terug  begin  verderprepost

28

Hamburg, 6 Septr. (1886).137

Amice,

Gaarne zal ik eens van je vernemen hoe het met het Weekblad138 staat. Is de zaak nu in orde?

Paap heeft mij voor 2 à 3 weken gemeld, dat hij den volgenden dag eene conferentie met Mouton zou hebben en mij daarvan het resultaat zou melden, doch tot heden heb ik nog niets van hem gehoord. - Ook heb ik hem mijn manuscript gezonden, doch daarop ben ik ook zonder bericht gebleven. Ik vermoed dus, dat hij of uit de stad is, of voor een examen werkt.

Hoe gaat het met uw roman?

Nieuws is hier niet, dan dat wij een nieuwen Hollander onder ons hebben gekregen - (een gewichtig feit wijl het aantal landslui klein is) namelijk Cornelder, die met een juffr. Doffigny uit den Haag geengageerd is. - Kent ge zijn meisje? Ik herinner, mij haar niet.

Is Kolff139 nog te Voorburg of weer vertrokken?

[p. 65]

Heden ochtend heb ik de drie laatste afleveringen v/de Revue Contemporaine140 ontvangen. Dit tijdschrift is dus nog niet dood - lang zal het echter wel niet meer leven. -

Bij een vluchtig inzien heb ik bemerkt, dat er een vertaling uit de M. Havelaar141 in voorkomt (ik vermoed van Zilcken,142 is dit zoo?) en ook Hennequins kritiek over l'Oeuvre143 gelezen, welke mij niet bevalt. - Zijn oordeel is m.i. over den criticus te hard, en over l'Oeuvre te zoet. De zwakheden o.a. de psychologische misslagen in het eerste gedeelte, verder het onmogelijke slot laat hij onaangeroerd. De eerste helft van Hennequins kritiek is ook onvolledig. Nu hij dit punt144 aanroert had hij er een flink stuk over moeten schrijven.

Dit alles neemt echter niet weg, dat ik H. een kranige kerel vind, die zeker de eerste criticus van onzen tijd is. -

Wie zal l'Oeuvre in uw Weekblad bespreken?145 Wil ik dit eens doen?

[p. 66]

Ik werk sedert een paar weken aan mijn 2de schets146 maar door de hitte schiet ik niet goed op. -

Men is hier zeer ontstemd over de ellendige inrichting v/de haagsche brandweer, en de bladen laten zich er scherp over uit, daar zooveel duitschers schade hebben geleden. -

Adieu, laat eens iets van je hooren

tt
Arij Prins.

137Deze brief wordt hier afgedrukt omdat hij door ons werd aangetroffen tussen Prins' brieven aan Van Deyssel. De tot en met 1895 van Prins ontvangen brieven heeft Van Deyssel, eind 1895 of begin 1896, herlezen en daarna chronologisch geordend. De aanspreking met ‘Amice’ en de aandacht voor lokale Haagse gebeurtenissen wijzen in de richting van een haagse relatie van Arij Prins. Blijkens de inhoud kan de brief niet gericht zijn geweest aan Van Deyssel noch aan Willem Paap, J. van Santen Kolff of Philippe Zilcken, zodat enkel Frans Netscher overblijft als de vermoedelijke geadresseerde. Hoe deze brief bij Van Deyssel terecht kon komen, blijft voor ons een raadsel.
138In augustus en september 1886 poogden Willem Paap en Frans Netscher te komen tot de oprichting van een veertiendaags radicaal politiek en litterair orgaan, dat bij Mouton in Den Haag zou uitkomen. Op 5 augustus 1886 had Netscher aan Prins geschreven: ‘Zeker, wij hebben Van Deyssel gevraagd; hij was met ons blad ingenomen, en heeft ons zijne medewerking toegezegd.’ (Brief aanwezig in L.M.)
139Jacob (Jean Jacques) van Santen Kolff (1848-1896), een vurig bewonderaar van zowel Zola als Wagner. Hij was bevriend met o.m. Prins en Marcellus Emants. In 1876 werd hij mederedacteur van De Banier. In latere jaren, na 1882, was hij eerst woonachtig te Dresden, nadien en tot zijn dood te Berlijn, waar Prins herhaaldelijk bij hem logeerde. Zie ook noot 172. Met Van Santen Kolff had Van Deyssel niet veel op. Toen Willem Kloos hem schreef, op 3 maart 1888: ‘J. van Santen Kolff o.a. heeft zich laten inspireren door jou, om ook een stuk over La Terre te schrijven, waarvan de copy thans voor mij ligt. Het zijn meest mededeelingen van interviews en fragmenten van brieven van Zola zelf’, antwoordde Van Deyssel, 10 maart 1888: ‘Ik ken dien (!) v. Santen Kolff, het is een der gewone huis- of- tuin- Zola- vereerders, iemant wiens genegenheid voor Zola niet die is van een kunstenaar voor een kunstenaar, ook niet die van een kritikus voor een kunstenaar, maar een soort van kollektioneurs-genegenheid, een autografen-verzamelaars-genegenheid. Een stuk als het zijne hoort thuis in een eventueel tijdschrift dat Le Zolaïste zoû heeten’. Niettemin verscheen in De Nieuwe Gids, Derde jrg. II, aflev. 5 (juni 1888), blz. 311-321, Zolaïana/La Terre, door J. van Santen Kolff.
140La Revue Contemporaine, littéraire, politique et philosophique, verscheen, onder redactie van Edouard Rod (1857-1910) maandelijks van 1 januari 1885 t/m juli 1886.
141Anoniem vertaald verscheen in La Revue Contemporaine van juni/juli 1886, blz. 81-91, een groot fragment van Multatuli's Saïdjah et Adinda. Nouvelle javanaise.
142(Charles Louis) Philippe Zilcken (1857-1930), Nederlands kunstschilder, kunstverzamelaar en publicist, auteur van Souvenirs (1900) en Au Jardin du Passé. Un demi-siècle d'Art et de Littérature. Lettres à une amie. (1930), Over Zilckens relatie met Van Deyssel, zie Gedenkschriften, (ed. Prick), Zwolle, 1962, blz. 477-479. Of Prins het met zijn vermoeden al dan niet bij 't juiste eind had, valt niet meer na te gaan. Over Franse vertalingen van Multatuli, zie blz. 15-19 van Paul Delsemme Découverte des lettres néerlandaises par les français à la fin du XIXe siècle, in De Nieuwe Taalgids (dl. 55), 1962, blz. 10-20.
143L'Oeuvre (1886) par Emile Zola, werd door Emile Hennequin (1859-1888) besproken in La Revue Contemporaine van april/mei 1886, blz. 565-568.
144Prins heeft op 't oog de passage a.w., blz. 566: ‘Il serait cruel de battre M. Zola sur presque toutes ses assertions par les autorités qu'il invoque et de lui montrer une bonne fois qu'il n'est plus permis aujourd'hui de lancer au hasard les affirmations que lui dicte son tempérament, qu'il y a des raisons aux choses et qu'en plusieurs points l'esthétique de ses adversaires, malheureusement médiocres et ineptes, des Feuillet et des Sand, est plus rationelle que la sienne, qu'enfin Balzac, Tolstoï et même Flaubert, ont montré une bonne fois comment on peut embrasser la nature entière sans en omettre le couronnement, et rester réalistes tout en analysant le génie et la noblesse morale.’
145Onder de titel Losse stukjens Literatuurbeschouwing zou Van Deyssel L'Oeuvre, alsook Happe-Chair (1886) van Camille Lemonnier, bespreken in De Nieuwe Gids, Eerste jaargang II, aflev. 5 (juni 1886), blz. 256-263; voor de eerste maal herdrukt in L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen, A'dam, 1894, blz. 101-113.
146Niet uit te maken welke schets hier bedoeld wordt.
prepostterug  begin  verder