terug  begin  verderprepost

54

Hamburg 2/12'91.

Waarde Heer Van Deyssel,

Ik ben reeds lang van plan geweest U eens te schrijven.

Om te beginnen bedank ik U zeer voor hetgeen U over mijn stukjes in de N.G. hebt geschreven. Er zijn twee hollandsche letterkundigen wier oordeel voor mij van veel waarde is, en wel U en Kloos.

Ik ben thans bezig aan een stuk ‘Harold’ over de Angelsaksers en Noormannen (XIe eeuw) en ik schiet er flink mede op, zoodat ik het waarschijnlijk voor de N.G. van 1 Febr. gereed zal krijgen.

Mijn methode van werken is tegenwoordig geheel anders dan vroeger. Indertijd werkte ik steeds, las en schreef alle dagen, thans doe ik echter bijv. gedurende 3 à 4 maanden niets, en bekommer me ook weinig om litteratuur.

Langzamerhand komt dan echter eene groote lust weer aan het werk te gaan. Ik begin te schrijven en werk dan hard en zonder ophouden tot ik gereed ben.

De Hamburgsche Stadsbibliotheek is voor mij een ware schat - ik vind daarin alle boeken, die ik noodig heb.

Gaarne hoor ik eens hoe het U gaat, en waaraan U bezig zijt.

Het fragment van Menschen en Bergen331 beviel mij uitstekend. Bent U nog aan dit werk bezig?

Hoe staat het ook met uw stuk over de nieuwere fransche letterkundigen?

U moet mij al deze vragen ten goede houden, doch uw werk interesseert mij zoo zeer.

Hoe vindt U Delang's stukjes?332 Ik heb er erg mede op en geloof, dat hij een der meest begaafden is, en nog veel moois zal maken. Misschien is hij echter thans in een overgangschperiode.

[p. 131]

Wat is Gorter kolossaal in de hoogte gekomen,333 en wat maakt hij puur-mooie dingen!

Van Netscher in jaren niets gehoord. Het schijnt wel, alsof hij litterair dood is. -

Weet U, dat Huysmans er over denkt een Là-Haut334 te schrijven? Ik dacht

[p. 132]

eerst, dat het over de middeleeuwen zou zijn, doch het wordt een mystiek, religieus modern boek. Ik ben er zeer benieuwd naar.

Israels jr. was gedurende zes weken hier, en is voor acht dagen weêr naar Holland vertrokken. Hij heeft hier veel gestudeerd.

Kent U Een Passie? Ik heb van dat boek335 gehoord, en het besteld.

Ik ben benieuwd hoe de roman van Erens Oorlog336 wordt. Het begin bevalt mij niet. Hij heeft het zeker met hooge artistieke aspiraties geschreven, doch het is zwak geworden.

In de hoop eens wat van U te hooren, na vele hartelijke groeten

Uwdwdr.
Arij Prins.

Adres
Colonnaden 33 III
Hamburg

331Menschen en Bergen III, in De Nieuwe Gids, Zevende jrg. I, aflev. 2 (december 1891), blz. 285-290; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, A'dam, 1895, blz. 245-250.
332Aan dezelfde aflevering droeg Delang (blz. 240-243) Uitvaart en Eene bloem bij.
333Prins zal hier vooral gedacht hebben aan De Nieuwe Gids, Zesde jrg. II, aflev. 6 (aug. 1891), waaraan Gorter vijfendertig pagina's poëzie bijdroeg (blz. 422-457). Deze aflevering opende met Prins' Een koning, blz. 337-352. Zie ook: Harry G.M. Prick, Van DeysselsArtistieke Komedie’, in De Nieuwe Taalgids, deel 63 (1970), blz. 209-217.
334Hiervan is niets gekomen. Tussen Là-Bas (1891) en En Route (1895) voltrok zich Huysmans' bekering. Hoezeer deze bekering Van Deyssel intrigeerde, blijkt uit een aantekening van 6 maart 1895, gemaakt tijdens de voorbereiding van zijn bespreking van En Route (zie noot 452): ‘Er zijn vier plaatsen, waar Huysmans raakt aan dat, wat de hoogere inhoud van zijn boek had kunnen zijn: 1e zegt hij, dat hij “geloovig” is geworden, dat hij ontvangen heeft “het Geloof”. Hiervan deelt hij verder mede, dat het proces van geloovigworden gebeurd is in zijn onbewustheid. Het is gebeurd, maar hij weet niet hoe. Op een zekeren ochtend werd hij wakker en merkte dat hij “het Geloof” had. Maar, zegt hij, al weet hij niet hoe 't gegaan is, de oorzaken van dit verschijnsel, van zijn “geloovig-worden”, kan hij wel eenigszins naspeuren. Hij weet er drie: ten eerste, het atavisme, de geloovigheid van zijn voorgeslacht, sommige religieuse indrukken in zijn jeugd ontvangen en die achter zijn ongeloovig leven om, ongemerkt in hem hebben voortgewerkt; ten tweede, de kunst, zijn bewondering voor de schilderijen der Primitieven, de middeneeuwsche architektuur, de oude muziek, proza en poëzie; ten derde, zijn walging van de hedendaagsche wereld.
Dit nu, is alles goed en merkwaardig. Het hindert ook niet, dat zoo uitvoerig door den jong-geloovige de oorzaken zijner verandering rationalistiesch en fysiologiesch worden gezien en verhaald. Maar, wel voelde ik hier het gemis aan wat het voornaamste is, namelijk aan een omschrijving van wat daarmede bedoeld wordt: “Het Geloof”. Ik was voortdurend geneigd te vragen: wat ís dat “geloovig zijn”, “het Geloof hebben”?
2e spreekt hij ergens van eene zachte (doorgehaald: inwendige aanraking) aanraking van zijn zieleleven, die hij gewaar werd, van een van buiten hem komende wil, die zich voor de zijne in de plaats stelde.
3e verhaalt hij van het buiten zich zelf gaan in het gebed.
4e zegt hij dat hij, na de Biecht, “de tegenwoordigheid van Christus in de kamer zeer naauwkeurig (“très nettement”) voelde”.
Maar, vooral bij de lezing van het tweede deel der geschiedenis, dat het mooiste is, verlaat mij de spijt over wat het boek had kunnen zijn en niet is, aanvaard ik en ben blij met de innige aandoenlijkheid die het heeft, juist om dat het niet anders is dan het is, zoo gewoon en eenvoudig, zoo zonder zielegeleerdheid, zonder hoogere methode, zonder overweldigend Begrip, zonder prachtige Visie. Want nu is het een weldaad voor het Hart, met zijn lieve en simpele nederigheid, zijn gewone en naauwkeurige hedendaagschheid, de diep-heldere wel van zijn moreele-schoonheid. Daarom is het boek éénig en zijn verschijning iets veel meers dan wat de, fijnere, psychologen, de, meer poëtische, symbolisten, de, rijker verscheiden, artistiek-gevoelige archeologen geven, - om dat het de zedelijkeschoonheid in de moderne-menschenziel gekomen beduidt, om dat het de in berouw gebroken-ziel van een nieuwerwetsch Parijsch schrijver doet zien, een die van de wereld walgde, en nu meer nog walgt van zich zelf.
Ik meen, dat het geloovig-zijn op twee wijzen kan gebeuren: het kan zijn de bevrediging van iemants hoogste wijsgeerige en gevoel-reikingen, èn, ook, kan het de bevrediging van alleen een gevoel, nederig en gewoon, eerder diep dan hoog wezen, de konkreet-wording van een levensgevoel van gelatenheid en onderwerping’.
335Bedoeld wordt de onder de schuilnaam Vosmeer de Spie door Maurits Wagenvoort (1859-1945) in 1891 gepubliceerde roman Een passie. Analyse van een gemoedstoestand.
336In De Nieuwe Gids, Zevende jrg. I, aflev. 1 (okt. 1891), blz. 5-10, had François Erens een aan Maurice Barrès opgedragen fragment van zijn roman Oorlog gepubliceerd, voor de eerste maal herdrukt, echter met weglating van de opdracht, in Erens' Gangen en wegen, Bussum, 1912, blz. 264-271.
prepostterug  begin  verder