Amsterdam, 26.3.'84.
N.Z.-Voorbw. 161.
Waarde Heer,
Mag ik U wel mijn vriendelijksten dank betuigen voor de mij heuschelijk toegezonden overdruk21 van Uw Buitenkansje? Ik had reeds met de meeste waardeering kennis genomen van deze novelle als artikel in den Spectator. Maar Uw beleefdheid verschaft mij nu de welkome gelegenheid U te vragen, wat ik reeds lang van plan was, hoe het is afgeloopen met Uw Grootvader Bleys, die ik in der tijd aan Dr. ten Brink zond en waar ik niets meer over hoorde. Wordt die nog, gedrukt? - Gij zult mij ten goede houden, dat Uw adres mij ontging.
Steeds Uw z.dv.
L. van Deyssel.