Voorburg 1 April 1884.
Waarde Heer,
In het bezit uwer letteren d.d. 26 Maart - mij eerst heden geworden, doordien ik uit ben geweest - haast ik mij U op uwe belangstellende vraag te antwoorden. Mijn novelle ‘Grootvader Bleys’ berust nog altijd bij de Redactie van ‘Nederland’.
In Deer ll heb ik er den Hr. ten Brink over geschreven, die mij mededeelde, dat het stuk aan den Heer Schimmel was opgezonden, ‘die zeker een dezer dagen bericht zou geven’.
Tot nu toe heb ik echter nog niets vernomen. -
Deze Redactie is waarlijk niet al te vlug. -
Indien ik in den loop van dit jaar geregeld kan doorwerken, en geen tegenslag in mijn werk heb, hoop ik in Decr of Jany a.s. een bundel novellen uittegeven. -
Buiten de twee stukken, die U kent, zullen er hoogstwaarschijnlijk in worden opgenomen. -
| 1o | Een Novelle in '82 in Eigen Haard geplaatst22 |
| 2o | De Geschiedenis van een Verliefdheid. |
| 3o | Een studie uit de lagere klassen |
| 4o | Een brok uit 't leven van een meisje, dat met Heeren uitgaat ('t meest krasse van al de stukken) |
Hebt U al een critiek over ‘La Joie de Vivre’23 geschreven? Houd mij deze vraag ten goede; doch 't boek is zoo krachtig, dat 't te bejammeren zou zijn, indien er in Holland niet eene goede beoordeeling over verscheen.
Steeds
UEddwdr.
Arij Prins