terug  begin  verderprepost

25

Voorburg, 14/5'85

Geachte Heer,

Denkt U, dat eenige artikelen van Robert Caze over den Salon123 te Parijs

[p. 54]

illustratie

[p. 55]

illustratie

[p. 56]

in het Weekblad geplaatst zouden worden? Caze, met wien ik bevriend ben,124 zou ze natuurlijk in het fransch schrijven, zoo dat het manuscript hier vertaald zou moeten worden. Dit zou iets nieuws zijn, hetwelk wel den aandacht zou trekken. -

Indien U met mijn denkbeeld ingenomen zijt, zoudt U er dan svp. met de hoofdredactie over willen spreken. -

R. Caze zal immers ook het gewone honorarium (f 4,50 per kolom ontvangen), indien zijn stuk geplaatst wordt?

Uw omgaand antwoord hierop zal mij hoogst aangenaam zijn. - Ik zal dan naar Parijs schrijven. - Het denkbeeld is niet van hem, doch van mij uitgegaan. -

Hebt U Netschers laatste novelle125 in Eigen Haard gelezen; ik vind dit het beste wat hij nog heeft gemaakt.

Hoe staat het met het nieuwe tijdschrift?126

Na Groeten

UEddwdr.
Arij Prins.

123De Parijse ‘Salon’ was (aldus Gerben Colmjon, De beweging van Tachtig, Utrecht/ Antwerpen, 1963, blz. 60) de reeds in 1673 door de regering ingestelde tentoonstelling die op ongeregelde tijden werd gehouden en die sedert 1833 jaarlijks zou worden gehouden. Over Le Salon de 1885 zou Prins weldra, in La Revue Contemporaine van 25 mei 1885, blz. 1-16, een uitvoerige beschouwing aantreffen door Jean Dolent.
124Bevriend zelfs in die mate, dat Edmond de Goncourt op 23 maart 1886 in zijn dagboek kon aantekenen: ‘Au milieu de l'égoïsme, de la crasserie générale de l'humanité, il y a par-ci, par-là, chez quelques individus, de beaux mouvements de générosité. Huysmans me racontait qu'un Hollandais tenant une maison de commerce à Hambourg, épris de naturalisme et combattant pour nous dans les journaux de là-bas, - et notez, un homme qui ne connaissait pas Robert Caze, - lui a écrit qu'ayant appris que Robert Caze était très malade et que sachant d'autre part qu'il n'était pas dans une position fortunée, il le priait de s'aboucher avec quelqu'un de la famille et de lui demander quelle somme pouvait lui être nécessaire, s'engageant à lui envoyer aussitôt un chèque sur Paris de la somme demandée.’ (Edmond et Jules de Goncourt, Journal, Mémoires de la vie littéraire. Tome III, Paris, 1956, blz. 550).
125Kijkjes in een Landskantoor (Bij den ontvanger I, II; Bij den betaalmeester I, II) in Eigen Haard, mei 1885, blz. 230-233. Netscher zelf schreef, op 9 mei 1885, over deze schetsen aan Van Deyssel: ‘Zij hebben voor mij geen grootere waarde dan de studiekoppen uit de portefeuille van een schilder; het zijn eenige groote lijnen, een weinig schaduw en licht, die men in een vrij oogenblik de pen op het papier laat werpen’.
126De Nieuwe Gids. Van Deyssel kon deze vraag toen niet beantwoorden omdat hij sedert midden april (tot eind juli) te La Roche in de Belgische Ardennen verbleef.
prepostterug  begin  verder