terug  begin  verderprepost
[p. 58]

27

Amsterdam, 8 december '85.

Geachte Heer,

Met veel genoegen ontving ik Uw laatsten brief. Ik zond U in der haast maar een kaartjen als dankbetuiging; het was mijn plan toch om U later per brief te bedanken voor een mij zoo welkom geschenk.

Ik verneem uit Uw schrijven, dat gij, - en wel voor niet zeer korten tijd - thands te Hamburg gevestigd zijt. Gelukkig, dat de menschen te Hamburg meer op Hollanders dan op Duitschers gelijken. Want dit feit neemt veel wech van de vrees, dat, onder de verplaatsing in een andere, niet hollandsche omgeving, Uw zoo zeer hollandsch talent lijden mocht.

Gij hebt de goedheid mij naar mijn meening over Uw bundel te vragen. ‘Een buitenkansje’, ‘Een warme dag’ en ‘Kinderen’133 kende ik reeds, maar veroorloof mij U te verzekeren, dat ik ook de overige novellen ten zeerste waardeer.

Aan zulke literaire kunst heeft ons land waarlijk behoefte en het optreden van auteurs zoo als gij doet veel verwachten voor de toekomst en geeft veel voor het tegenwoordige. Ik geloof met U eens te zijn, dat ‘Een eenvoudige geschiedenis’ niet het beste stuk van het boek is, hoewel het streven naar breeden eenvoud, waarvan de novelle blijk geeft, toch mijns inziens een groote verdienste uitmaakt.

Verder schijnen mij ‘De dood van Jaap Oliehoek’ en ‘...Jan Zomer’ het uitmuntendst.

De etsen, die Uw novellen begeleiden, zijn dunkt mij zeer fraai. Ook de uitgave laat niets te wenschen over. Ik spits mij op het verschijnen van Uw tweeden (kritischen) bundel,134 die aan het slot van dezen wordt aangekondigd.

De kritiekjes over Uw werk, die gij noemt, zijn mij ontgaan, maar die in het Weekblad ‘De Amsterdammer’, in het Zondagsblad van het Handelsblad en in den ‘Nieuwen Gids’135 heb ik gelezen. Vooral die in den Amsterdammer,136

[p. 59]

illustratie

[p. 60]

illustratie

[p. 61]

illustratie

[p. 62]

illustratie

[p. 63]

illustratie

[p. 64]

van den Heer Netscher, is mij bevallen.

Ook de novellenbundel van den Heer Netscher zie ik met goede verwachting te gemoet.

Mij aanbevelende, verblijf ik als steeds, geachte Heer,

Uw dw.dr.
L. van Deyssel.

133Verzameltitel van drie kleine schetsen: Het dubbeltje, Afgedankt en Aan zee, eerder verschenen in het weekblad De Amsterdammer van 26 juli en 16 augustus 1885; herdrukt in Uit het leven, a.w., blz. 150-163.
134Uit het leven bevatte, tegenover de inhoudsopgave op blz. 164, de mededeling: Van denzelfden schrijver in bewerking: Moderne schrijvers. Kritische Studiën. Deze bundel is echter nooit verschenen.
135Op dit tijdstip had Willem Kloos zich in De Nieuwe Gids, Eerste jrg. I. afl. 2 (dec. 1885), blz. 321-322, beperkt tot een voorlopige aankondiging. De eigenlijke bespreking verscheen in De Nieuwe Gids, Eerste jrg. II, aflev. 4 (april 1886), blz. 146-148.
136Van 29 november en 6 december 1885. Op 3 april 1886 schreef Kloos aan Prins: ‘Na wat de heer Netscher over uw stijl en de eigenaardigheid van uw talent gezegd had, was het mij niet wel mogelijk iets nieuws daarover te geven. Ik heb mij daarom bepaald tot een algemeene beschouwing, en meer dan op de innerlijke waarde van uw boek heb ik gewezen op de beteekenis, die het heeft, in de geschiedenis onzer hedendaagsche letteren.’
prepostterug  begin  verder