoond is, een eigenaardig Indisch Hollandsch bij de hiergeborenen, terwijl ook de meegebrachte taal der Totoks op den duur niet van vreemde smetten vrij blijven kan. Bij de hier geborenen is dat niet enkel een quaestie van ontleeningen of van Indisch gekleurde klankvorming, maar het Maleische taaleigen breekt op sommige punten reeds constant bij hen door, al zijn zij overigens vrij ja zelfs zéér goed ter tale.
De invloed van het Nederlandsch daarentegen op het Maleisch en andere inlandsche talen, is bijna enkel aan de oppervlakte en bestaat hoogstens in het opnemen en pasklaar maken van Nederlandsche woorden. Inwendige wijzigingen in de inlandsche talen zijn zeer schaars. Een enkele maal slechts volgt men bijv. met het Maleische kita orang het Hollandsche ‘wijlieden’ na en heeft men verder het gebruik van por (= voor) en sonder (= zonder) op rekening van onze taal te schrijven evenals het causatief maken der werkwoorden door middel van bikin en het gebruik van betrekkelijke voornaamw. als waarop, waarmee enz., maar in het Soendaneesch is de heele grammatische
inwerking beperkt tot het gebruik van ‘van’ in de vertaling van bijv. de tafel is van hout.
Twee factoren hebben er toe meegewerkt om de taal van het moederland in engen kring beperkt te houden. Ten eerste het beginsel van de Regeering, waarmee men ongelukkigerwijze - ik zeg ongelukkigerwijze omdat het geld vermorsen is - begint te breken, om het Hollandsch voor den Hollander als een soort van hiëratische taal te bewaren; ten tweede: de moeielijkheid van het Nederlandsch. Wat dit laatste betreft, vermeldt Van Troostenburg de Bruijn1) dat de predikanten Caspar Wiltens en Sebastiaan Danckaarts in 1627 te Ambon beproefden de jeugd het Nederlandsch te leeren, en die taal in te voeren in kerk en school. Tevergeefs echter, tengevolge van de moeielijkheid. Later, in 1660, beproefde men het opnieuw met 140 kinderen in 2 scholen, maar alweer zonder vrucht.
Ook te Batavia heeft men getracht het Nederlandsch ingang te doen vinden, zooals blijkt uit het schoolreglement van 1778, waarin het bevel opgenomen werd, dat alle kinderen en slaven van Christenen de ‘Nederlandsche’ taal moesten aanleeren en spreken2). Zeker, men was op den verkeerden weg, want het hielp natuurlijk weinig, zooals prof. Werndly zei,3) of de kinderen der Inlanders op de scholen onderwezen werden in de Nederlandsche taal, en of ze vervolgens daarin al leerden opzeggen eenige formulieren van gebeden en ka-
techismussen, waarvan ze weinig of niets begrepen en dan ‘tot zekere jaren gekomen zijnde van de scholen afgenomen worden, en vervolgens weder tot den godsdienst en levenswijze hunner ouderen overgaan.’ Dit bezwaar is nog steeds van kracht, want ook nu legt men een duren grondslag, waarop niet wordt voortgebouwd. Immers de voortdurende beoefening van het Nederlandsch vereischt voor den inlander een maatschappelijken stand, waartoe alleen weinige door geboorte bevoorrechten het kunnen brengen. Minder geldt het in die streken, waar de inlander zich vereuropeescht onder den invloed van het Christendom. Zooals reeds gezegd is, heeft het Nederlandsch daar misschien een toekomst. Een basis is in elk geval ook nu reeds aanwezig in de thans ter sprake komende leenwoorden uit het Nederlandsch, die in de voornaamste inlandsche talen opgenomen zijn.
In de eerste plaats komt natuurlijk het Maleisch. Aan boord te Amsterdam of Rotterdam begint het al tegenover de spada's,1) die ook djongos (van ‘jongens’) genoemd worden en voor wie woorden als: dek, hofmeester, hut, kamar (kamer) striman (stuurman) enz. volstrekt geen vreemdelingen zijn. In de hut zelf bedient men zich tegenover de inlandsche gedienstige geesten van seperai (sprei), ples (flesch), gerendel (grendel), andoek (handdoek), kopor (koffer), bolsak (bultzak), enz. Aan wal te Batavia heeft men te maken met: opsinder (opziener), lôs (loods), telepon (tele-
phoon) en het onvermijdelijke: presènan (present, fooi).
In huis spreekt men van: kakoes (kakhuis)1), gòt (goot), hek, setal (stal) en men heeft er als meubelen een boepet (buffet), een bangkoe (bank), een kenap (knaap) met de noodige setolps (stolp), lampoe's (lamp), ember's (emmer), waarin het gelas (glas), de kan ès (ijskan) en de karap's (karaf) gewasschen worden, terwijl voor de schoolgaande jeugd de gerip (griffel) en het pottelot (potlood) klaar gelegd moeten worden. Wil men uit, men richt zich tot den koesir (koetsier) na orders gegeven te hebben aan de kokkie en derzelver kenek (knecht = helpster). Van uit háár gebied komt de soep in een tampat sop, gegeten wordt ze met een sendok sop, die naast de garpoe of porok (vork) ligt op het tapelak (tafellaken). Bij het kleeden roept men om zijn: kamisool, dasi (das), pelanel (flanel), djas (jas), keraag (kraag, boord), manset, kaôs (kous) of korset, rok en setûvel (stevel = laarsjes). Wie lekker ruiken wil, vraagt de flesch met klonjo (eau de Cologne). Tegenover de naaister spreekt men van poppie (rotan), de costuum-pop, van pasemen (passement), van laken dat soms belaoe (blauw) moet zijn, setik (stikken), trens en sòm (zoom). De groenteverkoopers komen aanzettten met andewi (andijvie), biet, boontjes, kool, peterselli, radijs, selada (slade) seladeri of sledri (selderij), bortol (wortel), of andere stoop (van stoof) enz. Verder koopen we om te eten: tjokelât (chocolade), setroop (stroop), perkedel (frikkadel), karmenâtji (carbonnade), enz. en om te drinken: bier,
limonada, permoet (vermouth) en berendi (brandy) of wiskie. Op de passer kunt ge per stuk of per losin dozijn kontan (à contant) alles koopen, van af een blik beskwit tot een sekroep (schroef) of een peer erlodji = horlogeveer toe, obat pil en pelester (pleister) niet uitgezonderd, mits ge maar doewit (duitgeld) hebt, hetzij in sen (cent) of kwat (kwartgulden) voor de ongkos (onkosten). Laat u echter geen pergol, d.i. verguld, voor echte waar in de handen stoppen, want de koopman is hier even sekaker (schacher = inhalig) als overal.
Zooals men ziet, komen onze woorden er nog gehavender af dan de Maleische, die wij overnemen, maar strika voor strijken, reken voor rekenen, prop voor prop = kurk, (s)konkol voor konkelen, permisi voor permissie = excuseer, of lât voor laat zijn nog zeer toonbare gevallen. Bij de benamingen voor ambten, bedieningen, posten en de gebouwen, die daarmee in verband staan, zal men er echter hieronder ook aantreffen, die voor den pas uitgekomene niet zoo gemakkelijk te herkennen zijn. De advokaat wordt apokat, de agent agèn, de ambtenaar amtenar, de resident residèn, de assistent-resident assisten (residen), de controleur konterlier of kontolioer, konterler of konterloer, de dokter doktor, de ingenieur insenior, de inspecteur spektor, de notaris notarîs, de schout sekaoet, de post pos, de politie-oppasser oppas polisi, verder de school sekola, de gevangenis... boei, de boom boem = douane en de gage of het salaris gadjie, die men kan halen op het kantor oewang (geldkantoor = 's Lands kas), waar de een of andere Chineesche kasier er ook wel eens mee vandoor gaat.
In de kazerne is verder obroes een heel ontaard ‘overste,’ terwijl men er bovendien vlotweg spreekt van adjudan en onderadjudan, poerier = fourier, djindral = generaal, litnan = luitenant, major, sappir = sapeur, kamerwak en skilwak, kornel, kapten, polisie, kresrad = krijgsraad, opsier officier, kopral aplos = korporaal van aflossing, sersan major en tamboer. Heel nauwkeurig maakt de inlandsche soldaat verschil tusschen strip = streep voor het chevron als distinctief en sepron voor het chevron van langdurigen dienst. Hij vraagt perlop = verlof en durft te reklamir, als hij niet krijgt wat hem kompetir of competeert, of als hem iets mangkir. Van een slokki houdt hij minder dan zijn Europeesche krijgsmakkers, door Daendels ‘mennekes’ gedoopt, en hij verdwaalt dies zelden in klas doewa of te wel de klassianen-afdeeling. Na een ruim gebruik van smir = smeer en lap gemoek = vetlap, ziet ge hem netjes aantree voor de speksi, want hij weet dat slordigheid geboet moet worden in de kamar strapan of strafkamer.
Ook in het meer litteraire Javaansch zijn de Hollandsche woorden,1) die daarin burgerrecht verkregen hebben, reeds zoo talrijk, dat men er een vrij lange lijst van zou kunnen maken. Zoo wordt bijv. in het Javaansch van Koedoes2) ons haak: hak; horloge: herlodji, terwijl de Maleier er ajarlodji van
heeft gemaakt, een tegenhanger van het Javaansche hoerdhah, dat werda beteekenen moet! Merkwaardig is de h-aspiratie in hoepas voor: oppasser, hapel voor: appel of appelleeren en hongkos voor: onkosten. Nog vallen te vermelden roendå voor ronde of nachtwacht, rat voor raad, rekoewes voor request, rol voor politie-rol, repot voor rapport, koentrak voor contract, koesir voor koetsier, kellah voor klacht, kamar voor kamer, tir voor teer, tråmol voor (blikken) trommel, tong voor ton, sak voor zak in een buis, slebrak voor schabrak, slompret voor trompet, setroep voor siroop, setring voor streng van een wagen, segel voor zegelpapier, wol voor wollen deken, landhrat voor landraad, laken voor laken, lis voor leidsel, poennis voor vonnis, pir voor rijtuigveer, påtrålijoem voor petroleum, patikelir voor particulier, pas voor reispas, pal voor mijlpaal, palsoe voor valsch naast prasoe, pabrik voor fabriek, destrik voor district, got voor goot, gelas voor glas, goepermen voor gouvernement, båtol voor flesch, beskot voor voorschot, beskoewel voor paskwil, boewi = boei voor gevangenis, boem voor haven of rijtuigboom, bangkoe voor bank en ngas voor aas in het kaartspel en de as van een rijtuig. Afzonderlijke vermelding verdienen setin = satijn en knikker(s); sipil = civiel, gebruikt voor een burgerlijke rechtszaak of schuldvordering; prin = vriend, als antwoord op den aanroep ‘werda’ ples = flesch, maar in den zin van vierkante groene kelderflesch; de's = dienst, maar ook tegelijk noodlot; gådem = gulden, maar in de beteekenis van 2 ½ centstuk of rijksdaalder.
Natuurlijk is deze lijst niet volledig, evenmin als de
hier volgende van Nederlandsche woorden, die in het Soendaasch opgenomen zijn.1)
| A. | |
|---|---|
| amtenar | ambtenaar |
| andoek | handdoek |
| anplok | enveloppe |
| anslah | aanslag |
| apel | appel = hooger beroep |
| aprekin | afrekening (koffie-procenten aan de inlandsche hoofden uitbetalen) |
| argol | orgel |
| B. | |
|---|---|
| bak | bak (waterbak) |
| bang | bank(-instelling) |
| bangkoe | bank |
| batis | batist |
| bengkel | winkel |
| bĕre | brei |
| biola | viool |
| bisloewit | besluit |
| bistik | beefstuk |
| boekoe | boek |
| boepet | buffet |
| bolsak | bultzak |
| bor | schoolbord of boor |
| bordel | borduurwerk |
| botol | bottel |
| D. | |
|---|---|
| dam | dam |
| dangsa | dansen |
| dasi | das |
| dines | dienst |
| djalan sepoer | spoorweg |
| djalosi | jaloezie |
| djas | jas |
| djongos | jongens (bedienden) |
| does | doos |
| dokar | dogcart |
| dosado | dos-a-dos |
| E. | |
|---|---|
| eksamen | examen |
| elak | lak |
| elit | lid |
| elo | el |
| elos | loods |
| engsel | hengsel |
| entres | interest |
| eram (katja) | raam |
| erlodji | horloge |
| esteger | stijger |
| G. | |
|---|---|
| gardeng | gordijn |
| gelas | glas |
| gerendel | grendel |
| gesin | gezien |
| Groepernemen | Grouvernement |
| gopikan | koffiekan |
| got | goot |
| H. | |
|---|---|
| hak | haak |
| herdinĕs | heerendienst |
| I. | |
|---|---|
| istrika | strijken |
| istrolop | stolp |
| K. | |
|---|---|
| kaartjis | visite kaartjes |
| kakoes | kakhuis |
| kamar | kamer |
| kantor | kantoor |
| kar | landkaart |
| karambol | carambole |
| karap | karaf |
| kartoe | speelkaart |
| kas | kist |
| kĕlah | aanklacht |
| kelar | klaar |
| kelbak | schildwacht |
| kenap | knaap (een klein tafeltje) |
| kenop | knop (van eene deur) |
| koelisi of polisi | politie |
| koemisi | commissie |
| koesier | koetsier |
| koki | kok of kokin |
| kolem | kolom |
| komplet | compleet |
| konkol | konkelen |
| kontrak | contract |
| L. | |
|---|---|
| laken | laken |
| lampoe | lamp |
| lantera | lantaarn |
| leger | legger |
| lodji | loge |
| loemoer | roemer, drinkglas |
| losmen | logement |
| M. | |
|---|---|
| madali | medalle |
| medalion | medaillon |
| mesin | naaimachine |
| modrah | voordragen |
| moersetel | voorstellen |
| N. | |
|---|---|
| nekĕn | handteekening zetten. |
| nekin | teekenen |
| netjis | netjes |
| (ng) abiola | een viool bespelen |
| ngĕlak (keun) | aanklagen |
| ngoemisi | onderzoeken |
| O. | |
|---|---|
| oepas | oppasser |
| oendoerberoek | onderbroek |
| onkos | onkost(en) |
| onslah | ontslag |
| P. | |
|---|---|
| pandemen | fondement |
| pak | pacht |
| pal | paal = afstandsmaat. |
| palester | pleister |
| palitoer | politoer |
| pantji | pan |
| patlot | potlood |
| peloer | vloer |
| pena | pen |
| pilar | pilaar |
| ples | flesch |
| podrah | voordracht (lijst der candidaten |
| poersetel | voorstel = voordracht |
| pokrol | procureur |
| pot | bloempot |
| potji | pot (theepot) |
| potret | portret |
| R. | |
|---|---|
| register | register |
| rekes | rekest |
| ronda | ronde |
| S. | |
|---|---|
| sakoe | zak |
| sakola, iskola | school |
| saoes | saus |
| schroep | schroef |
| sebrak | schabrak |
| selop | slof |
| sĕlot | slot |
| sen | cent |
| seng | zink |
| sep | chef |
| sepen | dispen |
| sepoer | spoor |
| sepre | sprei |
| serebet | servet |
| setat | staat, lijst |
| setrap | straf |
| sop | soep |
| T. | |
|---|---|
| tariko | tricot |
| tekĕn | handteekening zetten |
| tekenan | geteekende stukken |
| tekin | teekenen |
| tekinan | teekening |
| ter | teer |
| W. | |
|---|---|
| waterpas | waterpas |
Aan de prediking van het Christendom is het zeker toe te schrijven dat er zoo opvallend veel Hollandsch opgenomen is in het Maleisch van Ambon en in dat van de Molukken in het algemeen. In zijn Vocabularium van vreemde woorden voorkomende in het Ambonsch
Maleisch1) zegt de oud-gouverneur G.W.W.C. van Höevell, dat verscheidene Hollandsche woorden ‘niet alleen burgerregt verkregen hebben, maar zóó veelvuldig gebruikt worden, dat de synonieme Maleische woorden òf niet begrepen worden, òf in vergetelheid zijn geraakt ....... Ook niet gering is het aantal verbasterde Hollandsche uitdrukkingen, waarmede de Ambonees zijn taal doorspekt. Men denke niet, dat hij die bastaardwoorden slechts bezigt uit zucht om ons na te volgen of uit aardigheid, het zij verre van daar’. In welke mate dit alles geschiedt, laat ik zien door uit het Vocabularium de Hollandsche bestanddeelen te lichten:
Behalve door dit, uit verschillende oogpunten interessante Vocabularium leeren wij veel over de verspreiding van het Nederlandsch uit F.S.A. De Clercq's ten onrechte in De Gids zoo hard beoordeeld: Het Maleisch der Molukken, een lijst der meest voorkomende vreemde en van het gewone Maleisch verschillende woorden, zooals die gebruikt worden in de residentiën Menado, Ternate, Ambon met Banda en Timor Koepang. Hieruit kan het boven gegeven uit het Vocabularium getrokken woordenlijstje aangevuld worden met:
De in het voorafgaande opgesomde ontleeningen zijn om meer dan één reden merkwaardig. In de eerste plaats omdat zij het peil aangeven van de inwerking van onze beschaving op de veroverde naties, in de tweede plaats omdat ze niet alleen een interessant verleden maar ook - sommige althans - een toekomst hebben. Het ‘gemeene’ Maleisch toch breidt zijn gebied met den dag uit en nu reeds is bij de zendingsgenootschappen een streven merkbaar om zich van dit idioom te bedienen, dat, ofschoon volgens steiloorige academici géén taal, door het grootste aantal het best begrepen wordt en dus de voorkeur verdient boven het bij sommigen als het eenig ware geldende boeken-Maleisch. Zelfs door buitenlanders wordt beseft van hoeveel belang die taal, die géén taal is, worden zal voor het algemeen verkeer in het verre Oosten. Reeds in 1876 schreef de Lenthiolle in zijn Relation d'un Voyage aux Iles de la Sonde: ‘En terminant cette esquisse, nous voudrions dire ce qui nous a surtout porté à écrire. Frappé de la facilité, de la rapidité avec lesquelles les Arabes, les Chinois, les Bengalais, les Européens à quelque nation qu'ils appartiennent, apprennent à parler le Malai et sont en mesure de traiter toutes les affaires de leur commerce, nous nous sommes demandé pourquoi le Malai ne deviendrait pas vérita-
blement la langue franque de l'Extrême Orient. Et surtout, si l'on réfléchit que la race Malaise, à elle seule, compte 176 millions d'individus répandus dans les îles de l'Océanie. - Toute la population maritime et commerciale qui encombre les ports de l'Archipel Indien et de la Chine, parle déjà et ne se sert que de cet idiome. Le Français rebelle à la plupart des langues, a beaucoup de disposition pour le malai et parvient rapidement à le parler très correctement, et même bien mieux que les Hollandais, les Anglais et les Américains.
Au lieu de s'efforcer à retenir quelques mots de Chinois, de Siamois ou de Cochinchinois - toutes les langues phonétiques sont horriblement difficiles à apprendre -, qui empêcherait de vulgariser cet idiôme, de chercher à le répandre dans nos possessions de l'Extrême Orient, d'en provoquer l'étude chez nous et de la rendre obligatoire pour les employés qui se destinent au service des colonies?’ Zal het over honderd jaar bijvoorbeeld niet de moeite loonen eens na te gaan, hoeveel Nederlandsche woorden in de nieuwe lingua franca stand gehouden hebben en in welken vorm zij voortleven?
Einde.