terug  begin  verderprepost

41

Mont-lez-Houffalize,
Luxembourg Belge,
16 december 1888.

Waarde Heer,

U heeft mij in Uw laatsten brief een aanbod gedaan, dat ik wel met graâgte zoû aanvaarden, als ik maar goed durfde, - om mij namelijk inlichtingen over en werken van de nieuwste fransche literatoren, als Moréas, Dujardin, enz. te zenden, die mij bij mijn artikel te pas zouden kunnen komen. Ik kan niet anders zeggen, - en dit had ik al eerder willen doen, - dan: héel graâg. Ik zoû niet weten welken beteren dienst iemant mij op 't oogenblik zoû kunnen doen. Maar ik ben bang, dat Uw boeken zullen lijden van het vervoer, en ... de last, die U er door zult hebben. Enfin, wíl U het doen, dan zal ik U daarvoor zeer dankbaar zijn. U zoû mij echter geen boeken moeten zenden, die U des-noods niet wel een jaar b.v. zoû kunnen missen. Want nauwkeuriger kan ik den duur van den tijd, dat ik de boeken noodig zal hebben, niet schatten. Ook voor Uw inlichtingen houd ik mij dus zeer aanbevolen. Hoe ik mijn artikel zal inrichten, weet ik ook nog niet precies, maar wel, dat ik er geen biografische bizonderheden op zich zelf zal inlasschen en zal trachten het zooveel mogelijk zuiver literair te houden. Ik ben zoo vrij hier een gedeelte bij te voegen van de lijst mijner desiderata. Verscheidene dier werken ken ik al, maar zoû ik nu toch weêr willen hebben.

De boeken, die U mij kunt en wilt zenden, zal ik goed verzorgen en U ze goed verzorgd retourneeren.

Ja, ook de Revue Moderniste zoû ik wel eens willen hebben.

Kent u den dichter Verhaeren?230

Wie ‘Maurits’ is weet ik niet. Ik vermoed een redakteur van een der groote Ned.-Indische bladen. Uw schets231 in den Nieuwen Gids van dec. ll. heb ik met veel genoegen gelezen. Ik ben echter intimer geliëerd met indrukken, die men van naturalistiesch en impressionistiesch werk krijgt, en voel dat ik met dit

[p. 98]

‘genre’ nog niet genoeg vertrouwd ben om geheel de genieting te beleven door den auteur bedoeld op te wekken.

Mijn roman De Kleine Republiek is 10 Dec. ll. verschenen en het ex., dat ik mij veroorloofde U aan te bieden, zal U wel al bereikt hebben.

Met vriendschappelijke gevoelens, verblijf ik,

Uw toegenegene
K.J.L. Alberdingk Thijm.

In haast. Zoû U zoo goed willen zijn mij
de lijst ook te-rug te zenden?

230De Frans-Belgische lyrische dichter Emile Verhaeren (1855-1916). Waarschijnlijk stelde Van Deyssel een en ander iets te mooi voor toen hij op 15 januari 1907, tijdens een aan Verhaeren aangeboden souper in het American Hotel tot de dichter zelf en tot diens tafelgenoten (waaronder H.P. Berlage, Hein Boeken, Julius de Boer, Frans Coenen, Mr. J.N. van Hall, Jac. van Looij, Frans Mijnssen, Herman Robbers, Jan Toorop en Willem Witsen) sprak: ‘Certes, nous connaissions tous depuis longtemps les oeuvres de Emile Verhaeren. C'était il y a longtemps, c'était dans l'automne de 1885, que les jeunes fervents de la littérature à Amsterdam entraient chez leurs amis en demandant: Avez-vous lu Emile Verhaeren? Avez-vous lu “Les Moines?” La première oeuvre du poète, “Les Flamandes”, âgée de deux ans, n'était presque pas connu alors. C'est par “Les Moines” que commence la renommée de Verhaeren en Hollande. Depuis ce temps nous avons assisté au splendide défilé des oeuvres successives, comme à une série de naissances d'enfants royaux, dont maint Souverain de la littérature envie le nombre et la forte beauté.’ (...) Enfin, après que j'avais eu l'honneur de voir Verhaeren dans sa maison à Bruxelles en 1893, pendant ces heures à jamais mémorables pour moi, lorsqu'il voulut bien me parler lui-même de son art, - après que quelques uns d'entre nous eussent eu le plaisir de le rencontrer à La Haye en 1895, - enfin, il est venu, il est descendu, puis-je le dire, dans les deux sens du mot, aujourd'hui parmi nous, et nous avons entendu la propre voix de celui, qu'à Paris en 1895 Henri de Régnier appela le plus grand poète du siècle après Victor Hugo, - nous dire sa propre poésie.’
Van Verhaeren bezat Van Deyssel meer dan twintig bundels, bijna alle voorzien van een opdracht.
231Bedoeld wordt de schets Een executie, verschenen in De Nieuwe Gids, Vierde jrg. I, aflev. 2 (december 1888), blz. 190-193; voor de eerste maal herdrukt in Arij Prins, Een koning, Amsterdam, 1897, blz. 206-212, en daar gedateerd september 1888.
prepostterug  begin  verder