Mont-lez-Houffalize
Luxembourg Belge
29 Januari 1889.
Waarde Heer,
Ik ben als een uitgehongerde op Uw boeken aangevallen. En heb nu ‘uit’: Mirbeau, Le Calvaire; Rod, Course à la mort; P. Adam, Soi; Bourget, l'Irréparable; Bonnetain, l'Opium; Margueritte, Confession posthume; P. Adam et Jean Moréas, Le Thé chez Miranda.
Aan de Revue Moderniste heb ik weinig, zoo als U al voorzag, de Revue Indépendante is veel interessanter. Crime d'amour van Bourget en Les Hantises van Dujardin299 kende ik, maar vooral het laatste zal mij goed te pas komen.
Van de genoemde werken vind ik de belangrijkste dat van Bonnetain en dat van Margueritte. Bonnetain is in l'Opium veel beter dan in Le Tour du monde300 en in Charlot s'amuse,301 ja, zeer veel beter. Maar vooral de novelle l'Impasse
van Margueritte heeft een geweldige impressie op mij gemaakt.302 Vergis ik mij niet in den aard mijner emotie, dan moet de genealogie dier novelle in Engeland gezocht worden. Het sentiment van l'Impasse is verwant aan die der groote engelsche dramatiek en lyriek. La Confession posthume van Margueritte stamt, meen ik, even als La mauvaise aventure van de Sainte- Croix, van Stendhal af.
Erens, de beste fransche-literatuurkenner van onze vrienden in Nederland, vindt de twee hoofdstukken, die ik in den a.st. N.Gids heb,303 het beste van wat ik tot nu toe gepubliceerd heb. Als U ze nu gelezen zult hebben, zoû U mij iets zeer aangenaams aandoen met mij ten eerste te zeggen, wat U er van vind en ten tweede met welken franschen auteur U vind dat die stukken de meeste verwantschap vertoonen.
U zoekt zaken over de middeleeuwen. Mijn vader heeft in zijn bibliotheek, op 't oogenblik in bruikleen in 't Rijks-Museum te Amsterdam, zeer veel daarover. Als ik nauwkeuriger wist wát U zoekt, titels enz. zoû ik U misschien tot mijn genoegen aan iets kunnen helpen. Over de légende dorée heb ik hem al geschreven.
Over de jongere franschen en mijn artikel daarover nog dit: Voor-eerst ben ik zoo vrij U te herinneren aan de inlichtingen, die U mij geven zoû; ten tweede, wilde ik U vragen of U denkt dat ik mij met kans van slagen tot hen of hun uitgevers zoû kunnen wenden om van hun werken te krijgen. Ik vermoed van neen, om dat ik hun totaal onbekend ben. Maar als het wél kon, zoû ik Ú niet zoo lastig behoeven te vallen.
Uw waardeering van of liever meening omtrent Mallarmé c.s. deel ik eigenlijk niet. Wanneer, dunkt mij, iets zóo onbegrijpelijk is, dan is 't òf onzin of het is bizonder diep. Nu is 't niet denkbaar, dat vijf of zes dichters, die de andere literatuur toch ook kennen, en die een tijdschrift uitgeven, eenvoudig onzin
zouden schrijven. Het irriteert mij ook zeer dat ik er niets van var,304 maar ik geloof bepaald dat 't aan míj ligt. Maar vat ik er werkelijk niets van? Dat geloot ik niet. Ik geloof dat ik de stamelende Ahnung gevoeld heb. Dit leid ik hieruit af: als ik b.v. een gedicht van Beets lees, doet mij dat niets, het wekt geen fantazie in mij op, werkt noch op mijn gevoel noch op mijn verbeelding. Maar lees ik b.v. Nuit sur la lande305 van Kahn dan werkt dat niet op mijn gevoel,
ik bedoel het emotioneert mij niet, maar ik zie toch vaag in mij een nacht, waarnaar in kolk-vorm wanhoop opkrinkelt. Dat is vaag de fantazie, die de lezing van het gedicht in mij doet ontstaan.
Nu, dat zie ik, dat is het begin. Als ik er mij krachtig in werk, hoop ik ook te voelen en dan ben ik er.
Het boek van Paul Adam, Soi, vind ik al bizonder zwak. Het is vol van de meest impertinente kopiën naar Zola in een stijl van het ‘mengsel’ Mendès306-De Goncourt. Het voorbijrijden van den keizer b.v. is uit La Curée,307 enz., enz.
De korte novellen van Moréas en Adam vind ik ‘wel aardig’. De werken van Poe ken ik niet, of alleen maar wat Dujardin, etc. er van te kennen geven.
Met mijn vriendschappelijke groeten,
Uw dw.
K.L.J. Alberdingk Thijm.
Ik heb met een zeker genoegen aan de boeken gezien hoe U leest, namelijk het deel niet open op tafel, maar in de hand. De douane had het pakpapier verscheurd, zoo dat de boeken een klein beetje geleden hebben.