terug  begin  verderprepost

45

Hamburg, 22/-1'89.
Colonnaden 33

Waarde Heer,

Excuseert svp, dat ik U niet vroeger op uw brief en briefkrt. heb geantwoord, maar ik heb 't in de laatste dagen zoo druk gehad met allerlei onaangename beslommeringen, dat ik mijn correspondentie en litteratuurwerk heb moeten laten liggen.

Uit uw briefkr. heden ochtend gekregen, zie ik, dat U de 2 pakken boeken hebt ontvangen. De 3de zending zal ik nu ook spoedigst gereed maken en U doen toekomen.

Ik hoop, dat deze werken U veel genot zullen geven gedurende de lange winteravonden, die U daarginds zoo rustig doorbrengt.

Huysmans heb ik over En Rade en Un Dilemme geschreven, en Leon Bloy zal ik dezer dagen weer eens aanmanen. -

Het werk over Shelley waarvan U spreekt, ken ik niet. -

Villiers is voor mij een der grootste schrijvers van Frankrijk. Hij heeft echter vreeselijk ongelijk werk geleverd, en in de Contes Cruels komt veel zwaks voor. - Novellen als Véra287 en Akëdysséril zijn echter eenvoudig meesterstukken. -

Wat l'Art suggestif is weet ik [niet], en ik geloof ook niet, dat er iemand is, die daarvan een duidelijke definitie kan geven. -

[p. 110]

Mallarmé is niet alleen onbegrijpelijk voor ons, doch ook voor de franschen. Huysmans, Bloy en verscheidene anderen hebben mij verzekerd, dat zij niets van zijn laatste werk, bijv. de artikeltjes in de Revue Indépendante snappen. Hij, Mallarmé, moet vroeger eenige korte poèmes en prose288 geschreven hebben, die heel mooi zijn, doch in de laatste jaren is zijn natuurlijke wijze van schrijven datgeen geworden wat hij nu maakt. -

[p. 111]

Het groot verschil tusschen Mallarmé en zijn school is dan ook, dat hij zoo schrijft omdat ie niet anders kan, en dat zijn volgelingen er voor gaan zitten om eens heel duister te schrijven. -

Het werk van Bourget, ‘Du Roman’ ken ik niet. Ik ben ook niet erg ingenomen met het proza van dezen schrijver. - ‘L'Irréparable’ is zeker nog wel het beste wat hij heeft geschreven. -

De vrienden in Amsterdam heb ik allen gesproken uitgezonderd Verwey, die zooals U weet niet meer in het clubje is,289 en die ik tot mijn spijt niet heb kunnen bezoeken, daar de tijd mij ontbrak. -

Paap was niet erg ingenomen met uw stuk over Multatuli, doch lang hebben wij er niet over gesproken. Daar ik de artikelen niet heb gelezen, was een discussie ook niet mogelijk. -

Over de gedichten van Kloos is maar één roep, dat ze zoo mooi zijn. Hij heeft zich daardoor ineens als een groot artist doen kennen. Van het leven290 door Verwey valt daarbij erg af. -

Wat nu mijn meening over Aletrino291 en Van Looy betreft, zoo vind ik, dat eerstgenoemde wel dikwijls goede beschrijvingen en mooi gekozen woorden heeft, maar dat ie zich zelf steeds repeteert. - 'T is altijd dezelfde beschouwing over dood-gaan, het gasthuis, zijn stervende Moeder of patient. Curieus vind ik 't echter wel, dat iedere repetitie beter is dan de voorgaande, terwijl het omgekeerde eer te verwachten zou zijn. -

Van Looy is zeker veel forscher en ondernemender, en hij heeft groote, mooirollende ‘brokken’ geschreven. Ik herinner mij o.a. dat ik in zijn Nachtcactus292 - voor mij het mooiste wat hij heeft gemaakt - de zinnen over de stad in het begin geweldig goed vond. De droom over het Oranje feest beviel mij minder, want ze is veel te lang, onjuist en niet in de toon van het stuk. Na de beschrijving van de bloem had iets erg fijns, zwevend maagdelijk moeten komen, en niet een sterk wild stuk. -

Hij had 't Oranje feest afzonderlijk moeten geven en dan niet als droom

[p. 112]

maar als realiteit. Wat vindt U hiervan?293

Uw stukjes in de N.G. zie ik met belangstelling tegemoet, en ik zal er U na lezing over schrijven.

Ik hoop dat U met plezier aan uw nieuwen roman zult werken. Het is zeker een kolossale arbeid, vooral omdat U de socialisten en hun omgeving thans niet kunt bestudeeren. -

Rosny heeft er ook een boek over geschreven Le Bilatéral294, waarin veel moois voorkomt. Het is echter te lang. - Rosny verkeert onder de parijsche socialisten, en is dus volkomen op de hoogte. -

Ik weet niet waar de Esthopsychologie van Hennequin is uitgekomen, doch ik zal 't informeeren. -

Kent U van Edgar Allan Poe de Contes Extraordinaires, Les Aventures d'Arthur Gordon Pym etc.295 Zoo niet dan moet U ze bepaald lezen, want zijn invloed op de fransche litteratuur is groot. -

Gisteren avond was ik hier in de komedie om de première van de Quitzows,296 't nieuwe stuk van Ernst von Wildenbruch bij te wonen. 't Was eenvoudig verschrikkelijk, zoo iets als de kinderboeken van P.J. Andriessen297 voor 't tooneel bewerkt. Ik geloof niet, dat het mogelijk is minder talent te hebben dan von Wildenbruch. -

Kent U Dostoievky's Crime et Châtiment? Ik vind 't het mooiste boek van de russische litteratuur. -

Het is vreemd, maar in den laatsten tijd of liever in 't laatste jaar lees ik veel minder dan vroeger. Ik kom er bijna niet meer toe een nieuw fransch boek open te slaan.

Al mijn vrijen tijd, en dat is niet veel, wordt in beslag genomen door het bestudeeren van de middeleeuwen. - Jammer dat zoo'n studie zoo vreeselijk kostbaar is, - en dat men voor zijn geld nog zulke schaarsche inlichtingen krijgt.

Op mijn reis naar Midden Duitschland met Huysmans heb ik echter veel documenten verzameld.

[p. 113]

Na vele groeten, en mij aanbevolen houdend voor uw berichten

de uwe
Arij Prins

Kloos was volstrekt niet ingenomen met de stukjes van Verwey in de N.G. en Amsterdammer, over Netscher's Menschen om ons,298 en hij wil er ook nog iets over in zijn kroniek schrijven.

Natuurlijk spreek ik met niemand over uw roman over Socialisten.

287Het tweede verhaal uit de Contes cruels (1883).
288Van de Poëmes en prose zou Van Deyssel kennisnemen in 1893, toen hij in 't bezit kwam van de in dat jaar van Stéphane Mallarmé verschenen bundel Vers et Prose. Morceaux choisis. Avec un portrait par James M.N. Whistler. Bizonder getroffen werd Van Deyssel toen door het tweede daarin voorkomende prozagedicht Plainte d'automne, dat (op een tijdstip waarop Van Deyssel nog geboren moest worden) aanvankelijk de titel l'Orgue de Barbarie had meegekregen. Eugène Lefébure had op 13 mei 1864 aan Mallarmé geschreven: ‘Je serre cette chère main qui a écrit l'Orgue de Barbarie, un adorable chef d'oeuvre que je sais par coeur.’ (citaat ontleend aan: Stéphane Mallarmé, Oeuvres complètes - zie noot 265 - a.w., blz. 1548).
Die bizondere getroffenheid van Van Deyssel moet veroorzaakt zijn geworden door ‘de schok der herkenning’. Zelf koesterde hij, zij 't heimelijk, een zekere affectie voor draaiorgels, zoals geïllustreerd kan worden met bijv. deze dagboekaantekening van 18 oktober 1889: ‘Ik vind er een delicieuze genieting in mijn schrift door een straatorgel begeleid te hooren (zoo als nu gebeurt). Ik breng een heerlijke ochtend door, met ontstaande, zwellende en vergaande stemmingen, gewekt en begeleid door de straaatorgels van de kermis. Zoo lang ze aan den gang zijn, gaat'et prachtig, ik zit ten minste den heelen ochtend te huilen, maar als er twee valschelijk tegen elkaâr ingaan ... is'et nóg prachtig, want dan breekt mijn stemming in een scheurend, inwendig schaterlachen (...) Die heerlijke draai-orgels van deze Bergen-op-Zoomsche kermis trekken mij als sirenenstemmen in het heerlijke water van Wil, Werk en Stemming, waar ik voortdurend in wensch te baden.’ Vgl. Mallarmé, Oeuvres complètes, a.w., blz. 270-271: ‘l'orgue de Barbarie, dans le crépuscule du souvenir, m'a fait désespérément rêver. Maintenant qu'il murmurait un air joyeusement vulgaire et qui mit la gaîté au coeur des faubourgs, un air sur-anné, banal: d'où vient que sa ritournelle m'allait à l'âme et me faisait pleurer comme une ballade romantique? Je la savourai lentement et je ne lançai pas un sou par la fenêtre de peur de me déranger et de m'apercevoir que l'instrument ne chantait pas seul.’ Veertig jaar later, in 1923 (De Nieuwe Gids, Jrg. 1923 I, blz. 263; herdrukt in Nieuwe Kritieken, A'dam 1929, blz. 97) zou Van Deyssel 't nog hebben over ‘de bekoring, die van alle, behalve van valsche, dus ook van grove of lage, gewóne muziek uitgaat. Ook van een ordinair draai-orgel’, en zou hij vermelden dat een draaiorgel ‘een heerlijk gevoel opwekken deed’ bij Mallarmé. Zesenvijftig jaar later zou hij in De Nieuwe Gids, Jrg. 1939 I, blz. 865-872, in zijn beoordeling van Julien Duvivier's film De onsterfelijke wals opmerken o.m. dat hij niet bedoelde hiermee een ‘eenigszins muziek-kundige, muziekbeöordeeling’ te geven. ‘Toen de Parijsche dichter Stéphane Mallarmé omstreeks 1880 door het hooren van een straatorgel in een extase gebracht werd, die hem zelf zóo kostbaar voorkwam, dat hij de menschlievende handeling der belooning van den orgeldraayer, met verplaatsing van Mallarmé's lichaam, naliet op dat zijn extase ongebroken zoude blijven, - gaf Mallarmé door dit gedrag een, bepaald, soort muziek-beöordeeling. Dit is echter een volkomen ànder soort muziek-beöordeeling als, bij voorbeeld, geeft de heer A.M.G. Arntzenius over een Concertgebouw-praestatie. En nu moge ik aanstippen, dat mijne recensie van De Onsterfelijke Wals meer behoort bij het genre waardeeringen als waartoe die van Mallarmé gerangschikt moet worden dan tot de klasse van Arntzenius' verrichtingen.’
289De binnenkant van de omslag van aflev. 4 (april 1889) van De Nieuwe Gids, Vierde jrg. II, zou de mededeling bevatten: ‘De heer Albert Verwey is uit de Redactie getreden; hij blijft als Medewerker aan het Tijdschrift verbonden.
De heer P.L. Tak, onze bekende Medewerker, is tot de Redactie toegetreden.’
290Verschenen in 1888 bij W. Versluys te Amsterdam; zie Mea Nijland-Verwey, Verwey en Kloos. Van het Leven, in De Nieuwe Taalgids, dl. 58 (1965), blz. 217-229.
291Dit oordeel over Aäron Aletrino (1858-1916) was gebaseerd op de zeven bijdragen, tot dusver van zijn hand in De Nieuwe Gids verschenen. Aletrino's debuut, In 't donker, vond plaats in de Eerste jrg. II, aflev. 5 (juni 1886). Laatstelijk had hij meegewerkt, met Een achtermiddag, aan de Vierde jrg. I, aflev. 2 (december 1888), blz. 199-210.
292Onder de schuilnaam A. Brouwer had Jac. van Looij De nachtcactus bijgedragen aan De Nieuwe Gids, Derde jrg. II, aflev. 4 (april 1888) en aflev. 6 (augustus 1888).
293Van Deyssel was 't hier niet mee eens, zoals duidelijk blijkt uit zijn van maart 1890 daterende beoordeling van Jac. van Looij's Proza (1889), in De Nieuwe Gids, Vijfde jrg. II, aflev. 5 (juni 1890), blz. 299-302; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, A'dam, 1895, blz. 3-6.
294Zie noot 178.
295Zie noot 315.
296Het oordeel van Prins over Die Quitzows (1888) van Ernst von Wildenbruch (1845-1909), een toneelstuk dat handelde over de geschillen van de Hohenzollern met de Brandenburgse adel, wordt geheel bevestigd door Herbert A. en Elisabeth Frenzel in hun Daten deutscher Dichtung, Band II, München, 1962, blz. 111: ‘Stärkster Gegensatz zu den naturalistischen Kunsttendenzen. Mangel an Umwelt- und Charakter-zeichnung, Typen statt Charaktere. Pathetische Pose, laute Leidenschaftlichkeit. Hof-Theaterstil.’
297Pieter Jacob Andriessen (1815-1877), auteur van overwegend historische verhalen voor de jeugd.
298Zie noot 173.
prepostterug  begin  verder