Voorburg 27 Novr. 18821
WelEd. Heer!
Ik veroorloof mij, alhoewel ik niet de eer heb, U persoonlijk te kennen, U bijgaand eene door mij geschrevene schets2 ter lezing te zenden, met beleefd verzoek mij medetedeelen, of U dezelve geschikt acht, om als feuilleton in het Weekblad ‘De Amsterdammer’ te worden geplaatst. -
Daar deze schets, als zijnde ‘te realistisch’ voor eenige tijdschriften is geweigerd, en ik niet gaarne weder eene weigering zou ontvangen, neem ik de vrijheid mij niet direct tot de Redactie, doch eerst tot U te wenden, wijl mij uit uwe kritieken in ‘De Amsterdammer’,3 waarmede ik mij volkomen kan vereenigen, is gebleken, dat U een der weinige letterkundigen hier te lande zijt,
die sympathiseert4 met de werken van de Balzac, de Stendhal, Zola, Flaubert & De Goncourt, waarvoor ik groote bewondering koester. -
Van uwe kritische beschouwingen, heb ik vooral die over ‘Pot-Bouille’ met belangstelling gelezen,5 en het heeft mij, en vele anderen, genoegen6 gedaan, dat U den moed hebt gehad Zola's kunstwerk gunstig te beoordeelen. -
U bij voorbaat dankzeggende voor de moeite, die ik U veroorzaak, verblijf ik,
Hoogachtend
UEddwdr.
Arij Prins.