terug  begin  verderprepost

55

Bergen-op-Zoom, 14 December 1891

Waarde Heer,

Ik had U ook al lang willen schrijven. Ik vind dat U wel veel geduld heeft met de boeken, die ik van U ter leen heb. Ik hoop ze nog wat te mogen houden. Het is met mijn studie over de Franschen en met die boeken zoo gegaan: in '88 kreeg ik ze; in den winter '88-'89 las ik ze en zoû er juist meê gaan werken, toen in Maart '89 mijn vader stierf en dientengevolge mijn leven geheel gerevolutionneerd werd. Nu, sinds Juni, ben ik eigenlijk weêr pas op streek. En nu zal ik ook weêr aan die studie gaan, maar in dien tijd is er weêr veel gebeurd (symbolisten, enz.), zoo dat mijn overzicht nu weêr uitgebreider moet worden. Als U nog meer artikelen van Léon Bloy heeft, houd ik mij aanbevolen, ook voor de Sous-offs, van Descaves, meen ik, dat U zoo vriendelijk was mij aan te bieden.

Heeft U de interessante Enquête sur l'Evolution littéraire van den reporter Huret337 in den Écho de Paris (later afzonderlijk bij Charpentier verschenen) gelezen?

De enorme rijkheid van de Fransche literatuur is verbazend. Heeft U gezien

[p. 133]

van de Expositie van de Rose-Croix?338 Heeft U Les Chants de Maldoror339 gelezen?

Ofschoon ik de gemeenschappelijke eigenschappen niet bespeur, die de symbolisten tot éen groep maken, acht ik van de auteurs, die zich zoo noemen, Gustave Kahn de beste. Kahn zal naar mijne meening het beste praesteeren.

Ook in België is veel moois. Ik vertaalde dezer dagen voor een Amsterdamschen schouwburg, bij wijze van industriëel werk, een dramatje van Maeterlinck, L'Intruse,340 maar het heeft mij sterk geimpressioneerd. Kent U dat? Het is met de aller-eenvoudigste middelen het sterkste effekt, door den meest simpelen dialoog, zonder beschrijving. Alleen de aanwijzing van de inrichting van het tooneel is beschrijving. Maar het kurieuze is, dat zelfs die aanwijzing al kunsteffekt heeft.

 

Met genoegen hoor ik, dat wij gauw weêr iets van U krijgen. U is produktief tegenwoordig. Uw laatste kunst, met Sint Margareta te beginnen, interesseert mij zoo mogelijk nog meer dan de voorlaatste. Ik zal U bekennen, dat ik er veel voor over had om te weten of ik ook iets in dien trant zou kúnnen maken als 't moest. Want U staat geheel op U zelf. Uw kunst ontsnapt aan den verwantschapsband die er is tusschen al het werk van Gorter (het latere, na ‘Mei’), Van Looy, Aletrino, Erens, Delang, Netscher, v. Groeningen341 en mij. U begrijpt

[p. 134]

wat ik bedoel. Tusschen de verzen van Gorter en het werk van b.v. Netscher is een enorm verschil. Tóch is er meer verwantschap tusschen al de zoo even genoemden dan tusschen welke dier genoemden ook en U. En Uw procédé, om het zoo te noemen, kan ik maar niet in de macht mijner waarneming krijgen. Ik meen dat, al kon ik er het leven van mijn moeder of vrouw meê redden, ik geloof niet in staat te zijn iets in uw trant te maken.

Gorter werkt zeer mooye zaken. Er zijn er hier maar heel weinige, zelfs onder zijn vrienden, die hem begrijpen.

Maar laat mij U, voor ik het vergeet, nog iets over Uw eigen werk vragen: is er diepere koncentratie in Uw latere werk dan in Uw eerste, essentiëel diepere koncentratie, grooter inspanning, of is alleen het cerebrale toestel in andere richting geplaatst? Ik hoop dat ik mij duidelijk uitdruk.

 

Ik ben, zoo als U gezien zal hebben, nog steeds met Menschen en Bergen bezig. Ik heb ook een groot opstel over het Socialisme342 onder handen, al sinds een jaar. 40 paginaas zijn er van klaar. In Maart of April zal voorts, naar ik hoop, mijn nieuwe roman343 verschijnen, opvolger van De Kleine Republiek. Die roman behandelt de liefde van mij voor mijn vader, of mijn predomineerende passie van het 14e tot 17e levensjaar, en dit eenigszins in den trant van mijn nu laatstelijk verschenen fragment van Menschen en Bergen.

Met Delang ben ik ook zeer ingenomen.344 Het is kurieus dat hij telegrafist van beroep is en nu en dan schrijft in artistieke telegrafie.

Netscher heeft na zijn eerste novellen twee bundels met letterkundige portretten van Kamerleden345 uitgegeven. Die kent U toch? En nu heeft hij een ‘roman in twee deelen’ in de dagbladen doen aankondigen, getiteld ‘Egoïsme’.346

 

Een Passie ken ik. Er bestaat verschil van gevoelen347 over de hoedanigheid

[p. 135]

van dat boek tusschen mij en de N.Gids-redaktie. Daarom heeft men mijne recensie niet willen plaatsen. Ik vind het, te vergelijken met Zuster Bertha348 van Aletrino, wel grof, zeker; maar ik vind er toch meer goeds in dan de N.G.-redaktie er in vindt. In Z. Bertha is meer literatuur, in Een Passie meer ‘temperament’.

 

Met zijn roman Oorlog heeft Erens meer literaire intentie dan men misschien vermoeden zou. Ik weet niet of U het weekblad De Amsterdammer leest. Nu, daarin heeft Erens eenigen tijd geleden eene recensie geschreven over Le Vierge van Vallette.349 Al reageerend tegen de gekompliceerde taalvervorming van Gorter, Delang en anderen,350 betoogde hij in dat artikel, dat men tot een eenvoudiger taal, een eenvoudiger realisme moest terugkeeren. En van dat eenvoudige realisme moet, meen ik, Oorlog als een proeve beschouwd worden. Goed vind ik er van de uittocht van dien jongen man uit zijn dorpje, met de beweging der vogelen om hem heen.351 Erens is overigens zeer veelzijdig, bijna al zijn stukken zijn elk in een andere manier.

 

Geeft U niet spoedig een tweeden bundel uit? Mij dunkt U heeft al over genoeg te beschikken.

Blijft het Hollandsch U even gemeenzaam als vroeger in weêrwil van Uw langdurig verblijf in het buitenland? Op mij heeft het verblijf in het buitenland geen invloed om dat ik om zoo te zeggen niemand spreek, maar het interesseert mij of iemand, die wel met menschen omgaat, er ook geen hinder van heeft.

Israëls vertelde mij verleden jaar352 van Uw sportbemoeyingen. Doet U zelf ook praktiesch aan sport?

 

Ik denk er over om in Kleef te gaan wonen. Kan U mij ook zeggen hoe het

[p. 136]

staat met de militaire verplichtingen van een Hollander, die zich in Duitschland vestigt?

Bergen-Op-Zoom zal ik ten slotte wel uit móeten, om dat mijn vrouw voortdurend de koorts heeft. 't Is hier moerassig en koortsig. Ik woon liever in 't buitenland en België is voor mij voorloopig gesloten. Dus moet ik, om dicht bij te blijven, wel naar Kleef (dat is maar 2½ uur van Amsterdam tegenwoordig).

Kan ik echter in Holland een goed klein huis, ‘buiten’ maar toch dicht bij een stad vinden, dan blijf ik in Holland.

Niets is ellendiger dan verhuizen. Ook woon ik op 't oogenblik wel naar mijn zin, maar met de permanente koortsen is het onhoudbaar.

 

Ik beveel mij aan om weêr eens iets van U te hooren, doe U mijn beste groeten en blijf

Uw dw.
K.J.L. Alberdingk Thijm.

337Jules Huret (1864-1915) publiceerde in 1891 in het dagblad L'Écho de Paris een toen sterk de aandacht trekkende ‘Enquête sur l'Evolution littéraire’, nog datzelfde jaar in boekvorm verschenen onder de titel L'évolution littéraire. Enquête sur le déclin du naturalisme et l'avenir du symbolisme naissant.
338Een raadselachtige mededeling omdat de eerste Salon de la Rose † Croix, in de Parijse Galerie Durand-Ruel, eerst op 10 maart 1892 zou worden geopend. Vermoedelijk echter zinspeelt Van Deyssel op de aan deze tentoonstelling gegeven vóor-publiciteit, die groot en langdurig moet zijn geweest, gezien het feit, dat op de openingsdag, ondanks de hoge entréeprijs, niet minder dan elfduizend bezoekers kwamen opdagen.
339In de eerste en enige kroniek over Nieuwste Fransche Letteren, door Willem Kloos bijgedragen aan De Nieuwe Gids, Zesde jrg. II, aflev. 4 (april 1891), blz. 75-91, had deze ook besproken Les Chants de Maldoror (1869) - in de derde druk van 1890 - door Le Comte de Lautréamont (Isidore Ducasse, 1846-1870). Het boek werd aan Van Deyssel op 29 mei 1891 door Kloos in bruikleen toegezonden. Van Deyssel heeft 't echter nooit geretourneerd. Op 5 april 1891 had hij reeds aan Van Eeden geschreven: ‘Ik zal iets moois maken, er is een groot leven van visioenen in mij. Zoo iets als die Chants de Maldoror, naar ik, die het boek niet gelezen heb, uit Kloos' recensie op-maak, ligt al sinds jaren voor een zesde part klaar in mijn kast.’ Van Deyssel dacht hierbij aan zijn van 1887 daterend manuscript Ik. Het dagboek van een zonderling, waaruit hij in de Zesde bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1901, blz. 69, drie fragmenten zou publiceren.
340C.F. van der Horst had ervoor gezorgd dat door de directie van de Amsterdamse Salon des Variétés aan Van Deyssel de vertaling werd opgedragen van Maurice Maeterlinck's L'Intruse (1891). De eerste (en waarschijnlijk enige) voorstelling van L'Intruse, vertaald onder het pseudoniem K.J. Weel als De bange Avond, Neo-impressionistiesch tooneelspel in één bedrijf, vond plaats op 30 maart 1892, in de Grote Schouwburg te Den Haag. Zie ook Gedenkschriften (ed. Prick), blz. 474-475.
341Augustus Pieter Barendrecht, sedert 2 juni 1869: August Pieter van Groeningen (1866-1894), had op dit tijdstip de novelle Haagsche Leen (1889) en de roman Martha de Bruin (1890) gepubliceerd.
342Het grootste deel van dit opstel over Socialisme zou verschijnen in De Nieuwe Gids, Zevende jrg. I, aflev. 3 (februari 1892), blz. 365-396; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, A'dam, 1895, 277-311.
343Van deze roman, een lyrisch-verhalend werk, werden slechts twee hoofdstukken voltooid. Tot dusver werd alleen het eerste hoofdstuk gepubliceerd, onder de titel Jeugd. Een prozagedicht, in De Nieuwe Gids, Zevende jrg. I, aflev. 3 (februari 1892), blz. 342-360; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, A'dam, 1895, blz. 253-273.
344Delang, schuilnaam waaronder Gerrit Jan Hofker (1864-1948) meewerkte aan De Nieuwe Gids, werd in 1889 nog door Van Deyssel beschouwd als een gevaarlijke rivaal. Zie Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel/Dertien close-ups, A'dam, 1964, blz. 188.
345In en om de Tweede Kamer. Parlementaire portretten en schetsen. Amsterdam, 1889, en Uit ons Parlement. Portretten en schetsen uit de Eerste en Tweede Kamer. Met illustraties van J. Holswilder. Amsterdam, 1890.
346Egoïsme. Een Haagsch verhaal, zou eerst verschijnen in 1893.
347Over dit verschil van gevoelen kan de lezer zich uitvoerig laten informeren door ons artikel Naar aanleiding van een notulering door de Nieuwe-Gids-redactie, in De Nieuwe Taalgids, deel 57 (1964), blz. 92-96.
348Zuster Bertha, door A. Aletrino, verscheen in 1891 bij W. Versluys te Amsterdam. Zie ook noot 357.
349Deze recensie, verschenen in het weekblad De Amsterdammer van 3 mei 1891, werd herdrukt, onder de titel Een mooi boek, in Erens' Litteraire wandelingen, A'dam, 1906, blz. 81-88.
350Deze auteurs werden, door Erens niet met name genoemd. Maar hij schreef wel: ‘Hij (Vallette) plukt de volzinnen met zekere hand als roodglimmende kersen uit den levensboom en wij knutselen over gecompliceerde volzinnetjes en trachten een mooi orkest te scheppen met de glazen klokken onzer geraffineerde bedenkinkjes.’
351Dit slaat op blz. 8 van Erens' in noot 336 genoemde romanfragment: ‘Driek stapte door. Naast hem zongen de vogels in de weelderige doornenheggen, bij zijn voorbijgang vlogen zij op met geruisch in de bladeren en takken en gingen weer zingen in andere struiken. In het diepe hooge blauw smolten de leeuwerikken weg, strooiden voortdurend hun trillers rond over de aarde uit de goudene onzichtbaarheid, terwijl in de schaduwen de meerels waterklank-zongen hun luidende altos.’
352Op 15 september 1890.
prepostterug  begin  verder