Mijn twee oude vrienderij mr. J.A. Sillem en mr. J.N. van Hall, spoorden mij aan mijn herinneringen over mijn afloopend leven op te teekenen, herdenking aan personen en feiten toen ik mijn weg door het leven opging. Zij meenden, dat ik dàn in staat zou zijn schetsen en omtrekken te geven van veel personen, met wie ik in aanraking was geweest en wier figuur allengs verbleekt en vervluchtigt. Ik zou, naar hun inzicht, nu eens teekeningen in houtskool of potlood kunnen leveren afstekend tegen een omgeving van gewone menschen, dan weder lichte aquarellen luchtig gewasschen even hier en daar uitgewischt: in één woord lichten schaduwbeelden van enkele mijner misschien reeds vergeten tijdgenooten. Ontmoette ik, bij mijn herdenkingen, machtige persoonlijkheden die grooten invloed op mijn levensloop hadden gehad, of aan wie mijn hart zich hechtte, dan kon de omtrek voller, de kleur dieper worden, en zou uit meer doorwerkte schildering de karaktertrek moeten spreken. Op die wijze, meenden zij, dat een in tinten afwisselende vóór- en achtergrond zou worden verkregen.
Doch hoofdzaak was natuurlijk de afbeelding der vorming en ontwikkeling mijner eigen gedachten en gevoelens. Ik zou een soort van zelf-portret moeten leveren, zooals een schilder naar zich-zelf in den spiegel maakt. Maar er was een groot onderscheid, die schilder doet het niet om zichzelf. Voor hem is het een vóórstudie, om later in andere schilderstukken met de eenvoudigste middelen 't best het doel te treffen. Daarvoor bestudeert hij zijn eigen gelaat, hetzij gefronst of schalksch, hetzij dreigend, lachend of peinzend. Desnoods werkt hij als aan een parafrase, en geeft hij aan zijn eigen figuur een welgewikte ‘pose’: het wordt een voorstelling van eigen wezens-trekken, naar een bepaald oogmerk geschikt. Van dit alles bij mij geen sprake. Ik moest mij-zelf onbevangen teekenen, louter om mij-zelf. Mijn innerlijk leven beschrijven. Iets geven in den trant
van Edgar Quinet's ‘Histoire de mes idées’. Daargelaten of dit mij mogelijk zou zijn - want natuurlijk geef ik niet volkomen het werkelijk gebeurde, maar slechts het verleden zooals het mij nú in de herinnering schijnt - heb ik lang nagedacht over de vraag, of het niet verkeerd is over eigen positie te peinzen. Is er zweem van behoefte om zich-zelf toe te lichten of desnoods te rechtvaardigen? Hoe dit zij: ik heb, geleid door mijn vrienden, mijn bezwaren laten vallen. Misschien - zóó redeneerde ik - zullen jongeren afdruksels der voetstappen wenschen te zien van iemand die eerlijk heeft willen ‘zoeken naar de toekomende stad’ (Hebreën 13 vers 14). Het leven jaagt ons allen onbarmhartig voort. Het werken in de samenleving kon zoo schoon zijn en is het niet. Voor den vrijen groei van geest en ziel is zelfs de tegenwoordige maatschappij meestal haast een vijandige tegenwerkende kracht. Als de menschen de woorden der waarheid al verstaan, zijn zij door de werking der sociale verhoudingen meestal niet bij machte die hooge gevoelens in te vlechten in hun arbeid. Mij heeft daarom nooit losgelaten het denkbeeld, dat al ons streven moet zijn, om kiemen van hervorming in de maatschappij zelve te brengen. Vele van mijn vrienden, en daaronder de beste, hebben getracht op elke wijze den Staat en de staatsvormen te verbeteren: ik heb, met volle waardeering van hun streven, in mijn leven mij bepaald tot het ontvouwen van enkele denkbeelden over sociale vernieuwing. Inderdaad, wij versplinteren zoo dikwijls onze kracht. De samenleving in de Middeneeuwen werd geleid door menschen, die lang en grondig één enkele gedachte hadden overpeinsd, en die heel hun leven er aan wijdden, om dieper en dieper door te dringen in dat ééne feit van Gods wil. Ik heb, zooveel doenlijk, dat voorbeeld in de verte trachten na te volgen. Ik schreef later steeds en bijna enkel over maatschappelijke vragen. Misschien te dikwijls. Men heeft daarom wel eens mijn naam soms schertsend, niet altijd welwillend, verbonden aan begrippen als van ‘sociale rechtvaardigheid’: doch ik beken het - als het niet te aanmatigend klinkt - ik heb in stille uren blijven nadenken over het nedervallen van het licht in de duistere sociale wereld.
Aldus heb ik mijn uitgebreid boek over de Socialisten geschreven. Een boek van liefde. Want tweederlei doel stond daarbij voor mij op den vóórgrond. Ik wilde mijn lezers voeren door het denken en voelen van mannen en vrouwen, wier ziel gefolterd was door de wreede tegenstelling tusschen hetgeen, in maatschappelijke toestanden,
was en wezen moest. Maar voorts wilde ik doen begrijpen, dat wantrouwen, argwaan en haat te kweeken als middel van verbetering - zoo als de sociaal-democratie thans doet - wel het slechtste middel vormt wat denkbaar is om dit doel te bereiken. Van mijn kant heb ik getracht een beroep te doen op toenadering, op verzoening. Ik sprak van een maatschappij der toekomst, waarin het brood een recht, de arbeid een lust zou wezen. Voor mij-zelven dacht ik aan een socialisme, dat de toepassing zou wezen van de wet der broederschap, door Christus gegeven, op het maatschappelijk leven. Ik wanhoopte niet aan het ontwaken van het sociaal geweten ook bij de meer bemiddelden in ons land. Is mijn arbeid mij gelukt? Ik mag het niet beoordeelen, kan het betwijfelen. Maar het verloop der eerste helft van mijn leven moet verklaren, hoe en waarom ik dit werk aanving te schrijven. De hier volgende bladen eener autobiografie zijn als het ware de persoonlijke inleiding van mijn boek, naast de zakelijke die vóóraan voor het uitvoerig geschrift staat. Trouwens, wel bezien, is dit motief zelfs de grootste, misschien de éénige verontschuldiging voor het schrijven dezer ‘herinneringen’.
En zóó gaan deze mijn ‘herinneringen’ tot het publiek. Zij bevatten de geschiedenis der wording van wat ik schreef. De factoren, die mijn denken hebben gevormd, heb ik daarin pogen te ontleden: de tinten, die mijn ziel hebben aangeraakt, even aangegeven. Ik sta hier in deze bladen met mijn voelen, mijn hartstocht, mijn lichte neiging voor mystiek, mijn enthousiasme, mijn ontroering, mijn afkeer, mijn liefde voor wetenschap en kunst, mijn drang voor den dagelijkschen arbeid, mijn verzuchtingen, mijn fouten en mijn teleurstellingen. Ondanks mijn opgewektheid heb ik telkens zekeren onvrede gevoeld, omdat ik slechts met mijn verlangens kon reiken naar betere levensvoorwaarden der maatschappij.
Ook ik heb den blik slechts kunnen slaan naar den anderen oever der samenleving, waar een nieuwe maatschappij zal oprijzen, verwerkelijking der ware gemeenschap.