begin  verderprepost
[p. 5]

Inleiding

Nauwelijks had Lodewijk van Deyssel zowel in het Algemeen Handelsblad als in de Nieuwe Rotterdamsche Courant het verslag gelezen van de begrafenis van Arij Prins, op zaterdag 6 mei 1922 te Schiedam, of hij zette zich tot het schrijven van een In memoriam Ary Prins, dat hij ter publikatie afstond aan De Gids1 en niet, zoals toch voor de hand had gelegen, aan De Nieuwe Gids, het tijdschrift waarmee Prins zich jarenlang verbonden had gevoeld en waaraan hij ook veelvuldig had meegewerkt. Met De Gids had Prins nooit enigerlei binding gehad. Het is zelfs de vraag of hij in de tweede helft van zijn leven dit maandblad nog regelmatig onder ogen kreeg. Op 14 december 1885 had J.N. van Hall, de toenmalige redacteur-secretaris van De Gids, een novelle van Prins geweigerd; in mei 1886 zou Van Hall de bundel Uit het leven geringschattend bespreken en dit debuut zelfs een ‘kortstondig leven’ toewensen.2 In De Gids van december 1912 mocht Carel Scharten weliswaar dertien pagina's uittrekken voor zijn bespreking van De Heilige Tocht,3 maar reeds de titel van dit opstel: Eene kostbare antiquiteit, sprak boekdelen over de zeer gemengde gevoelens waardoor Scharten beslopen werd toen hij zich zette tot het componeren van zijn zesentwintigste ‘Overzicht der Nederlandsche Letteren’. Na zoveel bedenkingen als Scharten toen wist bijeen te brengen, zal het Prins moeilijk zijn gevallen om onbekommerd plezier te beleven4 aan de hem ook hier en daar door de kroniekschrijver van De Gids toegezwaaide lof.

Nu werd Prins dan in diezelfde Gids herdacht door Lodewijk van Deyssel, die zich nog maar heel kort geleden op zíjn beurt hoogst onaangenaam getroffen voelde toen hem op 16 januari 1922, bij schrijven van Prof. Dr. H.T. Colenbrander (1871-1945) werd meegedeeld, dat de redactie van De Gids besloten had niet te kunnen overgaan tot aanvaarding van een bijdrage over Einstein's Relati-

[p. 6]

viteitstheorie.5 Van dit echec had, buiten de betrokkenen zelf, natuurlijk niemand weet. Achteraf maakt het Van Deyssels afstaan van zijn In memoriam Ary Prins aan het tijdschrift van Colenbrander nog eens zo raadselachtig.

Raadselachtig blijft ook dat Van Deyssel ontbroken had onder degenen die Prins op zijn laatste gang door Schiedam, van de Nieuwe Haven no. 153 naar de Algemene Begraafplaats, hadden begeleid, al suggereerden enkele passages in Van Deyssels herdenkingsartikel 't tegendeel. ‘Er is niets aan te doen’, zo zou hij op 21 april 1938 schrijven, ‘maar het is altijd jammer, indien bij een gebeurtenis, welke het groote en ontroerende karakter heeft van het laatste samenzijn met, het uitgeleide uit deze levenswereld doen en het afscheid nemen van, een zeer goeden vriend, omdat de heeren op reis of ongesteld zijn, enkele der beste vrienden ontbreken.’6 Op de dag van Prins begrafenis was Van Deyssel niet ongesteld en op reis was hij al evenmin. Het heeft geen zin ons te begeven in gissingen naar de redenen die Van Deyssel op 6 mei 1922 weerhielden om van Haarlem naar Schiedam te sporen. Toch achten wij 't niet bij voorbaat uitgesloten dat deze of gene Van Deyssels afwezigheid op Prins' begrafenis in verband zou willen brengen met het inderdaad onmiskenbare feit dat Van Deyssel er helemaal niet meer bij te pas was gekomen toen op zaterdag 21 maart 1920 de naaste vrienden van Arij Prins hem bij gelegenheid van zijn zestigste verjaardag een feestmaaltijd aanboden te 's-Gravenhage. Op initiatief van de dichter Dr. P.C. Boutens werden toen, in Hotel De Twee Steden, de jubilaris en diens echtgenote omringd door Jac. van Looij en Titia van Looij-van Gelder, Herman Robbers en echtgenote, Top Naeff en haar echtgenoot Dr. W. van Rhijn, en Frans Mijnssen met echtgenote.

Niemand uit dit gezelschap, waarvan de leden stuk voor stuk bij gelegenheid trots gingen op de hen door Van Deyssel toegedragen vriendschappelijke gevoelens, zou in juni 1922 op het denkbeeld komen om Van Deyssel te compli-

[p. 7]

menteren7 met zijn Gids-artikel over Arij Prins. En dit terwijl voor wie lézen kon, toch wel 't eerste wat van beroepsliteratoren verwacht mocht worden, Van Deyssels herdenking van Arij Prins in alle opzichten ver uitstak boven die door Willem Kloos, Herman Robbers8, Joannes Reddingius, A. Jurriaan Zoetmulder, M.A.P.C. Poelhekke, Dirk Coster, A.M. de Jong, Gerard van Eckeren en Dr. P.H. Ritter Jr.9 Slechts de aan Prins' heengaan gewijde artikelen van Top Naeff10 en Frans Mijnssen11 werden niet heel en al door Van Deyssels bijdrage aan De Gids overschitterd; een groot gedeelte van het stuk van Top Naeff handhaaft zich ook anno 1970 nog met ere naast dat van Van Deyssel. Misschien heeft deze laatste zich tegenover die beklemmende afwezigheid van een klankbord gepantserd met dezelfde overweging waaruit later François Mauriac troost zou putten tegenover wanbegrip: ‘Nous croyons que ceux qui nous lisent ont lu ce que nous avons écrit. C'est une grande illusion.’12 Hoe goed moet dan wel Van Deyssels dag zijn geweest, toen hij de brief onder ogen kreeg, hem op 11 juni 1922 vanuit Amsterdam toegericht door Hein Boeken, de man van wie Annie

[p. 8]

Salomons13 niet ten onrechte geschreven heeft dat hij rijk was door zijn beminnelijke, onbevangen persoonlijkheid:

Waarde Vriend,
Gaarne zoude ik in deze week de weinige kilometers, die mij van U scheiden, te niet doen door me gedurende een ongeveer gelijk aantal minuten door tram of trein te laten vervoeren. Steeds betreur ik dat de kleine tijdsruimte, die me nog rest, voor me voorbijgaat, zonder dat ik uw gezelschap geniet, al moge ook de wijze, waarop ge enkelen van ons, die reeds zijn heengegaan zooals nu Arij Prins, herdacht hebt, iemand, die vermetel genoeg is om te denken dat hij daarvoor in aanmerking zal komen, doen wenschen dat zijne levensdagen niet vele meer zijn. Kunt ge me Woensdag of Donderdag bij U wachten te ruim 8 uur?
Met hartelijken groet
gaarne de uwe
Hein Boeken.

Ik hoop dat ge mijne woorden ‘de kleine tijdsruimte, die me nog rest’ niet wilt aangrijpen als eene gelegenheid om mij tegen te spreken met den wensch dat ik me vergis. Integendeel, elke leeftijd heeft zijn eisch; van elken leeftijd moeten we het schoone genieten en evenzeer het bittere proeven. Onze tijdgenooten en vrienden beginnen ons - niet meer door een vroeg-tijdigen dood - te ontvallen. De beurt komt weldra aan mij. Noodzakelijkerwijze doet deze waarheid onzen blik op het leven veranderen. Om nu bij één verschil te blijven stil-staan: van den heengegane zien we het leven als een geheel. Veel wat in het leven ons van hem scheidde, is vervallen. Dat waarin we van hem verschilden, brengt ons nu nader tot hem, vooral daar we juist vooral die verschillen trachten te begrijpen.’

Dat Boeken14 Van Deyssel gelézen en tevens begrepen had, ligt voor de goede verstaander besloten in de laatste zinnen van deze brief. Eenieder kan zichzelf hiervan overtuigen door aan de lectuur van de briefwisseling tussen Arij Prins en Lodewijk van Deyssel de lezing van het In memoriam Ary Prins te laten voorafgaan. Wordt bij het lezen de door dit boek nu eenmaal chronologisch zo gegeven volgorde in acht genomen, dan zal de lezer tot een gelijke bevinding komen: dat het compact-synthetische herdenkingsartikel even excellent als onontbeerlijk de briefwisseling completeert. En dan te bedenken dat het, in handschrift zeven foliovellen tellende, artikel tot stand is gekomen binnen de tijdsduur van éen ochtend en éen middag, zonder dat de auteur ook maar enig geschrift van

[p. 9]

Prins bij de hand had en ook zonder dat de door hemzelf van Prins ontvangen of door hemzelf aan Prins verzonden brieven binnen zijn bereik waren!

 

Wie zich wil verdiepen in Leven en werken van Arij Prins is sinds 1935 aangewezen op het toen te Delft verschenen gelijknamige Leidse proefschrift van S.P. Uri,15 dat als ondertitel meekreeg: Een bijdrage tot de studie van de Beweging van Tachtig. Een te beknopte samenvatting van deze dissertatie vormt, onder de titel Arij Prins, als visionair prozaïst, het tweede hoofdstuk van Vlucht der verbeelding.16 Studies over de neo-romantiek bij twaalf Nederlandse prozaschrijvers en -schrijfsters van de periode 1890-1920, door S.P. Uri, verschenen te Groningen in 1955.

Beide publicaties vallen helaas op door een gebrek aan informatie betreffende tal van figuren die korte of langere tijd de aandacht kregen van Arij Prins of die leven en werken van Prins mede hebben begeleid dan wel beïnvloed. Uri heeft 't, om ons tot enkele voorbeelden te bepalen, over ‘den Fransman De Vogüé’, over de dichter Jean Adalbert (lees: Ajalbert), over de criticus E. Rod. Van auteurs als Céard, Hennequin, Mirbeau, Bonnetain en Duranty wordt ons consequent de voornaam onthouden. De lezer moet in 't algemeen maar raden of deze en andere door Uri terloops genoemde letterkundigen piepjonge, middelbare dan wel hoogbejaarde tijdgenoten van Prins zijn geweest. Periodieken als de Revue Moderniste, de Revue Indépendante, de Revue des Deux Mondes, enz., worden als aan eenieder bekend verondersteld. Over Van Deyssels bewerking van Villiers' Akëdysséril (1893, lees: 1894) wordt meegedeeld: ‘De meer Duits georiënteerde Kloos had niet zoveel op met dit Franse werk, dat hij vergeleek met “een parure van fonkelende edelsteenen, meesterlijk geslepen, maar koud als steen.” In werkelijkheid sloeg dit oordeel op een hoofdstuk uit Villiers' L'Eve future (1886). Van Prins' aan De Nieuwe Gids bijgedragen kleine fantastische schetsen, getiteld Fantasie, Een Nacht, Vreemde Verschijning en Een Executie wordt vermeld dat ze in 1897 werden herdrukt in de bundel Een Koning. Dit gebeurde alleen maar met Een Executie! Wie bij Uri leest dat Prins, onder de schuilnaam A. Cooplandt, in juni 1885 De Maupassants Une Vie en in augustus 1885 Huysmans' En ménage in het weekblad De Amsterdammer besprak, zou er toch wel zeer bij gebaat zijn geweest wanneer Uri hierbij had aangetekend dat het eerste boek al in 1883 en het tweede nog veel eerder, in 1881, van de pers was gekomen!

Het heeft geen zin om deze waslijst van hinderlijke tekortkomingen te vervolgen. In de annotaties bij de briefwisseling tussen Arij Prins en Lodewijk van

[p. 10]

Deyssel hebben wij er ons juist op toegelegd al die informatie te geven die wij bij Uri hebben gemist. Niet alleen Prins, maar ook zijn biograaf, geloven wij op deze wijze een dienst te hebben bewezen. Wie naast onze uitgave Uri's boek herleest, zal een gescherpte blik hebben gekregen voor de feilen waaraan het niet ontkomen is. Anderzijds zullen Uri's verdiensten nadrukkelijk in 't oog springen; met name het derde deel, dat handelt over Prins' Middeleeuwse periode, komt dan naar voren als een respektabel stuk werk. Daar is de auteur ook bepaald in zijn element.

Meegaan kunnen wij met Uri daar waar hij als zijn zienswijze formuleert dat althans zeker in de periode 1885-1890 Van Deyssel meer te danken had aan Prins, dan omgekeerd.17 Voor ons is dit dé reden geweest om ook in de titel van onze uitgave aan Arij Prins de voorrang te gunnen, nog afgezien van het feit dat de brieven van Prins in aantal die van Van Deyssel overtreffen. In het illustratiemateriaal lieten wij al evenzeer het accent vallen op Prins.

 

In zijn als A. Cooplandt aan het weekblad De Amsterdammer van 21 juni 1885 bijgedragen bespreking van de Lettres de Jules de Goncourt, werd door Arij Prins vastgesteld: ‘Doorgaans zijn brieven van schrijvers onbelangrijk; kort en bondig als handelsbrieven, eene opsomming van feiten bevattend, is hunne letterkundige waarde onbeduidend.’ Wij achten deze opvatting fundamenteel onjuist, onder aantekening evenwel dat wij grotendeels met Prins zouden kunnen instemmen wanneer hij dit oordeel over zijn eigen epistolaire proza zou hebben geveld. De brieven van Prins immers kunnen slechts bij uitzondering worden aangemerkt als ‘epistels uit volheid van hoofd en hart geschreven.’18 Daarvoor bevestigen ze ook te nadrukkelijk dat Prins, zoals Top Naeff van hem geschreven heeft19, in het verkeer met zijn medemensen wars was ‘van uiterlijke gemeenzaamheid, van alles wat zweemde naar ostentatie en overdrijving.’ De zich in het grootste deel van zijn werk als een visionair prozaïst manifesterende Prins, bepaalt zich in het merendeel van zijn, in een onmiskenbaar schraal of karig proza gestelde, brieven tot een bondigheid die veelal samengaat met nuchterheid. Aan zijn biograaf schijnt deze tegenstelling niet te zijn opgevallen. Hij zwijgt er althans in alle talen over, ofschoon hij had kunnen, zo niet had moeten, weten hoe zeer anderen, met name o.m. P.H. Ritter Jr., geboeid werden door het fenomeen van de ‘correcte, concrete zakenman, directeur eener kaarsenfabriek, koel en hoekig bijna in zijn optreden’ en die nochtans ‘achter het nuchter-zakelijk, Hollandsch-degelijk karakter van zijne verschijning het diepe lijden en den gloeienden verbeeldingsrijkdom versloten (hield), die de moderne psyche kenmerkt, maar welke zij zelden naar buiten

[p. 11]

openbaart.’ Het was ook Ritter die een alleszins plausibele verklaring vond voor de rijkelijk problematische tegenstelling tussen de auteur Prins en de sprekende of briefschrijvende Prins: ‘Hij was een woorden-arme omdat hij den rijkdom van het woord kende als geen onzer. (...) Zie hier nu een kunstenaar die niet met het woord speelde(...) maar voor wien het woord woog. Het woord was Arij Prins een kostbaarheid, de vondst na wekenlange overpeinzingen.’20 De brieven van Prins ontlenen dan ook vrijwel uitsluitend hun belang aan de vastlegging van een grote rijkdom aan feitelijke gegevens: betreffende zijn literaire ontwikkeling, de lectuur van zijn voorkeur, de datering van zijn geschriften, het bij zijn werk gevolgde procédé, de omstandigheden die hem stimuleerden danwel tegenzaten, de reacties op het werk van zijn tijdgenoten. Ook openbaren zijn brieven tal van menselijk-sympathieke trekken en trekjes. Daaronder springt vooral in 't oog zijn daadwerkelijke hulpvaardigheid. Al even spontaan is zijn afkeer van tot niets leidend twistgeschrijf.

Aan Herman Robbers, Top Naeff en Jacobus van Looij zou Prins, volgens Uri, ‘vaak allergeestigste brieven’ hebben geschreven.21 Zonder nu, na doorlezing van een groot deel van die brieven, het oordeel van Uri in zijn algemeenheid te kunnen onderschrijven, erkennen wij toch ten volle dat er opmerkelijke, en soms hemelsbrede, verschillen aanwijsbaar zijn tussen Prins' brieven aan de zojuist genoemden én Prins' brieven aan Lodewijk van Deyssel. De onmiskenbare gereserveerdheid, zo eigen aan Van Deyssel en die hij in zijn brieven aan Prins maar sporadisch varen liet, moet van de weeromstuit ietwat verkillend op Prins hebben gewerkt en is uiteraard niet direct bevorderlijk geweest voor een, van beide kanten, geanimeerde briefwisseling. Trouwens, daarvoor contrasteerden Prins en Van Deyssel ook van huis uit juist iets te veel met elkaar. In zijn In memoriam Ary Prins zou Van Deyssel zichzelf rekenen tot de lijdelijke, door gevoelsaandoeningen beheerste en geleide naturen. Prins zou hij daarentegen kenschetsen als iemand bij wie de wil, de doorzetting, domineerde. Feitelijk herhaalde Van Deyssel in 1922 wat hij reeds op 30 mei 1901 aan Prins geschreven had: ‘Ik ben en zal altijd blijven een zenuwzwak mensch en wel van dien aard, dat ik, wat de vereeniging van letterkundig werk en maatschappelijk verkeer aangaat, geheel het tegenovergestelde uiterste van jouw zeldzaam vermogen daarin bereikt heb. Ik kan nauwelijks op den zelfden dag een buurman spreken en een brief schrijven.’

Intussen verbiedt ons alleen al dit brieffragment om in te stemmen met Pierre H. Dubois22 die het ‘niet onvermakelijk (vond) om Van Deyssel, die zo graag de artiest “pur” wilde uithangen en op grond daarvan maar weinig interesse voor Prins' buiten-artistieke activiteiten hebben kon,’ met nauw verholen be-

[p. 12]

wondering te zien schrijven over Prins' zakelijke bedrijvigheid. Er nog van afgezien dat in de laatste vijftien jaar studies van Gerard Knuvelder, J. Kamerbeek Jr., Martien J.G. de Jong, F. Jansonius en Karel Reijnders, de caricaturale vertekening en versmalling van Van Deyssel tot iemand die zo graag de artiest ‘pur’ wilde uithangen, met kracht van argumenten aan de kaak hebben gesteld,23 moet Van Deyssels bewondering voor de ‘man van de gedachte’, die erin slaagde zijn leven te combineren met dat van ‘de man van de daad’ eerder tragisch worden genoemd dan niet onvermakelijk. Tragisch, omdat Van Deyssel er maar eenmaal in zijn lange leven in geslaagd is die aan een Prins, aan een Van Eeden, aan een Jan Veth zo goed afgaande combinatie te realiseren, ten tijde n.l. van zijn bemoeienissen met de Rembrandt-herdenking van 1906. Kort na zijn vijfenzeventigste verjaardag zou hij nog schrijven: ‘Het meeste geestesgenoegen geven mij de groote dichters en de groote philosophen. Maar ik wil zélf hébben het geestelijk gevoelsleven, waarvan uit de groote dichters schreven, zoo wel als het handelend leven der voortreffelijke daden-lieden. Alles wat ten slotte slechts tijd-passeering is, hoe edel en aangenaam ook, is toch iets mínders.’24

Bij de lectuur van Van Deyssels brieven aan Prins mag ook niet worden vergeten dat de schrijver daarvan zich voortdurend bewust moet zijn geweest dat hij afstemde op een geheel andere golflengte dan die welke hem sedert het begin van de tachtiger jaren verbond met zijn Amsterdamse vriendenkring. Albert Verwey mag dan wel aan Uri hebben meegedeeld25 dat wanneer Prins, in 1885 en volgende jaren, overkwam naar Amsterdam, al de vrienden werden bijeengetrommeld voor een soort reünie, die een heel gezellig karakter droeg, - een dergelijke reünie heeft Van Deyssel zeker éen maal, misschien twee maal bijgewoond, - dit neemt toch niet weg dat Prins nauwelijks geacht mag worden deel te hebben uitgemaakt van ‘la sublime confrérie’ die tot circa 1889 de toen jonge Amsterdamse kunstenaars verbonden heeft. Aan Prins is niet gegeven geweest dat regelmatig toeven ‘in een groepje daar knie aan knie gezetenen’,

[p. 13]

waartussen iets zinderde ‘in de lucht, in de ruimte, iets onzichtbaars en onzegbaars, dat het samen-leven is, één samen-leven in een gelijktijdige ontbloeying bij verschillende van de menschheid geheeten afdeeling der natuur.’26 En zo is Prins ook maar enkele keren betrokken geworden in dat voor zijn Amsterdamse relaties levenslang onvergetelijk gebleven want overrijk geschakeerde geheel van ‘de vroolijkheden, de driftigheden, de toegenegenheden en afkeeren, de mijmeringen en waarnemingen, zóó als die in de samen-levenden waren.’26

In zijn herdenking van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm heeft Anton van Duinkerken27 er aan herinnerd dat Van Deyssel een esprit bezat als weinigen ter wereld. ‘Zelfs zijn intiemste vrienden bleven verbaasd over zijn levenskunst, die uurlijks zich scheen te vernieuwen in onverwachte vondsten en vormen. Hij speelde zichzelf prachtig!’ Heeft, zo vragen wij ons af, Van Deyssel in zijn verkeer met Prins het licht van zijn esprit onder de korenmaat gezet? In de brieven aan Prins valt, in tegenstelling tot Van Deyssels brieven aan François Erens, Frederik van Eeden, Frank van der Goes, Arnold Ising Jr. - om er slechts enkelen te noemen - niet bijster veel van die esprit te bespeuren, zoals hij ook afwezig lijkt te zijn geweest in het directe persoonlijke verkeer tussen Prins en Van Deyssel. In de vele van Prins uitgegane brieven, aan andere vrienden en betrekkingen, zijn wij geen enkele maal op een alinea gestoten, waarin Prins een tekenachtige uitdrukking, een anecdote, een bon mot, een naar het bizarre of clowneske zwemende gedraging van Van Deyssel memoreert. Was Prins dan ziende blind en horende doof voor díe kanten van Van Deyssel, waardoor zóveel anderen in hoge mate werden gefascineerd en waaraan zowel de ernst

[p. 14]

van Albert Verwey als het zure sarcasme van Frans Coenen zich glimlachend gewonnen gaven! Of heeft Van Deyssel welbewust déze kanten van zijn wezen niet voor Prins ontsloten, voorvoelend dat hij er toch niet ontvankelijk voor zou zijn?

Wij moeten 't antwoord schuldig blijven, maar willen er wel op wijzen dat Van Deyssel al heel vroeg, want in de aanvang van zijn toen nog enkel epistolaire relatie met Prins, tot minstens tweemaal toe niet die weerklank van zijn correspondent had mogen krijgen die hij gewoon was te ontvangen van zijn Amsterdamse kompanen, en dan veelal ook nog onder gedruis van applaus! In zijn antwoord op Van Deyssels brief van 22 januari 1883 haakte Prins met geen woord in op de uitgelezen hoffelijkheid waardoor de eerste alinea van die brief zich gekenmerkt had. En in Prins' weerwoord op Van Deyssels brief van 30 januari 1885 ontbrak heel en al de charme van een zinspeling of aanstipping waaruit de ontvanger had kunnen blijken dat Prins Van Deyssels inlichtingen over François Erens naar verdienste had weten te savoureren en dat hem ook niet was ontgaan de zinsnede over Kloos en Verwey: ‘beiden dood-jong en dood-arm.’ Dit waren van die faux pas die, aan de op dit punt terecht gevoelige naturen, de lust tot verder corresponderen voorgoed kunnen ontnemen. Dat Van Deyssel er toen niet de brui aan heeft gegeven, hing wel samen met zijn op 30 januari 1885 neergeschreven opinie dat Prins tot ‘de uitgelezen zeldzamen in Nederland’ behoorde met wie hij over het naturalisme van gedachten kon wisselen.

 

De briefwisseling tussen Arij Prins en Lodewijk van Deyssel wordt in deze uitgave integraal afgedrukt, met dien verstande dat een aantal brieven en vooral briefkaarten niet worden openbaar gemaakt omdat ze nu eenmaal van ieder belang verstoken zijn: afspraken over te brengen bezoeken, afzeggingen of verschuivingen van die afspraken, bevestigingen van de ontvangst van tijdschriftbijdragen. In de noten worden deze weglatingen ter plaatse verantwoord, terwijl enkele malen iets wat mogelijkerwijs toch relevant zou kunnen zijn beknopt wordt samengevat. Behoudens deze beperkingen zijn alle brieven diplomatisch en onverkort weergegeven. Een beschrijving van elke brief leek overbodig, omdat alle documenten in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum berusten. De noodzakelijke verklaring van details is in voetnoten gegeven. De uitgave wordt gecompleteerd door een aaneengesloten reeks van fragmenten van brieven, waarin Van Deyssel aan zijn vrouw verslag uitbracht over zijn eerste verblijf bij Prins te Hamburg, in de zomer van 1893; voorts door de nooit herdrukte bespreking van Prins' Een Koning, door André Jolles in het weekblad De Kroniek van 2 januari 1898; tenslotte door de herdruk van alle door Van Deyssel aan Prins gewijde opstellen en door de publicatie van alle nog niet eerder openbaar gemaakte aantekeningen van Lodewijk van Deyssel voor zover die Arij Prins betreffen.

Harry G.M. Prick.

[p. 15]



illustratie
Arij Prins, 1860-1922

[p. 16]



illustratie
K.J.L. Alberdingk Thijm, 1864-1952

1De Gids, Jrg. 1922 II, blz. 502-507; voor de eerste maal herdrukt in L. van Deyssel, Gedenkschriften, A'dam, 1924, blz. 280-286; laatstelijk herdrukt in dit boek.
2De Gids, Jrg. 1886 II, blz. 390-393.
3De Gids, Jrg. 1912 IV, blz. 540-553. De meest indringende bespreking van De Heilige Tocht in intussen die door Albert Verwey. Zie diens Proza, deel III. Amsterdam, 1921, blz. 69-83.
4Dit zou Prins stellig wèl beleefd hebben aan een passage in het boek van zijn naamgenoot Apie Prins, Ik ga m'n eige baan, A'dam, 1958, blz. 132-133. Toen Apie Prins het gymnasium op het Prinsenhof te Haarlem bezocht, doceerde daar J.B. Schepers Nederlands. ‘Schepers was bevriend met Couperus, Van Deyssel, Kloos, Van Eeden enz. en wist ons door zijn enthousiasme (en onuitputtelijk geduld) te inspireren tot een begin van liefde voor de grote Tachtigers al wisten die nog niet dat het nageslacht ze zo zou noemen, maar toen hij “De Heilige Tocht” van Arie Prins meebracht en ons daar het hele uur uit voorlas, was ons enthousiasme nog groter dan het zijne. We gaven ons zonder slag of stoot aan de kruisvaarders over. Het was een volkomen nieuwe, boeiende wereld voor ons. Dàt was nog eens een leesboek.’
5Einstein's Relativiteitstheorie. Een enkele opmerking verscheen in februari 1922 in De Nieuwe Gids, Jrg. 1922 I, blz. 153-158. De, overigens nog in een afzonderlijk schrijven door de Leidse hoogleraar J.P. Kuenen (1866-1922) toegelichte, afwijzing door De Gids kwam zo pijnlijk aan nu niemand minder dan H.A. Lorentz (1853-1928) zich in een onderhoud met Van Deyssel waarderend over dit opstel had uitgelaten. Vgl. Harry R. Wildermuth in De Nieuwe Gids, Jrg. 1939 II, blz. 608, in wiens open brief To Lodewijk van Deyssel on his seventy-fifth birthday (a.w., blz. 606-610), gememoreerd werd: ‘Your unerring judgement discovered a star of the first magnitude in that very great poet and your friend, P.C. Boutens. You corresponded with the late Prof. Lorentz on Einstein's Theory of Relativity, stating as your conviction that the whole thing was pure metaphysics. And you may very well be right!’ - In 1929 zou Van Deyssel zijn toen verschenen bundel Nieuwe Kritieken, A'dam, 1929, blz. 1-7, demonstratief openen met het door De Gids afgewezen stuk.
6Lodewijk van Deyssel, Gedenkschriften. Voor de eerste maal volledig naar het handschrift uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick, Zwolle, 1962, blz. 823-824.
7Hoezeer Van Deyssel dit op prijs zou hebben gesteld, blijkt o.m. uit een artikel van J. Kamerbeek Jr. over Van Deyssels anticipaties in De Nieuwe Taalgids, deel 54 (1961), blz. 1-10. Op blz. 7 signaleerde Kamerbeek bij Van Deyssel twee passages die ‘in sobere vorm en effen toon een klacht behelzen over gebrek aan repliek.’ Veelzeggend is ook Van Deyssels reactie op een brief van Hein Boeken, d.d. 23 juni 1921, waarin Van Deyssel gecomplimenteerd werd met zijn aan de juni-aflevering van De Nieuwe Gids, Jrg. 1921 I, blz. 736-753 bijgedragen In memoriam Dr. Alphons Diepenbrock: ‘Uwe bladzijden over onzen heengeganen vriend zijn het schoonste wat ik sinds tijden gelezen heb. En steeds bliif ik U zien als iemand die in storm en regen een hem dierbaren vlag tracht te ontrollen, te ontplooien en voor anderer oogen omhoog te houden. De regenvlagen en windstoten, die het werk bemoeielijken, doen te schooner en te teerder de zachte en innige kleuren van den vlag glanzen en lichten; en bij elke nieuwe ontplooiing trekken de blootgekomen banen mijn oog met te meer macht naar zich toe.’ In Van Deyssels dankwoord van 25 juni 1921 valt vooral op de zinsnede ‘door hare eenzaamheid’: ‘Ofschoon ik niet weet of uw indruk wordt veroorzaakt door het stukje alleen of door combinatie van het stukje met uwe voorstelling van mijn tegenwoordig persoonlijk leven, is toch uw indruk, naar mij voorkomt, treffend en juist. En de zending er van deed mij, door de zijde van waar zij kwam en door hare eenzaamheid, drie maal aangenaam aan.’
8In 1923 verscheen bij P.N. van Kampen en Zoon te Amsterdam een tweede druk van De Heilige Tocht. Met een voorbericht den schrijver en zijn werk betreffende door Herman Robbers. Tot zeven maal toe citeerde Robbers Van Deyssels artikel, zonder er zich ook maar éénmaal waarderend over uit te laten!
9Willem Kloos in De Nieuwe Gids, Jrg. 1922 I, blz. 595; Herman Robbers in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, LXXXIII, blz. 419-423; Joannes Reddingius in De Gooien Eemlander, 17 juni 1922; A. Jurriaan Zoetmulder en M.A.P.C. Poelhekke in het weekblad De Nieuwe Eeuw, 13 mei 1922; Dirk Coster in De Stem, juni 1922, blz. 567-574; A.M. de Jong in Het Volk, 6 mei 1922; Gerard van Eckeren in Den Gulden Winckel, 15 mei 1922; Dr. P.H. Ritter Jr. in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, 4 mei 1922.
10Weekblad De Amsterdammer, 13 mei 1922.
11De Nieuwe Gids, Jrg. 1922 II, blz. 1-3.
12François Mauriac, Le Nouveau Bloc-notes/ 1958-1960, Paris, 1961, blz. 349.
13Annie Salomons, Herinneringen uit den ouden tijd/ Aan schrijvers die ik persoonlijk heb gekend. Den Haag, 1957, blz. 18.
14Een tweede reactie kwam van Benno J. Stokvis, die op 14 juni 1922 Van Deyssel liet weten: ‘Uw stuk over Prins in “De Gids” las ik, en vind ik prachtig.’ In september 1924 zou Stokvis het eerste nummer van jaargang II van het door hem geredigeerde Boek en Kunst, Een internationaal maandschrift voor literatuur, beeldende kunst en theater, openen met de herdruk van twee fragmenten uit Van Deyssels opstel.
15Een levensbericht van Sicco Pieter Uri (1903-1964) verscheen, van de hand van W.C. Braat, in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Leiden, 1964, blz. 97-100.
16Zie de uitvoerige bespreking van dit boek door J. Kamerbeek Jr. in Levende Talen, Jrg. 1955, blz. 602-608.
17S.P. Uri, Leven en werken van Arij Prins, a.w., blz. 106.
18E.J. Potgieter, Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink. Haarlem, 19043, blz. 216.
19Weekblad De Amsterdammer, 13 mei 1922.
20Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, 4 mei 1922.
21S.P. Uri, a.w., blz. 194.
22Dagblad Het Vaderland, 19 maart 1960.
23In een aan De Gids, Jrg. 1970, no. 4/5, blz. 314-319, bijgedragen beschouwing, Kees Verwey zeventig jaar (Een poging tot begrip), heeft Godfried Bomans erop gewezen dat ‘de blijvende aantrekkingskracht van Thijm op de zo geheel anders geaarde Verwey onverklaarbaar (zou) zijn, als wij het lieten bij de gemaniëreerde dandy, waarin hij aan ons is overgeleverd’. Nu ook A. Roland Holst, op 29 juli en 5 augustus 1970, voor de Vara-microfoon, het accent legde op een gemanïereerde Van Deyssel, werd helaas eens te meer bevestigd wat Bomans eveneens constateerde: ‘Een man als Thijm heeft natuurlijk tientallen kanten, maar omdat echt kijken een vermoeiende bezigheid is heeft men bepaalde facetten van zijn persoonlijkheid overbelicht’.
24De Nieuwe Gids, Jrg. 1939 II, blz. 904.
25S.P. Uri, a.w., blz. 93-94: ‘Men ging eerst gezamenlijk uit, en vervolgens bleef men, aanvankelijk meestal op de kamer van Paap, nog lange tijd bijeen. Dan lazen de jonge prozaïsten en dichters elkaar hun werk voor, dan werd er geboomd over litteratuur en kunst tot diep in de nacht.’
26Lodewijk van Deyssel, Gedenkschriften, a.w., blz. 246. Vgl. Frans Erens, Vervlogen Jaren. Vervolledigd uitgegeven en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick. Met een inleiding van Anton van Duinkerken. Zwolle, 1958, blz. 448: ‘Wat was het heerlijk, dat praten, praten in café's, op lange wandelingen of in gemeubileerde achterkamers, waarvan wij het akelige niet zagen, vervuld als wij waren van nieuwe droomen. Het was een genot te betoogen en de plotselinge vondst vóór zich te zien oplichten’. Zie ook het opstel over Jac. van Looy als geestlijk mensch en dichter in: Willem Kloos, Letterkundige Inzichten en Vergezichten XXI/Nieuwere literatuurgeschiedenis XXVI. Den Haag, 1936, blz. 70-84 (eerst verschenen in De Nieuwe Gids, Jrg. 1932 I, blz. 337-349), in welk opstel Kloos, voor zijn doen ongewoon suggestief, de sfeer opriep van de gesprekken in de Poort van Cleef en in het atelier of de kamer van een der vrienden ‘in dien alouden, dien allereersten Nieuwe-Gidstijd’. Een parel blijft hiernaast het gedicht Mast in Arthur van Schendels bundel Herdenkingen. A'dam, 1949, blz. 88-91, waarin haast tastbaar de sfeer wordt getekend in het door de Tachtigers veelvuldig gefrequenteerde Grand Hotel en Café-Restaurant Mille Colonnes aan het Rembrandtplein, in de wandeling Mast genoemd, zijnde de naam van de eigenaar. In zijn In memoriam G.W. Dijsselhof (in De Nieuwe Gids, Jrg. 1924 II, blz. 94-95) bracht ook Hein Boeken dit Amsterdamse ‘centrum van beschaving’ in herinnering, ‘waar de oneindige vergezichten weerkaatsende spiegelwanden, de zilvergrijs hangende sigaren-rook, het zoo gedempt, uit de witte ballonnen dalende electrische licht de jonge kunstenaars hielp om uit de enge grenzen van hun beperkt aldaags-leven in gedachte naar de ruimere, ja onbegrensde rijken van herinnering en verbeelding uit te vliegen’.
26Lodewijk van Deyssel, Gedenkschriften, a.w., blz. 246. Vgl. Frans Erens, Vervlogen Jaren. Vervolledigd uitgegeven en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick. Met een inleiding van Anton van Duinkerken. Zwolle, 1958, blz. 448: ‘Wat was het heerlijk, dat praten, praten in café's, op lange wandelingen of in gemeubileerde achterkamers, waarvan wij het akelige niet zagen, vervuld als wij waren van nieuwe droomen. Het was een genot te betoogen en de plotselinge vondst vóór zich te zien oplichten’. Zie ook het opstel over Jac. van Looy als geestlijk mensch en dichter in: Willem Kloos, Letterkundige Inzichten en Vergezichten XXI/Nieuwere literatuurgeschiedenis XXVI. Den Haag, 1936, blz. 70-84 (eerst verschenen in De Nieuwe Gids, Jrg. 1932 I, blz. 337-349), in welk opstel Kloos, voor zijn doen ongewoon suggestief, de sfeer opriep van de gesprekken in de Poort van Cleef en in het atelier of de kamer van een der vrienden ‘in dien alouden, dien allereersten Nieuwe-Gidstijd’. Een parel blijft hiernaast het gedicht Mast in Arthur van Schendels bundel Herdenkingen. A'dam, 1949, blz. 88-91, waarin haast tastbaar de sfeer wordt getekend in het door de Tachtigers veelvuldig gefrequenteerde Grand Hotel en Café-Restaurant Mille Colonnes aan het Rembrandtplein, in de wandeling Mast genoemd, zijnde de naam van de eigenaar. In zijn In memoriam G.W. Dijsselhof (in De Nieuwe Gids, Jrg. 1924 II, blz. 94-95) bracht ook Hein Boeken dit Amsterdamse ‘centrum van beschaving’ in herinnering, ‘waar de oneindige vergezichten weerkaatsende spiegelwanden, de zilvergrijs hangende sigaren-rook, het zoo gedempt, uit de witte ballonnen dalende electrische licht de jonge kunstenaars hielp om uit de enge grenzen van hun beperkt aldaags-leven in gedachte naar de ruimere, ja onbegrensde rijken van herinnering en verbeelding uit te vliegen’.
27Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Leiden, 1954, blz. 53-61. Het citaat aldaar op blz. 58.
prepost  begin  verder