terug  begin  verderprepost

35

Luxembourg Belge
Mont-lez-Houffalize
14 Oktober 1888.

Waarde Heer,

Ik dank U zeer voor Uw brief. Uw brief heeft mij zooveel genoegen gedaan, dat ik hem zoo graâg dadelijk had beändwoord, maar ik ben, hoe rustig ik het hier ook heb, in den laatsten tijd letterlijk overstelpt met literaire en huishoudelijke druktes. Deze maand nog moet er een roman van mij verschijnen, getiteld: De Kleine Republiek, twee deelen, ik krijg meerdere proeven en revizies per dag en moet de allerlaatste bladzijden zelfs nog schrijven. Het is moeyelijk voor mij om in de ‘stemming’ te komen. Daar breng ik telkens een paar uur meê zoek, zoo dat U begrijpt, dat 'et een tobben is van belang. Buiten-dien moet mijn vrouw bevallen, en dit entraineert ook allerlei druktes. Deze, voor U onbelangrijke, bizonderheden, om mij te verontschuldigen, dat ik mij zelf displezier moest doen met U niet eerder te andwoorden.

U schrijft mij al te vleyend over mijn roman Een Liefde. Het oordeel van U, die geen reden kunt hebben om niet geheel oprecht tegen mij te zijn, is mij daarom dubbel waard. Toch geloof ik dat er eenige hoffelijkheid onder door loopt, want de niet geringe aanmerkingen, die ik mij zelf zeer goed bewust ben dat er op het werk te maken zijn, zult gij, al lezende, stellig ook wel gemaakt hebben. Ik heb over Een Liefde vier jaar geschreven, dat wil zeggen, met groote tusschen-poozen van luiheid, de korrektie heeft nog twee jaar in beslag genomen.180 Mijn heele literaire ontwikkeling heeft plaats gehad terwijl ik dat werk

[p. 81]

schreef, en het eerste deel, dat de meeste journalisten het best gevonden hebben, heb ik in 1881-82 geschreven, toen ik nog lang niet half literair ontwikkeld was. De ongelijkmatigheid van het werk is dan ook, dunkt mij, de groote algemeene fout. Ik heb er overigens veel meer plezier van en succes meê gehad, dan ik verwachtte.

 

U is zoo vriendelijk U ook Menschen en Bergen te herinneren, een roman, waar ik ook al lang meê bezig ben. Als de Redaktie van den Nieuwen Gids bij haar voornemen blijft, zullen de eerste hoofdstukken van Menschen en Bergen waarschijnlijk in de a.st. februari-aflevering verschijnen.181

Mag ik U nu ook eens herinneren, dat U mij in der tijd schreeft Een Liefde in de Revue Indépendante te zullen beöordeelen? Ik moet U nog wel mijn exkuzes maken, dat ik U geen prezent-ex. van Een Liefde heb doen toekomen,182 maar het aantal ex., dat ik tot mijn beschikking had, was zoo gering, dat ik mijn beste literaire vrienden heb moeten overslaan.

 

U schrijft, dat U U met mijn meening over La Terre niet vereenigen kunt en b.v. l'Assommoir veel hooger stelt. U zoû mij veel plezier doen als U mij nog eens schreef en dan die voorkeur motiveerde. Want ik herinner mij, dat Uw motiveering, waarom U Germinal beter vond dan Happe-Chair van Camille Lemonnier, eens op een avond ten huize van Willem Paap183 uitgesproken, dadelijk in stilte door mij is begrepen en aanvaard.

 

Het werk van Rosny, waarover U schrijft, ken ik niet, maar ik zal zien het te lezen te krijgen. Ik ben ook aan het voorbereiden van een uitvoerige studie over al die jongere fransche prozaïsten, maar ik moet U eerlijk bekennen, dat ik den indruk krijg, dat er zoo veel ‘talentvolle’ jongere fransche schrijvers zijn,

[p. 82]

en dat de literaire ‘evoluties’ elkaâr met zulk een snelheid opvolgen, dat het ten eerste moeilijk bij te houden is, en dat het ten tweede eenigszins ontmoedigend werkt als men zelf iets in zijn eigen land wil doen. Wat is Uw meening over Kahn184 en Barrès?185 Kent U Camille de Saint-Croix?186 Van dien laatsten schrijver heb ik gelezen: ‘Une mauvaise aventure’, dat ik een heel interessant boek vind, heel anders dan de naturalisten en ook heel anders dan de suggestivisten of hoe moet men ze noemen? Iets kouds en hards, maar met den ijzer- en houtklank van het proza van Saint-Simon187 en Stendhal.188

Om heel oprecht te zijn, moet ik U zeggen, dat ik Uw schets van het roode huis en de roode baard189 niet begrijp. Ik merk en begrijp dat 't iets anders is dan een zuiver-wetenschappelijke psychologische bijdrage, maar voelen, de emotie er van namelijk, doe ik niet. Wel de schets van den droom met stoomboot-gefluit en paardengetrappel,190 ook de schets van het Commercial-hotel,191 - die hebben

[p. 83]

mij veel genot gegeven, maar die van het roode huis kan ik niet begrijpen. Kan U mij niet op den weg helpen?

 

Maar ik zoû al te uitvoerig worden, en wil mij liever, als U 't vergunt, het plezier voorbehouden U later nog eens te schrijven. Hoor ik spoedig ook weêr eens iets van U. Ik beveel mij daarvoor zeer aan, want nu, hier, is het ontvangen van brieven van literaire vrienden mij dubbel aangenaam.

Met bekende gevoelens verblijf ik

Uw toegenegen
K.J.L. Alberdingk Thijm.

180In het voorjaar van 1886, en ook nog tijdens de correctie van de eerste proef, werden er ettelijke, vaak zeer ingrijpende, retoucheringen aangebracht.
181Menschen en Bergen. Fragmenten, door L. van Deyssel, verscheen in De Nieuwe Gids, Vierde jrg. I, aflev. 3 (februari 1889), blz. 397-421; voor de eerste maal herdrukt in L. van Deyssel, Prozastukken, A'dam, 1895, blz. 207-235.
182Met een present-exemplaar had Van Deyssel enkel bedacht: Frederik van Eeden, Arnold Ising Jr., Frans Erens, Albert Verwey en Willem Kloos.
183Maandag, 27 december 1886 vond op de kamer van Willem Paap (1856-1923), Stadhouderskade te Amsterdam, de eerste ontmoeting plaats tussen Arij Prins en de Nieuwe Gidsers. Vgl. Frans Erens, Vervlogen Jaren, a.w., blz. 175: ‘Van Deyssel nam het bezoek zeer ernstig op en was zenuwachtig. Hij maakte mij ook zenuwachtig. Na het eten waren wij samen een kop koffie gaan drinken en wij togen van het café naar de Stadhouderskade. Voor de deur van Paaps woning op de stoep staande, opperde Van Deyssel de quaestie of het al of niet wenschelijk zou zijn met een brandende sigaret binnen te komen. Wij hadden daarover een lange discussie. Deze alleen is mij in het geheugen gebleven. Wat wij werkelijk besloten, is mij ontgaan, want er bleek even veel vóór te zeggen als tegen. Maar ik weet nog wel, dat wij tenslotte bemerkten, dat wij geen van beiden sigaretten bij ons hadden.
Het bezoek van Prins liep tot ieders bevrediging af. Wij vonden bij Paap behalve Prins, Kloos, Verwey, Van der Goes, ik meen ook Van Deventer.’
184Gustave Kahn (1859-1936). Op dit tijdstip had Kahn enkel de dichtbundel Les Palais nomades (1887) gepubliceerd.
185Maurice Barrès (1862-1923), had op dit tijdstip alleen Les Taches d'Encre (zie noot 73) en Sous l'oeil des Barbares (1888) gepubliceerd.
186Van Camille de Sainte-Croix (1859-1915), een nu geheel vergeten toneelschrijver, romancier en journalist, had Van Deyssel La mauvaise aventure. Histoire romanesque (1885) gelezen. Uit een brief van Erens, d.d. 26 oktober 1886, blijkt dat Erens deze roman van Van Deyssel leende. Ook Erens vond La mauvaise aventure ‘een zeer interessant boek. Men vindt er brokken van zijn eigen Ik in terug.’
187Van de beroemde Mémoires van Saint-Simon (1675-1755) had Van Deyssel al heel jong kennisgenomen in de bibliotheek van zijn vader.
188Stendhal (1783-1842) was voor Van Deyssel op dit tijdstip niet veel meer dan een naam. Eerst de lectuur van Stendhals Journal, eind september 1889, zou hem stimuleren tot het lezen, tussen sept. 1889 en februari 1890, van alle toen van Stendhal verkrijgbare werken.
189Bedoeld wordt Fantasie (gedateerd december 1886), verschenen in De Nieuwe Gids, Tweede jrg. II, aflev. 4 (april 1887), blz. 2-12. Kloos had hierover, vanuit Nieuwer-Amstel, op 21 maart 1887 aan Prins geschreven: ‘Ik heb maar vast je naam op den titel gezet: wil je onder een pseudoniem schrijven, dan staat je dat natuurlijk vrij, maar zou je dat wel doen? Je novelle trekt stellig meer de aandacht, als je naam er boven staat, door het contrast dat zij vormt met je andere gepubliceerde werk. Je laat er je meerzijdigheid door zien, en dat is m.i. voor je positie als literaire figuur beter (...) Ik vind deze “Fantasie” heel goed, vooral de eerste 9½ bladzijden, en 't is pleizierig voor de N.G. dat zij deze nieuwigheid bij het publiek mag inleiden. Met genoegen zal ik meer van dat soort ontvangen.’
190Bedoeld wordt Een nacht, verschenen in De Nieuwe Gids, Tweede jrg. II, aflev. 6 (aug. 1887), blz. 329-333. De plaatsing van deze bijdrage is niet zo vlot verlopen als die van de Fantasie, immers op 29 mei 1887 liet Kloos, vanuit Nieuwer-Amstel, Prins weten: ‘Hierbij de proef van “een nacht”, dat middeleeuwsche droompje er in met die juffrouw is heel mooi en misschien het meest intense en afgewerkte wat je ooit geschreven hebt, maar... we maken bezwaar tegen het opnemen van die personificatie van de syphilis, waarvan buitendien de literaire waarde ons toeschijnt niet groot te zijn. Zie hoe je daarin doet; zooals het hier staat, kunnen wij 't onmogelijk hebben, niemand onzer lezers zou het mooi vinden.’
191Bedoeld wordt Hamburg. The Commercial Hotel (gedateerd sept. 1887), verschenen in De Nieuwe Gids, Derde jrg. I, aflev. 3, (februari 1888), blz. 457-459.
prepostterug  begin  verder