Am., 30 jan. '85
N.Z.Voorbw.161.-
Geachte Heer,
Uw kritieken over schilderkunst heb ik U te-ruggezonden, na ze met genoegen te hebben gelezen. Maar wat dunkt U nu eigenlijk b.v. van de hh. Rip74 en Roermeyer75 van Rotterdam? Beide schilders van een opperst impressionisme en leerlingen, ten minste naar den schijn, van Manet.
Wat vind gij van Manet-zelf?
Ik ben erg met hem ingenomen en ook met bovengenoemde heeren. Toen ik, het eerste jaar van zijn bestaan, schilder-kritieken in het dagblad De Amsterdammer schreef, had ik meermalen gelegenheid dit te doen uitkomen.76 Ik heb trouwens het genoegen gehad Manet77 nog zoo'n beetje te kennen. Hij was éen-en al artisticiteit in alles.
Ik zie nu Uw artikelen in het Weekblad De Amsterdammer te gemoet. In Eigen Haard vond ik nog niets van Uwe hand. Gij vraagt mij naar mijn verslag van de ‘Joie de vivre’. Zenden kan ik het U niet, want ik bezit 't zelf niet meer.
Het is met zooveel andere journalistiesche opstelletjes naar de prullemand verhuisd, sinds lang.78 Maar ik kan U wel in vertrouwen zeggen, dat het alles behalve iets bizonders was.
Over François Erens, die de Tâches d'encre behandelde, kan ik U beter inlichten, want hij is van mijn intieme kennissen.79
Hij is dan zoo: dertig jaar oud, klein en verbazend mager, is door zijn dunne blonde haar bijna geheel heengegroeid, heeft een scherpe neus en kaken en draagt een lornjet. Hij is Limburger van geboorte, heeft eerst in Leiden gestudeerd, toen drie jaar in Parijs gewoond, waar hij met de uiterste raffineurs van politiek, letterkunde en kunst heeft omgegaan en nu woont hij hier te Amsterdam, om quasi voor zijn doktoraal examen te studeeren, maar zijn artistiek gemoed en liefde voor literatuur speelt hem onophoudelijk parten en houdt hem van de drooge rechts-studie af. Hij heeft veel opmerkingsgave en wel goede sentimenten, maar mist nog alle gemak van schrijven en uitdrukken, hoofdzakelijk door gebrek aan oefening.
Gij vraagt ook naar de Natur.beweging te Amsterd. Die bestaat eenvoudig niet. Romanschrijvers zijn er niet en noch de jonge dichters noch de kritici, die ik ken, hebben b.v. eenigszins volledig van het fransch naturalisme in den roman kennis genomen.
Twee jaar geleden heb ik een eenigszins natur. tooneelstukje80 bij van Lier, het Grand Théâtre hier ter stede, opgevoerd gekregen,81 dat gevallen is als een baksteen. Sinds dien tijd heb ook ik niets dergelijks meer uitgegeven.
De dichters der laatste generatie alhier, zijn volbloed zonen van Swinburne82
en Shelley,83 evenals de heeren der Jeune France.84 Ik ben in den laatsten tijd ook veel met die merkwaardige Engelsche literatuur van deze eeuw, behalve Byron, Tennyson,85, Bunyan, enz. (die niet) bezig. Dichters in het genre van Swinburne, Shelley, Paul Bourget,86 Tola Dorian87 en die heele massa van het Jonge
Frankrijk, afstammelingen van Baudelaire88 en Leconte de l'Isle,89 zulke dichters, waarvan iets te verwachten valt, ten onzent, zijn: Kloos en Verwey (de twee voornaamsten, beiden dood-jong90 en dood-arm) en dan ook de tooneelschrijver91 van Eeden, maar die in zijn verzen heel anders en vrij wat sterker is dan in zijn tooneelstukken.
Maar, - wij kunnen ze bewonderen en de hand drukken, - hun school, hun kunst kan niet de onze zijn. Willen wij den dag van morgen en de heele volgende eeuw voor ons hebben, dan zijn Balzac, die Titaan en Titiaan tevens92 indien gij
wilt, en Zola, dat monument, met wat er uit en door hen is ontstaan, onze mannen, zij alleen.
Het schijnt intusschen, dat evenals de nieuwe schilderkunst, de nieuwe letterkundige kunst uit den Haag tot ons moet komen. Kent gij Couperus' gedichten?93 Deze daalt merkbaar.
Hebt gij misschien in het laatste Weekblad De Amsterdammer het tweede gedeelte van het ‘Overzicht der fraaie letteren’94 gelezen? Ik vond gelegenheid daarin over Nederland en o.a. over U te spreken.95
Ik merk, dat ik, veel te lang voor Uw geduld misschien, aan 't praten ben gebleven. Gij moet dit hieraan wijten, dat ik het zoo pleizierig vind over naturalisme, enz. te spreken. En gij behoort nu eenmaal tot de uitgelezen zeldzamen in Nederland met wien men zich dat kan onderstaan.
Wees zoo goed en zend mij, als 't niet te veel moeite voor U is, overdrukken van hetgeen gij schrijft.
Ik blijf gaarne volledig op de hoogte.
Met beleefde groet,
Uw dv.
L. van Deyssel.