terug  begin  verderprepost

43

Hamburg 11 Jany '89
Colonnaden 33 III

Geachte Heer,

Ik heb nog altijd uw brief van 16 decr ter beantwoording voor mij liggen. Per post zend ik U een pak boeken, en wel:

L'Opium van P. Bonnetain233  
Sur le Vif J. Ajalbert234
Quintessences M. de Faramond235
L'irréparable P. Bourget236
Les Hantises Dujardin237

[p. 100]

Le Thé Chez Miranda Moréas238 & Adam
Le Mal d'aimer R. Godet239
Blanches Mains J. Vidal240
Un Coeur fêlé J. Vidal240
Seuls F. Poictevin241
La Course à la Mort E. Rod242
Le Calvaire O. Mirbeau243
Soi P. Adam244
Crime d'Amour P. Bourget245
Les demoiselles Goubert Moréas & Adam
Lettres de J. de Goncourt246  
Confession Posthume P. Margueritte247
Cousine Annette J. Berleux248

[p. 101]

Kermesses G. Eekhoud249
Chez Mme Antonin L. Mullem250
11 Nummers van de Revue Moderniste251
La Glèbe P. Adam.252

U kunt deze werken zoolang houden als U ze voor uw studie noodig hebt. Enkele der boeken heb ik nog niet gelezen. Ik zend ze U echter maar, omdat ze U misschien zullen interesseeren. -

Van de Goncourt253 kan ik U helaas niets zenden. Zijn romans254 die ik gedeeltelijk gehad heb, ben ik door uitleenen - op Manette Salomon na - of bij het voortdurend verhuizen kwijt geraakt. Ik kan ze ten minste niet terugvinden. - Zijne werken over de 18de eeuw255 heb ik nooit gekocht, daar die tijd mij minder belang inboezemt.

Van Stendhal256 moet ik Rouge et Noir hebben, doch waar het is weet ik niet.

Ik zal eens gaan zoeken in een kist met boeken, die ik in langen tijd niet heb geopend, misschien komt er dan nog veel voor den dag, dat U van nut kan zijn.

Van Camille de St. Croix heb ik alleen de Mauvaise Aventure, welk werk U kent. -

Het boek ‘Mon Père257 van Margueritte is geen litterair werk, doch een levensbeschrijving van zijn vader. Ik heb 't niet, en ik geloof ook, dat 't totaal uitverkocht is. -

Het brochuretje van Fénéon Les impressionistes en 1886 handelt uitsluitend over fransche schilders als Seurat, Signac, Degas etc. Indien U het wilt hebben, zal ik 't U zenden. -

Bezit U de Revue Indépendante en de Revue Contemporaine, zoo niet dan zal ik U deze tijdschriften zenden, waarin kritieken van Hennequin, Les Cor-

[p. 102]

neilles258 van Rosny, en de mooie Akëdysséril259 van Villiers voorkomen. -

Ik heb Huysmans over A Rebours260 en de Croquis Parisiens261 geschreven; hij heeft ze echter niet, doch vraagt of U Un dilemme262 en En Rade263 wilt hebben, zoo ja, dan kan hij ze U bezorgen. Antwoordt U mij dus svp hierop. -

De Esthopsychologie van Hennequin zal ik U nog wel kunnen bezorgen.264

Van Mallarmé heb ik niets, dan de bijdragen in de Revue Ind.265 Ik houd niet erg van het werk van dezen schrijver. -

Hebt U de werken van L. Bloy ontvangen. Le Désespéré is knap niet waar?

Verhaeren moet, naar ik heb gehoord, de meest talentvolle der jonge belgen zijn. - Ik heb echter zeer weinig van hem gelezen. -

Kent U bij geval de Legende dorée266 een middeleeuwsch fransch werk, waarvan in 1840 een herdruk verschenen is. Ik zoek dezen herdruk reeds lang, maar helaas te vergeefs.

[p. 103]

Spoedig schrijf ik U nader en zal U dan eenige nadere inlichtingen geven, die U wellicht voor uw studie kunnen dienen.

Na groeten
Uw toegenegen
Arij Prins

Uw lijst zend ik U spoedig terug. Wellicht vind ik nog meer boeken die U verlangt te lezen.

233Paul Bonnetain (1858-1899) was sedert 1888 redactie-secretaris van het Supplément littéraire van de Figaro. In dit blad publiceerde hij op 13 april 1884 het eerste artikel van een groots opgezette reportage over de verslaving aan opium, tevens het documentatie-materiaal voor zijn in 1885 verschenen roman l'Opium. Eerder had Van Deyssel van hem gelezen: Charlot s'amuse (1883) en Au Tonkin (1885). L'Opium beviel Van Deyssel zozeer dat hij zich op 3 maart 1889 van Bonnetain aanschafte: Une femme à bord (1884), Autour de la caserne (1885), En mer (1887), Le nommé Perreux (1888), Amours nomades (1888), Au large (1888) en Marsouins et Mathurins (1888).
234Jean Ajalbert (1863-1947) publiceerde in 1885 de bundel Sur le vif. Vers ‘impressionistes’. Over Ajalbert heeft Prins geschreven in het weekblad De Amsterdammer van 17 januari 1886.
235Maurice de Faramond (1864-1923) publiceerde in 1886 Quintessences. Het nu door Van Deyssel ontvangen exemplaar bevatte de opdracht: A Arij Prins en hommage. M. de Faramond. -
236Zie noot 109.
237Les Hantises (1886) par Edouard Dujardin (1861-1949) had Van Deyssel reeds mogen lenen van François Erens, die in De Nieuwe Gids, Eerste jrg. II, aflev. 4 (april 1886), blz. 149-151, Dujardins ‘gedachten-harmonieën’ waarderend had besproken en tevens voorspeld: ‘Dujardin kan zeker zijn dat er in de rijen der orthodoxe materialisten een eindelooze schaterlach zal opgaan en als een loopend vuur op de gezichten der bekrompenen zal klimmen, waarbij dikke buiken zullen schudden met zwaar getrappel van voeten.’
238Jean Moréas, pseudoniem van Yannis Papadiamantopoulos (1856-1910) schreef in samenwerking met Paul Adam (1862-1920) twee bundels verhalen, Le Thé chez Miranda (1886) en Les Demoiselles Goubert (1886). De nu aan Van Deyssel toegezonden bundel bevatte de opdracht: ‘A Monsieur Arij Prins. Hommage bien cordial. Paul Adam. Jean Moréas.’ Zie ook noot 195.
239Le mal d'aimer, états d'âme, par R. Godet verscheen in 1888.
240Jules Vidal (1858-1895) publiceerde in 1885 de aan Edmond de Goncourt opgedragen roman Un coeur fêlé. In 1886 verscheen Blanches mains.
240Jules Vidal (1858-1895) publiceerde in 1885 de aan Edmond de Goncourt opgedragen roman Un coeur fêlé. In 1886 verscheen Blanches mains.
241De roman Seuls, par Francis Poictevin (1854-1904) verscheen in 1886. Van Deyssel kende reeds Petitau (1885).
242La Course à la Mort, par Edouard Rod (1857-1910) verscheen in 1885. Van Deyssel kende reeds La Chute de Miss Topsy (1882).
243Le Calvaire, par Octave Mirbeau (1848-1917) verscheen in 1887. In 1907 zou Mirbeau nog enig gerucht maken met La 628E8, waaromtrent Van Deyssel op 23 maart 1909 aantekende o.m.: ‘Het is “radicaal”, impressionistisch, sensualistisch, journalistisch, levendig gekakel van een staatkundig, letterkundig, sociaal en mondain râté. - Hier en daar toch geniaal binnen de soort, waartoe het behoort.’ (De Nieuwe Gids, Jrg. 1927 II, blz. 564).
244De zedenstudie Soi, par Paul Adam (1862-1920), handelend over een ongelukkig gehuwde vrouw, verscheen in 1886.
245Un crime d'amour, par Paul Bourget (1852-1935) verscheen in 1886.
246Lettres de Jules de Goncourt, publiées par E. de Goncourt. Avec une préface d'Henry Céard, un portrait gravé à l'eau-forte par Abot d'après Claudius Paupelin et un fac-similé (1885). Dit boek werd door Prins, als A. Cooplandt, besproken in het weekblad De Amsterdammer van 18 juni 1885.
247Confession posthume, par Paul Margueritte (1860-1918) verscheen in 1886. Margueritte was in Nederland geïntroduceerd geworden door Frans Netscher in een artikel, Paul Margueritte: Een proeve van naturalistische kritiek, in het weekblad De Amsterdammer van 11 en 15 oktober, 20 en 27 november 1885.
248Onder de schuilnaam Jean Berleux publiceerde Maurice Quentin-Bauchart, geboren te Parijs in 1857 en in het dagelijks leven aldaar ‘conseiller municipal’, de roman Cousine Annette (1887), roman die laatstelijk een herdruk beleefde in 1899 toen hij als deel 373 werd opgenomen in de bekende reeks ‘Auteurs célèbres’.
249Kermesses, par Georges Eekhoud (1845-1927) verscheen in 1884. In 1896 zou Van Deyssel zich Eekhouds toen verschenen roman Le cycle patibulaire aanschaffen.
250Chez Mme Antonin, par Louis Mullem verscheen in 1887.
251Van de Revue Moderniste (zie noot 223) kreeg Van Deyssel toegezonden alle twaalf nummers (het elfde nummer was een dubbelnummer), verschenen vanaf 1 december 1884 t/m 1 februari 1886.
252La Glèbe, par Paul Adam (1862-1920) verscheen in 1887.
253Op dit tijdstip bezat Van Deyssel van De Goncourt: Germinie Lacerteux (1864), Idées et sensations (1866), Manette Salomon (1867), Gavarni, L'homme et l'oeuvre (1873), La fille Élisa (1877), Les frères Zemganno (1879), La maison d'un artiste (1881), L'art du XVIIIe siècle (de derde, vermeerderde druk van 1881), La Faustin (1882), Chérie (1884), Lettres de Jules de Goncourt (1885), Pages retrouvés (1886) en wat er reeds verschenen was van de negendelige uitgave van het Journal (1887-1896).
254Van Deyssel had Prins waarschijnlijk gevraagd om toezending van Soeur Philomène (1861), Renée Mauperin (1864) en Madame Gervaisais (1869).
255O.m. Portraits intimes du XVIIIe siècle, 2 dln. (1857) en La Femme au XVIIIe siècle (1862).
256Zie noot 188.
257Mon Père verscheen in 1884 en handelde over de vader van de auteur, generaal Jean-Auguste Margueritte (1823-1870), gesneuveld bij Sedan in de Frans-Duitse oorlog.
258Les Corneilles (1888) is echter niet in een van beide tijdschriften verschenen.
259Akëdysséril, par (Mathias-Auguste) Comte de Villiers de l'Isle-Adam (1838-1889) verscheen in La Revue Contemporaine van 25 juli 1885, blz. 346-373. Een aldaar op blz. 346 aan de titel toegevoegde noot luidt: ‘Cet ouvrage, illustré par Félicien Rops, doit paraître, en septembre prochain, chez l'éditeur Monnier. C'est le premier récit de l'Amour à travers les âges, livre de légendes écrit par MM. Leconte de Lisle, Alphonse Daudet, Ernest Renan, Catulle Mendès, Henri de Bornier, Eugène Burnouf, etc. etc.’ Zie ook noot 395.
260Zie noot 157. A Rebours heeft Van Deyssel zich aangeschaft in maart 1889.
261De eerste, al spoedig zeer zeldzame, druk van de Croquis Parisiens dateert van 1880. Van Deyssel is in het bezit geweest van de hem, vermoedelijk door Isaac Israëls in 1889 geschonken, al even onbetaalbare, want bibliofiele, tweede druk: Nouvelle édition imprimée dans le format presque perdu de quelques eucologes, à 13 exemplaires sur papier du Japon des factories hollandaises de Décima, 13 exemplaires sur papier bambou des comptoirs du Brahma-poutre, 13 exemplaires sur papier à chandelle, vendu par un sieur Chique, beurrier, rue du Cygne etc., la I cal. Oct. MDCCCLXXXV, Léon Vannier, éditeur des modernes.
262Dateert van 1887. De Huysmans-kenner Georges Rouzet schreef ons op 2 mei 1955: ‘J'ai une curiosité: Un Dilemme, paru dans la Revue Indépendante. Les numéros de la revue ont été reliés et portent l'ex-libris de Georges Landry (zie noot 156) qui réunit ainsi en plaquette, sur couverture vert-sombre, cette longue nouvelle de J.K.H. qui est un chef-d'oeuvre d'observation.’
263Dateert van 1887.
264Zie echter noot 211.
265Een bibliografie van Mallarmé's bijdragen aan La Revue Indépendante (van 1885 tot 1888) kan de lezer aantreffen in Stéphane Mallarmé, Oeuvres complètes. Texte établi et annoté par Henri Mondor en G. Jean Aubry, Bibliothèque de la Pléiade, Paris, 1961, blz. 1355-1356.
266La Légende Dorée van Jacques de Voragine was - zo zou Prins zelf meedelen (in een in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, avondblad A, van 10 juni 1922, posthuum verschenen artikel Over Gustave Flaubert) verspreid in talloze manuscripten. Van 1470-1500 verschenen er niet minder dan 74 uitgaven en meer dan dertig vertalingen van in verschillende talen, o.a. in het Nederlands in 1472 te Delft en in 1478 te Gouda. Later raakte het werk in vergetelheid totdat in 1843 te Parijs, bij Charles Gosselin, opnieuw een Franse vertaling verscheen. Hoogstwaarschijnlijk heeft Flaubert deze benut voor zijn verhaal Saint Julien l'Hospitalier.
prepostterug  begin  verder