395Op 18 april 1890 had Van Deyssel zich reeds voorgenomen
Akëdysséril (zie noot 259) te vertalen. Op 9 mei 1890 overwoog hij een verhaal te schrijven over Jezus Christus ‘in den trant van Akëdysséril.’ Op 27 mei 1890 leende hij
Akëdysséril aan Frank van der Goes en op 23 juni 1890 noteerde hij: ‘Aan v.d. Goes Akëdysséril te-rugvragen, ik vertaal het voor de volgende aflevering. Hem vragen mij ook te zenden het woordenboek (van Littré - H.P.) en
Vie de Jésus en
Histoire du peuple d'Israël van Renan en
Génie du Christianisme van Chateaubriand’. Een groot fragment van
Akëdysséril. Proza van Villiers-de l'Isle-Adam. Bewerking in het Nederlandsch door K.J.L. Alberdingk Thijm, opende het maartnummer van De Kunstwereld. Weekblad voor Nederland en België gewijd aan Letteren, Tooneel, Muziek, Schilder-, Bouw- en Beeldhouwkunst, jrg. 1894, No. 11. Een noot vermeldde: ‘Het geheele werk verscheen dezer dagen bij de firma Scheltema & Holkema's Boekhandel (K. Groesbeek) te Amsterdam, geïllustreerd met 8 etsen door M. Bauer. Prijs ƒ 50,-.’ Van Deyssel vertaalde
Akëdysséril conform de eerste publicatie in de Revue Contemporaine (zie noot 259) en niet conform de, in een genummerde editie, afzonderlijk verschenen uitgave bij M. de Brunhoff, 16 Rue des Vosges, Paris 1886. In die editie, alsook in alle latere edities van
Akëdysséril, ontbreekt een alinea, voorafgaande aan de mededeling ‘Akëdysséril était la fille d'un pâtre, Gwalior’. Deze door Villiers niet gehandhaafde alinea luidt: ‘Telle
qu'une rivale de Sémiramis-la-Victorieuse, elle revenait, au centre de ses armées, d'expéditions lointaines, - d'un surtout, chez les Indo-Scythes, - et des monts d'Arachosie dont elle avait soumis les aborigènes. Sur la route, peu sûre, de son retour, la seule vue de son être, aux séductions inconnues, avait suffi pour enchanter de son prestige et ramener sous ses lois des peuplades en révolte contre ses droits d'usurpatrice’; in Van Deyssels vertaling (
Tweede bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1897, blz. 215): ‘Gelijk eene mededingster van Semiramis-de-Onoverwinnelijke, kwam zij wéér, midden-in hare legers, van verre tochten, - van een vooral, bij de Indo-Scythen, - en van de Arachosische bergen, waar zij de inboorlingen onderworpen, had. Op haren, niet geheel veiligen, te-rugweg, had het gezicht alleen van haar wezen, met zijn ongekende bekoringen, voldaan om de tegen haar veroveraars-rechten oproerige volkeren met hare verschijning te doen dwepen en onder hare wetten te-rug te brengen’.