Handboek tot de Nederlandsche letterkundige geschiedenis


auteur: J. Prinsen J.Lzn


bron: J. Prinsen J.Lzn, Handboek tot de Nederlandsche letterkundige geschiedenis. Martinus Nijhoff, Den Haag 1916


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 341]

Zoekers van nutte leering

Jacob cats

Hooft, Breero, Vondel, in hen mag de wil zijn het menschdom te verheffen in kennis, deugd en godsvrucht, in allen is tevens de onweerstaanbare drang naar schoonheid, in allen brandt het stralend vuur der liefde voor het ontroerend woord, het treffend beeld, den melodischen klank.

Hooft, de sierlijke kristallen kroonluchter van fijn Venetiaansch glas; het milde kaarslicht, in zilveren rijkdom streelend en aaiend zich weerkaatsend in het weeldrig bloemwerk, geestig flikkerend in de breede facetten.

Breero, een Hollandsche kermis, een zee van walmende rosse lichten en hoog in de lucht de gloed van schel witte ballons; om u heen knallen, grillig slingerend, de voetzoekers. Druk en verbijsterend soms; maar op eenigen afstand de grootsche massa, de aangrijpende eenheid, de breede dampwolken, fantastisch verlicht door den hellen en rossen gloed, wegdonkerend en vervloeiend in dof paarse, geheimzinnige wijdte; en de geluiden smelten saam in een eentonige dreuning.

Vondel, de avondzon door een hoog, kleurrijk kerkvenster; uit den violetten gloor, de fluweelige, mysterieuze kleur-warmte, flitsen op de klaterende paarsen, de gouden gelen; figuren groepeeren zich in stille aanbidding, hoog omlijnd door de zachte neiging van den strakken gothischenboog, die zich verliest in de dommelige gewelven. Ver weg klinkt een orgeltoon, zwevend door de zuilenrijen: Gloria in excelsis.

Deugd en godsvrucht, geslacht op geslacht ziet en voelt ze anders; de ontroering dier schoonheid blijft voor alle geslachten, die schoonheid en den Hollandschen klank zullen verstaan.

In de groep, waar we ons thans mee hebben bezig te houden, ontbreekt het licht der schoonheid nimmer geheel, maar het wordt wel eens een simpele stallantaarn, onafscheidelijk van den grijzen ratelwacht, die zorgvuldig speurend waakt voor orde en goede

[p. 342]

zeden, een braaf en nuttig man, in zijn ouderwetschheid machtig interessant om telkens weer eens te bekijken, een kerel, die soms wat gezellig kan praten, maar ontroering gaat niet van hem uit.

Meer dan onze oppervlakkige belangstelling, onze warme liefde zijn ze waard, de meeste mannen uit deze groep, typische Hollandsche verschijningen; ze hebben soms kostelijke geestige bladzijden geschreven van diepe wijsheid en practische leering, vlot geboetseerd uit de Hollandsche klei of kunstig gebeiteld in het harde staal van het Hollandsche woord. Hier vooral is het, dat het Calvinisme zich in onze kunst openbaart. Dat onzegbare en ongrijpbare, die geheimzinnige trilling van schoonheid vinden we onder de streng Calvinistische strijders der 17de eeuw enkel bij Revius en als men wil bij Dullaert. Voor de anderen was de kunst slechts een aangename bezigheid, een bruikbaar middel tot leering. Voor een Huygens was het dichten een prettige liefhebberij, waarop hij verslingerd was, een bezigheid, waarbij je je verstand bij elkaar moet houden, om geestige vernuftige vondsten te doen, een sport om de dingen in puntigen, pakkenden vorm te omvatten; voor een Cats het benutten van een toevallige gave, om zijn preeken en wijdloopige overwegingen te laten wegvloeien in rustigen stroom, die godzalige bloei en geestelijke welvaart, ook wel stoffelijke, zal brengen aan heel zijn volk.

 

Cats (1577-1660), uiterst moeilijk om in hem tot het juiste inzicht te komen, over hem een billijk oordeel uit te spreken, bij zooveel afstootends naast zooveel aanlokkelijke gemoedelijkheid, zooveel deftige vriendelijkheid naast zooveel egoistisch zelfbedrog.

Mag ik u een enkele blad zijde van Cats voorleggen? En heusch, dat is er geen bijzonder uitgezochte, om venijn uit te zuigen. Ik kan er tientallen gelijksoortige naast plaatsen.

 
Uyt Zeelant quam ick voort, daer was myn eerste gront,
 
Dat bracht my met de jeucht de tanden in de mont.
 
En als ick naderhandt in Hollandt was gekomen,
 
Heeft my de snelle tijt twee tanden afgenomen.
 
En schoon ick die verloor, ick droegh' het met gedult.
 
De kunst quam my te baet en heeft de plaets gevult.
 
Maer zedert van den Staet naer Engelandt gesonden,
 
Mist' ick er weder twee, die niet te vast en stonden.
 
Maer siet met dit gebreck, was ick niet lang gequelt,
[p. 343]
 
Daer wert een stuck yvoors in hare plaets gestelt.
 
Dies ben ick niet so gaef, ghelijck mijn vrienden meenen;
 
De mond is my een graf, en dat van doode beenen.
 
Want schoon men vol gebit omtrent mijn kibben siet,
 
Een deel van dat behulp en is myn eygen niet.
 
Maer hola, 't is gemist, ick mach van eygen roemen1),
 
Ja, kan dit nieu gebit myn eygen tanden noemen,
 
En soo van my misschien de reden wert versocht,
 
Ick heb' et om mijn gelt en dier ghenoegh ghekocht;
 
Ick hebbe voor de twee dry ponden moeten geven,
 
En dat in sterlinx gelt, dat stont' er op geschreven,
 
Gelyck de Meester sprack. Het gaet den ouden dagh
 
Gelijck het in 't gemeen vervallen huysen plach.
 
Men moet een timmerman, een smit, een metser halen;
 
Hier dient een nieuwen balck, en ginder stijver palen,
 
En elders Dortsche kalck, ontrent een lekent dack.
 
Siet! wat bouwvalligh is, heeft leet en ongemaeck.
 
Maer schoon al spreeck ick so, ick hebbe niet te klagen,
 
Noch van myn eerste jeucht, noch van myn oude dagen.
 
Ick loov' u, lieve Godt, en weet u grooten danck,
 
Van wel te zijn geweest, nu soo veel jaren lanck.
 
En schoon ick met 'er tijds vier tanden heb verloren,
 
Daer zijn weer door de kunst my weder vier gheboren.
 
En in myn ongeval, soo vind' ick dat ghemack,
 
Dat noyt yvoren tandt door pijn mijn ruste brack.

Nietwaar, dit is zoo laf, zoo beneden alles wat nog maar kunst heeten kan, hier openbaart zich een zoo hooge mate van ingenomenheid met zich zelf, een zoo krenterige zelfzucht in dit vlotrijmend gezeur, getooid met meer dan zoutelooze aardigheden, dat wie Cats den vaderlijken volksdichter bij uitnemendheid noemen hoort, met walging voor dichter en volk beiden moet worden vervuld. En die Cats bestaat; men kan hem niet wegmoffelen. Maar gelukkig er is nog een andere, de begaafde volksprediker, die alleraardigst en gezellig in den volkstoon vertellen kan, zonder dat men het volk, dat hem geniet, gebrek aan smaak behoeft te ontzeggen, met pakkende beelden en exempelen zijn volkswijsheid en volkslevensleer weet aantrekkelijk te maken, in den breeden, rustig voortkabbelenden vloed van zijn woorden en leeringen wel inderdaad de practische, nuchtere volksziel

[p. 344]

weerkaatst van den 17de-eeuwschen Hollander, die behoefte had aan houvast voor tijd en eeuwigheid, die graag hoort, dat zijn vrouw hem 's nachts het dek niet mag aftrekken, en even graag precies weet, hoe hij zich een goede plaats in den hemel verzekeren kan.

Te Brouwershaven, waar zijn standbeeld prijkt, werd Jacob Cats geboren; hij studeerde te Leiden (1592) en ook te Orleans, waar hij in de rechten promoveerde. Zijn zinnelijkheid is vroegtijdig ontwikkeld; zoowel in den omgang met speelsche dienstmeisjes als bij een serieuze amourette blijkt spoedig zijn egoistische voorzichtigheid. Hij zelf geeft ons van al die dingen trouw verslag. Hij begint zijn juridische practijk in Den Haag, brengt eenigen tijd in Engeland, o.a. te Oxford en Cambridge, door om van voortdurende koortsen af te komen, vestigt zich daarna te Middelburg, waar hij spoedig Stadsadvocaat wordt (1603). Twee jaar later trouwt hij Elisabeth Valckenburgh, die hem zeer waarschijnlijk fortuin bracht, dat hij in de dagen van het Bestand aanzienlijk vermeerde door inpolderingen, waarbij het misschien niet altijd even eerlijk is toegegaan1). In '21 wordt hij pensionaris van Middelburg, twee jaar later van Dordrecht. In 1636 wordt hij Raadpensionaris, een positie, waarin hij, met zijn buigzaam karakter, moeilijk kan uitblinken tusschen de schitterende figuren van Oldenbarneveld en De Witt.

Na '52 brengt hij zijn ouderdom ambteloos door op Sorgh-vliet, het buiten, dat hij reeds omstreeks '32, een paar jaar na den dood van zijn vrouw, in de kale duinen bij Den Haag had aangelegd.

Cats is steeds een gehoorzaam dienaar van de Oranjes geweest; dr. Abraham Kuyper blijft er ons borg voor, dat hij een zuiver rechtzinnig Calvinist was. Aan zijn vertrouwelijken omgang met den Middelburgschen predikant Teellinck dankt hij waarschijnlijk bij zijn Calvinisme de piëtistische richting, zijn krachtige neiging om het Christendom in de practijk van het leven te brengen, te strijden voor eerbaarheid en reinheid van levenswandel in heel het maatschappelijk leven. Zijn verblijf in Engeland had hierop misschien al invloed.

Rustig en onbezorgd brengt hij buiten zijn dagen door, altijd waarnemend en opmerkend, altijd leering trekkend. Karakteris-

[p. 345]

tiek is de aanhef van tal van zijn gedichten: ‘Laetst stont ick aan een vinck-getouw’, of ‘Laetst als ick moede van de stadt ontrent gebraeckte landen zat’. Of elders - en men zal niet kunnen ontkennen, dat er zekere charme in dergelijke confidenties is:

 
Laetst als de Maert haer loop begon,
 
Doen scheend' er vry een helle son,
 
Die schoot haer stralen op het kruyt
 
En lockte vast de botten uyt.
 
Terstont soo wertmen hier en daer
 
Een bloeysel, of een blom gewaer;
 
Doch niet als in een kleyn getal,
 
En dat maer in een werrem dal.
 
Als ick hier over ging besien
 
Het woonhuys van ons kleyne Bien,
 
Soo vond' ick met een blijden geest,
 
Dat nu en dan een neerstigh beest
 
Quam swieren met een snelle vlucht,
 
Quam vallen uyt de blauwe lucht,
 
Met Was beladen aan de poot - -
 
Myn hert (seyd' ick) wat leer ick hier,
 
Wat leer ick van dit vlijtigh dier1)?

Zijn heele leven door is alles hem symbool geweest; niets is hem te gering; geen afstand is hem te groot, geen combinatie te zonderling; zijn blik volgt de vloo, dwaalt van de oester tot het haantje van den toren. Heel de natuur en de maatschappij is hem een boek, waaruit altijd voor ieder wat te leeren valt van deugd en goede zeden. Aan zijn negen kleinkinderen roept hij toe:

 
Begeeft u dan tot desen boeck
 
En doet vry neerstigh ondersoeck,
 
Wat boom en bloem en plant en kruyt
 
En wat 'er uyt 'er aerde spruyt,
 
Aen maeght of vrouw of deftigh man,
 
Een soet bedencken geven kan.
 
En wat geheym Godt heeft geleyt
 
In al dat hij voor ons bereyt,
 
En hoe het op ons wesen past,
 
Dat hier aen boom en kruyden wast.
 
Want sooje dit wel gade slaet,
 
En dat 'et u ter herten gaet,
 
Ghy sult 'er vinden, schoon het vriest,
 
Al wat men in de kouw' verliest.
[p. 346]

Zoo is hij op zijn ouden dag, zoo is hij reeds in zijn eerste werk, de Sinne- en Minnebeelden.

Onder de huishoudelijke leiding van zijn ‘gouvernante’, de eerbare weduwe Havius, heeft Cats zich in een omgeving van deftige weelde het leven gezellig en aangenaam weten te maken. Hij was alles behalve asceet. Suiker en specerijen waren ook hem een ‘hoogen segen, die u (n.l. het Hollandsche volk) door Godes hand zoo wonder is verkregen’. Hij wist den inwendigen mensch met keur van spijzen te streelen, en dat niet enkel, als hij hooge gasten of predikanten op bezoek had. Hiervan zal niemand hem en verwijt maken! Maar diezelfde Cats is de man, die zijn leven lang den mond vol heeft van de ijdelheid en waardeloosheid van alle aardsche genietingen. En dan wordt de zaak anders. Cats was mild voor de armen. Maar....

 
't Is seker, lieve ziel, al watje zult besteden
 
Aen eenigh huys-genoot of Christi minste leden,
 
Dat wordt in ware daedt by hem alsoo verstaen,
 
Als of men aan hem self de weldaedt had gedaen.
 
Siet nu den rechten eysch uw sinnen in te prenten,
 
Dat geldt, dus uytgeleydt, u geeft de beste renten:
 
Ghy hebt des vaste borght, ghy hebt ja seker pandt,
 
Ghy hebt een wissel-brief van Godes eygen handt.
 
Slaet hier geen twijfel aen, ghy mooght u des betrouwen,
 
Want in den Hemel selfs werdt hier van boeck gehouwen.
 
Geen schipbreuck, banqueroet, geen ander slim geval,
 
Dat oyt van dit gewin uw ziel berooven sal.
 
Ghy leght dan schatten wech daer niet en kan verrotten
 
Daer niet en werdt gevreest het knagen van de motten,
 
Daar geen geslepen boef, oock geen geweldigh man,
 
Uw huysen open doen of ondergraven kan.
 
Zoo ghy dan uw bedrijf van onheyl wilt beschermen,
 
Besnijdt wat hoogmoedt smaeckt en geeft 'et aen den ermen;
 
En soo misschien het vleesch yet mist van aertsche lust,
 
Ghy sult in uw gemoedt te beter zijn gerust1).

Wat zegt men van dien koopmansgeest, van dit uitgooien van een spiering om een kabeljauw te vangen, al moet men dan iets missen van den aardschen lust? Het zal niet in ons opkomen Byron, Shelley, zoovele anderen een verwijt te maken van hun afwijkingen van de gewone moraal; we zullen er alleen kennis van

[p. 347]

nemen om hun kunst beter te begrijpen en dankbaar hun schoonheid genieten; maar bij Cats, die in pedante zelfvoldaanheid optreedt als de wegwijzer naar ware deugd en godsvrucht voor heel zijn volk, vergalt ons deze disharmonie tusschen leer en leven voor immer het rustig genot van zijn toch vaak zoo gezellige, breedsprakige lessen en beschouwingen. Dat doet ons in voortdurend wantrouwen denken aan huichelarij en leugen, dat maakt ons korzelig, dat maakt, dat van deze volkskunst in het algemeen een kwade reuk uitgaat. We zien in de middeleeuwsche geestelijke kunst en volkskunst, waar ze leert, moraliseert, exempleert een zooveel ruimer en reiner, lichter en devoter levensleer. Bij een kunst van de soort als Cats bedoelde, moeten we den kunstenaar eerlijk en trouwhartig, argeloos en in reinen eenvoud des gemoeds in voortdurend contact met zijn lezers voelen. Nu is het waar, Cats geeft zich meestal zoo als hij is; maar waar is hier die aantrekkelijke eenvoud, die argelooze reinheid van een Brugman, een Boendale, een Potter, waar de fiere, ridderlijke, onbaatzuchtige moed van een Maerlant? Cats is als mensch onsympathiek en in zijn werk wordt hij de type van den zelfvoldanen burgerman, die gesteld is op het uiterlijk, netjes en fatsoenlijk, enkel belust op eigen voordeel en welvaren.

Cats was veertig jaar, toen hij met zijn Sinne- en Minne-beelden het eerst als dichter optrad en zich van zijn taak bewust werd. Ze zijn van 1618 en zijn stellig het beste deel uit heel onze Emblemata-litteratuur. Er zit soms pit en geest in die rijmpjes, wier beknopte vorm ons behoedt voor het breedsprakige, dat nog wel eens in wauwelen overgaat in later werk. Self-strijt (1620) en Tooneel van mannelicke Achtbaerheyt (1622) brengen ons bij zijn groote werk Houwelyck (1625), Dat is het gansch beleyt des echten Staets, afgedeelt in ses Hooft-stukken: Maecht, Vrijster, Bruyt, Vrouwe, Moeder, Weduwe.

Het huwelijk wordt hier gehuldigd als de basis van heel het Christelijk maatschappelijk leven en tot in de kleinste details worden de vorming, de verhoudingen, de plichten en rechten van man en vrouw behandeld, telkens door soms alleraardigst vertelde exempelen toegelicht. De paringsdaad wordt hier een daad van stillen ernst en levenswijding:

[p. 348]
 
't Sy dat men menschen plant, of dat men haver zaayt,
 
Het is de beste tydt, wanneer het niet en waayt.
 
Hier dient een stille ziel, die niet en is bewogen,
 
Die uyt een vorig leet geen spijt en heeft gezogen;
 
Hier dient een stille ziel, die niet en is beschroomt,
 
Die van een droevig lijk of zieke heden koomt;
 
Hier dient een stille ziel bevryt van alle togten,
 
Die wraak uyt enkel spyt op haren naasten zogten;
 
Hier dient, o zoete jeugt, hier dient een stille ziel,
 
Die noyt op vreemt gepeys in dezen handel viel1).

Dat ook in hem het pastorale van zijn tijd leefde, bewees zijn Galathee ofte Harder minne-klachte (1629).

In zij n staat van weduwnaar voelt hij zich eenzaam; de 53-jarige denkt over een tweede huwelijk, maar hij ziet ervan af; om ‘voor het weynigh graens dat (hem) nogh rest te malen, Een vlot van eyckenhout uyt vreemde bosschen (te) halen’, is toch eigenlijk dwaasheid. Hij geeft een papieren trouwring aan zijn volk. 's Werelt begin, midden en eynde besloten in den Trouringh is van 1637. Hier schittert vooral de romantische ziel, die in Cats zat. Hij hield van fantastische verbeeldingen, wonderbaarlijke avonturen; hier biedt hij ons in aantrekkelijke frischheid een gansche rij van zeldzame trouwgevallen, afgewisseld door interessante gesprekken naar aanleiding van den inhoud. Het verhaal van het Spaens Heydinnetje behoort hiertoe en in latere uitgaven komt ook de vermakelijke historie van Liefdes Vossevel voor2). Dit schijnt een oorspronkelijk verhaal te zijn, allicht werkelijk gebeurd; de overige zijn van vreemden oorsprong en getuigen van Cats' rijke belezenheid in oude en nieuwe litteratuur, waarop we, ook voor zijn overige werk, hier even moeten wijzen. Staatszorgen schijnen hem sedert zeer in beslag genomen te hebben. Eerst in zijn ouderdom stroomt de poëzie weer. Hij geeft zijn berijmde autobiographie in zijn Tachtigjarig leven, zijn Ouderdom en Buitenleven (1656). Van '55 zijn de aardige Hofgedachten, waar hij zoo smakelijk vertelt in kleine gedichtjes van al wat te leeren is, uit wat hij in zijn omgeving op Sorgh-vliet en in Den Haag waarneemt. Hij eindigt met de Dootkiste voor de levenden, waarin de man, die steeds met zulk een geringschatting over de ijdelheden der wereld

[p. 349]

heeft geredeneerd, den dood meer blijkt te vreezen, dan men van hem verwachten mocht.

Cats is in de 17e en 18e eeuw uiterst populair geweest; hij wist blijkbaar de fantasie en de zucht naar weten, ook zeer stellig zekere gevaarlijke nieuwsgierigheid, van zijn volk te bevredigen. In de 18de eeuw komt bij sommigen eenige twijfel, of Cats de ware broeder wel is. In de negentiende hebben Potgieter en Huet scherp en juist hun oordeel over Cats geformuleerd1). Naast de uiteenzetting van hun rechtmatige grieven hebben ze ruimschoots recht laten wedervaren aan zijn onbetwistbaar letterkundig talent. Tegen hun vonnis is verzet aangeteekend; men heeft gesproken van een eerherstel. Liberalisten! heeft men geroepen. Maar weet diezelfde Huet den strengen Calvinist Revius niet hoog te waardeeren? Vindt ook wie buiten elk dogmatisch geloof staat niet een schat van levensvreugd en levenswijsheid in de volkskunst der middeleeuwen, en vooral de stille, vreugdevolle aandoening van zuivere schoonheid? 't Is mij nimmer gelukt deze bij Cats te vinden; de kunst is voor hem nooit meer dan een ‘vermakelickheydt’ voor zich zelf en den lezer geweest. Hij zegt het en het is ook werkelijk zoo. Hier is geen zelfbedrog.

Alle de Werken van Jacob Cats, uitgeg. door J. van Vloten, Zwolle. 1862. - W.C.M. de Jonge van Ellemet, Museum Catsianum, Den Haag. 1887. - E.J. Potgieter's oordeel (in ‘Het Rijksmuseum’) over Cats (p. 330 vlg. van den 5den druk).- C. Busken Huet, Jacob Cats (Litt. Fant., I). - J.A.F.L. van Heeckeren, Vader Cats (Taal en Letteren V, 73). - A. Kuyper, Het Calvinisme en de kunst, Amst. 1888. - G. Derudder, Un poète néerlandais, Cats, sa vie et ses oeuvres, Calais-Den Haag. 1898. - G. Kalff, Cats (De Gids, 1899. III, 386, IV, 68, ook afzonderlijk). - A.S. Kok, Jacob Cats, bijdrage tot de gesch. der verdichting (Van Dichters en Schrijvers, I, 83). - J. Koopmans, Cats' Sinne- en minne-beelden (De XXste eeuw, 1902. II, 66). - F. Buitenrust Hettema, Een en ander over Jacob Cats (Taal en Letteren, XIV, 438). - H. Jansen Marijnen, Jacob Cats, een mislukt eerherstel (Studien, 1910. dl. 74. 497). - S. Schroeter, Jacob Cats' Beziehungen zur deutschen Literatur, Heidelberg. 1905. - A. Meerkamp van Embden, Nieuw gevonden brieven van Jacob Cats en zijne familie (Archief, uitg. door het Zeeuwsch Gen. 1927, 40) . - J.A. Worp, De bronnen van den Trou-ringh van Cats (Noord en Zuid XX). - J. Postmus, Jacob Cats ((in zijn Calvinistische vertoogen, Zwolle, 1906). - J.H. de Stoppelaar, Jacob Cats te Middelburg, Middelb. 1860. - C.A. van Sypesteyn, Mr. Jacob Cats en zijn nalatenschap (in Holland in vroeger dagen Den Haag, 1888). - J.G. Frederiks, Jacob Cats en zijn omgeving (Oud Holland VII). - A.H. Kan, Het vertrek van Jacob Cats van Middelburg naar Dordrecht (Tijdschr. Letterk. XXXI, 7).

In 1623 verscheen een dichtbundel De Zeeusche Nachtegaal,

[p. 350]

waarin de Zeeuwsche volkstrots zich in gansch een dichterschaar met Cats, hoog vereerd, aan het hoofd, openbaarde. Anna Roemers was in '22 naar Zeeland gekomen en dat was voor den uitgever J.P. van de Venne aanleiding geweest om eens te toonen, wat Zeeland kon, door het bijeenbrengen van al wat de kunstlievende Zeeuwen hadden gezongen en gelofdicht. Anna zelf, Cats, Simon van Beaumont, Jan de Brune, Valerius, Hofferus e.a. werken eraan mee. De bundel is leerzaam en stichtelijk, soms ruw en plat uit onhandigheid en gemis aan zuiver esthetisch gevoel. Zulke boeken zijn alleen van groot belang voor hem, die dieper in de litteraire verhoudingen wil ingaan.

Simon van Beaumont (1574-1654) geboren te Dordt, maar misschien reeds van voor 1600 Middelburger, schreef echt modewerk met wel iets persoonlijks, dat ons thans echter niet meer boeien kan. Zijn Horae successivae of Tyt-Snipperinge van de Jonckheyt tot in den Ouderdom, verschenen in 1640.

Jan de Brune (1589-1658) overleed als raadpensionaris van Zeeland; hij is de zeer verdienstelijke schrijver van Banketwerk van goede gedagten, practische levenswijsheid in korte kernachtige proza-notities, soms allergeestigst en puntig gezegd1). Hij schreef ook Emblemata. Zijn neef Jan de Brune de jonge (1616-1649) maakte zich bij zijn tijdgenooten naam o.a. met zijn Wetsteen der Vernuften, een eerbiedige hulde aan Cats ‘den grooten koesteraar der geesten’. 't Gaat over alles en nog wat, novellen, moppen, betoogen over ‘alle voorvallende zaken’, met de bedoeling om de menschen stof tot conversatie te geven.

De schilder Adriaen van de Venne (1589-1665) is de teekenaar en graveur, die de Sinne- en Minne-beelden van Cats op het papier bracht en ook vele van diens later werken illustreerde. Hij zelf was dichter in den trant van Huygens en Cats. Zijn Wijs-Mal van den Ouden Italiaenschen Smit nadert Cats; zijn Uyt-roep ofte Boel-coop van Malle-pracht en Minne-mal van Dicke Leendert herinneren aan Huygens. Ook in zijne Sinne-vonck op den Hollandschen turf (1634) staat hij door zijn gezochte woordkoppelingen wel het dichtst bij Huygens.

J.G. Frederiks, De Zeeuwsche Nachtegael (Oud-Holland, XIV, 19, 76). - Gedichten van Simon van Beaumont, uitgeg. door J. Tideman, Utr. 1843. - J.
[p. 351]
Eysten, Simon van Beaumont (Tijdsp., 1901. II, 154). - J.A.Worp, Jan de Brune de Jonge (Oud-Holland, 1890, 81). - A. Ising, Een schilder-dichter uit de XVIIe eeuw, A.v.d. Venne (Gids, 1889. III, 126) - C.H.O.M. von Winning, Johan de Brune de Oude, Gron. 1921.

De navolgers van Cats zijn, zooals men verwachten mag, vele.

Slechts een paar mogen hier een plaats vinden.

Dirck Pieterszn. Pers (± 1581-± 1650) was een boekhandelaar en uitgever van beteekenis te Amsterdam. Zijn Bellerophon of Lust tot Wysheyt (1614) viel zeer in den smaak van het publiek. In de liederen van dezen bundel prijst hij soberheid en eenvoud aan. Hij ziet het gevaar der luchtige pastorale en stelt er de werkelijkheid tegenover; leeren en stichten, wijzen op het pad der deugd en aftrekken van de verdorvenheid der wereld, daarmee is hij hier eigenlijk een Catsiaan avant la lettre. Dat hij sympathie voor Cats moest hebben, toen in 1618, 1620 diens eerste bundels verschenen, spreekt van zelf en blijkt ook uit zijn eigen latere werk.

Ook de Amsterdamsche smid Jan Harmzn Krul1) (1601/2-1646) is een trouw navolger van Cats in zijn Minne-spieghel ter Deughden (1639) en zijn Pampierre werelt ofte Wereldsche Oeffeninge (1644), steeds moralisatie met vlot gerijmde ingevoegde verhalen. In de liedjes, die in den laatsten bundel voorkomen, is hij soms een vrij verdienstelijk navolger van Hooft en Breero.

Als drama-schrijver poogt hij den roem en het succes van Rodenburg over te nemen. Na 1623 wordt hij de groote man in de Oude Kamer en tracht hij ijverig haar op de been te houden. Onder den invloed meestal van de gelijktijdige Fransche romanlectuur als de Astrée van Honoré d'Urfé, maakte hij fantastische drama's met voor het groote publiek aangename verwikkelingen. Ook eenige pastorale invloed van Hooft of, als bij Hooft, van de Italianen valt te constateeren. Een enkel zijner stukken moet iets operette-achtigs gekregen hebben door de toevoeging van muziek en dans; in verband daarmee had hij in 1634 een Musykkamer opgericht, die ten doel had in deze richting leiding te geven.

Johan Six van Chandelier (1620-1695) was de zoon van een Amsterdamsche drogist, die al vroeg voor de zaak op reis moest

[p. 352]

tot in Spanje en Italië. Aanschouwelijk weet hij van die reizen te paard door onherbergzame streken te vertellen. Te Rome ontmoet hij Anslo en komt hij in aanraking met de vroolijke Hollandsche schildersbent, die nu juist geen toonbeeld van ingetogenheid was. Een ander Hollandsch dichter, Matthys van de Merwede, Heer van Clootwyck, was toen ook in Rome (1647-'50) en laat er een en ander van los in zijn Uyt-heemschen Oorlog ofte Roomse Min-triomfen, waarin hij zijn voor Hollandsche ooren en zeden wel wat al te lascieve hefdesavonturen in Rome bezingt. Six heeft zijn Hollandsche degelijkheid in dit zuidelijk Gomorrha weten te bewaren; hij blijft een ernstig godsdienstig man, die losbandigheid schuwt, en leeft en stil geniet in de Oud-Israëlietische en Latijnsche wereld van deugd en schoonheid. Toch is ook hij in zijn jonge jaren ernstig verliefd geweest en hij heeft het tot een vrij wat hooger en nobeler opvatting van liefde weten te brengen dan Cats. Hij aanbidt zijn Roselle, nadert haar in heiligen schroom, huldigt haar als een heilige.

 
Rosel gewyde Kerk, van eerbaarheid gevloert,
 
Van God volkoomen, met des Hemels eige handen,
 
Gemetselt naa om hoogh, met geevelpraal en wanden,
 
Van stof waar mee natuur het purper parlemoert;
 
Schoon geestigh dakgewelf, van huisen overmoert,
 
Als goude rietjes, die als sonnestralen branden,
 
Lantaarnen van Turkois en Spiegels sonder sanden,
 
Die Efesen den glans van haar Diaan ontvoert,
 
Tweedeurich klein portaal, vol roosende festoenen,
 
Dat oopengaande toont een elpenbeene koor,
 
Ter plaats der galmen, die God loonen en versoenen:
 
Rosel myn Afgoddin, ik recht een needrigh spoor
 
Naa uw verheeventheit, met uitgetrokke schoenen,
 
Verleen den lofsangh van uw schoonte een gunstigh oor.

Hier is iets zeer bijzonders, iets zeer eigens in, dat in de verte aan het Hooglied herinnert en dat Cats zeker wel ijdelheid zal gevonden hebben. Maar bij die ééne ideale liefde is het gebleven bij Six. Hij is nooit getrouwd en later weet hij zijn oud-vrijerschap te verdedigen met een practisch inzicht in de wereldsche zaken, geheel in den toon van Cats, al is het ook lijnrecht met de theorie van Cats in strijd:

[p. 353]
 
Indien een wyf een peeperbaal
 
Gelyk was, die men op een saal
 
Of solder leght, en weer verkoopt,
 
Wanneer men niet daar van verhoopt,
 
Of dat men op de Thraaksche wys
 
Sich scheiden kon, om kleinen prys,
 
Ik nam er wel een proefje van
 
En wierd ook licht een wakker man,
 
Maar dese koopmanschap die blyft!

In zijn latere levensjaren wordt hem zelfs de poëzie ijdelheid en bepaalt hij zich tot het overzetten van de psalmen Davids.

Willem Sluyter (1627-1673) was de Geldersche Cats. Hij was predikant te Eibergen; en ook in Groningen zijn Catsen geweest, die men heeft voorgesteld, niet zonder overdrijving, als de Groninger muiderkring.

Over Pers: A.G.C. de Vries, Ned. Emblemata, p. 32-36. - G. Morre, Jan Hermansz. Krul, Delft. 1894. - Joannes Six van Chandelier, Poëzy, Amst. 1657. - J. Koopmans, Johan Six van Chandelier (Nieuwe Taalgids, IX, 25). - M. van de Merwede, Uytheemschen Oorlog, Den Haag. 1651. - Dezelfde, Geestelijke minne-vlammen, Den Haag. 1653. - J.L. van Dalen, M. van de Merwede (Oud-Holland, 1900. 95). - H.W. Heuvel, Willem Sluyter van Eibergen, Eibergen, 1919. - K. Vos, De Groninger Muiderkring, (Maand. bla(L ‘Groningen’ 1921. Dec.).

Wie van Cats op Poirters komt, wordt door het weerzinwekkende, dat het werk van den eerste vaak voor velen hebben moet, nog te sterker getroffen. Ziedaar in Poirters nu een dichter, die waarachtig leeft in de volksziel, zelf volksziel is en zich maar eenvoudig weg te geven heeft om het mooie en gevoelige te treffen. Hij ziet de gebreken van zijn volk in de practijk van het dagelijksche leven, in hun zeden, hun plichtsbetrachting, hun godsdienst en gaat er in vriendelijken, guitigen ernst op af, zegt raak, waar het op aankomt en toch blijft hij één met zijn volk, de lieve, trouwe vaderlijke vriend midden onder de zijnen, die niet naar voren treedt met deftig gebaar om te vertellen, hoe geestig, verstandig, vernuftig hij en hij alleen wel is geweest om dit en dat op te merken en er de nutte, wijze leering uit te trekken, die hij nu welwillend ter beschikking stelt van het gemeen. Poirters laat zijn menschen zelf zien, trekt met hen samen de conclusie en vertelt wat hij weet vertrouwelijk en gemoedelijk, zonder te poseeren als de wijze, eigengerechtige zedemeester. In hem herleeft Brugman en zooveel van het argelooze, eenvoudige, ware der middeleeuwen.

[p. 354]

Adriaen Poirters (1605-1674) werd geboren te Oosterwijk, studeerde in Den Bosch en te Douay bij de Jezuïeten. Hij was priesterte Duinkerken en te Mechelen en daartusschen een tijdlang prefect van het onderwijs aan het college te Roermond.

Als dichter stond hij onder den invloed van Cats. Best, maar men doet verkeerd door hem gewoon als een navolger van Cats in het Zuiden voor te stellen. Voor mij staat hij boven Cats. Hij was niet iemand, die het nu eenmaal wel aardig vond ongeveer als Cats te doen. In hem zat dezelfde drang als bij Cats, die drang tot leeren, tot verbeteren, tot opheffen, tot zorgen voor de zaligheid, minus de gebreken van Cats, minus Cats' deftigheid en pedanterie, minus Cats' schijnvroomheid en baatzucht. In vlotte rijmvaardigheid staat hij beneden onze groote dichters, kunstpoëzie in de gewone beteekenis moet men bij hem niet zoeken. Hij spreekt de taal van het volk, eenvoudig weg, maar vol leuke treffende beelden uit het reëele leven, vol onbewusten volkshumor, gewiekste wendingen, vol pit en geest. Er is iets onverwoestbaar frisch en levends in dat altijd maar rustig en gemoedelijk doorpraten, nu en dan afgewisseld door een gedichtje, die natuurlijke frischheid, warmte en levenskracht, die verre gaan boven alle technische knapheid, boven alle litterair besef, welke pas waarde krijgen, als er een dichterziel is, die spreekt.

Zijn meest bekende bundel is Het masker van de Wereldt afgetrocken, maar hij schreef meer, dat ik hier slechts echter zou kunnen opsommen1).

Bij Poirters sluit zich aan nog een Vlaamsche dichteres der 17de eeuw, van wie we enkel de initialen kennen, I.G.; vermoedelijk een Brabantsch bagijntje, uit Brussel afkomstig. Zij gaf twee bundels: Het liefelijck Orgel-pypken (1664) en Het Gheestelyck minne-voncksken (1687), eenvoudige, godvruchtige kunst, nog zuiver middeleeuwsch, waarbij niet in de eerste plaats naar vormschoonheid werd gestreeft, maar toch een enkele naieve wending bijzonder treffen kan.

A. Poirters, Het masker van de wereldt afgetrocken, Antw. 1646. - Dez., Den Spieghel van Philagie, Antw. 1674 (3e dr.). - Dez., Het heylich herte, Antw. 1659. - H.J. Allard, Pater Adrianus Poirters S.J., Amst. 1871 (ook in de Dietsche Warande, 1876. 298 en 1879. I, 225). - Dez., Pater Adriaan Poirters van Oisterwijk
[p. 355]
(Van onzen tijd, XI, 321, 340, 356, 358). - Max Rooses, Pater Poirters, Gent. 1874. - H.J. Endepols, Adriaen Poirters (Van onzen tijd, 1911. No. 47-50). P.L. van Eck Jr, 'N Volkspedagoog uit de 17de eeuw (N. Gids, 1919. II, 49 en 207). - Robert Foncke, Een XVIIde eeuwsche Vlaamsche dichteres, (N. Gids 1919. II, 2461 F.A. Vercammen, Poiteriana (Studiën, Nov. 1928).

Constantin Huygens

Wie Huygens niet kent, wordt door zijn werk aanvankelijk afgeschrikt, ziet enkel het harde, het stugge, het gewrongene, het vernuftige, dat gezochtheid en onnatuur nadert; men moet langzaam aan hem wennen, aan kleine brokjes uit zijn werk zijn eigen redeneer- en vindingskracht beproeven, als een geestelijke sport in den beginne; maar wie zoo geleidelijk smaak gekregen heeft in het ontleden, doorgronden, doorspieden van dit vernuftspel, vindt ten slotte in het oeuvre van Huygens toch ook onbetwistbaar dichterlijke bekoring. Hij komt in contact met de type van den wijzen, degelijken, godvruchtigen Hollander, die alles waarneemt en opmerkt, overal leering uit weet te trekken, die alles in zijn voordeel weet toe te passen, maar toch ook geestig ziet de werkelijkheid en, zijn echt Hollandschen drang gehoor gevend, uw verbeelding in aangename spanning houdt, u met een genoeglijken glimlach leert luisteren naar wat hij schipper of boer, visscherman of modepop in den mond legt.

Wiens ingenomenheid voor Huygens nog behoefte heeft aan een steuntje, kan ook met voordeel blaren in het eerste deel van diens Brieven, waar hij den jongen dichter ziet opgroeien in den kring van verstandige, liefdevolle ouders, beminde verwanten en vrienden, omgeven door warme hartelijkheid, wijs overleg, zorgvolle toewijding. Welk een tegenstelling met de jeugd van Cats en diens louche verkeer met de dienende geesten van de vreemden, bij wie hij inwoonde; bij Huygens een wereld van degelijken ernst, stoere werkkracht naast vroolijke ongedwongenheid, maar bovenal liefde, die allen omvat.

Hoe teekenen ook de twaalf brieven, die ons uit zijn correspondentie met Dorothea van Dorp zijn overgebleven, het milieu, waarin hij opgroeide, Dorothea, die hij, de vrouwenhater aanvankelijk, misschien heeft liefgehad.

 
Cost ick seggen hoe de Mane
 
Inde blauw verwelfde bane
 
And're lichten overmuyt,
[p. 356]
 
Dan zoude ick eerst wel vertellen,
 
Hoe dat Doris haer gesellen
 
Trotste ende tradt voor uyt1).

Ook hier de pastorale, al is het in scherts. Dorothea, aan wie hij later met broederlijke vriendschap en liefde is verbonden en die hem brieven schreef, los en vroolijk, er geestig uitflappend wat voor den mond komt, als later de stoute Betje Becker,

 
Brieven die met ons' gedachten
 
Onse herten overbrachten
 
Vlogen dag'lyckx over wech.
 
Lieffelycke, zoete tyden,
 
Eerlyck aengenaem verblyden,
 
Was daer oyt wel uws gelyck?
 
Als ick sagh die brieven comen,
 
Docht ick: Is een Paus van Romen
 
Is een koninck wel zoo ryck?

Nu mag hij zelf in de weinige brieven van hem aan haar, die we nog hebben, bezadigd en intoomend optreden, de jonge man, die zulke brieven als die van Dorpje ontving en genoot als het beste wat hij krijgt, is niet stug en hard; daar is ernst en geestkracht, kernachtig vernuft en wijsheid, die leven in gulle scherts, zoete, vertrouwelijke gemoedelijkheid. En al die eigenschappen van den jongen ridderlijken gezantschapssecretaris vinden we terug door heel het leven en het werk van den dichter tot in zijn hoogen ouderdom.

Constantin Huygens (1596-1687) werd geboren in Den Haag; zijn vader Christiaen, van Brabantsche afkomst, was secretaris van den Raad van State. De jonge dichter groeide op in de deftige, patricische omgeving, waarvan Calvinistische vroomheid, liefde voor Oranje en standsbesef onafscheidelijk waren. Zijn vader zorgde zelf voor zijn opvoeding in wetenschap, godsdienst en kunst of gaf er in ieder geval de leiding aan. Die opvoeding was zeer veelzijdig; zelfs het dansen, dat bij de Calvinisten in zulk een slechten reuk stond, ontbrak niet.

In 1616 en '17 bezocht Constantin de Leidsche Universiteit; de rechtspraktijk lachte hem niet aan; hij ging op in studie van allerlei wetenschap. In de eerst volgende jaren bezocht hij viermaal Engeland als lid van een gezantschap. Hier verkeerde hij in het

[p. 357]

huis der familie Killigrew, in een kring van kennis, beschaving en kunstliefde. Ook een reis naar Venetië als secretaris van den gezant Aerssen van Sommelsdijk, met wien hij ook naar Engeland geweest was, werkte mee aan zijn algemeene ontwikkeling. Op al die reizen is hij steeds werkzaam, ieder vrij oogenblik, gebruikt hij om zijn geest te verrijken. Intusschen had hij in 1619, voor een bruiloft naar Amsterdam gereisd, vermoedelijk ook met de voornaamste Hollandsche dichters kennis gemaakt.

In 1625 kreeg hij zijn vasten werkkring als secretaris van Frederik Hendrik, die veel van zijn tijd in beslag nam en hem nog al eens tot onaangename reizen dwong, als hij den Prins te velde volgde. Frederik Hendrik wist zijn toewijding zeer op prijs te stellen en er bestond tusschen beide een vertrouwelijke verhouding. Ook Willem II en Willem III heeft hij als secretaris gediend; de laatste kende zijn verdiensten voor het huis van Oranje niet en behandelde hem uit de hoogte.

Toen Huygens zijn ambt aanvaardde, was hij reeds een bekend en gevierd dichter. In zijn jonge jaren had hij tal van Latijnsche en Fransche verzen geschreven; de levendig klinkende Herder-Clacht, vermoedelijk gericht aan Dorothea, is van 1618. Zijn Voorhout (1621), Costelick Mal (1622, opgedragen aan Cats), Zedeprinten (1623-4), Stedestemmen (1624) zijn alle uit deze periode; ze vormen de kern van zijn eerste bundeltje, Otia of Ledighe Uren van 1625. Ook het krachtige, schilderachtige Scheepsraet moet van de tweede helft van 1625 zijn.

Twee jaar later trad hij in het huwelijk met Suzanne van Baerle, een rijke wees en een nichtje van de Huygensen (we herinneren ons, dat Hooft ze als zijn tweede vrouw had begeerd); zij werd zijn Stella. Zijn tienjarige huwelijksleven was gelukkig, hij vertelt er ons van in zijn Daghwerck (1627-'38). Juist zou hij zijn mooie nieuwe huis op het Plein in den Haag betrekken, toen Suzanne hem alleen liet (Mei '37) met zijn vijf kinderen, aan wier opvoeding hij zich verder gewijd heeft.

Een paar jaar na Stella's dood begon hij met den aanleg en bouw van zijn buiten Hofwyck onder Voorburg, waar hij na de inspanning van zijn ambt vredige rust en vernuftige overpeinzing vond. Steeds nam dit ambt hem in beslag. Zoo was hij van 1661 tot 1665 in Frankrijk om te bewerken, dat de Oranje's hun prinsdom van Lodewijk XIV terug kregen. Als we lezen, hoe hij daarin

[p. 358]

de stad Orange ontvangen wordt als een vorst, hoe hij met takt en diplomatiek beleid alles ten beste weet te regelen, onder die opgewonden Zuid-Franschen, kost het ons moeite dezen man te identificeeren met den goedronden, loslippigen dichter van onze Trijntje Cornelis.

In zijn werk geeft hij zich evenwel geheel, zooals hij is; hij spreekt veel over zichzelf en zijn omgeving, over wat hij doet en laat. Als Cats, zal men zeggen. Zeker, maar in Huygens zien we steeds den beminnelijken, achtenswaardigen man; ook is hij vrij van die onuitstaanbare pedanterie, waarmede Cats, als hebbende de wijsheid in pacht, steeds naar voren treedt. Wie Huygens' werk leest met aandacht, leert heel den Huygens kennen en liefhebben tevens.

Huygens is een man uit één stuk en toch vertoonen zich in hem schijnbare tegenstrijdigheden, bewijzen slechts van zijn veelzijdigheid of van zijn vermogen om ook het uiterlijk onvereenigbare tot een harmonische samensmelting te brengen. Hij is Calvinist, maar loopt hoog met Erasmus; Marnix heeft zijn volle sympathie en hij voelt veel voor de leer der Stoa; hij is wereldburger en tegelijkertijd Hollander en Hagenaar in zijn hart; hij voelt zich volkomen op zijn gemak in de meest aristocratische kringen, maar doet niets liever dan meeleven onder het gewone volk; hij voelt sterk het dwaze van standverschil, maar zou er niet aan denken de hand aan het werk te slaan, om tot zekere mate van gelijkheid te komen.

Vooral in zijn jonge jaren krijgen de Roomschen nog al eens een snauw en knauw; dat hoorde er nu eenmaal bij in die dagen; maar over het algemeen is hij verdraagzaam, ook en vooral in den fellen strijd tijdens het Bestand.

 
Ick bann het bits vermaen
 
Van Kercken-spertelingh: Staet uyt, Arminiaen,
 
Die op den Gomarist uw' tanden meent te slijpen;
 
En staet uyt, Gomarist, die desen meent te grijpen
 
En krabben d'oude roof van 't seer van Achtien op:
 
All' die u sulcken gall voert steken in den kropp,
 
Ik bid u, staet van verr, en laet de vuyle luchten
 
Van sulcke poelen hier d'onnoosele geruchten
 
Van beter onderhoud niet smetten met verdriet1).
[p. 359]

En verder op:

 
't En is geen Menschen werck; 't zyn stege beest'lickheden,
 
Eens anders met geweld te binden aen myn' reden,
 
En maken plotseliick een' vijand van een' vrind,
 
Om dat hij sijn geloof in 't mijne niet en vindt,
 
Om dat hij niet en voelt dat ick meen wel te voelen.
 
Laegh dat vuyl overboord, wat waerd' er min te woelen,
 
Wat waerd' er min gespoocks, wat waerd' er min gedruys,
 
Wat waerd' er koele kalmt' in Kerck, in Huys en kluys!

Hij gelooft onvoorwaardelijk, dat de waarheid in het Oude en Nieuwe Testament is uitgedrukt:

 
De Waerheit isser in, dat 's klaerheit sonder vleck;
 
d'Onklaerheit is alleen der Leseren gebreck.

Men ziet tot welk een hoog plan van vrijheid en verdraagzaamheid, van onderlinge waardeering en humaniteit onze Huygens zijn Calvinisme heeft weten op te voeren; de Calvinist Huygens en de ‘heiden’ Hooft konden elkaar als broeders de hand drukken.

In tegenstelling weer met Cats, wiens inferioriteit als dichter hij later wel is gaan voelen, ziet Huygens kalm, zonder eenigen afkeer of schrik den dood onder de oogen, als zijn ‘roll is afgespeelt.’

Van de schoonheid der Ouden heeft hij weinig gevoeld; hij heeft ze gelezen en gewaardeerd om wat hij er uit leeren kon; alles gaat bij hem op het nuttige uit; hij kijkt nuchter tegen het leven aan, wil alles beredeneeren. Zijn gezonde sexueele levenskracht uit zich vaak ongestoord, zooals dat in zijn tijd nog mogelijk was, in voor onze ooren platte of min oirbare toespelingen en gezegden. Van schoonheidsdienst is in zijn werk geen sprake, er gaat voor hem geen wijding uit van de kunst van het woord. Stoutheid of verheven drang spreken niet in zijn verzen. Leering en vermaak, dat is bij hem de litteratuur; meestal weet hij ze op een aangename manier te combineeren. Hij zoekt den pittigen, vernuftigen vorm, die tot nadenken dwingt; het gewone, het natuurlijk opgewelde vermijdt hij; of beter doen we misschien door te zeggen, dat voor zijn bijzonder karakter het ongewone, het kernachtige, het gezochte de natuurlijke uiting waren geworden. Hij mag een massa puntdichten vertaald of omgewerkt hebben, vreemde invloed valt er in zijn groote werken zoo goed als niet te constateeren. Hij

[p. 360]

kende en gebruikte de Latijnsche en Grieksche klassieken; hij vereerde Petrarca, kent verschillende andere Italianen, loopt hoog met Marini, den man van het gewrongene en gezochte; Shakespeare en Milton merkt hij niet op, ondanks zijn vrij langdurig verblijf in Engeland; maar voor den stichtelijken en duisteren Donne heeft hij woorden van bewondering. Théophile de Viau en Corneille vooral waardeert hij onder de Franschen; doch bij al zijn voorkeur en kennis heeft hij zijn eigen toon weten te bewaren; wat hij geeft is meestal iets nieuws en oorspronkelijks. Men behoeft maar een paar regels van hem hier of daar onbeheerd aan te treffen, men herkent er direct Huygens in.

Het Hollandsche ras verloochent zich in hem als kunstenaar allerminst. Hij mag leeren, betoogen, nuttigheid zoeken, hoe dikwijls echter vervloeit al zijn wijsheid in een pittig, geestig tooneeltje uit het leven. Huygens was een geboren genre-schilder. Hoe weet hij op Hofwyck (1651) de wijsheid en dwaasheid van den minderen man te beluisteren, hun wantrouwen en wanbegrip, maar ook hun klaren, helderen blik op het leven alleraardigst te teekenen.

 
Wat is daer gronds bedorven
 
En klaere kley gespilt om overdaet en lust!

moest hij hooren over den aanleg van zijn mooie lanen. En dan de schipper, die naar aanleiding van de korte kennismaking met den heer van Hofwyck, tot zijn knecht in sociale beschouwingen vervalt:

 
Ick sie wel, dieder maer sen lijf wat naer en stelt,
 
Eer j' om siet benje rijck; en kusse mit en wape
 
Maeckt alle kunste goed; daer meugj' op sitte schrape,
 
Tot dat je Troortje barst en wordt een Ys're kist
 
Met seuve grendele; en wordje na gevist,
 
Die 't lake, doen 't soo wel as die je 't stick verwijte;
 
Soo wordt' er niet eklapt. Claes motet me niet spijte,
 
Dat ongse bestemoer, doe 'k Vaer en Moer verloor,
 
So lydinghe versuft' en dwaelde van het spoor,
 
En hielmen uyt 'et school. Gut, hadd ick lere schrijve
 
En lesen, as dat volck, wat wouw ick niet bedrijve!
 
'k Hadd lang een mangtel an, een Tabbert of suck goed,
 
Voor een bepeecte broeck, die 'ck nouw verslyten moet.
 
Een handje voll Latyn, hebb ick me late segge,
 
Daer komt het miest op an, en dat 's goed op te legge,
 
We hebbe mé verstanght, we benne all ien slagh1).
[p. 361]

Is dit geen prachtige volkswijsheid? En dan uit een boerenvrijerij:

 
Komt, soetert; eens voor all, waer is je rechter hand?
 
Kom, nobele kersouw, 't is by men ziel ter eeren,
 
En om de werld in echt met suck goed te vermeeren
 
As jouw moij backes is. Wat duyvel schort'er an?
 
Men vaertje sagh 'et gaern, je Mort je weeter van;
 
Je noom, Claes Gerritse, seit meenighmael: wel, Keesje,
 
Hoe maeckj' et mit men Nicht? gaet an; het wildste beesje
 
Wordt metter tijd etemt; de Knijne worde mack1).

Zoo is reeds Voorhout, zijn eerste groote werk, een collectie van kleine geestige krabbels in den lijst van wijsheid en vernuft.

 
Linde-blaedtgiens, luyster-vincken
 
Van zoo menigh apen-clucht,
 
Van zoo menigh traen-verdrincken,
 
Van zoo menigh sotte sucht,
 
Helpt my tuyghen wat een karmen,
 
Wat een stommelend gelaet,
 
Wat een blindelingh om-armen
 
Onder u niet om en gaet.

En dan komen ze los de liefde-ontboezemingen, bij iederen boom een andere, met een eigen karakter. Trouwens heel de schildering van het Voorhout in de vier jaargetijden is geestig en boeiend.

Het Costelick Mal was een satyre op de kleeding van mannen en vrouwen naar de mode van den dag, los en ongedwongen hekelend; dat ‘open memmen-hol, trots wint en winters wonden’, dat den Spaanschen gezant tot de vraagt brengt: ‘Sijn d' Hoenders niet te coop, wat doen sy uyt de koy?’ heeft zelfs eenige populariteit verworven. Wat ons in dit gedicht thans als iets, waartegenover we vreemd staan, treft, is de te groote ernst. Huygens maakt zich werkelijk boos hier en daar; in diepe verontwaardiging barst hij los over het blanketten en andere toiletgeheimenissen, waarover we ons thans slechts luchtigen spot en dwaze overdrijving kunnen voorstellen. In Huygens wordt de satiricus vaak boetprediker en toch schijnt ook hij zelfs ten slotte in de modegrillen te willen berusten als in het onvermijdelijke, indien de Christelijke

[p. 362]

liefde maar bereid is de armen bij te staan en niet te zeer opgaat in het modepak.

In Ooghentroost (1647) vindt hij in de gedeeltelijke blindheid van een vriendin aanleiding, haar te troosten met de geestelijke blindheid in alle rangen en standen, bij alle menschen, en moraliseerend en hekelend die blindheid aan de kaak te stellen.

Ook in de Zeestraet (1666-7, thans de oude Scheveningsche weg, voor den aanleg waarvan Huygens steeds geijverd heeft) zijn die deelen het aantrekkelijkst, waar hij schildert de ellende van het visschersvolk en de vroolijkheid van de vreemdelingen, die pleziertochtjes naar het strand maken.

Zuiver kunstenaar is Huygens in Tryntje Cornelis (1653). Dit vormt met Moortje, Warenar en Jan Klaaz de glorie van ons 17deeeuwsch blijspel. Zelfs Potgieter, de man van ‘gekuischten smaak’ en strenge zeden, soms op het preutsche af, vond Tryntje weergaasch aardig. 't Is eenvoudig prachtwerk. Obsceen, plat, zeker. En wie daar niet tegen kan, moet het maar niet lezen. Maar er gaat niets van af: 't gegeven is komisch (dat had Huygens niet van zichzelf1) en het is uiterst handig, geestig, met fijn psychologisch inzicht in elkaar gezet in kleurrijke, levende spreektaal. Hoe die Zaanlandsche schippersvrouw, Tryntje, in vol ornaat door Antwerpen gaat dolen en van alles het hare moet hebben; wel eens graag op den toren klom, maar bang is voor haar eer op die nauwe trap, en hoe ze dan zoo innig leuk door een snol zich laat inpalmen (merk, hoe handig de beide dialecten tegenover elkaar zijn gezet, dat breede, mollige Antwerpsch, tegenover het smijdig schrille van het Noorden), zich laat wijs maken van de familie te zijn, zich door Marie en haar pol stomdronken laat voeren, om tenslotte van alles beroofd, naakt in een oude koetsiersjas in den nacht op een mestvaalt te worden gedeponeerd. Die ontwaking, waarbij Trijn denkt, dat ze in de schuit ligt en dat haar man het luik heeft laten openstaan; dat langzaam tot bewustzijn komen; die sluwe, brutale handigheid, waarmee ze haar positie tegenover haar man weet te redden; de vieve toer, waarmee ze terugkrijgt, wat haar ontnomen is, het is alles eenvoudig kostelijk en uiterst knap gedaan.

Laten we toch niet probeeren, zooals Eijmael dat nog on-

[p. 363]

langs gedaan heeft, zelfs hier nog naar een zedelijke strekking te gaan zoeken. Zedelijke strekkingen zetten we bij dergelijke lectuur aan den kant, zelfs al verzekerde Huygens zelf ons met den meesten nadruk, dat ze voor het grijpen lagen. Laten we hier genieten van de zuivere kunst, zonder meer, kunst van een bijzondere soort, ik geef het toe, maar toch kranige, krachtige, ingezonde kunst. Wie zoo geestig en gemakkelijk een tooneelstuk in elkaar weet te zetten, is een zeer bijzonder kunstenaar, al wil hij dan ook in de eerste plaats zoeker en verspreider van nutte leering zijn, wat hij ook met eere is geweest.

In 1658 verscheen de eerste druk van de verzamelde werken van Huygens onder den titel Korenbloemen.

 
Hij meent geen' Korenbloem, die Tarw zaeyt; verr' van daer;
 
Hij meent den nooddruft en hij neemt den oorber waer.
 
De bloem verschijnt nochtans en menght zich onder 't koren,
 
Als gasten die in 't Mael der gasten niet en hooren --
 
De bloem is noodeloos in 't Koren en nochtans,
 
Daer 's geen weerseggen aen, sy geeft de Tarw een' glans,
 
En staeter in en pronckt als kinderen van Heeren,
 
Als 't Paesch-dagh is, met Blauw' en Roo Satyne kleeren.

Typisch voor de opvatting van zijn kunst. Zij is zijn toekruyd, zijn onkruyd mag men ze zelfs noemen.

In zijn hoogen ouderdom schreef hij nog Cluyswerck (1683), waarin hij als in Hofwyck rustig vertelt van zijn huiselijk doen en laten. Huygens zal altijd frisch en aantrekkelijk blijven voor wie zich eenmaal wat gewend heeft aan zijn bijzondere manier van zeggen; hoe meer men in hem indringt, hoe meer geest en gezonden humor en practische levenswijsheid men in hem vinden zal en ook een grooter kunstenaar, dan hij schijnen wil of zelfweet.

De Gedichten van Constantijn Huygens, uitgeg. door J.A. Worp, Gron. 1892-99, 9 dln. - De briefwisseling van Constantijn Huygens, uitgeg. door J.A. Worp, Den Haag. 1911-1917. - Mémoires de Constantin Huygens, publ. par Th. Jorissen, La Haye. 1873. - Dagboek van Constantijn Huygens, uitgeg. door J.H.W. Unger, Amst. 1885 (Bijlage van Oud-Holland). - Auto-biographie van Huygens (Bijdr. Hist. Gen., XVIII). - E.J. Potgieter, Cluyswerck van Constantijn Huygens (Kritische Studiën, II, 1). - Th. Jorissen, Constantin Huygens, Studiën, Arnhem. 1871 (slechts deel I is verschenen). - H.J. Polak, Constantin Huygens (Gids, 1889. I, 496, II, 24). - H.J. Eymael, John Donne's invloed op Constantijn Huygens (Gids, 1891. II, 344). - Dezelfde, Huygensstudiën, Culemborg, 1886. - Dezelfde, Constantijn Huygens en de schilderkunst (Oud-Holland, XIV, 185). - G. Kalff, Constantijn Huygens (Gids, 1900. II, 290 en 480, III, 72, ook afz. verschenen). - J.A. Worp, Constantijn Huygens te Orange (Oud-Holland, XIX, 31).
[p. 364]
- J. Koopmans, Huygens' Costelick Mal (Taal en Letteren, XIV, 289). - A. Kluyver, Over ‘Amaryllis’, een ged. van Huygens (Versl. Kon. Ac., afd. Letterk., rks. V, dl. I, 261). - J. Verdam, Constantijn Huygens (Die Haghe. 1914-15. 118). - G. Kalff, Huygens' Trijntje Cornelis (Gids, 1913. I, 494). - M. Sabbe, Constantijn Huygens en Zuid Nederland (Versl. K. VI. Ac, 1925, 775). - C.J. Buitenhof, Bijdrage tot de kennis van Constantijn Huygens' letterkundige opvattingen, Gouda, 1923. - P. Valkhoff, Constantin Huygens, homme d'état et poète hollandais et ses amitiés françaises (Gazette de Hollande 1925 en '26).

Opzettelijke navolging van iets zoo persoonlijks, als Huygens heeft, moet natuurlijk in het algemeen op dingen uitloopen, waarvan de vermelding buiten de grenzen van dit boek valt.

De achtregelige strofe van het Voor-hout had succes. Tengnagel schreef er een goed deel van zijn chronique scandaleuse in; maar het merg en pit van Huygens ontbrak; Bodecheer Benningh († 1642) schreef in dezen vorm zijn Muntgodin. De predikant Martinius († 1653) toonde zich een heelen baas op dit terrein in zijn Dier-al, dit is Klaegliet over den droevighen toestand der eeuwe. En zoo zijn er meer, waaronder ook Jacob Westerbaen (1599-1670), een Hagenaar van geringe afkomst, predikant en medicus geworden, en door een rijk huwelijk met de weduwe van Reinier van Oldenbarneveld binnengedrongen in de Haagsche aristocratische kringen.

Als Huygens te Voorburg, gaat hij te Loosduinen een groot buitengoed aanleggen, Ockenburgh; als de door hem bewonderde Huygens, heeft ook hij zijn buiten bezongen. Huygens kon het trouwens best met hem vinden. Ze komen dikwijls bij elkaar; Westerbaen was hem een raadsman zoowel in den tuinbouw als in de poëzie. In zijn verzamelde gedichten is keus genoeg van vertaling en navolging, doch weinig oorspronkelijks, dat hier verdient naar voren gehaald te worden.

Navolging van Voorhout vindt men ook in Lind- en Iepe-loff van Jans Kercken-hoff van den Utrechtenaar Le Roy of Regius (1642) en Ultrajectina Tempé van R. Opperveldt (1640).

Petrus Hondius met zijn 20.000 verzen over zijn buiten Moffeschans (1621) en Philibert van Borselen met zijn Binckhorst (1613) zijn beiden in den geest van Cats en Huygens autobiographen in het landleven, hun voorloopers, zij bewijzen te meer, hoe dergelijke poëzie in overeenstemming was met den nationalen smaak. Die Van Borselen heeft ook buiten zijn Binckhorst wel eenige aardige verzen geschreven1).

[p. 365]

Jan Six (1618-1700), de vriend en beschermer van Vondel, door Rembrandt geschilderd, is vooral in zijn gedicht Muiderberg pittig en kernachtig als Huygens, maar toch met iets eigens. Dat is geen navolging meer te noemen. Hij staat misschien het hoogst van allen, die we hier even meenden te moeten memoreeren. Dat streven naar eigen persoonlijkheid vinden we ook in zijn treurspel Medea (1648).

Jacob Westerbaen, Gedichten, Den Haag. 1672. - J.A. Worp, Jacob Westerbaen (Tijdschrift Mij. Letterk., VI, 161). - J. Koopmans, Westerbaen's ‘Ockenburg’ en haar toepaden (Groot-Nederland, jrg. 15, dl. II, 96). - J.G. Frederiks, Petrus Hondius (Tijdschr. Mij. Letterk., VI, 103). - J. Koopmans, Philiberl van Borselens ‘Den Binckhorst’ (N. Taalgids, jrg. 11, 25). - C.G.N. de Vooys, Een Utrechtsche navolging van Huygens' Voorhout (Tijdschr. Letterk. XL, 67). - Dez., Nog een Utr. navolging van Huygens' Voorhout (Tijdschr. Letterk., XLI, 46). - Voor verdere bibliographie van deze dichters moet ik verwijzen naar Van Vloten's Bloemlezing uit de dichters der 17e eeuw.

Johan van Heemskerck

Pastorale en didactiek te vereenigen, het is een van de meest sprekende uitingen van den Hollandschen patriciërsgeest der 17de eeuw, dat hij getracht heeft dit klaar te spelen. Dat hij er bijster veel succes mee had, zal niemand beweren. De pastorale, het is de verheerlijking van een leven in de natuur, het zoetelijk dwepende, het teer verliefde klagen, het luchtige en ijle, het bonte en grillige; wat zou daarvan terecht komen, als ze geënt wordt niet nog op den boom der levende wetenschap, waarin gisting en strooming van sappen is, maar op den dorren stam van het duffe, taaie weten. De pastorale was oud en vond in de Renaissance haar herleving. Theocritos had in zijn lieve realistische idyllen het leven van visschers, herders en boeren geschilderd. Meer handeling komt bij Longus in Daphnis en Chloë.1) In de 16de eeuw ontstaat in Italië het herdersdrama bij Guarini en Tasso. Jacopo Sannazzaro schreef het eerst na Longus een herderroman, zijn Libro Arcadico (1502). Toch zijn deze Italianen nog meestal uitsluitend door Virgilius' Eclogae geinspireerd. Sannazzaro speelt zelf een rol mee in het boek onder zijn herders van Arcadië, waar hij zich teruggetrokken heeft uit droefheid over den dood van een

[p. 366]

geliefde. Van geleerdheid is hier geen spoor; 't is alles rustig, eenvoudig natuurgenot, een zoet gekweel over vrede en liefde; wel wordt gesproken over oude tijden, maar 't is de vage aanbidding der lang vervlogen heerlijkheden van de gouden eeuw. Hoe het herdersdrama hier door Hooft werd gebracht, hoe we in Granida een aardige pastorale kregen, die haar invloed deed gevoelen, hebben we reeds gezien. De herderroman kwam hier later en viel niet in zulke goede handen.

Van Italië gaat de lijn over Portugal naar Engeland en Frankrijk. Montemayor schreef zijn Diana enamorada (1542); hij geeft binnen de grenzen van het groote verhaal afzonderlijke novellen. Dan komt Sidney met zijn Arcadia, geschreven voor zijn zuster Countess of Pembroke, en eerst na zijn dood uitgegeven (1590). Het eenvoudige, zuiver herderlijke is al aan het verdwijnen in zijn werk; Amadis-motieven komen voor den dag; er is een vrij verwikkelde intrige, waarin vermommingen en gecompliceerde verliefdhedens een gewichtige rol spelen. Van Sidney gaat het op Honoré d'Urfé, wiens Astrée (1610), spelend aan de oevers van de Lignon in het Forez-gebergte, de roman der eeuw werd. Hier vinden we den Céladon, die de type werd van den fantasischen mode-herder; hij brengt ons bij de koningin der nimfen, Galathée, die haar Céladon onder zooveel anders vertelt van de historie van het land van Forez, waarop onze Hollandsche pastorale zich desnoods beroepen kan.

Sidney en d'Urfé vooral zijn de modellen geweest voor onze eerste Arcadia, waar in 1637 Mr. Johan van Heemskerck (1597-1656) schoorvoetend mee voor den dag kwam, als had hij een nauwlijks te vergeven kwajongensstreek op zijn geweten. Vóór '37 had hij zich reeds aan een paar vertalingen uit Sidney en d'Urfé bezondigd en toen kwam dan zoo waar die Inleydinghe tot een ontwerp van een Batavische Arcadia. Sidney en d'Urfé waren wel hooge heeren, die in de aanzienlijkste kringen van Frankrijk en Engeland verkeerden, maar een Hollandsche patriciër, die het tot lid van den hoogen Raad zou brengen, is toch altijd nog heel wat deftiger en is meer aan zijn fatsoen verplicht. Toen hij in '39 zich dan ook met deze hooge waardigheid bekleed zag, kon hij zich officieel niet meer met het boekje inlaten. Wat hij er aan geleerdheid nog aan wilde toevoegen, eer het ontwerp een in zijn oog wezenlijk Arcadia heeten mocht, werd door Caspar van Baerle ver-

[p. 367]

zorgd en met nog heel wat geleerde noten van zijn hand vermeerderd. Die tweede druk is van 1647 en hierbij is het niet gebleven.

Het eigenlijke doel van Van Heemskerck was, in zijn Arcadisch hulseltje ‘in te vlijen een verhaal van onzer voorvaderen oorlogh tegens de Romeynen en van den onsen tegens de Spanjaerden.’ De lezer zal onder 't ‘soet van minne-praetjes al spelende komen tot kennisse van de vaderlandtsche gelegentheden, daer niemandt een vreemdelingh in behoort te zijn’, en de schrijver eindigt met den wensch, dat men hem zijn werk ten goede houden zal ‘tot datter yet deftigers desen aengaende door andere voor den dagh komt.’ Van Baerle vertelt ons bij den tweeden druk, dat deze bleef steken, toen Van Heemskerck ‘in zaken van ernst’ gebruikt werd, en dat hij zijn boekje 't welk hij wenschte nooit te hebben begonnen, als een ‘wanschapen misgeboorte niet waerdig achtte onder d'oogen van dese geleerde en veel wetende wereldt te komen.’ Zoo werd dus de oorspronkelijk luchtige, lieflijke pastorale vervormd tot een leerzaam tijdverdrijf voor geleerde veelweters. Quantum mutatus ab illo!

Zijn ‘herders en herderinnen’ zijn heeren en dames uit Den Haag, Reynhert, Diederick, Rosemond, Radegond etc., die een pleziertochtje maken op één dag door het Bosch over den Deyl naar Katwijk, daar lekker dineeren en dan tegen den avond over-Wassenaar weer terug. Deze vrienden veroorloven zich inderdaad eenige ‘minne-malligheydtjes’, maar de hoofdzaak blijft weten en leeren, historie en wat we thans folklore noemen, over heksen en derselver processen, over de pijnbank, over de Bataven en Romeinen; tot zelfs 's avonds laat, als ze weer thuis zijn en zich te goed doen aan zalm met peterseliesaus en snoek met dik gewelde boter-en-azijnsaus, praten ze altijd nog maar door over de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, laten ze de Hollandsche graven de revue eens passeeren en babbelen honderd uit over verborgen schatten, pijnbanken, de Spaanschen beroerte en wat niet al.

Dat er op dien dag geen interessante dingen te berde zijn gebracht, zal niemand beweren, maar als pastorale roman werd het boek inderdaad een misgeboorte. Toch moet erkend worden, dat Van Heemskerck eenige pagina's schilderachtig proza geschreven heeft, dat hij hier en daar alleraardigste fijne, ver doorgevoerde precieuze teekeningetjes van personen gaf. Maar den herderroman heeft hij voor Holland voor goed bedorven. Vooral hij is door de

[p. 368]

Hollanders nagevolgd; mocht men van zulk een deftige doorluchtigheid afwijken? Een gansche rij van Arcadia-schrijvers is na hem gekomen tot in het begin der 19de eeuw toe. Daar is Soeteboom, met zijn Zaanlants Arcadia, Gargon met zijn Walchersche, Claas Bruin met zijn Kleefsche, Zuid-Hollandsche en Noord-Hollandsche, Willink met zijn Amstellandsche, Elger met zijn Rotterdamsche, Van den Valk met zijn Noordwijksche, A. Loosjes in 1804 met zijn Haarlemsche - en noch en is het einde niet1)! Alles compilatie van wat er maar bijeen kan gebracht worden aan plaatselijke historische bijzonderheden, historie, sage, overleveringen, wat men maar grijpen kan; soms geheel op rijm, ook dikwijls proza, als bij van Heemskerck met verzen afgewisseld.

Een uitzondering maakt Lambertus van Bos, een Dordtsche conrector, die goed in het Spaansch en Italiaansch schijnt te zijn thuis geweest, in zijn Dordrechtsche Arcadia (1662) en Zuydt-Hollandsche Thessalia (1663). Terecht verklaart de uitgever van de laatste, hoe hij verwacht had, dat ‘na de wijze van wijlen den Heer Heems-kerck onder de kleederen van Harders en Harderinnen de rolle van volmaeckte Staetslieden en Antiquarien gespeelt sou worden’, maar dat ‘in alle vrijpostigheyt met de namen als met de stoffe gespeelt’ is. Toch gaf ook Van Bos geen heusche herder-romans; hij gaf in hoofdzaak uit het Spaansch en Italiaansch vertaalde of omgewerkte novellen, die hij in het raam van wat avontuurlijke ‘herders’-koozerij plaatste. In het eerste boekje komt o.a. de vertaling voor van een zeer bekende picareske novelle La ingeniosa Elena, hija de Celestina van Barbadillo. Toch ontbreekt ook hier de historische geleerdheid niet.

Van Bos schreef nog veel meer, Het toneel der Ongevallen en Vorstelycke Treur-gevallen en dergelijke dingen, die in zijn tijd wel naar den smaak van het groote publiek zullen geweest zijn. Hij gaf ook een goede, volledige vertaling van Den Verstandigen Vroomen Ridder Don Quichot de la Mancha.

Naast al deze verkapte historie mag Geraerdt Brandt (1626-1685) genoemd worden als schrijver van eenige zuiver historische werken, die, onder den invloed van Hooft, goed in elkaar zijn gezet en in onderhoudenden stijl werden voorgedragen. We hebben van hem drie goede levensbeschrijvingen n.l. van Hooft (1677), Von-

[p. 369]

del (1682) en De Ruyter (1685). Vooral die van Vondel is van het hoogste belang voor onze kennis van diens leven. De schrijver deelt ons tal van kleine bijzonderheden mee, die hij hoorde van Vondel zelf, met wien hij in diens laatste levensjaren vertrouwelijk omging.

Als jonge man van 21 jaar had hij zich, door onverdraagzaamheid gedreven, schandelijk tegenover den grooten dichter misdragen door een hatelijke inleiding tot Vondels hekeldichten, in 1647 buiten Vondel om en in strijd met Vondel's bedoeling herdrukt.

Brandt opende zijn carrière met een treurspel De Veinzende Torquatus (1645), dat overeenkomst vertoont met Shakespeare's Hamlet. Brandt putte zijn stof waarschijnlijk uit de Histoires tragiques van Belleforest, waarvan een Nederlandsche vertaling door Renier Telle bestond. Toen hij in 1652 van horlogemaker Remonstrantsch dominee was geworden, mocht hij trouwen met de dochter van Barlaeus. Sedert legde hij zich vooral ook op kerkhistorie toe; de vrucht daarvan was zijn Historie der Reformatie.

Jan ten Brink, Romans in Proza, Leiden. 1900 (niet voltooid). - Dez. Sidney en de Arcadia's (Letterk. opstellen II). - F. Adema van Scheltema, Inleiding tot Frederik Muller's catalogus: Populaire Prozaschrijvers der XVIIe en XVIII e eeuw, Amst. 1893. - Johan van Heemskerck, Batavische Arcadia, uitgeg. door W.P. Wolters en H.C. Rogge, Amst. z.j. - E. Soer, Iets over enkele Arcadia's (Nederland, 1885, II, 3). - G. Brandt's Leven van Vondel, uitgeg. door J. Hoeksma, Amst. 1905. - G. Brandt, Het leven van P.C. Hooft en de lijkreede, uitgeg. door J.C. Matthes, Gron. 1874. - Brandt's Leven van De Ruyter, uitgeg. door G. Kalff, Amst. z.j. - Joan de Haes, Het leven van Geeraert Brandt, Amst. 1740. - W.J.A. Jonckbloet, Het Brandt-Vondel-vraagstuk (Tijdschr. Mij. Letterk., I, 47). - G. Penon, Briefwisseling van G. Brandt (Penon's Bijdragen, II, 73 en III, 37). - S.J. du Toit, Nog 'n keer die Brandt-Vondel-vraagstuk (Tijdschr. Mij. Letterk., XLV. 308).