terug  begin  verderprepost

36

Hamburg 25 Octr. '88
Colonnaden 33 III

Waarde Heer,

Het heeft mij heel veel genoegen gedaan, weder eens van U te horen, en ik bedank U wel voor uw uitvoerig schrijven, waarop ik ook maar eens spoedig antwoord.

Ik heb waarlijk niet getracht hoffelijk in mijn oordeel over Een Liefde te zijn. Hetgeen ik U heb geschreven is werkelijk mijn overtuiging, die bij herlezing van brokstukken - hetgeen ik dezer dagen heb gedaan, niet gewijzigd is geworden. Nu weet ik wel, dat er aanmerkingen op het werk zijn te maken, maar deze verdwijnen voor mij in het geheel. Daarbij ben ik van meening, dat er wel degelijk rekenschap mede moet worden gehouden, dat Een Liefde het eerstgeschr. prozawerk der jongere Nederl. litteratuur is. Hiermede bedoel ik niet, dat ik daardoor tot groote welwillendheid gestemd ben geworden, maar wel, dat ik het een groote verdienste van U vind, ‘une oeuvre de longue haleine’ in Holland te hebben geschreven, toen niemand er zelfs in de verste verte aan durfde denken zoo iets te kunnen maken.

U schrijft mij over mijn kritiek van Een Liefde, zeker zou die al lang in het fransch verschenen zijn, als het groote bezwaar niet was, het manuscript vertaald te krijgen, want 't zelf in zuiver fransch te schrijven, gaat mijn krachten te boven.

Bovendien komt daarbij, dat ik in den laatsten tijd wat huiverig ben geworden als kriticus optetreden. - Ik heb geen moed meer mijn oordeel te laten drukken, en daardoor komt, dat het mij, als ik een kritiek schrijf, slecht van de hand gaat. Ik voel mij precies als een Meneer, die in groot gezelschap een redevoering moet houden. Alleen, kalmpjes op zijn kamer in zijn huisjasje weet ie wat te zeggen, maar als ie in zwarte rok boven alle hoofden uitkijkt, is ie bang verkeerdheden te zeggen, en weet zich niet goed uit te drukken. -

U zult misschien hierom lachen, maar 't is heusch zoo.

Ik verzeker U echter, dat ik uw werk of liever werken niet zal vergeten,

[p. 84]

daarvoor hebben ze mij te veel pleizier gedaan. Ik heb reeds aanteekeningen192 liggen en op een goeyen dag werk ik die bepaald eens uit.

Wilt het intusschen verontschuldigen, dat ik mijn belofte nog niet gehouden heb.

U vraagt mij mijn oordeel over La Terre te motiveeren. Gaarne zou ik dit mondeling doen, maar daar er vooreerst wel weinig kans is, dat wij elkaâr spreken, zal ik het schriftelijk beproeven. -

Voornamelijk prefereer ik L'Assommoir boven La Terre omdat het artistieker geschreven is. - Hieruit moet U niet opmaken, dat ik een decadent wil zijn, want ik vind bijv. de beschrijvingen van Hugo in de Travailleurs de la Mer193 prachtig, alhoewel Hugo volstrekt geen verfijner is. - Legt U de beide werken maar eens naast elkaâr, dan zult U het onderscheid bemerken.

Zelfgesmeede woorden, verrassende uitdrukkingen, waarvan L'Assommoir overvloeit komen veel minder in La Terre voor. -

Vergelijkt U bijv. eens de taal der werklieden met die der boeren. De eerste is typig ‘echt’, de laatste in dit opzicht veel zwakker, minder scherp bestudeerd. -

Verder houden de boeren redeneeringen over kapitaal, arbeid, grond, die veel te logisch in elkaâr zitten om ‘goed’ te zijn. -

Zondigt Zola ook niet tegen de realiteit als hij boeren, die hij te Medan heeft bestudeerd in een andere streek plaatst, en wel in de Beauce?

In hoever Zola hierdoor onjuist is geweest, kunnen wij vreemdelingen moeielijk beoordeelen, maar dat hij daardoor afbreuk aan de werkelijkheid heeft gedaan is zeker, evenzeer als bijv. een holl. artist, die Noordhollandsche boeren in het Zeeuwsche platteland wilde verplaatsen.

Is ook het winden laten194 van Jesus-Christ wel juist? - Niet alleen, dat dit opeens midden in het boek aanvangt en dan een geweldige plaats inneemt, maar is het wel waar dat boeren uit grappigheid winden laten. - Zij doen dit onver-

[p. 85]

schillig als iets gewoons, zooals wij onze neus snuiten. - Ik verzeker U dat dit zoo is, zoowel in Holland als in Frankrijk.

Is ook het einde met al die moorden en ongevallen niet vreeselijk romantisch?

Neen, ik voor mij lees liever Zola's vroegere werken als La Faute de l'Abbé Mouret, L'Assommoir etc. dan Le Rêve, La Terre of L'Oeuvre.

U vraagt mij hoe ik Kahn en Barrès vind - en ik moet U ronduit zeggen, dat ik met hun werk niet erg dweep, evenmin als met hetgeen Moréas,195 Ghil,196 Paul Adam197 en anderen, die tot de ‘voorhoede’ behooren schrijven. -

Ik vind bijv. dat Kahn heel weinig originaliteit heeft, een zwak artist is, en deze gebreken onder een hoogdravende duisternis en gewrongen taal tracht te verbergen.

Zij imiteeren allen in hun taal Mallarmé,198 die niemand kan lezen.

[p. 86]

Het laatste werk van Barrès Sous l'oeil des Barbares199 ken ik echter niet, zoodat ik daarover niet kan oordeelen. - De titel is echter wel goed. Une mauvaise aventure van Camille de St. Croix vond ik ook een interessant boek. Zijn Contempler200 heb ik echter niet gelezen, met uitzondering van de voorrede, waarin de schrijver van zijn opgeblazenheid een hemeltroon maakt, waarop hij gaat zitten om de onder hem krioelende litteratuurrichtingen te beoordeelen.

Van al de jongere franschen vind ik Rosny verreweg de knapste. - Jammer dat hij thans echter zoo knoeit. -

Tous Quatre van Margueritte is ook wel een fijn boek.201

Hebt U in de laatste aflevering der Rev. Ind. het stukje202 van Maurice de Fleury gelezen. Dit vind ik wel origineel.

Het doet mij plezier, dat mijn twee laatste schetsjes in de N.G. U wel bevallen. Ik hecht steeds veel aan uw oordeel, en daarom zult U mij veel genoegen doen met mij altijd maar ronduit te zeggen hoe U mijn werk vindt. -

U zijt nog zoo goed mij om opheldering te vragen over de schets van het roode huis.

Ik heb getracht daarin den lezer emoties te geven van het sombere, het onverwacht-geheimzinnige, enfin, datgene aanteroeren wat wetenschappelijk niet te verklaren is. - Zulk werk is natuurlijk geheel imaginatie, en het kost heel wat moeite daarvoor in de stemming te komen. -

Ik heb nog zoo'n schets geschreven, die in mijn nieuwe bundel komt, waarmede ik wel opschiet.

In de N.G. van decr heb ik wellicht twee schetsen, een uit Hamburg,203 en een uit de Middeleeuwen.

Maar ik bemerk daar, dat ik over mijn eigen werk lang en breed zit uittewijden, en dat ik U nog niet eens over uw roman De Kleine Republiek heb geschreven. Ik ben zeer verlangend dit werk te lezen. Wat is het sujet, en bent U tevreden over dit boek?

[p. 87]

Met verlangen wacht ik weder eens een brief van U, want ook voor mij is het prettig brieven van litteraire vrienden te krijgen. -

Ik wensch U en uwe vrouw veel geluk met de aanstaande freudige Ereignis in de familie, en verblijf na een hartelijken handdruk

Steeds
tt.
Arij Prins.

192Niet bewaard gebleven.
193Deze roman dateert van 1866.
194Dit heeft echter juist op Van Deyssel veel indruk gemaakt, gezien de aandacht die hij besteedde aan een passage, voorkomend op blz. 333-334 van de eerste druk van La terre (1887): ‘Jésus-Christ, lorsqu'il eut raccroché le fouet, sembla envahi d'une grande tristesse philosophique. Peut-être le dévergondage entêté de sa fille lui faisait-il prendre en pitié les passions humaines. Peut-être était-il simplement revenu de la gloire, depuis son triomphe, à Cloyes. Il secoua sa tête inculte de crucifié chapardeur et soulard, il dit à Canon: - Tiens! veux-tu savoir? tout ça ne vaut pas un pet. Et, levant la cuisse, au-dessus de la vallée noyée d'ombre, il en fit un, dédaigneux et puissant, comme pour en écraser la terre.’ In zijn in noot 172 genoemde bespreking releveerde Van Deyssel deze passage als volgt: ‘En Jésus-Christ, die zijn dochter met de zweep heeft nagezeten om dat hij haar weêr met een jongen vond, houdt, als hij tot bedaren is gekomen, zijn heup in de hoogte en zegt tot den ander: och, weet-je, dat alles is geen scheet waard. En hij laat er een, boven de in schaduw gezonken vallei, een hooghartige en een machtige, als om er de wereld meê weg te schieten.’
195Van de aanvankelijk fervent symbolistische dichter Jean Moréas (1856-1910), had Van Deyssel reeds de bundel Les Cantilènes (1886) gelezen. Op 1 maart 1902 werd hij krachtig gegrepen door Moréas' gedicht Parmi les Marronniers; zie L. van Deyssel, Elfde bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1912, blz. 220-221. Vijf en dertig jaar later, op 18 juli 1937, zou hij zich dit gedicht nog herinneren; zie Gedenkschriften (ed. Prick), Zwolle, 1962, blz. 504. Zie ook noot 238.
196René Ghil was de schuilnaam van René Ghilbert (1862-1925), zowel een discipel van Zola als van Mallarmé. Deze laatste had in 1886 aan Ghil's Traité du Verbe een ‘avantdire’ meegegeven. Van dit werk van Ghil heeft Van Deyssel in 1886 of 1887 kennisgenomen.
197Paul Adam (1862-1902), een vriend van Robert Caze. Adam zou een ontwikkeling doormaken van het naturalisme naar het symbolisme. Op dit tijdstip had Van Deyssel enkel Chair molle (1885) gelezen, roman die Adam voor de rechter bracht.
198Stéphane Mallarmé (1842-1898). Zie noot 265, 288 en 304. Uit een niet gedateerde notitie van Emile Erens (1865-1951) blijkt dat er met Mallarmé's onbegrijpelijkheid ook wel werd geëxperimenteerd: ‘Ik herinner mij dat Frans voor een open kast stond, in een kleine kamer, die uitzag op de groote weg. Hij nam een boek uit die kast, het was een bundel van Mallarmé en hij zei: “Nu moet je eens hooren of je dat begrijpt”, en hij begon met groote levendigheid daaruit voor te lezen. Ik antwoordde: “het klinkt mooi, maar ik begrijp er niets van”. En hij lachte.’ - Na Mallarmé's overlijden, op 9 september 1898, zou François Erens hem herdenken in het weekblad De Amsterdammer van 18 september 1898, herdenking die werd herdrukt in: Frans Erens, Litteraire wandelingen, Amsterdam, 1906, blz. 71-74. Aldaar citeert Erens, op blz. 73, met waardering, echter niet geheel correct: ‘Tout orgueil fume-t-il du soir. Torche dans un branle étouffée, Sans que l'immortelle fumée Ne Puisse à l'abandon surseoir.’ Blijkens de eerste publicatie, in de Revue Indépendante van januari 1887, en blijkens alle latere herdrukken, had dit citaat moeten luiden:
 
Tout Orgueil fume-t-il du soir,
 
Torche dans un branle étouffée
 
Sans que l'immortelle bouffée
 
Ne puisse à l'abandon surseoir!
199Over Sous l'oeil des Barbares (1888) zou Van Deyssel eerst in juni 1899 in een notitieboekje aantekenen: ‘Lu Désintéressement dans Sous l'oeil des Barbares. Cela n'est pas grand-chose; un lyrisme décoratif pâle et faible, sans aucune spiritualité. Il y a même des endroits ridicules. Cela rappelle Akëdysséril, mais y est très inférieur.’ Zie voorts de notities van 29 juni 1899 in de Elfde bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1912, blz. 202-207.
200Verschenen in 1887. Prins' oordeel heeft er Van Deyssel niet van weerhouden om op 3 maart 1889 dit boek van Camille de Sainte-Croix te bestellen, alsook diens Le roi Gupor.
201Tous quatre werd door Paul Margueritte (1860-1918) gepubliceerd in 1885. Van Deyssel had het boek op dit tijdstip nog niet in zijn bezit. Wel had hij 't bij verschijning gelezen en er toen ‘het in de hoog artistieke beteekenis droge, niet bevochtigde van diens stijl’ in gewaardeerd; zie Verzamelde Opstellen, A'dam, 1894, blz. 69.
202Maurice de Fleury publiceerde in La Revue Indépendante van oktober 1888, blz. 19-31, een Chant Nuptial, door hem aangekondigd als ‘une tentative de narration littéraire des “phénomènes intimes de la fécondation”.
203Deze van juli 1888 daterende schets, Hamburg, Landverhuizers, is nooit gepubliceerd geworden, maar wel bewaard gebleven. Zie Uri, L. en W., blz. 114-115.
prepostterug  begin  verder