terug  begin  verderprepost

88

Hamburg, 18/5 '94.
Heimweg 3 I

Amice,

Met genoegen zal ik tot de redactie van het internationale tijdschrift toetreden.

Het is mij ook heel aangenaam, dat je mij dit aanbiedt, omdat ik bitter weinig lust heb langer in de Nieuwe Gids te schrijven, en dus zoowat zoekende ben naar een tijdschrift waar ik werk kan plaatsen. 't Internationale is nu daarvoor zeer geschikt.

Ik kom met mijn vrouw in Juli in Holland. Met veel genoegen zullen we dan te Baarn komen, en de Redactievergadering kan dan ook eens plaats hebben.

Dat Jolles secretaris van de redactie is, vind ik best. Uit de couranten (Telegraaf) heb ik de Nieuwe-Gids schandaaltjes gelezen.

Onbegrijpelijk is mij de houding van Kloos, en ik vraag mijzelf af, is hij niet totaal krankzinnig.

'T plaatsen van 't werk van jou, van Deventer & van Looy tegen jullie wil is misselijk. Maar veel erger, en bepaald bedenkelijk vind ik 't heelemaal weggooien van Kloos van de generatie 80/90, en daarvoor in de plaats stellen de generatie Juni '93 (de datum is toch juist?). Al die lui Tideman, Mej. Broedelet & vd. Schalk433 etc. hebben toch nog niets geleverd. Tideman heeft talent, maar tot nu toe alleen als kritikus, ofschoon hij ook als-dat de spijkers niet op de kop tikt. Ik stel me zoo voor, dat Kloos zoo langzaam in een toestand van verdooving, versteening komt - dat hij niet meer kan of wil werken, en nu maar die heele revolutie maakt om 't ‘roer van staat’ (secretaris NG) in handen te geven van een vertrouwd persoon.

Ook is Tideman de trompet waardoor woorden - vol-toorn over het Nederlandsche volk worden uitgeschetterd.

Dat Tideman iemand is wiens persoonlijke anti- en sympathieën machtigen invloed op zijn kunstoordeel hebben, blijkt uit zijn in-de-hoogte-steken van

[p. 189]

Boeken in de laatste afl., en het verklaren - zoo maar zonder argumenten - dat jij je ondergang tegemoet gaat!!434

De N.G. gaat m.i. bepaald op de flacon. Dit duurt geen jaar meer, of er moet een millionnair-protector zijn.

Zend me svp eens je laatste werk in Nederland ter lezing. Ik verlang er naar.

Ik ben bezig, en zou dit voor 't Intern. Tijdschrift kunnen bestemmen, aan een stuk over 1812, 't fransche leger na de Berezina en voor Wilna, en bestudeer nu Ségur, Brandt, enz.

De stijl is als van Dragamosus, doch zonder rijm. 'T moeilijke bij dit werk is niet Hugo en Ségur te gelijken en ook niet wetenschappelijk-militair te zijn.

Adieu, vele groeten, ook van mijn vrouw en aan je familie

t.t.
Arij Prins

433Henriëtte van de Schalk (1869-1952) debuteerde in De Nieuwe Gids, Achtste jr. II. aflev. 5 (juni 1893), blz. 226-231, met Verzen (zes sonnetten).
434Dit alles was nog maar kinderspel, vergeleken bij Tidemans brief aan Van Deyssel, d.d. 14 juli 1894, nadat Tideman weet had gekregen van Van Deyssels aanstaande samengaan met Albert Verwey, als redacteuren van het Tweemaandelijksch Tijdschrift: ‘Waarde Heer Van Deyssel, Met de bekende maar thans verouderde rottende geestigheid uw lichaam eigen, en steunende op uw eigen naam als bekend schrijver van vroeger meent gij misschien steunend op uw gemis aan intellekt, niet aan verstand en slimheid want die vertoont gij inderdaad grappig, het recht te hebben ambitieuse jongens tot u te trekken gij die zelf niets kunt, omdat gij u in uzelf en in de kunst hebt vergist, om deze ook misschien impotent te maken. Geldnood kan u toch niet dwingen, anderen in den afgrond neer te trekken, waar gij zelf nog met het eene been in staat. Gij schijnt de kracht in u te voelen, pardon in menschen wier hersenstelsel een even belangrijke warwinkel is als het uwe, een nieuw tijdschrift te grondvesten, welaan, neem bij dezen de verzekering aan dat de Hollandsche Litteratuur van uw tijdschrift niet gediend is, en dat zij er de verzen van Mejuffrouw van der Schalk zoo die er aanwezig zijn wat ik niet voor uw (sic - H.P.) wensch, zal uitscheuren om er de grappige boekjes mee dicht te plakken. Gij zult waarschijnlijk wel weer te zwak zijn om mij te ontvangen, neem dan met deze ƒ 60,- die de N.G. U nog schuldig is de verzekering aan dat ik U tegenkomende U een vuistslag in het aangezicht zal geven. Ik schreef juist aan Kloos, dat hij gelijk had U een smeerlap en een lafaard te noemen. Gij zijt een zwak mensch, bedek Uzelf niet langer met krankzinnige extases en geestigheid, sta als een man eens voor de menschen, dan kan een kind U wegleiden.’ In een wel voor Albert Verwey bestemde maar uiteindelijk niet verzonden brief van 17 juli 1894 schreef Van Deyssel hierover o.m.: ‘Ik heb hem (Tideman-H.P.) geandwoord, dat hij een malle jongen is en dat als hij een vinger naar mij uitsteekt ik hem geducht zal afrossen. Dit zál ik ook. Maar dit neemt niet weg, dat dergelijke praeokkupaties een zekere onrustigheid in mijn leven brengen, waar ik absoluut niet tegen kan’. Eén dag later, op 18 juli 1894, reageerde Tideman met een brief waarvan de aanhef luidde: ‘Beste Heer Thijm, Ik dank u wel voor uwen brief. En ben verheugd dat gij u zoo sterk gevoelt’, terwijl de slotalinea vaststelde: ‘Maar gij hebt gelijk, wij hebben niets met elkaar te maken’. Weer een dag later vertrok uit Sloterdijk 't volgende sonnet naar Baarn:
 
't Is om te weenen en om dan weer zacht
 
de tranen van de wangen af te vegen,
 
't is om diep onder 't hart een zacht gelach
 
te voelen drale'en stijgen: God, die wegen
 
kunt alle mijne daden en die naadren
 
doet zoòveel onuitspreèklijke geneuchten,
 
dat 'k heb een Huis bijeen vol rijk vergaadren
 
van sterke liefde en liefdevolle deugden.
 
 
 
Ay zie! nu is de sterkste toegetreden
 
op mij die heeft met fluistrende gebeden
 
beleden dat Gij groot zijt en 't geleden
 
 
 
al is een spel, o woedend golven-spelen
 
bonkend der levenszee, maar dat komt helen
 
zacht murmelende liefde om heel, heel velen.
 
In de morgen van 19 Juli 1894
 
Voor Karel Alberdingk Thijm
 
van P. Tideman
 
Meer en Vaart
 
Sloterdijk.
In zijn aan het dagblad De Tijd van 6 november 1947 bijgedragen artikel, Op bezoek bij Saar de Swart, merkte Jan Engelman op: ‘De Tachtigers hadden een eigen code, zeer verschillend van de tegenwoordige omgangsmanieren. Maar zij waren goden en zaligen, op hún manier, en mikten hoog’. Hoe verbazingwekkende vormen deze code soms kon aannemen, wordt opmerkelijk geïllustreerd door de feitelijke bizonderheid dat Tidemans krenkende bejegeningen er Van Deyssel niet van hebben weerhouden om enkele maanden later, op dinsdagmiddag 16 oktober 1894, zijn woning open te stellen voor Tideman, teneinde deze de gelegenheid te geven om aan de heer en mevrouw Alberdingk Thijm-Horyaans Mejuffrouw Anna Elisabeth Eman (sedert 18 september 1894 Mevrouw A.E. Tideman-Eman) voor te stellen. Het echtpaar Tideman zat toen ook in Huize Villetta aan bij het souper. En dat ofschoon Tideman zijn bezoek niet had aangekondigd en Van Deyssel diezelfde morgen, klokslag twaalf, nog in zijn dagboek had aangetekend: ‘Gisteren Frans Coenen hier, vandaag hoop ik den heelen dag alleen met mijn gezin te blijven’.
prepostterug  begin  verder