terug  begin  verderprepost

37

Luxembourg Belge
Mont-lez-Houffalize
11 Novr '88.

Waarde Heer,

Ik dank U wel voor de in Uw laatsten brief voorkomende motiveering van Uw oordeel over La Terre. Was ik het dadelijk met U eens in-der-tijd wat Germinal en Happe-Chair aangaat, - nú kan ik mij met Uw zienswijze niet vereenigen. Wel vind ik al Uw aanmerkingen juist, wel vind ik ook in dát opzicht l'Assommoir beter, maar juist als geheel stel ik La Terre hooger. Ik vind het krachtiger van zwaar samengeplompte heroïke rood en zwarte brutaliteit. Maar onnoodig hier verder over uit te wijden. Misschien zijn'et juist de ‘romantische’ bestanddeelen, die mij het meest aandoen. Dat weet ik niet. Dat ik van mij zelf denk geen romantikus te zijn bazeer ik o.a. híer op dat Victor Hugo mij in 't minst niet ontroert en Zola wel. Maar waar onze meeningen lijnrecht tegenover elkaâr staan, dat is als U La faute de l'abbé Mouret hooger stelt dan Le Rêve. Ik heb over Le Rêve een opstel204 in de a.st. N.G.-aflevering, en daar zal U nu wel over glimlachen. Toch schreef ik nooit iets oprechters, maar ik bén misschien wel een verkapte romantikus. Dat weet ik niet. Mijn opstel over Le Rêve is geen literaire kritiek.205 Ik heb alleen een hevige ontroering gehad en die trachten uit te drukken. Nooit heeft eenig kunstwerk mij zoo heftig geëmotionneerd,206 noch grieksche, latijnsche, engelsche, fransche, duitsche proza of

[p. 88]

verzen, noch muziek, noch Millet, Rembrandt, Manet of Maris.

Ik heb misschien wel tachtig aanmerkingen op Le Rêve; vooreerst vind ik ook, zoo als Kahn zegt,207 Zola's symboliek, zoo als in Le Rêve b.v. met de sneeuweffekten208 op de heiligen-beeldjes, enz. een terre-à-terre-symboliek, verder vind ik het milieu zwak gemotiveerd, zwak namelijk waarschijnlijk gemaakt, dat Angélique zoo heelemaal niet met de buitenwereld in aanraking komt, enz. Ook op den stijl heb ik veel af te dingen.

Het is ook zeer wel mogelijk, dat die aandoeningen, zoo als ik ze nog nimmer ondervond en die Le Rêve mij bezorgd heeft, dat die aandoeningen louter van mij zelf waren en toevallig nu door Le Rêve zijn ontvlamd. Maar dát, die dagen-lange emotie, heeft dít boek alleen mij dan toch maar bezorgd. Daarom heb ik er ook geen kritiek over kunnen schrijven. Ik heb een emotie gehad en die heb ik in taal willen vieren, ziedaar mijn artikel. De emotie was zuiver spontaan, ook in mijn artikel heb ik mij geheel laten gaan, zonder kritischen tucht. Zoo dat ook het proza van mijn artikel geëindigd is met in verzen over te loopen.

[p. 89]

Ik zoû U nu met-een wel eens willen vragen of de Revue de Genève209 nog bestaat, of U mij daarover ook inlichtingen zoû kunnen geven, en dan: of er een tijdschrift is, getiteld La Jeune Belgique.210 Verder of U ook weet wáar en bij wien het kritiesch werk van Emile Hennequin, getiteld Esthopsychologie,211 is uitgegeven. Heeft U ook oude ex. van de Revue de Genève en van La Jeune France, dat nu, naar ik zie, met Rev. Indép. vereenigd is? Ik ben namelijk aan een uitvoerig opstel bezig, waarin ik de geheele ‘literaire evolutie’, van ná de ‘evolutie’-Balzac-Stendhal-Flaubert-De Goncourt-Zola-Céard212-Alexis213-de Maupassant-Hennique214-Huysmans wil behandelen. Maar ik heb al de gegevens nog niet bij-een.

Ik wil niet onbescheiden zijn, maar ik heb gedacht, dat U die ‘Van Merwesteyn’ was, die in het Weekblad v. Nederland een artikel, dat een serie artikelen zoû voorbereiden, over de jongere duitschers heeft geschreven. Naar ik hoor is Karl Bleibtreu215 niet veel zaaks en is er in Duitschland eigenlijk níets, terwijl in Engeland alleen Moore zich vertoont. Ibsen, de Noor, vind ik zeer medioker

[p. 90]

illustratie

[p. 91]

en zijn Volksvijand216 onleesbaar. Er schijnt echter ook in Italië een literatuur te zijn van ná Verga.217 Weet U daar iets van?

Heeft U Juffrouw Lina218 van M. Emants gelezen? Het is het beste dat hij heeft gemaakt.

Mij aanbevelend voor Uw korrespondentie,

Uw toegenegen,
K.J.L. Alberdingk Thijm.

204Zolaas nieuwe boek, in De Nieuwe Gids, Vierde jrg. I, afl. 2 (december 1888), blz. 147-156, en daar ten onrechte gedateerd 15 i.p.v. 25 oktober '88; voor de eerste maal herdrukt in Verzamelde Opstellen, A'dam, 1894, blz. 255-265.
205Terecht heeft F. Jansonius in zijn monografie over Lodewijk van Deyssel, Lochem, z.j. (1954), blz. 76, opgemerkt: ‘Het ultra-individualistische van het opstel bestaat o.a. hierin, dat een groot gedeelte ervan een relaas is van de bij lezing van hoofdstuk tot hoofdstuk wisselende persoonlijke gevoelens, de schrijver zelf is nog meer het object der belangstelling dan het boek.’
206Vgl. wat Van Deyssel op 31 oktober 1888 aan François Erens geschreven had: ‘Maar van Le Rêve, - amice, er zijn ontzettend veel aanmerkingen op te maken, en literair, in de hoog-fijne beteekenis, is het niet veel, maar nooit in mijn leven heb ik van eenig boek, gedicht, tooneelstuk of muziek, zulk een verbrijzelende emotie gehad. En fyziek - een mij onbekende emotie.’
207In het naschrift, waarmee Van Deyssel op 10 november zijn opstel over Le Rêve besloten had, werden een aantal kanttekeningen gemaakt n.a.v. de bedenkingen, die Gustave Kahn tegen Zola's roman geopperd had in de Revue Indépendante van november 1888, blz. 299-300. Op 6 november 1888 zette Van Deyssel zich tot een nooit verzonden en trouwens onvoltooid gebleven brief aan Kahn: ‘Monsieur, Veuillez excuser qu'un étranger inconnu, mais qui se trouve être lecteur assidû de vos chroniques et admirateur de vos poèmes, vienne vous importuner, en mauvais français, en quête d'informations littéraires pour la composition d'une étude, qui ne peut que médiocrement vous intéresser. C'est la Revue de la jeune littérature d'Amsterdam, “De Nieuwe Gids”, qui me demande un article, ou plutôt une série d'articles, sur les mouvements littéraires en France, qui ont suivi l'éclosion du “Naturalisme” d'une part et du culte de Baudelaire et de Poë d'autre part. J'ai fait une liste des noms des auteurs dont il me faudrait étudier les oeuvres. J'y ai inscrit d'abord les noms de MM. Mallarmé, Verlaine et le vôtre, monsieur, puis les noms des auteurs qui figurent dans le catalogue de la “Revue Indépendante”. Pour le reste ,vos chroniques m'ont instruit à plusieurs autres écrivains.’
208Dit slaat op de passage, uit het eerste hoofdstuk van Le Rêve, waarin Angélique in het portaal van de kathedraal beschutting zoekt tegen de sneeuw. ‘La neige, si elle ne l'eût foulée, lui serait allée aux épaules. L'antique porte, derrière elle, s'en trouvait tapissée, comme tendue d'hermine, toute blanche ainsi qu'un reposoir, au bas de la façade grise, si nue et si lisse, que pas un flocon ne s'y accrochait. Les grandes saintes de l'ébrasement surtout en étaient vêtues, de leurs pieds blancs à leurs cheveux blancs, éclatantes de candeur. Plus haut, les scènes du tympan, les petites saintes, des voussures s'enlevaient en arêtes vives, dessinées d'un trait de clarté sur le fond sombre; et cela jusqu'au ravissement final, au mariage d'Agnès, que les archanges semblaient célébrer sous une pluie de roses blanches. Debout sur son pilier, avec sa palme blanche, son agneau blanc, la statue de la vierge enfant avait la pureté blanche, le corps de neige immaculé, dans cette raideur immobile du froid, qui glaçait autour d'elle le mystique élancement de la virginité victorieuse. Et, à ses pieds, l'autre, l'enfant misérable, blanche de neige, elle aussi, raidie et blanche à croire qu'elle devenait de pierre, ne se distinguait des grandes vierges.’ (Le Rêve, par Emile Zola. Soixante et onzième mille. Paris, 1889, blz. 4).
209De Revue de Genève, waarvan het eerste nummer verscheen op 20 oktober 1885, was een vrij kleurloos orgaan, gelanceerd en gefinancierd door de Librairie H. Stapelmohr te Genève. In 1888 was dit tijdschrift reeds ter ziele.
210Over het tijdschrift La Jeune Belgique (1881-1897) verschaft Gerben Colmjon, De Beweging van Tachtig. Een cultuur-historische verkenning in de negentiende eeuw. Utrecht/Antwerpen, 1963, blz. 109-112, rijke informatie.
211Emile Hennequin (1859-1888) heeft nooit een kritisch werk van die naam uitgegeven. Van Deyssel kon op dit tijdstip alleen maar bedoelen La Critique scientifique (1888), de uitgebreide versie van de door Hennequin aan La Revue Contemporaine van april/mei en juni/juli 1886 bijgedragen studie over La critique scientifique des oeuvres d'art. Op blz. 450 van de april/mei-aflevering introduceerde Hennequin de term esthopsychologie als de meest passende voor ‘un genre de recherches qui traitent des oeuvres d'art au point de vue de la psychologie des individus et des peuples’, een en ander voorzien van de nadrukkelijke aantekening: ‘Par suite d'une malformation primitive, les dérives du mot esthétique ont un sens ambigu, il ne faut pas confondre l'esthopsychologie dont nous parlons, avec l'aesthopsychologie telle que l'entend Spencer au début de ses Principes de psychologie. La différence entre ses deux mots nous conduit à proposer pour leur radical l'orthographe estho quand il s'agit de sensibilité aux émotions artistiques, et aestho quand il s'agit de sensibilité générale.’ Later nam Van Deyssel ook kennis van de posthuum uitgegeven Etudes de critique scientifique, althans van het tweede deel dezer ‘études’, getiteld Ecrivains français (1890).
212Zie noot 44.
213Paul Alexis (1847-1901), auteur van o.m. de roman Le Collage (1883) en bewerker voor het toneel van De Goncourts Les Frères Zemganno en Charles Demailly. Van Deyssel was in het bezit van zijn Emile Zola. Notes d'un ami (1882).
214Léon Hennique (1851-1935), auteur van de door Van Deyssel gelezen roman La Dévouée (1878). Waarschijnlijk kende Prins ook zijn Pierrot sceptique (1881), geschreven in samenwerking met J.K. Huysmans.
215Van Karl Bleibtreu (1859-1928) had Van Deyssel enkel diens Revolution der Literatur (1887) gelezen, waarschijnlijk aangetrokken door de titel van dit programmatisch geschrift.
216Hendrik Ibsen (1828-1906), Een vijand des volks. Tooneelspel in 5 bedrijven. Vertaald uit het Noorsch door Ida Donker. 's-Gravenhage, 1883. In juni 1909 heeft Van Deyssel vrijwel de volledige Ibsen gelezen. In Rosmersholm (1886) en Nora (1879) waardeerde hij toen ‘de sobere realistisch-psychologische “symboliek”’. Voor Een vijand des volks had hij nog steeds niet veel waardering. ‘Het is, realistisch-karakteristiek-satyriek behandeld, de geschiedenis van den man, die zich onmogelijk maakt door steeds “de waarheid” te zeggen. Het is in den geest van Multatuli.’ (De Nieuwe Gids, Jrg. 1927 II, blz. 565).
217Van Giovanni Verga (1840-1922) zou Van Deyssel, in De Nieuwe Gids, Zesde jrg. II, aflev. 4 (april 1891), blz. 128-130, bespreken De overwonnenen. Don Gesualdo. Uit het Italiaansch vertaald door Jhr. Mr. W.F. de Jonge, verschenen bij J.L. Beijers te Utrecht in 1890: ‘Maar, wat ik zeggen woû, in Verga vin-je vele, vele Zola-motieven te-rug, in ongeschonden staat: de konceptie van de menschelijke kracht, van het er-komen, van het fortuin-maken door dik en dun, door regen en zonneschijn, de vale graf-stilten van kleinsteedsche pleinen, de jaloerschheid der klein-steedsche familiën, het rumoer van dolle volksvolten bij brand, bij oproer, de erfelijke karakter-geheimzinnigheden, die van geslacht op geslacht in de familiën overgaan, - heel het zien van Verga, dat klare, dat dikke, dat bij-groepen leven van de menschen, die worstelingen van de menschen-soorten door de passiën aan-gedreven als wolken-worstelingen door de winden, - dat is alles zoo puur mogelijk Zolaïstiesch.’ De bespreking in haar geheel werd voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, A'dam, 1895, blz. 161-163.
218Juffrouw Lina. Een portret, verscheen in 1888 bij W. Cremer te 's-Gravenhage en werd besproken door Van Deyssel in De Nieuwe Gids, Vierde jrg. I, aflev. 2 (dec. 1888), blz. 253-256; voor de eerste maal herdrukt in Verzamelde Opstellen, A'dam, 1894, blz. 277-280.
prepostterug  begin  verder