terug  begin  verderprepost

30

Amst., 22 Okt. '86
N.Z. Voorbw. 161. -

Hooggeachte Heer,

Ik dank U zeer voor Uw brief van den 16e dezer. Ik had in lang niets van U mogen hooren. Ik vrees wel, dat gij omtrent een roman van mij, die binnenkort verschijnen zal, en waarover gij schrijft, al te gunstige voorgevoelens hebt. Die roman is half realistiesch, half impressionistiesch, en, oprecht gesproken, heb ik er zelf in 't geheel geen oordeel over. De titel blijkt U al bekend te zijn. Hij verschijnt, hoop ik, in December of Januarie, en ik zal mij veroorlooven U een ex. aan te bieden. Het zal mij bizonder aangenaam zijn door U in de Revue Indépendante besproken te worden.

Dat ik U geen ex. van mijn brochure ‘Over Literatuur’ dacht te kunnen zenden, vond hierin zijn oorzaak, dat ik U een al te warmen voorstander van den heer Netscher waande om met die brochure te sympathizeeren.

Gij vraagt ook, waaraan ik op 't oogenblik bezig ben. Aan een roman, getiteld Menschen en Bergen,155 die in België speelt, maar die nog op verre na, zelfs in plan niet, klaar is.

Zend gij Uw novelle, die anders is dan die van Uit het leven aan den Nieuwen Gids? Ik had er van Paap al zoo iets van gehoord, dat gij na Uw verblijf te Parijs, nieuwe literaire denkbeelden had gekregen. Ik hoop maar, dat toch Uwe Zola-vereering niet aan 't wankelen is gebracht.

[p. 71]

Uw stuk over Huysmans vind ik heel goed. Maar met zijn Bièvre156 ben ik minder ingenomen. -

In de hoop spoedig weêr eens iets van U te hooren, blijf ik, met alle achting,

Uw dw.dr.
K.J.L. Alberdingk Thijm.

155Hieraan was Van Deyssel begonnen op 9 maart 1886. Zie over Ontstaan en achtergrond van ‘Menschen en Bergen’: Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel. Dertien close-ups, A'dam, 1964, blz. 65-83.
156De Nieuwe Gids, Eerste jaargang II, aflev. 6 (aug. 1886), blz. 430-439, bevatte een bijdrage van J.K. Huysmans over de troosteloze Parijse buitenwijk, La Bièvre, opgedragen aan Georges Landry en later herdrukt in Huysmans' La Bièvre et Saint-Séverin (1898). ‘Landry était employé chez un chemisier, M. Hayem, rue du Sentier. Cela ne l'empêchait pas de s'occuper de lettres. Huysmans lui a dédicacé La Bièvre et Saint-Séverin et Léon Bloy son Un brelan d'excommuniés (1888)’, aldus Georges Rouzet in een brief aan ons d.d. 27 april 1955. Huysmans bijdrage werd overigens zeer contre coeur door de redactie van De Nieuwe Gids aanvaard. Bij schrijven van 11 juli 1886 had Kloos aanvankelijk La Bièvre geweigerd: ‘Wij hebben lang hiermede geäarzeld, omdat gij hier de bemiddelende persoon zijt, en het u natuurlijk zeer onaangenaam moet zijn, dezen ongelukkigen uitslag aan Huysmans mede te deelen. Doch wij konden niet anders doen, en wij zagen geenerlei uitweg. Huysmans had ook zelf moeten inzien dat zijn stuk slechts voor een gedeelte zijner lezers, de Parijzenaars nl., belangrijk en zelfs begrijpelijk kon zijn. Want zijn beschrijvingen zijn niet impressionistisch, met groote trekken tafereelen voor de verbeelding des lezers opwekkend, maar zij zijn geschreven met al de nauwkeurigheid en uitvoerigheid eener topografie van Parijs. 't Is jammer, maar 't is zoo.’ Misschien bedoeld als pleister op de wonde, informeerde Kloos aan het slot van zijn brief: ‘En is uw roman over de prostitutie al klaar? Ik zie er verlangend naar uit.’ Op 16 juli liet Kloos Prins weten: ‘in aanmerking nemende, dat nog lastiger voor u schijnt te zijn, het stuk aan Huysmans terug te zenden, dan wij eerst dachten, zullen wij het dan maar opnemen.’
prepostterug  begin  verder