terug  begin  verderprepost

44

Villa des Chéras
Mont-lez-Houffalize
Luxembourg Belge
14 Januarie 1889.

Waarde Heer,

Ik heb heden den brief ontvangen, waarin U mij de boekenzending aankondigt. De boeken zelf nog niet. Maar die zullen morgen wel komen. En bij voorbaat bedank ik U bizonder. Het is een dienst, dien ik op hoogen prijs stel. Zoo als ik U al schreef, zal ik de boeken goed verzorgen. Het is wel waarschijnlijk dat, als U toch de moeite doet om de kist, waarvan U spreekt, te doorzoeken, er nog iets voor den dag zal komen, dat ik zoû kunnen gebruiken.

Van de Revue Indépendante heb ik alleen eenige der laatste afleveringen. Zoo wel dát tijdschrift als de Revue Contemporaine zoû ik juist zéer gaarne hebben, om dat men dáárin hoofdzakelijk de theoretische vertoogen vindt.

In de Revue de Genève, die maar kort schijnt bestaan te hebben, heb ik in der tijd een artikel267 van Hennequin over Shelley gelezen, dat mij interesseerde; daaruit bleek, dat Shelley lang na 1880 zijn intocht in Frankrijk heeft gehouden.

[p. 104]

En Hennequin voorspelde daarin, dat Shelleys kunst een even groote omwenteling in de fransche literatuur zoû te weeg brengen als in der tijd de romantiek gedaan heeft. Kent U het werk van Félix ... over Shelley?

Over Villiers' Contes cruels268 heb ik zes jaar geleden een artikel geschreven. Ik vond hem toen heel interessant, wel intens troebleerend, maar niet groot emotioneel.269

Ik ben zéer benieuwd naar zijn ander werk.

De boeken van Huysmans Un dilemme en En Rade wil ik heel graâg hebben

Die Esthopsychologie van Hennequin, als U mij die niet kan bezorgen, wist ik er gaarne den uitgever van.

Van Léon Bloy heb ik niets ontvangen.

De légende dorée ken ik niet.

U weet niet wat een genoegen U mij doet met mij die boeken te zenden. Toen ik hier heen ben gaan wonen, was ik zoo ‘vol’, dat ik niets geen lektuur behoefde, maar nu ik zoo lang al op mijlen afstands van alles wat naar boeken

[p. 105]

zweemt zit, doet de behoefte zich weêr sterk gevoelen, en mijn middelen laten niet toe uitgebreide bestellingen te doen.

Wát is nu eigelijk l'art suggestif270, is dat in den trant van Mallarmé of van Villiers? Kent U, behalve Taine271 (en Hennequin dan) iemant, die leesbare literaire kritiek heeft geschreven?

Het boek van Paul Bourget, (‘Du roman’272 is de titel, meen ik) is dat wat? Van dien auteur heb ik eens een werk273 gelezen (wellicht was het ‘l'Irréparable’) waarin verhaald werd van een jonge man, die een reis naar Engeland deed, en daar, geloof ik, ‘echtbreuk’ pleegde. Dat werk vond ik zwak.

Heeft U de vrienden in Amsterdam gesproken? Als U Paap heeft ontmoet, heeft die zich dan misschien, als het soms ter sprake is gekomen, niet geërgerd betoond om mijn artikelen274 over Multatuli?

Wat is Uw meening over Aletrino en Van Looy?

[p. 106]



illustratie

[p. 107]

De gedichten van Kloos275 vind ik heel mooi, het zijn de hoog-klinkendste en aandoenlijkste verzen, die ooit in 't hollandsch geschreven zijn. Het is minstens absoluut even goed als Heine en Shelley.

Dat werkje van Wyzewa276 ‘Notes sur Mallarmé’, kent U dat? Het onbegrijpelijke, dat de school van Mallarmé heeft, irriteert mij zeer. Ik ben van plan die literatuur net zoo lang te bestudeeren, tot ik ten minste weet wat zij bedoelen. Ik maak intusschen zelf ook nog al excessieve dingetjes277 nu en dan, waar ik héel lang mij in moet werken voor ik ze weer begrijp als ik ze óverlees. Maar dat werk is nog in zeer embryonairen staat en ongeschikt voor publiciteit.

Niets is agacanter dan de onnoozele zedelijkheidsquestie,278 die de hollandsche

[p. 108]

zjoernalisten ter sprake brengen, als zij naturalistische geschriften behandelen. Want nu wij al zoo lang al het geklets der franschen daarover ter gelegenheid der verschijning van Zolaas geschriften hebben gehad, wordt het afschuwelijk vervelend precies de zelfde polemiek zich in Holland te zien herhalen.

In den a.st. N. Gids heb ik fragmenten.279 Ik ben zeer verlangend Uw meening daarover te hooren.

Ik heb hier nog een hollandsche vertaling280 naar Moore ter beöordeeling liggen. Ik zoû zoo graâg zijn Confessions281 in de Rev. Indép. volledig lezen, ik heb er maar een paar vervolgstukken282 van.

 

Ik ben bezig aan een roman283 over het hollandsche socialisme. Als ik zonder pretensieus te zijn dat doen kan, verzoek ik U dit aan niemant te zeggen. Domela Nieuwenhuis heeft mij daarvoor een aantal brieven van werklieden geleend284 en ik ben hem zelf in zijn huis daarvoor gaan observeeren.285 Dit is ook al een paar jaar geleden, het is een oud plan van mij, maar nu ben ik er goed áan gegaan.

Ik wil echter trachten de zaak op een heel andere manier te behandelen dan Germinal of Happe-Chair. Ik zal er echter waarschijnlijk zeer lang over moeten

[p. 109]

werken. Ik wil er het Amsterdamsche Juli-oproer286 in brengen, zoo als ik mij dat herinner. Ik ben er toen bij geweest om te kijken. Twee jaar zal ik voor dien roman wel noodig hebben. En dan nog, moet het leven mij ongestoord aan den gang laten.

Nu eindig ik. Ik houd mij zeer voor tijding van U aanbevolen. Als ik de boeken ontvangen zal hebben, zal ik U nog een reçu zenden.

De Uwe
K.J.L. Alberdingk Thijm.

267Wij zijn er niet in geslaagd dit artikel te achterhalen. Van Deyssels ‘in der tijd’ slaat op 1886, zoals blijkt uit een brief van Kloos, d.d. 26 februari 1886: ‘Ik zal je de reeds in mijn bezit zijnde (en volgende) Revue's de Genève en Revue Wagnérienne thans en later laten bezorgen, maar denk er dan om, dat je ze mij na lezing terugzendt: er zijn nog menschen, die er mij om gevraagd hebben.’ In die tweede, in januari 1885 door Edouard Dujardin opgerichte, Revue stelde Kloos zelf geen belang. In een brief aan Van Deyssel, d.d. 25 januari 1888, noemde hij deze revue ‘een orgaan van Wagner-specialiteiten, dat ik nooit inzie’. Dit nu was minder verstandig van Kloos, want aan de Revue Wagnérienne werkten ook tal van literatoren mee. Aldus ontging aan Kloos, in het nummer van 8 januari 1886, niet alleen Mallarmé's Hommage à Wagner, maar ook het toen onmiddellijk Van Deyssel zeer sterk aansprekende sonnet van Paul Verlaine, Parsifal, in veel opzichten verwant aan Van Deyssels heroïsch-individualisme:
Parsifal Dedit et tristibus sanguinis poculum. Saint Thomas d'Aquin Sir Percival Whom Arthur and his knighthood called the Pure. Tennyson
 
Parsifal a vaincu les Filles, leur gentil
 
Babil et la luxure amusante - et sa pente
 
Vers la Chair de garçon vierge que cela tente
 
D'aimer les seins légers et ce gentil babil;
 
 
 
Il a vaincu la Femme belle, au coeur subtil,
 
Étalant ses bras frais et sa gorge excitante;
 
Il a vaincu l'Enfer et rentre sous la tente
 
Avec un lourd trophée à son bras puéril,
 
 
 
Avec la lance qui perça le Flanc suprême!
 
Il a guéri le roi, le voici roi lui-même,
 
Et prêtre du très saint Trésor essentiel.
 
 
 
En robe d'or il adore, gloire et symbole,
 
Le vase pur où resplendit le Sang Réel,
 
- Et, ô ces voix d'enfants chantant dans la coupole!
268Deze in 1883 verschenen Contes cruels werden door Van Deyssel beoordeeld, onder de titel Gruwzame verhalen, in de Dietsche Warande, Nieuwe Reeks, V, 1886, blz. 64-70; voor de eerste maal herdrukt in de Tweede bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1897, blz. 85-91.
269Vgl. wat Van Deyssel op 3 februari 1889 aan Willem Kloos zou schrijven n.a.v. het eerste boek van Mei: ‘Die Gorter is heel goed, niet intens troebleerend noch groot-emotioneel (...)’; conform de Herman Gorter Documentatie. Over de jaren 1864 tot en met 1897. Samengesteld door Enno Endt. A'dam, 1964, blz. 171.
270Een wel wat bevreemdende vraag, nu immers Maurice Barrès, door toedoen van François Erens, in De Nieuwe Gids, Eerste jrg. I, aflev. 1 (okt. 1885), blz. 140-149, geschreven had over L'esthétique de demain: l'art suggestif. La Revue Contemporaine van 25 okt. 1885 wijdde, op blz. 250, hieraan enige aandacht in haar rubriek ‘Articles importants’; Nieuwe Gids. - Signalens l'apparition de cette revue hollandaise, dans laquelle M. Maurice Barrès, notre collaborateur et ami, publiera une chronique mensuelle en français. M. Barrès a choisi pour débuter un sujet qu'il avait déjà traité fragmentairement, avec la grâce et la subtilité qu'on lui sait, dans divers périodiques. L'esthétique de demain: l'art suggestif devient sous la plume de M. Barrès un thème charmant, duquel émergent comme illustrations, des types vus en lignes concises et caractéristiques.’ Op 16 juli 1886 schreef overigens Kloos aan Prins ‘Van dat stuk van Barrès hebben wij ook niet veel pleizier beleefd.’
271De invloed van de wijsgeer, criticus en historicus, Hippolyte-Adolphe Taine (1828-1893) op Van Deyssel verdient een nader onderzoek. In het tijdperk 1882-1886 las hij de drie delen van Taine's Histoire de la Littérature Anglaise (1863), Vie et opinions de M. Frédéric-Thomas Graindorge (1867), Origines de la France contemporaine (1875-1893), echter alleen de eerste drie delen. Misschien vroeger, maar zéker in het tijdperk 1893-1901 de Voyage en Italie (1866); zie voorts Van Deyssel in De Nieuwe Gids, Jrg. 1940 II, blz. 178-182 (over de Histoire de la Peinture en Italie) en idem, Jrg. 1942 I, blz. 1-13 (over de Philosopie de l'art dans les Pays-Bas).
272Een boek van Bourget met deze titel bestaat niet. Incidenteel kocht Van Deyssel in het naburige Luik een nummer van het ‘supplément littéraire’ van de Figaro. In zijn nalatenschap hebben wij o.m. het nummer van 7 januari 1888 aangetroffen. Daarin publiceerde Guy de Maupassant zijn l'Étude sur le Roman, die weldra dienst zou doen als voorwoord bij Pierre et Jean (1888). Mogelijk verwisselde Van Deyssel, een jaar later, De Maupassant met Bourget.
273Un Crime d'amour (1886).
274Bedoeld worden de artikelen over twee Multatuli-studiën in het weekblad De Amsterdammer, van 7 en 14 november 1888; voor de eerste maal herdrukt in de Tweede bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1897, blz. 141-150. Op 20 november 1888 had Van Eeden al aan Van Deyssel geschreven: ‘Wat heb je Multatuli aangepakt, Paap en mevrouw Dekker zullen razen boven Maison Stroucken. Je hebt het te bar gemaakt.’ (De briefwisseling tussen Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel, a.w., blz. 28)
275Bedoeld worden de gedichten, door Willem Kloos bijgedragen aan De Nieuwe Gids, Vierde jrg. I, aflev. 1 (okt. 1888), blz. 63-88, te weten de reeks Het Boek van Kind en God. Een passiespel, en een reeks sonnetten, Doodsliedjes en Pathologieën. Zie ook Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel en Kloos' Boek van Kind en God, in De Nieuwe Taalgids, deel 62 (1969), blz. 407-421. In aflev. 2 (dec. 1888), blz. 266-276, publiceerde Kloos andermaal een reeks gedichten, waaronder Homo sum I en II, twee ‘Aan L. van Deyssel’ opgedragen sonnetten.
276Van Théodor de Wyzewa, pseudoniem van T. Wyzewski (1862-1917) verscheen in 1886, in de reeks Publications de La Vogue, een 29 pagina's tellende plaquette, Notes sur Mallarmé.
277Van Deyssel dacht hier aan Sneeuw, Ochtend en In het koffiehuis, drie schetsjes voor de de eerste maal door hem openbaar gemaakt in de Vijfde bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1900, blz. 105-117.
278In De Nieuwe Gids, Derde jrg. II, aflev. 4 (april 1888), blz. 163-169, had Van Deyssel hierover reeds een Zedelijkheidscauserietje geschreven, voor de eerste maal herdrukt in Verzamelde Opstellen, A'dam, 1894, blz. 197-203. In oktober 1888, bezig aan de correctie van de drukproeven van De Kleine Republiek, overwoog Van Deyssel dat het geen kwaad kon om alvast het thema bij de hand te hebben voor een journalistieke causerie over de onwelvoeglijkheid in de roman, nu voorzien kon worden dat de besprekers van De Kleine Republiek daarover zouden vallen. Hij noteerde toen pro memorie: ‘De literatuur sprekend tot het publiek. Gij zegt, dat uw beschaving weigert zulke onwelvoeglijkheden of walgelijkheden te aanvaarden, uw beschaving, uw 19e eeuwsche beschaving. Wat bedoelt gij daarmeê, “uw beschaving”? Wij begrijpen dat niet. Zoudt gij werkelijk meenen, dat uw 19e eeuw zooveel beschaafder is dan vroegere eeuwen, om dat gij spreekt per telefoon, brieft per telegraaf, rijdt met stoom, om dat gij van de herbergen paleisachtige koffiehuizen hebt gemaakt, om dat gij de lijfeigenschap hebt afgeschaft en bezig zijt dat de slavernij te doen, om dat gij niet meer gelooft in goden of god, om dat de koningen van voorheen thans automaten zijn van menschenvleesch en de vroegere lijfeigenen thans krantenlezers?
Wat zal ik u daarvan zeggen! Zóó zijt ge nú, over twee eeuwen zijt ge misschien weêr heel anders. Wij kunnen ons waarlijk met die detail-nuancen niet ophouden.
Wij vinden U even belachelijk of als gij als ridders U in 't ijzer kleedt en samen over bergen en door dalen host om een Heilig Land te veroveren of of gij U in 't kamgaren hult en achter een kantoor-lessenaar blijft zitten, om in Russen te spekuleeren of nieuwsbladen samen te stellen; even belachelijk of gij elkaâr verbrandt en dood-martelt in naam van Christus, Luther, het Goddelijk Konings-gezag of de Volks-souvereiniteit, of of gij voor 't gemak afspreekt Christus en de rest maar zoo'n beetje blauw-blauw te laten en liever samen gemoedelijk een grokje te gaan drinken en een partijtje whist te spelen.’
279Zie noot 181.
280George Moore, Een drama in neteldoek, 2 dln. Sneek, 1888.
281Bedoeld wordt de Franse vertaling van Moore's Confessions of a young man (1888). Belangstelling voor Moore was bij Van Deyssel gewekt geworden door Netschers opstel over Het naturalisme in Engeland, in De Gids van januari 1886, blz. 71-92 en februari 1886, blz. 286-306. Overigens vond hij Netschers stuk toen ‘van zoo een grijze langdradigheid, dat het verschrikkelijk is.’ (L. van Deyssel, Over literatuur (De Heer F. Netscher), Amsterdam, 1886, blz. 29.) In De Nieuwe Gids, Zesde jrg. II, aflev. 4 (april 1891), blz. 192, zou Van Deyssel gewag maken van ‘de zwaar-blonde dingen van Moore.’ Zie ook noot 103.
282Op deze datum had Van Deyssel nog niet het meinummer van de Revue Indépendante, jrg. 1888, door Prins toegezonden gekregen. Dit nummer bevatte het zesde hoofdstuk var. Moore's Confessions. Nergens heeft Van Deyssel vastgelegd hoe zijn reactie luidde toen hij daarin, op blz. 321, Moore zag uitpakken tegen Edmond de Goncourt: ‘Goncourt n'est pas un artiste, malgré toute son affection et ses prétentions ... Il me fait l'effet d'une vieille femme qui pousse des cris perçants, en quête de l'immortalité, et essaie d'en abattre quelques fragments avec un balai.’
283Van dit boek, dat aanvankelijk In Gisting zou heten, maar dat als definitieve titel Te vuur meekreeg, is slechts éen pagina gereedgekomen.
284Deze nooit teruggegeven brieven bleven bewaard in het Van Deysselarchief.
285Van Deyssel bezocht Domela Nieuwenhuis op 4 augustus 1886 in zijn woning aan de Haagse Malakkastraat 96. Alle bizonderheden over dit contact met Domela, alsmede wat klaar kwam van Te Vuur, stelden wij ter beschikking van Evert Zandstra, die deze gegevens openbaar maakte in zijn boek Vrijheid. Het leven van F. Domela Nieuwenhuis, Amsterdam, 1968, blz. 159-162.
286Het zogenaamde Palingoproer in de Jordaan, juli 1886, waaraan Frank van der Goes, onder de schuilnaam Diederik van Amstel, een uitvoerige beschouwing wijdde, in De Nieuwe Gids, Tweede jrg. I, aflev. 1 (okt. 1886), blz. 1-25. Ook Willem Kloos heeft het Palingoproer van nabij gadegeslagen, echter zonder de vooropgezette bedoeling van zijn vriend Van Deyssel om er later literaire munt uit te slaan. Zie de aanhef van Kloos' Binnengedachten D C D XXX, in De Nieuwe Gids, Jrg. 1935 I, blz. 488: ‘Gerust diep-in en veelal ook naar buiten, bleef ik schrijden/Door dingen heen en Lieden, nooit veel denkend aan gevaar./'k Bewoog me eens vredig-stevig tusschen 't joelen van de schaar/Bij 't Paling-oproer, waar 'k niet diep voor voelde. Zóó te strijden/Daar avrechtsch volksvermaak verboôn werd, dacht ik, brengt zwaar lijden/Zonder dat iets hoog-heerlijks wordt bereikt ...’
prepostterug  begin  verder