terug  begin  verderprepost

84

Hamburg 30/1 '94.
Heimweg 3.

Amice,

Ik kom er eindelijk eens toe je te schrijven. Daar ik op mijn brief van midden Decr van hier niets van je heb gehoord, nam ik aan, dat ons bezoek door de geboorte van je dochtertje minder conveniëerde.

Ik hoop intusschen, dat 't zoowel je vrouw als de kleine meid steeds is blijven goed gaan.

Wij zijn nu bijna 3 weken getrouwd, en sedert 14 dagen hier. Onze huwelijksreis heeft er zich toe bepaald 3 dagen te Arnhem te blijven. Ik kon niet langer uit de zaken weg blijven, en 't seizoen lokte ons ook niet uit op reis te gaan.

Mijn vrouw is gelukkig en tevreden, ofschoon én 't huwelijksleven én 't ver-

[p. 180]

illustratie

[p. 181]

trek uit Holland voor haar enorme veranderingen heeft medegebracht. Mijzelf gaat 't ook in alle opzichten best, ofschoon 't mij soms zoo onbegrijpelijk voorkomt met mijn vrouw getrouwd te zijn. Enfin je kent de heele geschiedenis, dus 't zal je duidelijk zijn. Daar echter geen volmaakt geluk bestaat, zoo hebben ook wij twee dingen die hinderlijk zijn.

Ten eerste wordt 't echtelijk heil, dat wij smaken (woorden van Smit Kleine)415 eenigszins vergald door een invasie van vlooien in onze slaapkamer. Hoe die er komen is mij onbegrijpelijk, maar ze zijn er - en ik ga veel op de jacht.

Ten tweede is onze meid Helena waarschijnlijk door hereditaire invloeden physiologisch veranderd (woorden van Netscher). Ze schijnt of liever heeft ‘op het altaar van Venus geofferd.’ Bewijzen 1o er is een ‘vent’ in ons huis geweest, volgens beweren van een geloofwaardige dame 2o ze is 2 maal deze week om 3 uur 's nachts te huis gekomen. (ik heb 't niet gehoord, mijn vrouw wel)

3o Heeft mijn vrouw haar gearmd met 2 zegge twee Heeren gezien. Dat de eenigszins oppermachtige positie, welke Helena in mijn woning had, èn door de komst van mijn vrouw en door bovengenoemde feiten ernstig bedreigd wordt behoef ik je niet te zeggen.

 

Gewerkt heb ik sedert weken niet, maar ik hoop toch weêr gauw te kunnen of beter te zullen beginnen. De rijmen in het laatste stuk van Dragamosus zijn er toch weêr binnengeslopen - maar dit is nu verder uit. Ik weet dit bepaald.

Eigentlijk wenschte ik wel, dat Dragamosus geheel af was. Ik heb nieuwe sujets die me aanlokken.

Meld me eens bij gelegenheid hoe 't je gaat, en waaraan je bezig bent. Dit interesseert me altijd zeer, zoo als je weet.

'T Nieuwe Gids nummer van decr416 vond ik al bitter weinig zaaks. Hoe knap en groot dichter Kloos ook is, ik vind dat hij bepaald op een dwaalspoor is

[p. 182]

met zijn verzen en met zijn heele optreden als redacteur van de N.G. Het tijdschrift moet zeker honderden van abonnés verliezen. Wat zal 't einde zijn?

Adieu, vele groeten ook van mijn vrouw en broêr.

Ik hoor wel bij gelegenheid eens van je.

t.t.
Arij Prins

De zakdoeken enz. die je hier hebt laten liggen, zoekt mijn vrouw uit, en zal ze je zenden.

415Prins zinspeelt hier op Van Deyssels bespreking van de in 1891 bij H.D. Tjeenk Willink te Haarlem verschenen bundel Schrijvers en Schrifturen, door F. Smit Kleine, in De Nieuwe Gids, Zevende jrg. I, aflev. 1 (oktober 1891), blz. 99-105; voor de eerste maal herdrukt in Prozastukken, A'dam, 1895, blz. 175-182. Schrijvend over de auteur C. van Nievelt had Smit Kleine meegedeeld: ‘Dan bezoekt hij de Rhijnstreek of Zwitserland, vaak met, dikwijls ook zonder, zijne echtgenoote, door wie hij een voorbeeldig echtelijk heil smaakt,’ mededeling die door Van Deyssel werd geciteerd onder aantekening: ‘Wat een taal, kleine Smit! buiten-dien zegt men dat niet. Ben je weêr aan 't insinuëeren?’
416Daarin zal uiteraard Prins bizonder mishaagd hebben het door Kloos op blz. 319 gepubliceerde sonnet XXX: Tegen J.K. Huysmans:
 
‘O, gij uit uw kantoor-bediendes-kop
 
Ziende uw-zelfs klein in-innerlijkste smerig
 
Bestaantje, trots-gaande als een vrijwel heerig
 
Looper langs 't Volk van 't groot Parijs, uws kops
 
 
 
Afslaan niet waard zijnd, waard zijnd wel des strops
 
Bloed-stremming onafwendbaar, op des tops
 
Niet-Zijnds gruwbaarst, vuil voortknoeier op Rops.
 
'n Goed mensch is van elk slecht mensch diepst afkeerig.
 
Gij zijt geen man: gij zijdt een vies verkrachter
 
Van 's Werelds eeuw'ge schoonheid, die voortdurend
 
Met staat'gen zwaai vermeestrend 's werelds macht, er
 
 
 
Een hoogre macht van maakt, o gij, die turend
 
In 's Levens mikroskoop, zoo idioot, vergeet
 
Dat gij met uw slim turen nòg niets weet.
prepostterug  begin  verder