terug  begin  verderprepost

52

Hamburg 17/12'89.
Colonnaden 33 III

Waarde Heer,

Ik ontving uw telegram en brief, en seinde U op eerstgen:. ‘Adres goed’.

Hartelijk dank voor uw belangstellende vragen. Ik had U eigentlijk al reeds

[p. 127]

lang eens willen schrijven, doch ik wist niet meer waar uw adres was, en daar ik had gehoord, dat U bij Brussel woonde, besloot ik met mijn brief te wachten tot ik te Amstm. zou zijn (met Kerstmis reis ik daarheen) waar ik wel van de vrinden uw adres zou te weten komen.

Wat nu mijn werk aangaat, zoo heb ik eene lange periode van moedeloosheid doorgemaakt. Ik twijfelde aan mijzelf. Gelukkig ben ik nu echter weder aan 't werk, en bezig aan een middeleeuwschen roman. Dit is, zooals U kunt denken, een heele arbeid en waarschijnlijk zal het nog wel een paar jaar duren, voor dat dit werk verschijnt. De studie over zeden, gebruiken, costumes, bouwkunde etc hebben mij verscheidene maanden geoccupeerd, doch nu ben ik sedert 5 à 6 weken aan het schrijven, en het eerste hoofdstuk is reeds vrij goed gevorderd.

Mijn bundel heb ik laten liggen, later voltooi ik die wel eens, en dat ik in lange tijd niets in de N.G. geplaatst heb, komt daarvan, dat ik aan mijn roman werk.

Het voortdurend schrijven van kleine stukjes is ook gevaarlijk. Ik bemerk dit aan mijzelf. Niet alleen, dat men hetgeen men heeft verbrokkelt, maar langzamerhand wordt men er door verlamd, ten minste zoo is 't mij gegaan. Hetgeen ik schreef werd voortdurend kleiner en met minder mouvement. Gelukkig heb ik mij daaraan ontworsteld. -

Gaarne hoor ik eens hoe het met uw werk gaat. Is de groote kritiek over de jongere franschen al gereed of wel zit U ook aan een roman?

In Septr ll was ik te Parijs. Huysmans werkt aan een roman Là-bas,327 die vreeselijk interessant wordt ten minste naar 't sujet te oordeelen.

Over 3 dagen reis ik naar Holland. Mocht U mij willen schrijven, adresseert

[p. 128]

U dan svp uw brief naar Voorburg bij den Haag. Ik blijf wel tot 6 à 8 Jany in Holland, en kom dan weêr naar hier terug.

Uw brief, met dien voor de Luiksche dame ontvangen; laatstgenoemd schrijven heb ik ingevolge uw wensch op de post gegooid.

Na hartelijke groeten

Uw toegenegen
Arij Prins.

327Deze roman zou van 16 februari tot 20 april 1891 als feuilleton verschijnen in L'Écho de Paris. Op 13 april 1891 was hij reeds in de boekhandel verkrijgbaar. Zie no. 53 A in deze uitgave. Enkele dagen na de beëindiging van de lectuur van Là-Bas maakte Van Deyssel de volgende merkwaardige aantekening, die hij aanvankelijk wilde laten fungeren als slotparagraaf van zijn bespreking van Là-Bas, maar die hij uiteindelijk toch elimineerde: ‘O, die tocht, in het heerlijke oppervlakkige leven, dien ik gemaakt heb, toen ik Huysmans' boek uit had. In een gouden derde-klas-wagen, het delicieuze rood van de stationschef-pet, als een vrucht van vreugde, - rijdend door den wit en blauwe aether, die als transparant zilveren muziek gespannen, éen wijdte van tot kleur verzichtbaarde juichmuziek, de groote klankruimte, waarin de geluiden als rood ijzer in een wond zoo fel, maar dan in het verrukt genoegelijke, vlijmden en trilden, de hamers tegen de ijzeren wielen als stemsleutels, en de beste menschen, hoe zij lief, mooi en goed praatten, de brave veekoopers, de vriendelijke, beste beste handelsreizigers, - o, de feestelingen, in het gulden dagpaleis. De hemelingen! Zij waren zoo in vrede en rust, wel wetend dat zij in den lévenshemel waren. De verrukte jubelschreeuw van de lokomotief! Hoe de landen open en goud in de zon te bloeyen lagen. En overal de korte melodieën der geluiden, van timmeren en verzetten, heerlijk, van een man, die sprak, een braven, goeyen man, met zijn pet en zijn ruig en rood gezicht, een man, dien ik liefheb, ja lief, om dat hij daar als een vast en mij als zijn gelijke begrijpend wezen stond, mijn vriend, mijn genoot, mijn makker in dit blijdschap-bedwelmend avontuur van samen dus op de aarde te staan.
O, zon, kom, streel mij weêr, aai mij nog dikwijls met uw groote blijde gouden hand, waartegen het mij zoo goed is kopjes-te-geven. Kom, lente, ombloei mij op-nieuw, hoe ik U ook zal gaan zien, al-tijd zal ik U blijven beminnen, ook in uw dadelijke verschijning. Ik heb U toch niet beleedigd! Ik heb toch niet beleedigd uw zoete kleuren van parelgrijs, bleek violet, van rozig ròse en bruid-wit.
Ik kan mij tegen uw liefde niet verzetten, o leven, leven van luchtkleuren, stille ruisch-boomen, helder gekweel en bronzen gezoem van menschenstem en menschenlach, luid gouden leven van windkrullen en vlagen zonneschijn’.
prepostterug  begin  verder