Amsterdam, 11 december '84.
N.Z. Voorbw. 161. -
Geachte Heer,
Uw plan om kritieken over jongere naturalisten te schrijven, verdient m.i. slechts toejuiching.
Om die in het Weekblad De Amsterdammer geplaatst te krijgen, zal het goed zijn, dat gij U richt tot Dr. R.A. Kollewijn,35 redakteur der letterkundige rubriek van het Weekblad, Van Oldenbarneveldt-kade, no. 7.
Indien gij wilt, zal ik hem ook over U schrijven. Hij is zeer ontwikkeld, zeer liberaal, plaatste nu laatstelijk nog een stuk van mijn vriend ‘Homunculus’36 tegen den zoo gevierden Beets, en opstellen van Uw hand, ongetwijfeld met zorg geschreven, zal hij zeer waarschijnlijk opnemen, mids ze elkander niet te snel opvolgen, want er is overvloed van goede kopie op 't oogenblik. - Onwaarschijnlijk is echter, dat de Gids-redaktie37 Uw novelle aanvaardt. Deftig en onbeduidend, gelijk de Revue des deux mondes,38 weigert zij meestal hetgeen
tegen de aloude literaire konventie indruischt. Ik weet dit b.v. van Jacques Perks Gedichten,39 die later zoo een opgang hebben gemaakt. Nederland staat echter immers voor U open? - In allen geval is het te beproeven, en zal ik aangenaam verrast zijn Uw naam in den Inhoudsopgaaf van de Gids eens aan te treffen.
Zijt gij ook voornemens over al de naturalisten, die bij Kistemaeckers40 te Brussel uitgeven, te schrijven?
Geloof mij gaarne
Uw dw.dr.
L. van Deyssel