Voorburg 13/ 12 '84
Geachte Heer,
Dank voor uwe inlichtingen inzake de kritieken voor de Amsterdammer. -
Indien U de goedheid wilt hebben hierover aan Dr. Kollewijn te schrijven, zult U mij zeer verplichten.
Ik zal ZEd schrijven zoodra het eerste artikel gereed is. -
Mijn voornemen is de meest belangrijke werken der jonge naturalisten te behandelen, ook al zijn ze reeds eenige jaren oud, o.a. wil ik een critiek geven
over: ‘En Ménage’41 ‘Un Mâle’,42 ‘Une Vie’,43 ‘Une belle journée’.44 - De artikelen zullen echter niet groot zijn. Ik bepaal mij niet alleen tot hen, die bij Kistemaeckers uitgeven; zooals U weet zijn enkele der jongeren ook bij Tresse, Dentu en Charpentier.45 -
Wat mijn laatste novelle46 betreft, zoo heb ik deze eigentlijk op aanraden van anderen naar de Gids gezonden. -
Ik ben benieuwd of ze wordt opgenomen, misschien gelukt het mij in dit tijdschrift te komen. - Bij de Spectator ben ik wel geslaagd!
Bij Nederland heb ik reeds een novelle47 liggen; dit is de oorzaak dat ik mij nu niet tot dit tijdschrift heb gewend. -
Ik ben weder bezig aan een novelle uit het dorpsleven,48 welke begint met een beschrijving van een hooiland.
Kent U de ‘Kunstbode’. Wat is dit voor een blad49 en weet U ook wie in de Redactie zitten? -
Men wil met mij in onderhandeling treden over het schrijven van kritieken over tentoonstellingen van schilderijen. -
Ik heb dit werk meer gedaan, en in de Haagsche Courant beoordeelingen over de twee laatste tentoonstellingen geschreven.50 -
Daar ik echter op het oogenblik tot over de ooren in het werk zit, zal ik vermoedelijk aan de Kunstbode vragen dit werk aan een ander te geven. -
Zoudt U mij ook kunnen zeggen, hoe het is afgeloopen met het proces51
contra Kistemaeckers en Fèvre-Desprez over ‘Autour d'un clocher’ Zijn ze veroordeeld of vrijgesproken? -
Ik wil hierover namelijk in mijn kritiek spreken.52 -
Excuseer svp de moeite, die ik U veroorzaak.
Hoogachtend,
UEddwdr.
Arij Prins