terug  begin  verderprepost
[p. 36]

16

Amsterdam, 12 januarie 1885.
N.Z. Voorbw. 161. -

Geachte Heer,

Ik heb nog een brief en een briefkaart ter beantwoording voor mij liggen die mij van U toegekomen zijn.

De bundel ‘Realistische Schetsen’ ontfing ik in goede orde te-rug. Ik dank U voor de zorgzame behandeling.

Het zal mij zeer aangenaam aandoen de eerste Uwer kritieken in den Amsterdammer te zien verschijnen. Ongetwijfeld kwam U reeds ter oore, dat Desprez dien gij ook behandelen wilt, verleden week tot een maand celstraf veroordeeld werd wegens zijn jongsten roman. Schreef ik U al, dat mij omtrent dat proces-Kistemaeckers, waarover gij inlichtingen vraagt mij niets naders bekend is?

Ik neem de vrijheid U bij deze gelegenheid te verzoeken mij, of door toezending van een exemplaar, of door opgave der Koerantennummers, in staat te stellen met Uw kritieken over schilderkunst in het 's Gravenhaagsche blad geplaatst, kennis te maken.

De Kunstbode, geachte heer, is, wat de stijl, het gevoel, de soort theorieën en de kennis, die zijn redakteuren er op na houden, aangaat, tot nu toe niet van de hoogste volmaaktheid gebleken. Alleen het gedeelte aan de muziek gewijd, waar ik geen verstand van heb, is, hoor ik, niet kwaad, evenmin een paar korte schilderkritiekjes. Het eerste nummer was zoo weinig beteekenend, dat ik er een stukjen56 tegen in den Amsterdammer heb geplaatst. Wat mij er in 't begin vooral tegen stemde, waren artikelen als over de ceramiek-expositie in ons Panorama-gebouw,57 op een zekeren toon gesteld en blijkbaar grootendeels uit

[p. 37]

't Duitsch vertaald. De principieële hoofdartikelen waren vaak ellendig geschreven.

Doch, gaandeweg, wordt het beter. Het laatste nummer, van eergisteren, is, praktiesch, goed.

Uwe door den Gids geweigerde novelle, zoû, dunkt mij, in 't Nederl. Museum van Gent wel opgenomen worden.

De laatste novelle in Nederland van den Heer F. Netscher is weder meer dan goed.58 Ik ben hier bekend met verscheidene jonge schilders,59 die tevens aan literatuur doen en die allen om 't zeerst met het talent van dezen Heer ingenomen zijn.

Van Nederland gesproken, wanneer het niet blijken zal, dat evenmin als ‘de Gids onze Gids’, Nederland ons Nederland zijn zal, zal mij dit even zeer bevreemden als genoegen doen (nu de nieuwe Redaktie60 aan 't woord is gekomen namelijk).

Mij aanbevelende voor nader schrijven, verblijf ik

Uw dw.dr.
L. van Deyssel

Mijn Nieuwjaarsgroet gaat hierbij.

56In dit van 27 november 1884 daterende stukje beoordeelde Van Deyssel de twee eerste nummers. Hij kon zich niet het genoegen ontzeggen ‘hier eens even aan het koord van de doodsklok te trekken, - of zij te recht geluid werd, beslist de toekomst.’ Helder toonde hij aan dat de inleiding, in plaats van een duidelijk en kort programma te behelzen, niet veel meer was dan ‘een uitvoerig beuzelpraatjen in een stijl van de minste soort.’ Het stuk eindigde met de verzuchting: ‘Heeft een schaar kleine literatortjens dan eene vergadering gehouden en gezworen ons te overstelpen en te benauwen met “keurig gedrukte” flinke, degelijke, gevoel- en gedachteloze quarto-formaat-orgaantjens?’ In het weekblad De Amsterdammer van 8 januari 1888 kon Van Deyssel ironisch vaststellen, aan het slot van een artikel over Realisme, waarin hij de op 1 januari 1888 in Den Haag verschenen periodieke uitgave De Ooievaar. Weekschrift voor Realistische Letterkunde en Critiek, had afgekraakt: ‘Ik geloof niet, dat ik invloed genoeg heb op het publiek om een tijdschrift, zij 't ook een pasbeginnend, te doen vallen. Maar toch zijn, niet óm dat maar ná dat ik er tegen geschreven had, reeds twee weekbladen gestorven, het Nieuwe Weekblad, in 1883 geloof ik en de Kunstbode, die in de Portefeuille is weggegaan, mijn tegenschrijven schijnt dus een slecht voorteeken te zijn.’
57Onder de schuilnaam F. Hovius had Van Deyssel zelf in het weekblad De Amsterdammer van 21 en 28 december 1884 geschreven over De decoratieve ceramiek in het Panoramagebouw.
58In het decembernummer van Nederland, jrg. 1884 had Netscher Schetsen naar het naakt model II/De kroeg van Leenderts bijgedragen, voor de eerste maal herdrukt in Studie's naar het naakt model, 's-Gravenhage, 1886, blz. 50-63.
59Jac. van Looy (1855-1930), Willem Witsen (1860-1923), Jan Veth (1864-1925), Maurits van der Valk (1857-1935).
60Met ingang van 1885 werd de redactie van Nederland, bestaande uit Jan ten Brink en H.J. Schimmel, uitgebreid met F. Smit Kleine en C.E. Broms.
prepostterug  begin  verder