terug  begin  verderprepost

31

Hamburg 4 Novr '86

Waarde Heer,

Ik ontving uwe letteren v/d 22 Octr. en dank U wel voor alle inlichtingen.

Bij voorbaat dank voor de toezending van uw roman. Met verlangen zie ik dit werk tegemoet. Is het waar, dat U daarin een ongelukkig huwelijk behandelt?

Wat de novellen betreft, die ik heb geschreven, ze zijn ongeschikt voor den N. Gids, want men zou er de abonné's bij tientallen tegelijk door wegjagen. Ik behandel namelijk onderwerpen, die het publiek zeer gemeen zou vinden, en gebruik woorden, die men in damesgezelschap niet zegt.

Later geef ik deze novellen met eenige anderen, die in plan gereed zijn, voor mijn vrienden uit, en ik zal mij dan veroorlooven er U een ex. van aantebieden.

Ofschoon ik in sommige opzichten de meeningen van Netscher deel, neemt dit echter niet weg, dat ik uw brochure Over litteratuur zeer knap vind.

[p. 72]

Over enkele kleine aanmerkingen, die ik heb gemaakt, hoop ik u in Decr. te spreken. Ik kom dan te Amsterdam.

U schrijft mij ‘Ik had er van Paap al zoo iets van gehoord, dat ge na uw verblijf te Parijs nieuwe literaire denkbeelden hadt gekregen. -’ Daarop kan ik U mededeelen, dat mijne vroegere meeningen gewijzigd zijn, doch dat dit reeds het geval was voordat ik n/Parijs ging. Dat blijkt duidelijk uit de Huysmansstudie, waarin ik het woord Naturalisme niet noem, en waarin ik mijn warme bewondering uitspreek v/A Rebours, een werk hetwelk aan de Naturalisten een doorn in 't oog is.157 -

Mijns inziens is het talent alles, en doet het er volstrekt niet toe wat men levert, een realistisch werk of een droom, mits het met talent geschreven is, en de schrijver artistiek eerlijk is, d.i. zijn uiterste best heeft gedaan om een kunstwerk te leveren, en niet op succes, geld of welke nevenzaak ook heeft gespeculeerd.

Ik admireer dan ook de werken van artisten, die verklaarde tegenstanders van elkaar zijn, o.a. L'Assommoir158 en de Contes Diaboliques159 van Barbey, de pastels van Degas160 en de Baudelaire-achtige teekeningen van Odilon Redon,161 waarvan ik er weldra drie bezit - een (een Christuskop) is reeds hier.

[p. 73]

Ik behoef U na dit alles wel niet te zeggen, dat ik tegen alle stelsels en scholen ben, en dat ik mij volstrekt niet kan vereenigen met de opvatting van den Hr Netscher, die m.i. met het woord vrijheid in den mond alle artisten aan het zelfde paaltje zou willen klinken.

Ik heb in den laatsten tijd veel met N. over kunst gecorrespondeerd,162 en het is gebleken, dat de klove tusschen ons beiden wijder en dieper is dan wij wel dachten. - Ik vind bijv. Villiers163 een knap artist, Netscher stelt hem echter zeer laag. In Baudelaire, die ik bewonder en op een lijst met de grootste romanciers stel, ziet hij niets, en zoo is 't met meer.

U schrijft mij over Zola. Zeker, ik bewonder verscheidene van zijne werken nog evenzeer als vroeger, doch boven Zola stel ik altijd nog Flaubert.

L'éducation sentimentale en La tentation zijn mijn lievelingswerken.164

Over dit alles spreek ik U nog wel in Decr.

Gaarne verneem ik spoedig weer iets van U.

Na vriendschappelijke groeten,

UEddwdr.
Arij Prins

Mijn adres is
Alter Jungfernstieg 25 III

157Reeds op de eerste pagina van de in noot 154 genoemde Huysmansstudie schreef Prins: ‘De volbloed, naturalisten (...) duiden het hem euvel, dat hij in A Rebours der werkelijkheid ontrouw is geworden, en in des Esseintes eene onmogelijke, onbestaanbare persoonlijkheid heeft gegeven. Maar voor “les raffinés”, die noch aan het onderwerp, noch aan een school hechten, is Huysmans laatste roman de meesterlijke droom van een verfijnd nerveus artist.’
158Deze roman van Emile Zola verscheen in 1877.
159De verhalenbundel Les Diaboliques, par J(ules) Barbey d'Aurevilly (1808-1889) was verschenen in 1874. In juni 1886, tijdens Prins' eerste verblijf te Parijs, werd hij ook geintroduceerd bij Barbey d'Aurevilly. Getroffen door Prins' bewondering voor zijn Une Vieille Maîtresse (1851) en Un Prêtre marié (1865) schonk hij hem een exemplaar van Les Diaboliques met de opdracht: ‘A monsieur Ary Prins, Hollandais. Le diable est de tous les pays.’
160Edgar Degas (1834-1917), Frans schilder, die omstreeks 1865 onder invloed kwam van Manet en in 1874 deelnam aan de eerste tentoonstelling der impressionisten. Na 1877 werkte hij vrijwel uitsluitend in pastel.
161Odilon Redon (1840-1916), schilder en graficus. Vanaf 1879 verschenen zijn ‘albums lithografiques’, als eerste Dans le rêve, als tweede A Edgard Poe, 6 planches. De titels alleen reeds, in dit tweede album, roepen het fantastische karakter van zijn werk en de rijkdom aan droomgezichten op: a) L'oeil, comme un ballon bizarre se dirige vers L'Infini, b) Devant le noir soleil de la Mélancolie, Lénore apparaît, c) A l'horizon l'Ange des Certitudes, et, dans le ciel sombre, un regard interrogateur, enz. Prins bezat van Odilon Redon: La nuit. 6 dessins lithografiques (1886); A Gustave Flaubert, 6 dessins pour La Tentation de Saint Antoine; Songes. Suite de 6 lithographies (1891), albums die Van Deyssel, wanneer hij in latere jaren bij Prins logeerde, niet moe werd telkens en telkens weer te bekijken. Uiteraard had Prins zelf ook kennisgenomen van de enthousiaste beschouwing van J.K. Huysmans n.a.v. het Nouvel Album d'Odilon Redon, in de Revue Indépendante van 1 februari 1885. Hier te lande schreef jan Veth, onder de schuilnaam J. Staphorst, over Odilon Redon (n.a.v. A Edgar Poe, Hommage à Goya en Dans le rêve) in De Nieuwe Gids, Tweede jrg. II, aflev. 4 (april 1887), blz. 64-72, artikel dat door Willem Kloos op 23 december 1887, in een brief aan Veth, werd gewaardeerd als ‘een der beste, stylistisch, die wij nog over kunst hebbben gehad’. Nadien zou Huizinga dit substantiële artikel ‘opmerkelijk’ noemen. (J. Huizinga, Leven en werk van Jan Veth, Haarlem, 1927, blz. 25).
162Een aantal brieven van Frans Netscher aan Arij Prins, uit de jaren 1884 en 1885, werd voor de eerste maal gepubliceerd door G.H. 's-Gravesande in zijn Geschiedenis van De Nieuwe Gids, Arnhem, 1955, blz. 48-61.
163Zie noot 259.
164l'Éducation sentimentale dateert van 1869, La Tentation de Saint Antoine van 1874. Dit laatste werk zou in 1896 vertaald worden door Louis Couperus als De Verzoeking van den Heiligen Antonius.
prepostterug  begin  verder