terug  begin  verderprepost
[p. 53]

Derde hoofdstuk.
Zwerftocht in de maatschappij. 1860-1868.

I.

Toen ik na mijn promotie, een onderhoud met mijn vader had over den weg dien ik nu had in te slaan, kwam eerst goed tot mijn besef dat ik zeer bepaald arm was. Mijn ouders hadden zich allerlei opoffering en ontbering getroost om mij te laten studeeren. Nu konden zij niets meer voor mij doen. Ik moest mijn kost zelf zoeken en verdienen. Het gevoel van veel armer te zijn dan mijn vrienden was in den Amsterdamschen studenten-kring eigenlijk nooit goed tot mij gekomen. Ik had enkele leefregelen van ‘reserve’ streng gevolgd. Men eerbiedigde deze eigenaardigheden en bleef mijn omgang zoeken. Een zekere mate van trots was voor het volhouden van die ‘reserve’ noodig. Maar ik bezat die. Ik was op mijn wijze hooghartig. Het woord uit Corneille's Cid ‘Rodrigues as-tu du cœur?’ werd inwendig dikwijls door mij mij-zelven toegesproken. Onthouding van alles wat buiten de meest alledaagsche uitgaven viel was mij waarlijk niet hard. Een enkele maal had ik een klein verdriet, bij voorbeeld als ik mijn vrienden onder de studenten niet begeleiden kon naar een maskerade te Leiden, als ik geen geld had om te Groningen mijn gouden medaille in ontvangst te nemen, tenzij ik het reisgeld aan mijn ooms vroeg, die 't mij gaarne gaven; maar overigens was en bleef ik idealist. Ik had uit mijn studie der Middeneeuwen een ideëele waardeering der armoede overgenomen: - de heilige Franciscus van Assisi, die, volgens Dante, de Armoede had gehuwd, was altijd mijn liefste heilige -: ik schaamde mij dus wanneer begeerte naar het ‘meer’ mij bekroop, en ik benijdde dan den strengen

[p. 54]

Catholiek, die zich zelven bij verzoekingen mocht kastijden.

Nu echter kwam de werkelijkheid. De staats-hervormer in den dop, de jonge ridder die voor rechtvaardigheid in de maatschappij wilde strijden, moest allereerst den degen afleggen, en in een wereld van zaken, die van Middeneeuwsche idealen bitter weinig afwist en daarvan ook niet wilde hooren, eenvoudig-weg zijn dagelijksch brood verdienen. Wat te doen? De onkosten der voorbereiding tot de loopbaan van een advocaat waren veel te duur. Ik ging naar den Haag1), ten einde, geholpen door den toenmaligen Minister van Justitie Boot, wiens broeder, de Amsterdamsche professor der klassieke letterkunde, voor mij altijd uiterst welwillend was, een of andere administratieve betrekking aan een ministerie te bekomen: - hoe kon ik later hartelijk lachen om den deftigen, ouderwetschen, zwaarwichtigen Minister van Buitenlandsche zaken, den ouden heer mr. J.K. baron van Goltstein, die mij, op mijn betuiging, dat ik hard wilde werken, verzekerde dat ik hem niet paste, want dat er aan zijn departement niet hard te werken viel! - het einde was, dat ik naar Amsterdam terugkeerde en op mij-zelf bleef aangewezen. Ik zat een oogenblik zeer bekommerd ter neêr. Er was altijd iets in mij dat naar avonturen drong. Ook ik verlangde het kleurrijke leven eens te zien. De reactie tegen het ingespannen studie-leven der laatste zes jaren prikkelde die zucht soms nog des te meer. Op mijn dagelijksche wandeling naar 't IJ had dikwijls mijn aandacht getrokken de stal van Van Gend en Loos in de Houttuinen, vol diligences, die beurtelings naar allerlei streken opgeladen werden. Ik herinner mij dat ik juist in deze dagen met smartelijke jaloerschheid zulk een aangespannen diligence aanzag. Zij rolde naar de verte, vèr-weg. Ik had zelfs geen geld meer om plaats te nemen voor een tocht naar elders. Ik was aan handen en voeten gebonden te Amsterdam. Ik voelde mij machteloos en onvrij. Voor mijn brood moest ik dus hier, op een plek die ik niet kon verlaten, arbeiden, arbeiden met den geest. Het journalisme, het schrijven voor kranten, weekbladen of maandschriften, was het meest voor de hand liggende terrein. Welnu, een maand of zes heb ik in Amsterdam niet anders gedaan dan vellen papier vol te schrijven voor die organen der openbare meening, zooals zij zich noemden. En ik had de voldoening, dat ik mij door dat

[p. 55]

werk op zeer sobere wijze bedruipen kon. De oude heer Cosman, de rechtschapen advocaat, was toen een der machthebbers van het ‘Handelsblad’; hij stond mij toe, eens in de week een of ander statistisch overzicht iii zijn blad te geven, waarvoor hij mij telkens tien gulden gaf. De redactie van ‘de Gids’ veroorloofde mi] enkele artikelen te schrijven, die in de eerste helft van hét jaar 1860 werden opgenomen: ik noem het groote opstel over von Radowitz, waarin ik met jeugdigen overmoed der Pruisische politiek van de eerstkomende jaren den pols poogde te voelen; zoo-even toch had Guizot in het tweede deel zijner Mémoires (pag. 80) van Pruisen gesproken als ‘la Prusse, nation incertaine encore de son avenir’, en het loonde dus de moeite de elementen dier onzekerheid te ontleden. Ik vermeld ook een paar bladzijden in ‘de Gids’ over Michelet's methode en opvatting van historie-beschrijving, die hier en daar de aandacht trokken. Maar bovenal hielp mij de Bosch Kemper. Hij was in 't midden van zijn bedrijvige werkzaamheid voor de ‘Vriend van armen en rijken,’ en gaf in die richting een wekelijks verschijnend ‘Volksblad’ uit. Hij vergunde mij aan dat Volksblad mede te werken. Op de eerste bladzijde was hij gewoon aanteekeningen en opmerkingen te geven over den maatschappelijken en godsdienstigen vooruitgang. Wekelijks leverde ik enkele kleine bijdragen tot die wenken en uitzichten, en bepaalde mij hoofdzakelijk tot de gegevens der buitenlandsche politiek, die, met het intreden van het jaar 1860, uiterst belangwekkend voor Europa werd. Overal waren teekenen van verschuiving der rechts- en machts-sfeer op dat gebied waar te nemen. Ik deed mijn best ze in 't licht te stellen. Voorts gaf ik elke week een critisch overzicht van een door mij gelezen nieuw boek, dat ik van den heer Kemper ter leen kreeg. Boeken als Minghetti's samenhang van de staathuishoudkunde en de zedeleer, als Baudrillard's onderzoek in diezelfde richting, als Montalembert's werk over het monniken-wezen in westelijk Europa, werden met.groote zorg door mij in het Volksblad aangekondigd en behandeld. Ik werkte met lust aan dien arbeid. De heer de Bosch Kmper was over mij te-vreden. Straks, toen hij in het vóórjaar een iets langere badkuur van enkele maanden ter wille van zijn gezondheid moest ondernemen, droeg hij mij geheel de redactie op van het Volksblad, tegen een salaris, en liet hij mij vrij-uit mijn meeningen en beginselen in dit weekblad ontwikkelen. Ik was dus op het punt om geheel en al journalist te worden. Toch had ik hiertegen mijn bedenkingen. Altijd-door te schrijven over wat anderen

[p. 56]

deden gaf toch eigenlijk geen ware bevrediging. Ik wenschte wel liever ook in de maatschappij zelf wat te doen, wat te handelen. Die daad, hoe weinig dan ook van beteekenis, scheen mij heerlijker dan het woord. Als ik ééns iets had kunnen verrichten, aan een enkel feit of in het leven tredenden maatregel had kunnen medewerken, dan zou ik, naar mijn opvatting, ook meer recht van spreken hebben bij 't beoordeelen der daden van anderen. In het gareel der maatschappij wilde ik daarom mij voegen. In het practische leven wilde ik treden. Ik snakte zelfs daarnaar, al wist ik niet of ik daartoe aanleg of vatbaarheid had. Uit den aard der zaak zat ik intusschen, zoolang dat mij nog niet gegeven was, over-dag voor mijn weekblad en andere bladen hard te pennen. Eerst 's avonds laat voelde ik mij vrij, en ging ik mijn vrienden opzoeken in het gezellige, roezige en rookerige bierhuis van Pulsers (thans Polman) in de Warmoesstraat. Daar op onze vaste paats, aan de achterste tafel van het pijpen-lâ-vormig lokaal, vlogen de uren voorbij in vroolijken kout. Ieder vertelde - als de dikke Pulsers of een van zijn twee zusters hem 't glas bier had gebracht - van zijn waarnemingen of ondervindingen van den dag. Ieder verdedigde zijn paradoxen en bereed zijn stokpaardjes. Wij animeerden ons op het zeerst. De meesten waren zoo-even nog studenten geweest en teerden op de toen hun overgeleverde wijsheid. Doch zij gingen allen het renperk der maatschappij in. Ik zelf verlangde vurig hun voorbeeld te volgen, ook voor iets gebruikt te kunnen worden, en buiten de boeken-wijsheid mij te mogen bewegen. De vrienden lachten mij dan uit, zij wisten niet hoezeer ik eigenlijk daglooner met den geest was, ‘un pauvre en habit noir’. Terwijl ik zóó als in een hangenden en verlangenden toestand was, en ondertusschen voor mijn bladen schreef, zorgde professor de Bosch Kemper weder voor mij. Er kwam een plaats open van adjunctcommies aan de Provinciale Griffie te Haarlem. Een volle neef van Kemper, mr. G. de Vries Az., was dáár de alvermogende griffier. Kemper deed moeite mij die betrekking te bezorgen en 1 Juli 1860 toog ik naar Haarlem.

II.

Eenige weken voordat ik te Haarlem1) aankwam, was het geboomte om en in de stad nog al geteisterd door een

[p. 57]

ontzettenden Pinkster-storm die er had gewoed; toch bleef de eerste indruk van stad en omgeving zeer bekoorlijk. In de onmiddellijke nabijheid gelegen van het eeuwen-heugend bosch, den Hout, met de statige Spanjaards-laan, omringd door een warande van lusthoven, beemden en wandeldreven, die slechts eindigden waar de glooiende duinen de zee tegenhielden, was het mij alsof die bruin-roode stad met haar oude hooge kerk regelrecht uit een bloemen-perk oprees. Trouwens zóó had Jacob van Ruisdael, twee eeuwen geleden, Haarlem als in vogelvlucht van de hoogten bij Overveen over weilanden en bleekerijen gezien. Er lag daarbij nog zoo iets vredigs over haar marktplein, haar grachten en haar straten. Door kleine spionnen gluurden naar buiten zoete gezichten, die zelve niet opgemerkt wilden worden. Alles scheen er rustig en in evenwicht. - Ik betrok kamers op het Spaarne boven een apotheker. Des ochtends was ik op mijn post in het gouvernements-huis.

De bureaux van het Provinciaal Bestuur van Noord-Holland, in de stille Jansstraat, zijn altijd' een aardig doorgangshuis geweest voor jongelieden, die, zoo even aan het vrije universiteits-leven ontvlogen, zich aan den band en het gareel van den ambtenaars-stand wel wilden onderwerpen, omdat zij werken moesten en werken wilden. Zij bleven er niet altijd lang, maar vonden er gelegenheid zich in het administratief recht te oefenen, zagen hoe een gewest bestuurd werd, deden hun best om een blik te krijgen op een gemeente-verordening of polder-reglement, en leerden de handigheid om met weinig gegevens een dragelijk ambtelijk rapport of memorie op te maken. De toenmalige griffier der Staten van Noord-Holland, die aan het hoofd der buraux stond, de in geheel het land reeds vermaarde Mr. G. de Vries Azn., de leerling bij uitnemendheid van Thorbecke, ontwikkelde die gedrags-lijn, om jonge gestudeerde lieden liefst niet al te lang bij zich te houden, bijna tot een stelsel. Hij achtte het geen nadeel voor de provincie, dat jonge, min of meer begaafde ambtenaren slechts een betrekkelijk korten tijd onder zijn commando bleven. In dien korten tijd werkten zij steeds met zeker ‘feu sacré’, begeerig, om, wat ook later met hen gebeurde, een goeden naam te Haarlem achter te laten. De heer de Vries had daarbij de gelegenheid zulk een opvatting toe te passen. Hij had aan de griffie een afdeeling gevonden, waarmede zijn scherp en orde-lievend hoofd niet dadelijk raad wist, doch dat hij voor zijn doel gebruikte. Het was de afdeeling der statistiek. Een Koninklijk Besluit van 5 November 1858

[p. 58]

toch had - krachtens art. 162 der provinciale wet - in de verschillende provinciën de oprichting van bureaux voor statistiek geregeld, en wel op deze wijze, dat aan elke provinciale griffie eene afdeeling tot zulk een statistisch bureau zou worden ingericht, en dat aan het hoofd daarvan een in de statistiek ervaren man zou worden gesteld. Bij die afdeeling zou dan al hetgeen de statistiek der Provincie aanging worden verzameld en bewerkt. Doch het was gemakkelijker met een pennestreek neêr te schrijven: er zal aan het hoofd van zulk een afdeeling een in de statistiek ervaren man gesteld worden, dan juist dien te vinden. De heer de Vries ten minste vond dien ‘statisticus’ niet dadelijk. Hij moest zich te-vreden stellen een jonkman aan te stellen, die met goede voornemens voor de statistiek was bezield, en die beloofde zichzelf ‘al doende’ tot een statisticus te vormen. Aan dien ‘veelbelovenden’ jongeling - ik-zelf was waarlijk met beloften niet karig geweest - werd dus opgedragen al wat maar eenigszins naar statistiek geleek, en voorts tijdelijk al die werkzaamheden, waarvoor de andere afdeelingen lust noch krachten hadden. Kreeg een der overige commiezen een eenigszins langdurig verlof tot herstel van gezondheid, dan moest daarenboven de ambtenaar der afdeeling statistiek klaar staan om in diens plaats te springen. Was dat alles niet juist de methode om een voortreffelijke statistiek te krijgen, zoo was het echter wel het middel om jonge mannen van goede wille ten sterkste te ontwikkelen.

Het bleek mij den eersten ochtend toen ik voor hem verscheen. De toen 42-jarige griffier was 't type van een hooggeplaatst ambtenaar: vastberaden en kalm, op't bureau correct en eenigszins kort-af. Beslist en gedecideerd waren zijn instructies. Van zoogenaamd gezellig onderhoud op 't ambtelijk bureau kwam niet in. Hij gaf mij dus bondig en beknopt op, hoe ik de gegevens der volks-telling van het jaar 1859 voor zijn provincie moest ordenen en resumeeren, en om het vervelende van dat werk (zooals hij zich uitdrukte) eenigszins te temperen, droeg hij mij ook op het voorloopig onderzoek der in bewerking zijnde waterschaps-keuren en gemeenteverordeningen van zijn gewest. Zonder blikken of blozen aanvaardde ik het werk, ik die als hoofdstudie tot nu toe Middeneeuwsch rechts- en staatswezen mij-zelf had pogen te verduidelijken. Hoe ontstelde ik, toen ik den volgenden dag na mijn komst, nadat ik mij eenigszins had georiënteerd in de cijfers der volks-telling, uit handen van den griffier een concept-verordening op beurtveeren, en een reglement

[p. 59]

van een of anderen ‘ban’ van waterschappen ter verdere bewerking kreeg. Een ban, ik wist niet eens goed wat 't was; beurtveeren, ik kende daarover slechts bij name een brochure van den als secretaris van Rijnland zoo-even vertrokken hqofdambtenaar der griffie, mr. J.T. Buys. Ik herinner mij, hoe ik den nacht bleef doorwerken om iets dragelijks aan den griffier voor te leggen. Toen ik mijn arbeid den griffier ter hand stelde, knikte hij, nadat hij alles had overgelezen en verbeterd, mij goedkeurend toe. Van dat oogenblik af was ik zijn jonge vriend en ik ben het tot het einde van zijn leven gebleven. Hij nam mij mede naar zijn vriendelijk huis op het Spaarne, waar hij het ambtenaars-leven vergat en de gezelligste gastheer was, en liet mij al mijn denkbeelden, zelfs mijn invallen vrijelijk vertellen. Het was zoo vroolijk bij den stemmigen doch opgewekten de Vries aan huis. Alles was zeer Hollandsch gekleurd: de namen der kinderen herinnerden er aan dat men in een oud-Hollandsch huishouden vertoefde, en de schrandere moeder - eene Reuvens - hoewel niet altijd vlug ter been, zorgde op haar rustigen stoel, dat met een blijden lach elk opkomend fronsen der wenkbrauwen van den echtgenoot werd weggevaagd. De griffier disputeerde dan met zijn ambtenaar. Hij gaf mij inzicht in de organisatie der waterschappen van Noord-Holland. Hij leerde mij vooral eerbied te hebben voor de regelen der administratie van staat en gewest. In dit opzicht prees hij telkens koning Willem I en zijn school van staats-dienaren. Het beeld van den ouden Ewijck van de Bildt, een der vroegere gouverneurs van Noord-Holland, werd dikwijls door hem opgeroepen. Hij genoot, wanneer hij trekken van diens sarcasme en bijtende terecht-wijzingen tegen oppervlakkig gedoe kon meêdeelen. Ik zie nog in mijn verbeelding het ‘tableau’, dat de Vries schetste, toen een jong aanmatigend meester in de rechten, in 't bijzijn van van Ewijck, Dante begon op te hemelen, en de oude grimmige man plotseling een exemplaar van de ‘Divina Comedia’ den snuggeren bewonderaar voorhield, korrelig uitlegging verzoekend van een duistere plaats uit den ‘Inferno’. Trouwens de Vries was even wars van mooipraterij en bombarie. Men mocht ook bij hem niet spreken over de dingen die men niet goed wist. Hij leerde mij op de griffie af, in rapporten stellingen te plaatsen die ik slechts door studie of lectuur kon weten. Een ambtelijk rapport mocht - naar zijn opvatting - enkel ontvouwen, wat de steller door eigen werkkring persoonlijk wist of in die werkzaamheid had vernomen. Strikt moest men zich dááraan

[p. 60]

houden. Al het andere, hoe fraai misschien, was overtollig: en deed schade aan het vertrouwen, dat men aan den inhoud van het uit ervaring meêgedeelde moest geven. Ik leerde administratief werken. Precies en stipt mij uitdrukken. Zelfs mijn zucht om zeer snel alles af te doen werd bedwongen. De Commissaris des Konings, de heer Röell, liet mij eens roepen, na het indienen van een of anderen concept-brief aan een gemeente-bestuur. Ik dacht geprezen te worden, omdat ik bijna per omgaande de opmerkingen van dat gemeente-bestuur in mijn ontwerpmissive had weêrlegd. Doch de heer Röell wees op zijn zacht-ernstige wijze mij te-recht. Ik moest in een belangrijkematerie eenigszins den tijd laten werken. Niet onmiddellijk en gejaagd een zaak van belang, vooral wanneer zij als doortrokken was van subjectieve geprikkeldheid, behandelen. De tijd was - zóó leerde hij mij - een niet te versmaden heelmeester ook van door de administratie geslagen wonden. Trouwens ik moest die opmerking zeer ter harte nemen ook met 't oog op mijn eigen te-kort-komingen. Mijn hoofdtaak aan de griffie was het in orde brengen der volkstelling van December 1859 voor de provincie; en ach, dit werk vorderde zoo weinig. Ik moest afwachten den arbeid der gemeente-ambtenaren, te-vreden mij betoonen als, na eindeloos geschrijf, de tijd de meest schreeuwende cacofonieën der telling wegdoezelde. Goede Hemel! Wat zag diestatistiek van Amsterdam er uit, nadat zij door de zeef, welke ik uit naam der griffie van Noord-Holland haar voorhield, had geloopen! Een blos van schaamte kwam over mijn wangen, wanneer ik de cijfers zag die hooit klopten,, niettegenstaande mijn kunstigste berekeningen, en in weerwil van het buitensporig werk der zeer buitengewone hulp-. assistenten, die ik voor het verkrijgen van dat resultaat had gekregen: een aanspreker, een gewezen schuitenvoerder en zijn zoon, een vroegere bediende uit een bakkerswinkel! Een statisticus, ik moest het met schaamte bekennen, werd ik nooit. De referendaris der statistiek aan 't departement van Binnenlandsche Zaken, de goedige onvaste heer von Baumhauer, kwam van tijd tot tijd naar mijn werk kijken, en poogde, binnensmonds pratend, mij enkele loopjes van 't vak te leeren; een goede kennis van vroegere jaren, mr. J.F.B. Baert, toen chef der afdeeling Statistiek aan het Provinciaal Gouvernement van Utrecht, gaf mij enkele wenken zijner ervaring1).... met een zucht, met een ‘oef’,

[p. 61]

gaf ik eindelijk 't resultaat van mijn zwoegend tellen aan den heer griffier over. ‘Besser gar nicht beobachten als schlecht beobachten’, zeide reeds Humboldt.

Het was mij, na eenigen tijd aan het Provinciaal Gouvernement vertoefd te hebben, toch duidelijk, dat ik naast dien arbeid nog wel een ander veld van werkzaamheid moest zoeken. Ik moest trachten een terrein te vinden, dat ook aan mijn ideëel bestaan een zekere voldoening kon geven. Trouwens het effectieve salaris van een adjunctcommies was niet zeer hoog. Het kon geen kwaad, dat er iets bij verdiend werd om behoorlijk voor den dag te komen. Hier kwam - daar ik mijn avonden vrij had - het journalisme mij weder helpen. In Haarlem leefde toen de ondernemende en uitstekende uitgever A.C. Kruseman. Onder de velerlei plannen, die hij bedacht en uitvoerde, behoorde ook het voornemen, om aan ons land een goed weekblad te geven. De Engelsche weekbladen leverden het voorbeeld, en in Frankrijk gaf de liberale partij door haar ‘Courier du Dimanche’ een voortreffelijk model. Kruseman kocht dus een bestaand blad, dat, onder den naam van het Zondagsblad, kommerlijk zijn leven voortsleepte, en verbond daaraan, onder leiding van Buys, de beste jonge liberale krachten van ons land. Van Limburg Brouwer, Joh. C. Zimmerman, Busken Huet, Allard Pierson, de Génestet zouden allen medewerken. Al zeer spoedig, na mijn komst in Haarlem, kwam Kruseman mij vragen mij met de hoofdredactie te belasten. Buys toch - vroeger hoofd-ambtenaar aan het Provinciaal Gouvernement te Haarlem - was als Secretaris van Rijnland naar Leiden vertrokken, had er bezwaren tegen, van uit Leiden een blad dat te Haarlem werd gedrukt en uitgegeven, te besturen, en wilde dus zijn taak voor het blad aan een ander overdragen. Met graagte nam ik het aanbod aan, dat ook geldelijk misschien wel eenige voordeelen beloofde. Het werd voor mij een uitermate geliefkoosd werk. Daar ik gezien had, dat in het Volksblad van Kemper mijn aanteekeningen over buitenlandsche staatkunde opgemerkt werden, besloot ik als wekelijksch hoofd-artikel, een overzicht te geven van den gang dier buitenlandsche politiek. Een oude kennis, dien ik als mede-student te Amsterdam dikwijls had gezien, de heer Robidé van der Aa - zoon van den vroegeren eigenaar van den Hemelschen Berg te Oosterbeek - was sinds een paar jaren in den Haag gaan wonen. Daar hij vermogend was en allerlei invloedrijke familie-relaties had, werd hij in de jonge liberale kringen der hofstad zeer spoedig opgeno-

[p. 62]

men. Hij zelf behoorde tot de meest geavanceerden; zijn vroegere theologische studiën hadden hem een strijdlust tegen het clericalisme ingeprent; voorloopig was hij Thorbeckiaan doch in zeer radicalen zin. Hij bemoeide zich vooral met de Indische politiek, een veld dat hem bijzonder aantrok, omdat hij boven alles lief had de studie der aardrijkskunde, zooals die te Berlijn door Ritter was ingewijd. Ik wist hem over te halen wekelijksche brieven over de binnenlandsche politiek - die hij met den naam van Robrecht van Peene (een ouden familie-naam van zijn moeder) onderteekende - voor mijn blad te leveren. Zóó ging ik in zee. De oude eerste medewerkers handhaafden ter wille van Kruseman hun steun, en al mijn jonge vrienden Hingst, den Tex, Jacobi, straks Halbertsma zouden mij helpen. Voor het ‘feuilleton’, onder aan het blad, zou ik vertalingen geven of doen geven van 't beste wat de buitenlandsche literatuur van den dag opleverde; vertalingen van de artikelen van Hippolyte Rigault, van Emile Montégut, van Eugène Pelletan, van Daniel Stern, van Saint Marc Girardin, van Charles Kingsley, van Thackeray (uit zijn voorlezingen over de George's), van Edward M. Whitty. Wat was ik tevreden, als ik Zaterdags-avond het fraai op schoon goed papier gedrukte weekblad ontving! Met welk een zorgvuldigen schroom ontplooide ik het blad! Ik had elke week met groote zorg mijn artikel over den gang der politieke gebeurtenissen in Europa bewerkt en daaraan een lichten vorm trachten te geven. Hier en daar hoorde ik het prijzen. Toen Busken Huet in Haarlem en Amsterdam zijn schitterende negen, voorlezingen hield over de Nederlandsche literatuur, waarin hij de letterkundige verschijnselen van het einde der18de en het begin der 19de eeuw behandelde, ze toetsend aan de beginselen van het realisme, dat is aan een vrijer waarneming en trouwer uitdrukking der natuur, dan naar zijn inzicht vroeger was beproefd, wist ik een der mannen, op wier geest en oordeel ik in Amsterdam den hoogsten prijs had gesteld, Josef Alberdingk Thijm over te halen in mijn blad telkens, na elke gehouden voordracht, een breeden weêrslag op het gehoorde te leveren. Busken Huet zelf schonk voortreffelijke vertalingen van Lacordaire's intrêerede in de Fransche Academie met het antwoord van Guizot, de Génestet gaf een glansrijk artikel over. Potgieter's hulde aan da Costa, Zimmerman besprak, de Leeke-dichtjens van de Génestet, van Limburg Brouwergaf een beoordeeling van mevrouw Bosboom's nieuwsten, roman ‘Graaf Pepoli’, de heeren Logeman en Lubeck

[p. 63]

schreven bijdragen over natuur- en werktuigkunde. Dr. Halbertsma die met zijn vriend van Herwerden - de professor voor de Grieksche taal te Utrecht - zoo-even een studiereis in Spanje had gedaan, om in de archieven en bibliotheken aldaar Grieksche manuscripten te collationeeren leverde voor mijn blad Spaansche schetsen, die door haar haast uitbundigen luim en speelsche guitigheid bekoorden. Robidé van der Aa, de roode jonge Hollander - zoo-als men in den Haag hem niet enkel~naar zijn hoogblonde haren noemde - gaf stipt zijn brieven over binnenlandsche politiek, waarin hij uitvoer tegen allerlei opportunisme onzer babbelachtige parlementaire grootheden. Met zorgvuldige angstvalligheid waakte ik dat niets onedels in het blad kon voorkomen. Mijn streven was, dát het Zondagsblad een distinctie zou aantoonen, als die van het ‘Journal des Débats’, en mijn voorbeeld als journalist was Prévost-Paradol.. Zijn bevallige lichte greep, zijn gemakkelijkheid van beweging, zijn fijnheid van opvatting, zijn zuiverheid van vorm, zijn afkeer van rhetoriek en dikke woorden, zijn worp van den pijl der argumentatie die suisend door de zinsneden recht-af op den tegenstander neêrkwam, waren mijn ideaal. Ach, al dat werk werd al bijster weinig gewaardeerd. Op de tafel van de sociëteit ‘Trou moet blycken’ zag ik, dat de blanke reinheid van mijn blad door geen kreuk of slordige betasting werd bezoedeld. Men las het niet. De uitgever, de heer Kuseman, kwam met afgepaste vormelijke vriendelijkheid mij elke maand berichten, dat het blad weder iets achteruitging. Het blad verloor - zóó zette hij mij met boekhouders-nauwkeurigheid uitéén - de oude abonnementen van de krant, die hij had gekocht, en won geen genoegzaam aantal nieuwe inteekenaars. Hij kwam mij met deftige aarzeling, dus tot zijn spijt, keer op keer een maandelijksche balans van teruggang vóórhouden. Wat hielp 't mij of Potgieter uit Amsterdam mijn werk al prees, een lof die hij later in zijn studie over Bakhuizen van den Brink nog herdacht. Kruseman - zie zijn Bouwstoffen I, pag. 380 en vergelijk het boek A.C. Kruseman, door J.W. Enschedé 1899, I, p. 482 en volgende - gaf onmeêdoogende statistische cijfers van verlies. Het deed hem leed, zóó verzekerde hij, maar met 1o April 1861 zou het weekblad ophouden. Wij schreven allen, voorzoover wij vaste medewerkers waren, toen ons beste artikel in het laatste mummer. Ik-zelf gaf op het slot van mijn opstel van 28 Maart 1861 getuigenis van mijn geloof in den vooruitgang: ‘Zij dit de moraal, waarmede wij het Zondagsblad sluiten, de ver-

[p. 64]

werkelijking der staatkundig-maatschappelijke vrijheid en der christelijke verlichting moet steeds vooruitgaan. Als een groot leger, dat voorttrekt en menig traag en afgemat krijgsman achter zich laat, zóó heeft ook de beschaving haar achterblijvers, maar zij-zelve vordert zonder ophouden. De tijd heeft vleugels:

Même quand l'oiseau marche, on sent qu'il a des aîles.

Dit was de laatste min of meer resoneerende toon van het Zondagsblad.

Voor mij was het einde van het blad een droevige gebeurtenis. Toch had ik aan dat blad de kennismaking te danken van twee mannen, die op mijn volgend leven een grooten invloed zouden hebben: ik bedoel Buys en Busken Huet.

Buys in de eerste plaats. Ik leerde hem kennen, toen ik op een herfst-dag van het jaar 1860 naar Leiden trok, om de taak der hoofd-redactie van hem over te nemen. Hij was een zestal jaren ouder dan ik. Dikwijls had ik in Haarlem over hem hooren spreken, doch altijd als van een min of meer gesloten karakter, streng voor zich zelf, toegeknoopt, en niet schielijk zekere vaste plooien afleggend. Zijn wijze van schrijven was toen ter tijde goed, bij wijlen pittig, doch nog gewoon: de trant van een perfect economist of van een hoogstaand ambtenaar. Zijn opstellen waren modellen van klaarheid. De fijnere, meer aantrekkelijke vorm van later, de verheffing, ontbrak nog. Maar in het logisch geserreerd betoog begon toch, als men scherp opmerkte, reeds het hart van den auteur te kloppen. Ook een bedwongen luim zweefde hier en daar reeds over den vasten zin-bouw. In mijn verbeelding zag ik tegen hem op, toen ik op den bewusten Octoberdag voor 't eerst 's namiddags aan zijn huis op de Heerengracht te Leiden belde. Ik werd - daar ik mijn overkomst uit Haarlem had verwittigd en te eten was genoodigd - door zijn jonge vrouw, die hij een groot jaar geleden had gehuwd, ontvangen. Zij was verrassend schoon fen bevallig, doch melancholiek, haast mijmerend, zoodat het vormelijk gesprek weinig vlotte. Een half uur later trad Buys, die nog op 't bureau van Rijnland was opgehouden, binnen. Hij was slank, eer blond dan donker, van gewone grootte, en gaf een stevigen handdruk en opgewekten welkomstgroet. Mij trof dadelijk het vast-belijnde profiel van den aristocratischen kop, de sobere eenvoud van zijn woord en optreden, tegelijk een ingetogenheid die tot stroefheid kon overhellen. Wij spraken toen van-zelf over het blad, waar-

[p. 65]

van hij de eigenlijke leiding nu aan mij overgaf; hij legde nadruk op de politieke richting in liberaal-economischen zin, waarvoor ik nu geen onbepaalde bewondering had, doch die ik in groote lijnen, mij scharende in de gelederen eener breedere liberale partij, toch beaamde; en voorts gleed het gesprek - toen wij aan tafel zaten - haast ongemerkt over tot de terreinen van literatuur en kunst. De jonge vrouw, die tot nu toe alles min of meer onverschillig had aangehoord, werd in eens als wakker. Er kwam gloed in haar oogen. Zij nam warm deel aan de wisseling van opmerkingen. Zij had op artistiek terrein haar eigen opvattingen - uitingen van diepe emotie en van grooten weêrzin tegen banaliteit en mooi-doenerij - en verdedigde zeer levendig haar inzichten en meeningen. Toen wij van tafel opstonden, deed zij haar piano open, en speelde en zong ons vóór Schumann's composities op Heine's lyrische Intermezzo. Ook wij werden gedragen op de vleugelen van het gezang, toen die liederen - zich concentreerend in het ‘Allnächtlich im Traume seh' ich dich’ - in de stille kamer zacht weerklonken. Ik bleef den ganschen avond, en was sinds dat oogenblik een vertrouwde van man en vrouw. Als het mij eenigszins mogelijk was kwam ik des Zondags bij Buys, en deed met hem en zijn jonge vrouw groote wandelingen in Leiden's omstreken, naar Endegeest, Wassenaar, Warmond, Sassenheim en Lisse. Al wandelend sprak hij over de zaken van staat en maatschappij, en zij voegde telkens, terwijl ze geurende takken en bloemen van 't veld bijééngaarde, opmerkingen, invallen en herinneringen op kunstgebied of uit de wereld der literatuur daartusschen. Hoe hebben zij beiden op mijn leven invloed uitgeoefend! Zonderling intiem was die verhouding, machtig de greep die Buys op mijn denkvermogen heeft uitgeoefend. En toch, wanneer ik mij uit den toovercirkel van beider inwerking loswikkelde, moest ik mij-zelf soms bekennen, dat ik, van gansch verschillende uitgangs-punten uitgaande dan hij, over staatkunde en staathuishoudkunde anders dacht en voelde dan in zijn gesprekken en geschriften als zijn beginselen werd uitééngezet. Terwij ik uit wilde gaan van de maatschappij als grondslag der gemeenschap, legde hij enkel nadruk op den staat als leidende (gebiedende of verbiedende) richtsnoer dier gemeenschap. Want wat bij Buys dadelijk trofwas de haast uitsluitende vereering van 't begrip van staat en staatkundige vrijheid verbonden met de volle waardeering van persoonlijke energie. Dat die staat leiding en steun moest geven aan al het streven naar rechtvaardigheid, dat vrij opkomt uit het

[p. 66]

wezen en werken der collectieve maatschappij, wilde er bijhem niet grif in. Wel stond bij hem op den vóórgrond de krachtige wil van individueel zich in dienst te stellen van zijn beginselen, en niet tegen offers van eigen gemak of voorkeur op te zien. Enormiteiten te verkondigen - zóó liet hij zich eens uit - zou misschien kunnen worden toegelaten of verschoond, onder de enkele voorwaarde, dat men bereid is met zijn hoofd voor die krasse overtuiging in te staan; de altijd dreigende guillotine was in dat opzicht de rechtvaardiging voor de mannen der Fransche Conventie. Voor mijn liefde tot de Middeneeuwsche gedachten voelde Buys niets. Hij was en bleef de type van den modernen wakkeren man der negentiende eeuw. Het oude overgeleverde Engelsche constitutioneele stelsel scheen hem op staatkundig terrein nog altijd een model toe. Voor ons land zag hij in Thorbecke den drager van dat systeem. De begrippen van recht en wet werden door hem absoluut hoog gehouden. Een rechts-staat was zijn ideaal. Langzaam, maar zeker, gleed hij (naar mijn inzicht) later meer en meer over tot het begrip staats-souvereiniteit, met miskenning van het initiatief en de drijfkracht der maatschappij. De impulsie, werking en vaart der maatschappij, wortelend in het begrip der gemeenschap, werden door hem toen als egoistische ‘eigen richting’ afgewezen. Voor democratie had hij een soort van nieuwsgierige stemming gemengd met bezorgde vrees. De kern van het staatsleven moest, volgens hem, besloten zijn in een nijvere kloeke intellectueele burgerij. De volks-klasse als zoodanig moest volgen. Het economische leven der maatschappij loste zich voor hem nog op in 't voorschrift van het ‘laissez-faire’. Van de zoogenaamde ‘sociale’ leus wilde hij in die dagen niets weten. Het woord ‘sociaal’ werd zelfs altijd eenigszins dédaigneus door hem uitgesproken. Terwijl ik toen geen andere richting in 't oog had, dan de lijn der historische, in ontwikkeling zijnde, rijpende sociale idealen, die ik dan ook van tijd tot tijd hem tegenwierp,. kantte hij zjch met beslistheid tegen elk mijner aanwijzingen naar die meer breede sfeer. Hij kon dàn scherp worden, bij het volgen van zijn enger getrokken regel. Hij verwierp absoluut gevolgtrekkingen, zoo-als Ruskin die - later in 1862 - trok uit de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard (Mattheus XX), waar aan de arbeiders van het laatste uur hetzelfde loon wordt gegeven als aan hen die den ganschen dag hebben gewerkt. In 't algemeen sprak hij niet gaarne over religieuze ideeën,. die voor zijn intellectueel ontwikkeld brein veelal nevelachtig geleken, en zeer verrast

[p. 67]

keek hij mij aan, toen ik hem ééns mijn instemming betuigde met den smartkreet van professor Brill - in die dagen door hem geuit - dat alléén een inkeer tot God ons vaderland zou kunnen behoeden. Het begrip legaliteit daarentegen woog bij hem zeer zwaar, en deed hem soms overhellen tot denkbeelden die mij weieens nuchter en vlak geleken. Hij was in dit en elk ander opzicht de man van de ‘rechte lijn’. Hij weifelde zelden, wist wat hij wilde. Zijn karakter-vastheid, zijn diep plichtsgevoel, dreven hem steeds vanzelf, rustig, rhytmisch en als 't ware harmonisch, voorwaarts in een volmaakt heldere éénheid van leven en richting. Zijn nobele oprechtheid gaf daarbij aan al zijn uitingen verheffing en gloed. Men vergat niet licht een zijner afkeuringen. Al deelde men die uitspraak niet, men bleef daar over denken.

Geheel anders teekende zich in 't brein en in 't gemoed het beeld van Busken Huet, die twee jaren ouder was dan Buys. Ik maakte zijn kennis, toen hij mij op mijn kamers te Haarlem kwam spreken over een opstel, dat hij in het Zondagsblad wilde plaatsen. Het appartement, waar ik huisde, was hetzelfde dat door hem jaren-lang was bewoond vóór zijn kort te-voren gesloten huwelijk. Het uitzicht op het Spaarne vlak tegenover de groote brug boeide hem; allerlei grappige herinneringen aan de slampampers, die over de leuning van die brug in 't water tuurden, kwamen hem voor den geest, toen hij op zijn ‘oude’ kamers weder toefde; van-zelf bleef hij wat langer praten en redeneeren. Want elk gesprek was van zijn kant een raisonnement. Hoewel hij tegen het einde van 1860 nog altijd de gevierde Waalsche predikant was, die voor veler gemoed stichting aanbracht, zoo was toch in zijn omgang allereerst merkbaar 't critisch prikkelend zout. Hij kende geen ‘égards’, had geen eerbied voor het zoogenaamd fatsoen onzer maatschappij, miste volkomen ‘la bosse du respect’. Hij keek met zijn heldere scherpe oogen, onder zijn zwarte haren, vast zijn wederpartij aan. Den open oog-opslag van Buys had hij niet, wel een meer doorvorschenden uitdagenden blik op de wereld, een blik als op het portret van Emile de Girardin door Ingres. Die blik was schalksch en toch soms met niet weinig jaloerschheid getint, wanneer hij zag, dat het leven voor anderen zóó gemakkelijk scheen, terwijl hij-zelf én met zijn gedachten moest worstelen én voor zijn levens-onderhoud al schrijvende bovenmatig zich moest inspannen. Juist in 't jaar toen ik hem leerde kennen, in den winter van 1860 op 1861, had in zijn brein het drama plaats der ontworsteling van zijn

[p. 68]

gedachten uit de sfeer der moderne theologie. Ik merkte daarvan nog niet veel. Wel trof mij soms een of ander schertsend woord over den door hem soms zoo hoog gestelden professor Scholten, wien hij ondeugend verweet in het boek ‘De ieer der Hervormde Kerk’ den lieden diets te maken, dat hij Calvijns werk voortzette, terwijl hij zich toch bewust moest zijn in dezelfde verhouding tot Calvijn te staan als weleer de met Calvijns goedkeuring verbrande Servet. Doch overigens meende ik bij den Huet dier dagen vooral te zien een strijd tegen eenzijdigheid en tegen doctrinarisme in 't algemeen, met een overhelling tot een soort van scepticisme. Doch geen bekrompen trek lag over dat alles. Integendeel, hij zocht alles (en veel was hem in de wereld nog vreemd) met een koel hoofd en scherp verstand onbevangen te begrijpen. Want hij was vóór alles man van fijn verstand. Voorloopig wierp hij zich toen op de literatuur. Hij was pas gehuwd met een jonge teêre begaafde geestige schrijfster, die in kleinen kring zeer werd gewaardeerd, en had met haar een miniatuur-huisje in de Zijlstraat betrokken. Het werd voor mij een geliefde gang, des avonds laat, na volbrachten arbeid of bezochte ‘soirée’, een uurtje te gaan praten met de bewoners in die Zijlstraat. Hoe dikwijls heb ik dáár gezeten aan de tafel, in de kleine ‘suite’, tusschen Huet en zijn vrouw! Het zachte gedempte licht der carcel-lamp bestraalde ons en de boeken of bladen vóór ons, en liet het overige deel van het vertrek in een waas van geheimzinnigheid. Een gewaarwording van welbehagen, van volle tevredenheid en van harmonisch genot, stroomde onder de lichte ‘causerie’ door al mijn aderen heên. Ik moest aan Huet, die hier met zijn jonge vrouw een arbeidend kluizenaars-leven leidde, tijdingen brengen uit de wereldsche wereld van Haarlem. Ik moest praten over mijn Amsterdamschen kring, over Potgieter, over Martinus van der Hoeven. Straks kwam het gesprek op de Fransche literatuur. Ik haalde uit mijn zak de kleine roerende haast mystieke biografie, die Lacordaire aan Ozanam had gewijd. Huet kwam met deeltjes van Taine of Sainte-Beuve aanloopen. Met een scherpzinnig talent ontleedde hij hun uitspraken. Onze indrukken werden scherper, ons genot hooger, en mevrouw Huet mengde een toon van lichten weemoed onder onze uitroepen, wanneer wat al te ondeugend, te striemend de slagvaardige zetten van Huet weêrklonken. Dit echter bleek mij meer en meer: Huet wilde niet langer zijn de pleitbezorger eener theologische zienswijze. Hij wilde zijn leven breeder opvatten. Hij brak zijn ééns gevolgde lijn. Met

[p. 69]

zijn vasten wil, met zijn onafgebroken arbeidskracht, ging hij zich dwingen een anderen koers in te slaan. Desnoodsin ‘zigzag’ wilde hij vooruit. De studie der letterkunde en der kunst gaf hem vooreerst een bedding voor den stroom zijner gedachten. Hij begon te begrijpen wat Montaigne bedoelde met het oordeel, dat hij over den mensch uitsprak, ‘ondoyant et divers’. Zulk een studie op den mensch wilde hij toepassen. Het wél-overlegde, het altijd hout-snijdende van zijn argumentatie, werd in literarische kringen weldra zeer opgemerkt. Zijn puntige zetten troffen dadelijk. Iets elegants, iets smaakvols in den vorm wilde hij bereiken, doch tegelijkertijd zou hij dapper uitvaren tegen de ‘heilige huisjes’ der burgerij. Met een scherpen degen prikte hij dan in de voosheid der maatschappelijke huichelarij. Doch let wèl, er was in zijn methode, naast wat men iets ‘cerebraals’ zou kunnen noemen, altijd een zekere dwang dien hij zich oplegde. Van ontroering liet hij weinig sporen blijken. Zijn natuur was eigenlijk hartstochtelijk en prikkelbaar, men merkte het aan het trillen zijner lippen, doch hij was meester van zich-zelf: hij bedwong ook bij zijn letterkundigen arbeid zijn aanleg door een pikante scherts, die hij voor betrekkelijk zachtmoedig hield, maar die anderen als satire in de ooren klonk. Hij-zelf was soms volkomen onbewust dat hij anderen op die wijze kon hinderen of beleedigen. Hij meende, dat hij het recht had op sommige oogenblikken van zich af te spreken, en was naïef verwonderd, dat men zich boos maakte over zijn rake opmerkingen, en men geen oog had voor zijn zelfbeheersching.

Buys en Huet: wat al nieuwe terreinen van arbeid en denken ontsloten zij mij! Het gemoed en 't brein, nog gansch vervuld door de gedachten in mijn studenten-tijd gekweekt, werden wonderlijk aangedaan en geraakt door de logica van den één, door de licht-flitsen van den ander.

Daarbij kwam, dat ik in Haarlem een hoekje der wereld leerde kennen, dat voor mij bijna onbekend was: den kring der heeren militairen. Wel had een zoon van mijn oom de Man, die zee-officier was geweest, en van wien ik zeer veel hield, mij dikwijls verhaald van zijn marine-corps, maar zelf had ik die militaire groep onzer samenleving, waarin een exclusief en zeer bijzonder eergevoel - als laatste overblijfsel der ridder-tijden - tot alles overheerschende beweegkracht van het leven werd aangenomen, nooit met eigen oogen van nabij gezien. Een gelukkig toeval nu wilde, dat ik voor mijn dagelijksch middagmaal een plaats kon

[p. 70]

krijgen aan een officieren-tafel van die stad. Haarlem was toen ter tijd een geliefd garnizoen van de cavalerie. Onder het bevel van den kolonel baron van Dedem stond een regiment, gecommandeerd door een keurvendel van Neêrlands adel. Al die jonge mannen van den degen waren op hunne wijze hoffelijke cavalieren. Zij namen het schoone jonge leven van den wereldschen kant op, en pasten in die sfeer bijna uitsluitend toe ‘le culte de l'honneur’. Zij wisten werkelijk zekere gebreken en ondeugden op te voeren tot de hoogte van zeer waardeerbare qualiteiten, soms tot halve deugden. Hoofdzaak was bij hen 't hart hoog te dragen. Voorts hielden zij immer als voor den geest de woorden van den Sire de Lalaing zoo als Froissart ze opteekent: ssachez que peu de nobles hommes sont parvenus à la haute vertu de prouesse et à la bonne renommée, s'ils n'ont été amoureux: pour ce, beau fils, il vous convient être doux, courtois, gracieux... In die stemming mocht ik ze ontmoeten. Wat reden ze stout en sierlijk op hun paarden! Hoe klonk hun muziek opwekkend door de anders stille straten! Hoe bogen zij, met manieren aan het ‘ancien régime’ ontleend, voor de lieve kopjes, die zoo schuchter achter het raam wegdoken! Hoe fonkelde des middags hun wijn in het opgeheven glas! Hoe kruisten zich kwinkslag en uitval in hun dagelijksch gesprek! Hoe flikkerde hun staal, waar de twist het bloed deed opbruisen! Wat wierpen zij met lossen zwaai kaarten en geld op de speeltafel, en daagden zij onbezorgd het lot met zijn kansen uit! Bij hen was kleur in 't uiterlijk van het leven. Als ik 's ochtends vroeg, op mijn gewone wandeling in den Hout, vóórdat ik naar mijn bureaux in het Provinciaal Gouvernement ging, een der escadrons met de mij bekende officieren tusschen of langs 't zware statig geboomte ter oefening zag rijden, de trompetten hoorde schetteren, terwijl zonnestralen dwars door de breed-gebladerde takken in de verte op het blanke staal der wapens flonkerden, dan was het mij soms - terwijl de bonte stoet in een stofwolk wegtrok - alsof een kleurrijke droom mij voorbij gleed. Des middags zat ik met de officieren aan den disch. Er werden ook aan dien' disch hoffelijke vormen waargenomen, zekere vaste regels gevolgd. Correcte goede manieren schenen hun als aange boren. Goed humeur was in den regel aller eigenschap. Voorts zelfvertrouwen, beslistheid, en iets spontaans in uiting en bewering. Doch alles concentreerde zich bij hen in een verdediging van ‘de eer’. Mij frappeerde het, dat men elkander naar persoonlijke daden, zelfs van den meest gewo-

[p. 71]

nen aard, nooit vroeg. ‘Wanneer wij't u willen meêdeelen, zóó onderwees mij één uit hun midden, zeggen wij 't u vanzelf: gij behoeft niet onbescheiden in ons doen of laten u te mengen’. Aan tafel was een der militairen de president, die vast en hoofsch zorgde dat al hun tradities streng werden geobserveerd. Ik zie hem nog vóór mij in al het fijn beschaafde en ‘chevaleresque’ van zijn houding en manieren. Het was Gerard Taets van Amerongen Natewisch, de latere Grootmeester aan het Hof. Even correct als hij later zijn plicht tegenover koning en koningin waarnam, even ‘grand seigneur’ bleef hij onder ons aan tafel. Ontmoette ik hem na jaren op het paleis, bij een of ander hof-feest, dan trof het mij, dat hij altijd volkomen dezelfde was, de edelman, zooals ik hem te Haarlem aan onze vrij luidruchtige tafel had gezien. Hij was de geboren eere-arbiter, de scheidsrechter dien allen gehoorzaamden. Was er een twist, men luisterde naar zijn uitspraak. Wanneer een onvoorzichtig woord tot een duel moest leiden, wist hij als ‘getuige’ op 't terrein - ik weet er van mede te spreken - den strijd te voorkomen. Van discussie was hij afkeerig. Voor hem was 't woord geschreven van Victor Hugo: ‘étant le Cid, je préfère obéir que discuter’. Soms hoorde ik hem tusschen zijn tanden mompelen - men sprak meest Fransch in zijn kringen - iets wat geleek naar het bekende woord: ‘on ne discute pas avec ses adversaires, on les supprime’. Let wel, dat hij in zijn vormen de beleefdste man ter wereld was. Trouwens dat waren zij allen. Vooral tegenover ons, de niet-militairen, die zij bij zich aan tafel hadden toegelaten; want nevens mij behoorde daartoe een tweetal: dr. Halbertsma - de ietwat ongedwongen kameraad en tegelijk fijnste kenner van het Grieksch, hij, die later professor te Groningen zou worden en nu in Haarlem zulke lustige oud-Hollandsche en Friesche vooizen op het dessert ons wist vóór te zingen - en voorts Mr. van Vladeracken, de toekomstige staatsraad. Eens slechts kreeg ik het met mijn officieren, als ‘corps’, bijna te kwaad. Een van hen had op de sociëteit ‘Trou moet blycken’ gehoord, dat ik medewerker was aan een krant, hij bedoelde het Zondagsblad. Bij hem waren bedenkingen gerezen, of het den officieren van het regiment huzaren wel voegde, met een dagblad-schrijver - een ‘folliculaire’ - alle dagen te tafelen. Daar zijn bedenkingen door de andere officieren werden gedeeld, kwam van Amerongen mij op mijn kamer daarover spreken. Ik vroeg het recht om 's middags aan tafel - zonder dat mijn woord tot discussie zou leiden-

[p. 72]

mij daarover te ‘verklaren’. Mijn toelichting toen, dat ik geen journalist van professie was, dat ik slechts deed als bijwerk wat aan zoovele Fransche auteurs als gunst werd afgevraagd; mijn uitéénzetting dat ik nooit persoonlijke questies in 't blad behandelde, maar slechts den loop der buitenlandsche politiek eerlijk poogde te volgen; mijn opmerking, dat ik in het Zondagsblad - als doel - niet om geld quă geld, schreef, en voor mij zelven veeleer tot leus het devies van een oud bekend geslacht had aangenomen, ferro non auro, overwon of kalmeerde de gevoeligheid van hen die trouwens het Zondagsblad nooit hadden ingezien. Ik behoefde dus voorloopig niet mijn opvatting van ‘eergevoel’ van ‘ridder van den geest’ te plaatsen tegenover de hunne, een debat, dat, van zoo verschillende uitgangspunten opgezet, toch slechts tot verwarring zou hebben geleid. Van beide kanten zweeg men. Sinds sprak men aan tafel nooit meer over dit geval.

Intusschen gleden de dagen zóó voorbij. Ik arbeidde hard aan mijn taak op 't gouvernement, bewerkte ook het verslag der provincie over het jaar 1860, en genoot tegelijk iets van ‘la vie mondaine’ der uitgangs-kringen in Haarlem. Een lieve, jonge vrouw, die als meisje naast mij op de schoolbanken, te Baarn, had gezeten, en die mij nu in de stad, waar zij gelukkig gehuwd was, min of meer beschermde, kwam mij dadelijk als te-gemoet. Een mede-student, dien ik in Amsterdam zeer veel had gezien, en die nu pas gehuwd in Haarlem woonde, nam mij als huisvriend aan. Van verschillende kanten werd.de hand mij toegestoken. Van veel kringen was ik deelgenoot. De deftige Enschedé's deden moeite mij aan hun krant te verbinden. Aan een debating-club nam ik deel. Straks was ik bezig bij het ordenen van het halve-eeuwsch-feest der Maatschappij van Nijverheid. Sterk interesseerde ik mij aan plannen, die de jeugdige voortvarende burgemeester van Haarlem, de heer Fock, hier en daar, reeds voorbereidde, om in het Haarlem zijner dagen de schilderijen van. Frans Hals tot een grootsch geheel voorgoed te vereenigen: het zou zijn schoonste roem worden. Door de voorkomendheid van den heer van der Vlugt mocht ik dikwijls de prenten-verzameling van Teyler's kabinet bewonderen. Voorts deed ik als officier der schutterij vrij onbeholpen mijn plicht. Ik zag nu dat leven der maatschappij, waarnaar ik op 't einde van mijn studenten-tijd zóó had verlangd; ik werkte, zij het op hoogst bescheiden schaal of trap, mede in het raderwerk der samenleving. Ik deed ondervinding op van het practische leven. En ik zag

[p. 73]

dat zulk een werk mij lang niet ongemakkelijk van de hand ging. De heer de Vries prees zelf mijn handigheid voor het practische, meende dat het mij kenmerkte. Toch was ik bij wijlen onbevredigd. Dit was nog eigenlijk niet het doen, dat ik mij had voorgesteld. Het werken op die wijze werd, vooral wat den arbeid aan de provinciale administratie betrof, een dagelijksche routine, niets meer, en ik wenschte juist dat meer. ‘Plus est en moi’ riep ik mij-zelven toe. Daarbij kwam dat - wat het verplichte bureau-werk aanging - de hoofdambtenaar aan de Grffie, wiens vrij interessant werk (bearbeiding der gemeente-verordeningen en polder-reglementen) door mij, tijdens zijn zeer langdurig verlof, was vervuld, terug was gekomen, zelf zijn taak weder opnam, en mij uitsluitend tot het galeien-werk der statistiek wilde verwijzen. Ik zag dus uit, of ik misschien iets anders kon bekomen. Juist kwam in Amsterdam open de betrekking van secretaris der Kamer van Koophandel. In 't begin van September 1861 - ik had nu een groot jaar in Haarlem gewoond - dong ik daarnaar, en had 't geluk die betrekking te verwerven. Ik deed dus mijn hoffelijke afscheidsbuiging voor de machthebbers der Provinciale Griffie van Noord-Holland - verzekerde den heer Mr. G. de Vries Azn., dat ik hem nooit zou vergeten, wat ook nimmer 't geval is geweest - en keerde terug naar Amsterdam.

Wat was ik echter, sinds dat anderhalve jaar, reeds vèr, vèr-weg van dien studie-tijd in Amsterdam, en van de beschouwingen in mijn dissertatie vervat! Hoe dreef het glijdende leven voorbij, en nam het mij, zonder dat ik het wilde of dadelijk inzag, op zijn golven, wiegelend, meê! Welke indrukken van nieuwen aard hadden de facetten van mijn geest reeds moeten opvangen! Een gevaar van ver-Warring kwam dreigend soms opzetten. Brak niet de éénheid van mijn inzicht? Een enkele keer ontstelde ik, en was het mij te moede alsof ik mij-zelf niet geheel meester was....

Een tweetal incidenten maakten op mij scherpen indruk. De eerste maal betrof het 't feit, toen mij duidelijk werd aangezegd, dat er tweestrijd was tusschen de denkbeelden der liberale burgerij en mijn opvattingen der maatschappij. Het gebeurde in de Haarlemsche debating-club. Toen in die club, waarvan ik lid was geworden, de beurt aan mij was om stellingen te verdedigen, had ik, als weêrslag tegen een uiting van Guizot (in zijn ‘Mémoires’ deel III pag. 11) de opvatting gesteld: dat de Fransche Revolutie van 1789 aan een illusie, zij 't een nobele illusie, zich had overge-

[p. 74]

geven, door te meenen, dat de mensch, ‘livré à lui-même’ zich den weg in de moderne maatschappij kon banen. Ik poogde te ontvouwen, dat men de samenleving niet kon en mocht begrijpen als in lossen onsamenhangenden toestand; dat zulk een begrip leidde tot zuiver individualisme; dat integendeel, de lijn der hervorming van maatschappelijke schakels of groepen, die het individu in zijn strijd van 't leven konden steunen, de geleidelijke historische weg der ontwikkeling was. Nadat ik met zekere warmte die zienswijze had ontvouwd, ontstond er bij de liberale toongevers der debating-club - ik noem o.a. de heeren Krelage en Kruseman - een groote ontstemming. Met bewoordingen aan het ‘laissez-faire’ systeem ontleend, met een beroep op al wat de vrije arbeid voortreffelijks had opgeleverd, sinds cirkels als de gilden waren open gebroken, werd mijn arme stelling onmeêdoogend verworpen. Dit geschiedde in 't begin van 1861.

In den zomer van dit jaar, terwijl reeds mijn vertrek uit Haarlem bij mij-zelven vaststond, kreeg ik een gewaarwording - ziehier het tweede feit - niet van tweestrijd met een partij waartoe ik toch meende te mogen beh'ooren, maar als van een scheur in eigen boezem. Bij toeval zag ik - daar mijn vriend Den Tex mij vroeg hem bij zijn promotie bij te staan en zijn feest te leiden - eens mijn eigen dissertatie in. Ik las de bladzijden, die ik over de mystieke auteurs der veertiende eeuw had geschreven, en stiet op een aanteekening, die ik met potlood op de pagina over Meister Eckhart uit een zijner preeken had overgeschreven. Die woorden luidden: ‘het werkende leven wordt een rustpoos van het beschouwende leven’. Zou dit waar zijn? vroeg ik mij nu af. Zittend op mijn stoel mijmerde ik, starend als in mij-zelf, lang en diep. Ik voelde mij onbehagelijk. Ik kon niet ontkennen, dat ik in de praktijk van het leven met lust en ijver ingreep, en toch geleek dat alles mij, bij 't licht van zulke woorden, wonderlijk en vreemd en ijl. Kon zulk een practisch bezig leven ooit een rustpoos worden van een meer ideëel leven? Een oogenblik was het mij, alsof ik een dubbel leven leidde; nog sterker, alsof de ondergrond van mijn leven mij ontzonk. Het was maar een moment, 't glijden van een schaduw die als uit mijn studenten-tijd even op mijn voorhoofd viel. In gepeins bleef ik toch verzonken. Doch van mij afschuddend allerlei zulke gedachten stond ik op. Ik zou weder de vóór mij liggende taak opvatten, practisch gaan werken, werken om dan later misschien te kunnen naderen tot een meer beschouwend

[p. 75]

leven. Later, later! Voorshands had ik slechts te volgen het wachtwoord, dat ik aan het slot der voorrede van mijn dissertatie had geplaatst, het woord van den stervenden keizer-Severus: ‘Laboremus’.

III.

Met het begin van September 1861 kwam ik in Amsterdam terug. Eigenlijk wist ik bijna niets van het handeldrijvend Amsterdam, waaraan ik mijn werkzaamheid nu had vastgehecht. De toovercirkel van mijn studenten-tijd - het leven in de sfeer van wetenschap en kunst - had mij van al 't overige afgesloten. Ik was geweest als een uurwerk dat onder een stolp wordt geplaatst. De wereld der Amsterdamsche kooplieden was mij volkomen onbekend gebleven. Van de leden der Kamer van Koophandel - een college van 18 heeren - kende ik slechts één lid, den stiefvader van Frans Rauwenhoff, den heer Charles le Chevalier.

Toch was de samenstelling van die Kamer toen van eenige beteekenis. Wat den handel betreft beleefde Amsterdam in die dagen een tijd van kentering. Met het jaar 1860 was voor het commercieel Amsterdam een keerpunt ingetreden. Tot nu toe had men zich bewogen in conservatieve traditiën, die trouwens aan de toongevende leiders der ‘zaken’ tal van winstgevende voordeelen verschaften. Doch een sterk vermoeden kwam op, dat men op die wijze bijster slecht voor de toekomst zorgde. Men begon te denken aan de fabel van de kip met de gouden eieren. Daarbij knelde de overweging, dat Amsterdam, door het ontbreken van een goeden waterweg naar zee, en door het gemis van vastschakeling aan een beleidvol getrokken spoorwegnet, inderdaad gevaar liep van allengs door het groote met stoom gedreven Europeesch verkeer, zoowel te water als te land, ter zijde in een hoek te worden geduwd. De groothandel in Amsterdam begon dit te voelen. Vele leden van aanzienlijke firma's begrepen dat 't oogenblik gekomen was, om, nu het getij verliep, de bakens te verzetten. Enkele vertegenwoordigers van den groothandel kwamen tot de overtuiging, dat men de leer der vrijheid van den handel moest aannemen en in daden moest omzetten: de beste van die kooplieden zaten juist in de Kamer van Koophandel.

De voorzitter van die Kamer was de heer Frans van Heukelom. Hij was, toen ik hem leerde kennen, 49 jaren oud, in de volle kracht van zijn leven. Een klein, bewegelijk man, wiens oogen, achter een in goud gevatten bril, overal

[p. 76]

heênkeken: vriendelijk, schertsend met de lieden van zin kring, eenigszins uit de hoogte tegen hen die iets lager stonden. Hij ging vooruit, geloofde aan de liberale beginselen eerlijk en trouw, doch meende, dat men 't best voorwaarts kwam, door te laveeren nu rechts dan links. Persoonlijke sympathieën en antipathieën hadden daarbij een sterk overwicht op zijn behandeling van zaken. In zijn wijze van doen was altijd iets wat in de verte naar geheimzinnigheid zweemde. Zijn eigenlijke opinie fluisterde hij zijn vrienden toe: hij was er op gesteld te doen merken, alsof hij meer van de zaken in haar schuilhoeken wist, dan hij op 't oogenblik vertelde. Door zijn afkomst en stand was hij een man van een coterie, die nu liberaal stond te worden. De kring, waaruit hij voortkwam, was die der rijke Doopsgezinden in Amsterdam. Men zal den bloei van het Amsterdam in de eerste helft der negentiende eeuw nooit goed begrijpen, wanneer men geen rekening houdt met de werkzaamheid in den handel der zeer vermogende Doopsgezinde inwoners van Amsterdam en omstreken, waartoe vooral de Zaanstreek behoorde. Wat de Kwakers deden en werkten in het Londen van 't begin der negentiende eeuw, dat deden de Mennonieten in Amsterdam. Zij vormden in beide landen een eigenaardige groep van lieden, die over veel geld - gevolg van groote spaarzaamheid - te beschikken hadden, en nu dat geld met beleid in ondernemingen van ontwikkeling en vooruitgang shaken. Zij waren daartoe in ons land al vroeger als aangewezen, daar zij vóór de revolutie van 1795 aan geen staats- of regeerings-daden mochten deelnemen. Handelszaken waren het hun overgelaten domein. De trek naar zaken zat hun dus in 't bloed. Een eenvoudige levenswijze, zonder vertoon of uiterlijke weelde, maakte dat zij telkens nieuw kapitaal verzamelden. Zóó kregen zij in alle handelskringen grooten invloed. Zij waren in hun dagelijkschen omgang kenbaar aan hun waardeering van het begrip van vrijheid op elk terrein, aan hun betrouwbaarheid, gepaard aan een soort van eigenaardige reserve en slimheid. Zij meenden wel alles wat zij zeiden; maar zij zeiden niet alles wat zij meenden. De qualificatie van ‘Mennist’ werd in dien zin door ieder in Amsterdam dadelijk begrepen. Frans van Heukelom was in dit opzicht een type, al was hij onder de Doopsgezinden weinig kerksch, en al offerde hij aan een zekere luxe, door het met zorg houden van zijn span mooie manege-paarden. In zijn smaakvolle coupé rende hij de stad door, overal raad vragend of raad gevend. Zijn beste vrienden en vaste bondgenooten behoor-

[p. 77]

den natuurlijk tot de Doopsgezinden. Allereerst zijn zwager en op 't kantoor zijn compagnon, dr. H. van Beeck Vollenhoven, het bekende lid (later voorzitter) der eerste Kamer der Staten-Generaal. Deze had vroegtijdig zich voor de beginselen van den vrijhandel verklaard, wist die leer in de Wetgevende Vergadering met klem te verdedigen, met bewijzen ontleend uit zijn eigen handelszaak - zijn met zijn zwager gedreven zaak was een zaak in granen - en is in het parlement een der sterkste voorvechters geweest der opheffing van de beschermende graanrechten. Hij was een goed financier, eenigszins gewichtig en vormelijk in zijn uitlatingen, een man van veel invloed. In de Kamer van Koophandel steunde Frans van Heukelom op twee andere vrienden van zijn kerkgenootschap: op de heeren Jan van Eeghen en Albert van Geuns. De eerste, een zeer edele figuur, was, met een vollen neef, chef van het groote goederenhuis Van Eeghen & Co. In tegenstelling met de zoo-even opgenoemde Doopsgezinden, schaarde hij zich onder de stellig orthodoxe belijders van 't Christendom. Sterk was hij gekant tegen de neutrale onderwijs-wet van het jaar 1857 met de opleiding tot zoogenaamde christelijke en maatschappelijke deugden, doch overigens ging hij ook mede met de beweging en tred der liberalen. Hij was in aanleg en in doorzicht knapper dan zijn hem omringende vrienden, doch had het gebrek - juist omdat hij elke zaak van alle kanten bekeek - niet zoo snel als zij tot een conclusie te komen. Hij liet de kans van te doen zich dus soms ontglippen, doch zelden beging hij, misschien juist daarom, een misgreep, en’ zijn advies was altijd van groote waarde. De leden der Kamer van Koophandel, meest allen, zoo als ik zeide, tot den groothandel behoorende, hadden hem tot onder-voorzitter gekozen, en in die hoedanigheid moest hij dikwijls als waarnemend president optreden, daar Frans van Heukelom van tijd tot tijd erg gekweld werd door het podagra. Albert van Geuns, chef van het bankiershuis Luden en van Geuns, een fijn bedachtzaam voorzichtig man, steunde met zijn krachten de beide voorzitters.

Eén was er in die Kamer, met wien Frans van Heukelom steeds moest worstelen, naar mate hij verder tot het liberale kamp overging. Het was zijn volle neef Jhr. C. Hartsen, ook een lid der Doopsgezinde kringen. Hartsen was even als dr. van Beeck Vollenhoven, lid der Eerste Kamer der Staten-Generaal, en was dáár de vertegenwoordiger der behoudende beginselen, vooral wat betreft de koloniale politiek. Hij was betrekkelijk jong lid dier hooge

[p. 78]

vergadering geworden, en had dáár dadelijk een zeer opmerkelijk redenaars-talent ten toon gespreid. Men luisterde er gretig naar dien slanken nog jongen man, met zijn goed verzorgd hoofdhaar, die met fraaie gestes, een rol papieren documenten in de ééne hand, zijn eenigszins gememoriseerde, op effect berekende, zinsneden voordroeg. Zijn vormen waren altijd hoffelijk en hoofsch. Een al te verfijnde gemarqueerde spreekwijze was hem eigen in 't dagelijksch leven, een geaffecteerdheid die hem door zijn schoonvader, den dichter Jac. van Lennep, niet zelden werd verweten. Als van Lennep een ‘cru’ woord Hollandsch wilde zeggen, vertolkte hij 't in 't Fransch en zei dan lachend, mijn schoonzoon zou zeggen.... en dan volgde 't Fransche woord. Hoe 't zij, in de Kamer van Koophandel trad hij niet alleen in vormen, maar ook door den inhoud van een wei-overwogen betoog, levendig op tegen hen die het koloniale systeem begonnen aan te vallen. Hij viel van zijn kant scherp aan de naar zijn inzien hypocriete vrijheids-helden, de trawanten van den vrijen arbeid op Java, die de voordeelen, welke het algemeen uit Oost-Indië trok, nu uitsluitend in hun eigen zak wilden doen vloeien. Tegen het vestigen van privatieve jachten dier heeren, op het arbeidsveld der Javanen, deed hij zijn fijnst geslepen pijlen suizend snorren. Beide partijen hadden in de Kamer van Koophandel hun aanhangers. Doch de liberalen begonnen te winnen. Hartsen werd wel is waar gevolgd door Herman Rahusen, ook Doopsgezind en ook lid der Eerste Kamer der Staten-Generaal en door Carl F. Quien, den aanzienlijken zeer knappen groothandelaar vooral in koffie, doch Frans van Heukelom schaarde om zich heên ouderen als Joan Muller (chef van't huis Barge), E. van Kempen, een vrij goed economist, en jongeren als. August von Hemert en D. Cordes. Hij won allengs 't pleit bij de andere leden, die als 't ware onder leiding van Ch. Ie Chevalier een soort van centrum vormden.

Wat Frans van Heukelom vooral steunde in zijn kamp tegen het oude handels-conservatisme van Amsterdam was: de trouwhartige zeer innige omgang met zijn éénigen broeder mr. C. van Heukelom. Deze was ongehuwd, een tijd-lang chef van een handelshuis met den heer van Halmael, en was allengs tot lid van den Gemeente-raad en tot lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal gekozen. Hij was in de Tweede Kamer een der meest op den vóórgrond treden-de Thorbeckianen geworden. Allengs zou hij nog meer links afglijden, en een poos als 't ware een min of meer geavanceerd driemanschap vormen met Kappeyne van de

[p. 79]

Coppello en Fransen van de Putte. Nu echter, in deze dagen, steunde hij vast en onwankelbaar Thorbecke. Hij deed het op zijn wijze, eenigszins ruw, afbijtend en altijd scherp. Want zijn karakter was vroeger beschroomd geweest: hij had zich moeten vermannen om in groote vergaderingen moedig op te treden: hij was van aanleg en in 't beginne eenigszins verlegen, en had dat gemis aan lenige gemakkelijkheid moeten overwinnen; nú hij 't overwonnen had werd hij brutaler dan de brutaalsten, kende hij verder geen ‘égards’, en beukte hij in de Tweede Kamer met zijn vast en streng opgezette redevoeringen los tegen de overblijfselen van het cultuur-stelsel op Java. Hij gaf aan zijn broeder de beste argumenten, en stelde in zijn fraai handschrift menige memorie voor hem op, die dienst kon doen bij de debatten in de Kamer van Koophandel. Ik was ook in zijn vriendschap opgenomen, daar het toeval wilde, dat ik in hetzelfde huis, waar hij zijn appartementen had, mijn kamers had gehuurd. Het was het meisjes-school van mejuffrouw Scheidius, een inrichting die gevestigd was op de Keizersgracht bij de Wolvenstraat, in het huis waar thans de Credietvereeniging zetelt. De woning is nu geheel verbouwd. In het oude gezellige huis van dien tijd bewoonden mr. C. van Heukelom en ik de achterkamers op de tweede en derde verdieping, en zeer dikwijls zaten wij samen, met het gezicht op het fraai geschakeerd perk der tuinen, over den gang der zaken van staat en maatschappij te spreken.

In de commercieele en industrieele zaken, voor zoover ze bij de Kamer van Koophandel ter sprake kwamen, werkte ik nu met zekere passie mij in. Die aangelegenheden namen al mijn aandacht in beslag, vooral sinds Thorbecke weder aan het hoofd der regeering was gekomen, en met de hem eigene voortvarendheid vele van die vraagstukken aan de orde stelde. Ik viel in mijn nieuwe betrekking dadelijk als in 't hart van de questie, die de leiders van den Amsterdamschen handel beroerde: ik bedoel de handels-verhouding van onzen staat tot de Oost-Indische bezittingen. De Minister van Koloniën had in September 1861 aan de Kamer van Koophandel toegezonden een ontwerp van wet tot regeling der inkomende en uitgaande rechten in Nederlandsch Oost-Indië. Dit ontwerp ging uit van het denkbeeld, om in 't algemeen de rechten te verlagen en zooveel mogelijk de differentie op te heffen, die ten gunste van in- en uitvoer van Nederland bestond. Toen dit stuk ter tafel was gebracht en in handen van een commissie werd gesteld, brak het verschil van gevoelen tusschen de aanhangers van oud en

[p. 80]

nieuw ten volle uit. Het was een scherp en inhoudrijk debat. De heeren Frans van Heukelom en Hartsen stonden lijnrecht tegen elkander over. De discussie ging tot in de uiterste détails. De Kamer van Koophandel was nog niet bedorven door de toepassing der publiciteit. De kooplieden konden dus ter vergadering komen met afschriften uit hun boeken en papieren. Zij waren van elkanders stilzwijgen verzekerd. Het was dus altijd bij 't debat in de eerste plaats een strijd van belangen, waarboven dan in de hoogte zweefde een strijd van beginselen. Men sprak niet voor een galerij of tribune. Zoo-als altijd wanneer onder kooplieden een ernstig verschil van opvatting zich openbaart, zegevierde een midden-opinie. Joan Muller, de Thorbeckiaan bij uitnemendheid, droeg ze voor. Hij wilde aan de regeering te kennen geven, dat de Amsterdamsche Kamer van Koophandel gaarne de regeering wilde volgen op het terrein van verlaging der rechten in 't algemeen, doch van meening was, dat de handelsverhouding tusschen moederland en kolonie een andere was dan tusschen de kolonie en de vreemde staten. Niet het heffen van beschermende rechten voor den in- en uitvoer van Nederlandsch Indië, maar het bezitten van dat Indië was in den grond der zaak een abnormaliteit, en ondenkbaar was het, dat de regelen der absolute ‘économie politique’ hier een natuurlijken toestand zouden kunnen scheppen. Deze redeneering leidde er toe, dat de Kamer als einddoel van een tarief van in- en uitgaande rechten voor.Oost-Indië voorstelde: vrijdom van in- en uitvoer tusschen moederland en kolonie voor beider producten bij rechtstreekschen aanvoer, en de heffing van matige rechten (6 percent) op alle goederen die van elders in Nederlandsch-Indië of uit Nederlandsch-Indië naar elders werden gevoerd.

Met veel warmte en vuur nam ik aan al die zwaarwichtige discussies deel en stelde ik daarna al de stukken. Al de andere onderwerpen, die achteréénvolgens in 1862 en 1863 ter tafel kwamen, verwierven al mijn belangstelling. Ik noem een nieuwe algemeene tariefwet, een ontwerp van een wet voor de Nederlandsche Bank, de questie der afschaffing van de Rijntollen, enz. enz. 's Ochtends begaf ik mij naar den president, om met hem de zaken en ingekomen brieven te bespreken, 's Middags zat ik op het bureau ten stadhuize, in een pijpenlâ-vormige kamer, waar het gemeente-bestuur tegen den wand had opgehangen, of liever opgeborgen, de schilderij van van Bree, voorstellende den intocht van Napoleon in Amsterdam, terwijl de vroedschap, met den maire van Brienen aan 't hoofd, hem bij

[p. 81]

't Rechthuis in de Watergraafsmeer de sleutels der stad aanbiedt. O bittere ironie van het toeval! Of wilde men misschien aan den handel voor oogen houden, dat een vaag internationalisme, in plaats van waarachtigen vrijen handel te bezorgen, inderdaad ons in de armen zou werpen van machtige naburen! Wie zal 't zeggen? Na het bureauverk moest ik naar de rumoerige Beurs, om mij ter beschikking te stellen van den president voor de zaken van de Kamer van Koophandel. Het was in het tweetal jaren, toen ik de betrekking waarnam, een zeer afwisselend en bont geruit leven. Ik stelde zeer gemakkelijk de rapporten die van mij verlangd werden, en begon te zien, dat ik in handelskringen min of meer opgemerkt werd, toen de Kamer van Koophandel, op 't initiatief van Thorbecke, zich ernstig begon bezig te houden met het plan der doorgraving van Holland op zijn Smalst. De korte weg naar zee toch werd allengs de vaste leuze voor Amsterdam. De regeeringsstukken over dien dringenden eisch der hoofdstad werden - krachtens mijn betrekking - zeer ijverig door mij bestudeerd. De adressen door het handels-college aan de Kamers der Staten-Generaal werden telkens - overeenkomstig den aandrang der kooplieden - fierder en stouter door mij geschreven. Ik herinner mij, dat het slot van een dier adressen aan de Tweede Kamer - dat van 6 November 1862 - veler meenihg formuleerde. Na een betoog over de onontbeerlijkheid voor Amsterdam van die doorgraving van Holland op zijn Smalst, sloot het adres der Kamer van Koophandel van die dagteekening aldus:

De vraag kan alleen deze zijn: of de handel van Amsterdam aan Nederland zoo aanzienlijk een offer, als van 's lands gelden gevorderd wordt, waard is.
Wij willen niets afdingen óp de hoegrootheid der som. Wij willen er zelfs niet op drukken, dat Amsterdam zelf reeds 3 millioen heeft bijééngebracht, en dat de 6000 bunders, die men droogmaken wil, een niet gering te schatten bedrag zullen opleveren, zoodat de rente-garantie van 15 millioen dan toch inderdaad niet dat schrikwekkend karakter heeft, dat velen daaraan schijnen toe te schrijven; dat al kwam ook het werk aan het land te staan op zóó aanzienlijk een som, als de sterkste verbeelding zich thans pleegt voor te stellen, dan nog gelooven wij niet, dat de verkregen uitkomst te duur voor ons land ware gekocht.
Wat toch is het geval? Amsterdam vertegenwoordigt met Rotterdam Neêrlands aandeel in den wereldhandel. Machtige hulpbronnen omvat deze stad binnen haar muren; vele zijn de
[p. 82]
elementen van productie, die er worden gevonden. De vereeniging van vele handelskrachten en van een uitgebreid handelsmaterieel maakt dat eene stad - welke het ook zij - eerst in de gelegenheid is, om veelvuldig en snel nieuwe rijkdommen voort te brengen, rijkdommen, die zich weldra over het geheele land zullen verspreiden. Algemeene markten voor allerlei binnen- en buitenlandsche producten kunnen er zich vormen, en geheel een land kan op gemakkelijke wijze aldaar in zijn behoeften voorzien. De landbouw voert er zijn producten heên, om ze op de voordeeligste wijze te plaatsen; de fabrieken komen er de grondstoffen halen, wier bewerking een aantal werklieden het dagelijksch loon moet verschaffen. Indien een groote stad al van-zelf die voordeelen oplevert - en er is niemand, die ten minste dit aan Amsterdam zou betwisten - dan wordt dat alles nog verhoogd, wanneer die stad tevens een uitgebreide kapitaalsmarkt bezit. Nu weet iedereen er van te gewagen, hoe ons kleine land juist door de Amsterdamsche kapitaalsmarkt dikwijls een beslissenden invloed uitoefent op politiek terrein; doch ook onze eigen regeering, onze eigen fabrieken, onze eigen groote inrichtingen ondervinden door dit beschikbaar zijn van gelden niet weinig gerief. Men stelle zich nu het feit goed voor, dat onze stad met alle de haar ten dienste staande hulpmiddelen, met al de binnen haar kring zich bevindende krachten, met al de als in één brandpunt geconcentreerde energie arbeidt, om zich een plaats in den wereldhandel te verzekeren, dat zij het nationaal vermogen aldus poogt te verdubbelen, en men overdenke dàn de vraag, of het land eenige offers kan en mag geven, ten einde zijn eerste koopstad in de gelegenheid te stellen, zich en het land ten nutte te zijn.
Want men wete wel, dat het niet de schuld van Amsterdam zal zijn, indien de krachtigste productie-factor van het land, de hoofdstad, wordt verlamd. Onwaar is het, dat oude usantiën hier alles belemmeren. De zwaarwichtige formaliteiten en onkosten, waardoor men zegt dat de handel in Amsterdam wordt bezwaard, moeten nog worden opgenoemd. De berekening van onkosten is te Amsterdam niet hooger dan elders. Juist in de laatste jaren heeft Amsterdam al wat in haar vermogen was gedaan, om het oude en belemmerende zooveel mogelijk te verwijderen. Onwaar is dit verwijt, evenzeer als het weinig houding heeft van geringe energie te spreken, waar juist op het ééne middel steeds wordt aangedrongen, waardoor nieuwe krachten aan de stad kunnen worden gegeven.
Maar is dit alles onwaar - en wij zouden gaarne zien, dat voortaan feiten de in ons oog zoo vage aanklachten staafden - zóó schijnt niet ongegrond de beschuldiging, die wij nu eens zacht, dan weder luide telkens hooren moeten, dat bitter weinig, spoed in deze zaak wordt aan den dag gelegd. Bij iedere gelegenheid in de laatste jaren maande Amsterdam aan, dat het nu tijd werd, om het groote werk te ondernemen Toen derichting der spoorwegen was bepaald, wezen wij er op, hoe
[p. 83]
alleen door verbetering van waterwegen dat spoorwegplan zijn nut kon opleveren. Wij werden niet moede, dezelfde waarheden telkens en telkens te herhalen. Zij het ons dan nú, ten langen leste, vergund, de hoop te uiten, dat eindelijk worde begrepen, dat de gelegenheid, om door betere positie den wedstrijd krachtig te voeren, wel eens voor Amsterdam voorbij kon vlieden, dat het wel eens te laat kon worden zelfs voor de doorgraving van Holland op zijn Smalst.

Men ziet uit die woorden, wat de gedachte was, die ook mij in deze dagen leidde, te weten het opwekken der productiefactoren van ons land, van welke factoren, naar mijn inzien, Amsterdam nog altijd de machtigste was. Die gedachte werd door velen in de hoofdstad gekoesterd, ook door Jan Boissevain, toen reeds bezig aan het denken en bepeinzen van een vaste stoomvaartlijn naar Indië door het Suezkanaal, die tot het ontwerpen der scheepvaart-onderneming ‘de Nederland’ zou leiden. Ik was slechts de klerk, de schrijver, die de gevoelens van hen, die dit alles vóórstonden, in leesbaar Hollandsch wist te vertolken. De secretaris der Kamer van Koophandel werd een korte poos secretaris van vele organen en firma's. Het Handelsblad droeg mij op, een reeks van artikelen te schrijven over de doorgraving van Holland op zijn Smalst, artikelen die de Kamer van Koophandel later vereenigd als brochure deed uitgeven. De heer Frans van Heukelom gebruikte mij als zijn particulieren secretaris. Vele handelshuizen stelden mijn pen in 't werk, om aangelegenheden in nota's te behandelen, die' zij dan weder als documenten bij hun plannen konden gebruiken. Ik herinner mij, dat de firma F.C. Quien mij liet bewerken een rapport aan de regeering, om toch het stelsel der groote twee-jaarlijksche veilingen van de koffie niet te verlaten. De heer R.D. Wolterbeek vroeg mij studiën te leveren over het grondbezit en grondcrediet in Oost-Pruisen en Hongarije. De firma Goll & Co. liet mij een uitgewerkt stuk ontwerpen over de voordeelen die ons land zou kunnen verkrijgen, wanneer het door den staat aan te leggen spoorwegnet een werkelijkheid was geworden. Kortom men liet mijn pen geen rust en betaalde mij rijkelijk. Ik voelde mij aangenaam gestemd. Ik kreeg in Amsterdam in de handelskringen vaste positie. De jaarlijksche verslagen over handel en nijverheid der stad, die ik voor 't college moest opmaken, werden, op mijn voorstel, voor 't eerst gedrukt en in de boekwinkels voor het publiek verkrijgbaar gesteld. Hun inhoud vond instemming. Toen in Juli 1862 de Vereeniging van Duitsche spoorweg-administraties in

[p. 84]

Amsterdam haar vergadering hield, en de Amsterdamsche handel, als teeken van den algemeenen trek om elkander te naderen en zich vereenigd te weten, in het Park aan die Duitsche heeren een gastmaal aanbood, waar ook de minister Thorbecke aanzat, mocht ik 't feest helpen organiseeren. Ik had het gevoel van gewaardeerd te worden, en meende recht op die waardeering te hebben, omdat ik op zeer sterke wijze de leuze deed klinken van een vooruitgaand handeldrijvend Amsterdam.

Als ik in 't najaar, 's middags, na mijn bezoek en heên-en-weêr loopen op de Beurs, de trappen van 't gebouw afdaalde, turend in de lucht naar de rood of geel getinte gloeiende licht-strepen in de richting van de Westerkerk, dan had ik van tijd tot tijd het vizioen van een als vroeger door handel rijk-bloeiend Amsterdam. Ik zag voor mijn geestes-oog dáár hoog in de lucht, boven de in werkelijkheid eenigszins doodsche stad dier dagen, het Amsterdam der zeventiende eeuw, het blijde sterk levende Amsterdam door Rembrandt gezien en geteekend. Het was een droom, het gezicht op een machtig zelfbewust Amsterdam, dat ik dáár boven achter de wolken vèr-weg, als vóór mij uit, projecteerde.

Wie kwam, terwijl ik zóó mijmerend liep, dikwijls mij achterop, mij tikkend op den schouder? Het was Potgieter, huiswaarts keerende naar de Leliegracht, Potgieter, die den nieuwen secretaris der Kamer van Koophandel, toen hij uit Haarlem weder in Amsterdam kwam, met zichtbare hartelijkheid had verwelkomd, en den jongen vriend van Huet, hem van vroeger bekend uit Zimmerman's huis, dàn een eind wegs, sprekend en tegensprekend, geleidde. Hoe boeide mij die toen 53-jarige man, beurtelings mij aantrekkend en dan weêr een poos mij afstootend! Was er één, die het Amsterdam der zeventiende eeuw lief had en in gesprek of geschrift tot voorbeeld, stelde, dan was hij die man. Was er één, die in Amsterdam de sleur van het hedendaagsche leven, de benepenheid, bekrompenheid, enghartigheid eener zich behagelijk koesterende maatschappij als met geeselslagen striemde, uitvoer tegen het zoogenaamd fatsoen, de quasi-deftigheid, bezadigdheid, bedachtzaamheid, die niets uitvoert, tot niets leidt, niemand baat, dan was het deze criticus. Was er één, die fier van geest en gemoed, te midden van den neêrdrukkenden mist welke Holland omgaf, dwars door de nevelen heên den lichtstraal in de hoogte speurde, - om straks uit dien luister een bezieling voor de besten uit 't volk op te vangen, een goddelijke vlam, die 't volk, brandend van toorn over eigen lamlendigheid, tot nieuwe kracht

[p. 85]

zou aanvuren, dan was hij die dichter. En zonderling, diezelfde man was tegelijk een dood-gewoon, druk bezig koopman in de stad, die, door zijn zaakkennis en arbeid, zich een financieel onafhankelijke positie wist te bereiden. Als agent was hij voor vele goederen-huizen een bekend tusschenpersoon en bemiddelaar met buitenlandsche firma's, voorkomend, dienstvaardig, meêgaand op de beurs, waar hij al zijn patroons en relaties dagelijks opzocht. Een vriendelijk hartig woord had hij voor hen over. Met een glimlach op de lippen ging hij dáár rond, welwillendheid gevend en vragend, in korte gesprekken altijd gevatheid toonend, en afscheid nemend van zijn bepaalde vrienden onder die mannen van zaken met een zet en een ‘pointe’. Zóó mocht ik hem op de beurs ontmoeten. Zekere bevreemding maakte zich soms van mij meester, als ik hem, wiens proza of poëzie mij den vorigen avond op mijn kamer als op vleugelen had opgeheven, zoo alledaagsch, luisterend en buigend, onder de bezige menigte zich zag spoeden. Een bevreemding gemengd met ontzag. Straks zou dat ontzag in alle opzichten overheerschend worden, wanneer ik de beurs verliet. Want hoe gemeenzaam en vertrouwelijk hij mocht omgaan met beursbezoekers, wier flink optreden ter plaatse waar zij stonden en wier eerlijkheid en nuchter gezond verstand in zaken zijn genegenheid wekten, des te hooghartiger was hij, zoodra hij dat gebouw op den Dam achter zich had gelaten Hij was dàn niet langer de toegevende en inschikkelijke bemiddelaar. Hij was de toornende vijand van ieder in wien hij een incarnatie van den Jan-Salie-geest vermoedde: Zijn beleefdheid zelfs kon dan wonden. Daarbij kwam zekere grilligheid in al zijn uitingen, een hak-op-dentak springen van zijn ‘causerie’, een voortdurend vragen en antwoorden ter-zelfder tijd. Hoe opgewekt en slagvaardig men bij-wijlen in zijn tegenwoordigheid en als door het aanzetten van zijn vernuft mocht wezen, zijn geest was veel levendiger, ging tintelend, vonken-spattend vooruit: men volgde hem met spanning, deed zijn best geen kamp te geven, doch durfde haast niet kort-af een zet met een puntig wederwoord beantwoorden, en was op-weg voor zijn scherpe beleefdheid nederig te bukken. Men was dan niet geheel meer op zijn gemak met hem. Men raakte als uit de voegen. Zijn omgang maakte, ja, zijn jongere vrienden wakker, doch sloeg hen ook telkens neder. Elke dialoog met hem was een soort van worsteling. Ik dacht dan dikwijls aan een woord van Pascal, als ik zijn hooggewelfd voorhoofd en zijn open tintelend oog aanzag. Het was alsof hij,

[p. 86]

Potgieter, over zijn vriend en medestander bij zich zelven sprak: ‘als hij zich verheft verneder ik hem; als hij zich vernedert, verhef ik hem, en spreek hem altoos tegen, totdat hij begrijpt, dat hij-zelf onbegrijpelijk is.’

Eens, op een dag toen hij mij wilde opheffen, vroeg hij mij, of ik voor ‘De Gids’ maandelijks ‘Polititieke Overzichten’ over den gang der buitenlandsche staatkunde kon leveren, naar het voorbeeld dat Eugène Forcade in de ‘Revue des deux Mondes’ gaf, en in denzelfden trant als ik vroeger zulke overzichten in het Zondagsblad had gesteld. Ik mocht mij niet bemoeien met de binnenlandsche politiek, die het terrein was voor van Limburg Brouwer; evenmin met de ontwikkeling der economische verschijnselen die door P.N. Muller zou worden gevolgd, maar uitsluitend met den loop der algemeene buitenlandsche verwikkelingen, die sinds 't jaar 1860, terzelfder tijd toen Napoleon III een zwenking in Frankrijk nam, welke naar het parlementaire stelsel scheen te doelen, uiterst belangrijk werden, daar de vervorming van Duitschland door Pruisen - waarop ik reeds gewezen had in mijn Gids-artikel over von Radowitz - in aantocht scheen. Ik beloofde mijn best te doen en leverde in November 1861- mijn eerste opstel, dat nu maandelijks werd vervolgd. Die overzichten vielen in den smaak van het publiek en van Potgieter. Toen het jaar 1862 aanbrak verzocht hij mij de maandelijksche vergaderingen der redactie bij te wonen; later benoemde hij, in overleg met zijn mede-redacteuren mij in December van dat jaar 1862 tot lid der redactie van ‘De Gids’. Het was voor mij een soort van ‘decoratie’. Ik bewerkte mijn taak der overzichten met groote zorg, ze behandelend als een studie op de levende, wordende geschiedenis. Deze arbeid ‘completeerde’ als 't ware mijn werk aan de Kamer van Koophandel. Het gaf daarbij, nu ik in den Gids-kring volledig was opgenomen, een ideëelen tint aan mijn bestaan. Zaken waren zaken. Het opwekken van productie-krachten in een groote stad was een zeer begeerlijke taak, maar toch aan iets anders, aan den gloed van letterkunde en kunst-studie, had mijn hart behoefte. Met warmte, zij het met eenigen schroom, nam ik dus steeds de uitnoodigingen ter bijwoning der redactie-zittingen aan. Het waren avond-vergaderingen op den eersten Woensdag der maand, besloten met een eenigszins weidsch souper. Daarbinnen, op den Olymp, zoo als de Braga zeide, was de toon ongedwongen tot luidruchtigheid toe. Potgieter erkende geen eenigszins stijve vormen. In de kweekplaats, waar de nummers van ‘De Gids’ werden geboren, moest

[p. 87]

‘vreugde’ heerschen. Al de oude redacteuren, de heeren Schimmel, Veth, Zimmerman, Muller, Schneevoogt, voegden I zich in dien toon. Wèl werd in December 1862, toen nieuwe redacteuren tot de oude groep werden gevoegd, de toon in 't begin iets minder uitbundig, maar de verandering of vervorming was nog weinig merkbaar. De nieuwe redactie-leden toch waren de vrienden die ik in Haarlem had leeren kennen: Buys en Huet, tot wie zich nu ook schaarde Vissering, die vroeger, voordat hij naar Leiden ging reeds redacteur was geweest. Ik vond het heerlijk Buys en Huet hier terug te vinden, en met hen gezamenlijk te mogen werken. Buys was intusschen professor te Amsterdam geworden; Huet had zijn betrekking in de kerk vaarwel gezegd en werkte als dienaar aan de krant der heeren Enschedé te Haarlem. De één ging een glansrijke gevierde toekomst te-gemoet, de ander daalde - maatschappelijk gesproken - de ladder der samenleving eenige schreden af, terwijl geldzorgen hem begonnen te drukken. Doch zij waren geen van allen in een gemoeds-toestand om daarop veel te letten, al trof het mij zéér, dat het gelaat van Huet iets strenger was getint dan vroeger. Maar na eenige uren week die meer afgepaste plooi. Want Potgieter was op den Woensdagavond in volle actie en bezieling. Hij voerde de pen, gaf aan ieder wenken, schertste of vermaande, knorde of prees, en was de bewegelijkheid zelve. Geen onzer werd gespaard, wanneer wij ons wilden onttrekken aan wat hij meende dat onze taak was. Hoe verdween dan eensklaps de glimlach om zijn lippen, en fronsten zich de rimpels op zijn voorhoofd! Immers tegenspraak op zijn Gids-avond kon hij moeielijk van zijn mede-redacteuren verdragen. Toch hadden wèl enkelen bezwaren. Ik spreek nu niet van de twee latere jaren, toen hij eigenlijk alleen met Busken Huet te rade ging, maar in de jaren 1861 en 1862 openbaarde zich wel eens verschil. Het uitéénloopen der meeningen had natuurlijk zijn uitgangspunt en zwaartepunt in het oordeel over de persoonlijkheid van Potgieter. Een ieder onzer stelde hem mijlen-hoog boven zich-zelf en al de anderen, voelde dat hij alléén onder ons de vertegenwoordiger was van waarachtigen hoogen literairen stijl; maar een enkele had somsbedenkingen tegen zijn opvatting. Hoofdzaak was, dat hij bij-wijlen de klassieke rust van oordeel, de objectiviteit, miste, die het deel was van zijn voorbeeld Goethe. Hij was altijd subjectief, gelijk hij ook in zijn proza steeds zich-zelf als vóór den lezer inschoof. Zijn eigen persoonlijkheid drong hij in de verhalen en critieken naar voren.

[p. 88]

Het was alsof hij den lezer niet toestond hem, Potgieter, te vergeten. Hij overdreef daarbij de les dat kunst hardennoesten arbeid onderstelt, of liever, hij liet te-veel dien vóórarbeid merken: het publiek moest voelen dat hij zijn verzen grifte als in weêrbarstig schelp-koraal. Er was daardoor soms iets vermoeiends in zijn behandeling der letterkundige gegevens. Men was bij hem dan als in de atmosfeer van een opkomenden storm. Hoe langer hoe meer bleek hij hartstochtelijk polemisch voort te schrijden. Hij spande de geestelijke actie van ieder onzer in de door hem gewilde richting zoo strak mogelijk, hij wilde ieders kracht op éénpunt als verdubbelen, en het resultaat was dan soms een overspanning die niets uitwerkte. Op harmonische ontwikkeling van allerlei aanleg bij anderen werd door hem schijnbaar geen prijs gesteld. Trouwens de geheele vervorming van ‘De Gids’ tot een op Engelsche leest geschoeid tijdschrift, waarin over allerlei onderwerpen artikelen van de meest bevoegden werden opgenomen, was hem nooit geheel naar den zin. Hij wilde dat literaire kritiek de hoofdzaak, ja de éénige taak zou zijn. Vandaar dat een groot talent als van Robert Fruin bij hem zelfs geen waardeering ondervond. Ik zwijg van zijn oordeel en miskenning over Buys, in wien hij later 't type van den conservatieven oud-liberaal meende te zien, terwijl hij toch zelf, op zijn beurt haast geen oog had voor de aan de kim opkomende sociale golving die allengs begon aan te zwellen. Enkelen onzer zagen wel de gebreken van zijn groote eigenschappen, merkten op, dat ook hem zelfs op het hooge gebied der kunst iets ontging: zooals hij geen oor had voor de muziek der eerste meesters; zoo als hij, bij beoordeeling van schilders, den voorrang boven Rembrandt's Nachtwacht gaf aan van der Heist's Schuttersmaaltijd; zoo als hij liefst zoogenaamde gedachten of voorstellingen in schilderijen zocht, een Ary Scheffer vereerde en de latere kunst van Jozef Israëls niet wilde begrijpen. Maar dit alles werd slechts uiterst schoorvoetend door ons opgemerkt in het jaar 1862 en 1863. Voorshands hadden wij slechts oogen voor zijn bezielende kracht. Zijn stoute, oorspronkelijke geest schalde ons toe. Zeker er was in zijn schrijven manier, maar allereerst stijl en nog eens stijl. Stijl in geheel zijn wezen. Wij ondergingen zijn bruisende drijfkracht, wij sterkten ons aan zijn glansrijke éénzijdigheid, wij namen zijn gebeitelde verzen als leuzen aan voor ons optreden in de maatschappij, wij hielden onder zijn kloek bevel stand tegen indutten op elk gebied, wij deden ons best om de wenken van zijn imperieuze natuur te

[p. 89]

volgen, en vervormden daarvoor desnoods ons-zelven, zooals hij mij, nevens anderen, in de eerste plaats, tot letterkundige wilde stempelen, waartoe ik het talent niet bezat.

Dat ik soms een anderen kijk op Potgieter had, dan opdie Woensdag-avonden der redactie van ‘de Gids’ paste, daaraan had voor een klein deel ook schuld Mr. J. van Lennep. De toen 60-jarige heer van Lennep was in die dagen bezig zijn landgenooten op te roepen tot het bijéénbrengen van gelden voor een standbeeld van Vondel. Het zou de bekrooning wezen van zijn twintig-jarigen arbeid aan de uitgave van Vondel's werken. In October van het jaar 1860 had hij daarvoor een commissie saâmgesteld waarin ook Potgieter en Alberdingk Thijm zitting namen. Als eerste secretaris was P.A. de Génestet benoemd. Deze stierf echter reeds het volgend jaar, en de heer van Lennep noodigde mij uit zijn plaats, als secretaris der commissie, over te nemen. Ik was niet weinig trotsch dat juist opmij de keuze viel. Vondel was, van mijn vroege jeugd af, mijn Hollandsche dichter bij uitnemendheid geweest. Voor Rembrandt en Vondel boog ik altijd en overal het hoofd. Zij beiden waren in mijn oog niet enkel de dragers van onzen roem, maar van onze beteekenis als natie. Zij hadden uitgesproken, wat in de diepte van het Hollandsche hart sluimerde. Hun vlammend schrift, hun lichtend beeld hadden geopenbaard het binnenwaartsch leven, de intensiteit van wezen van ons volk. Den dichter uit dat tweetal - zij hadden beiden een hoogere orde der dingen gezien, een orde die slechts met een door God geopend oog kon worden waargenomen - te mogen helpen huldigen, was voor mij een verheffende gunst. Vreugde-vol zette ik mij daarvoor aan 't werk onder van Lennep. Het bleken zeer genoegelijke uren te zijn met dien man te arbeiden. Trouwens hij was een veertig jaren lang de lust en de liefde der Nederlandsche natie: een man van uitgebreide zeer bruikbare kennis, een uitnemend gezond proza-schrijver, en een dichter, wel niet van hooge, vlucht, maar welkom en geliefd in alle kringen. Van zijn populariteit in alle groepen: bij het hof en de aristocratie, bij de breede burgerklasse, bij de kunstenaars, kan men zich in onze dagen - nu schrijvers in ons land als personen weinig populair meer zijn - haast geen voorstelling maken. Er was bijna geen Hollander die niet van Lennep's kop in zijn brein droeg, met dat sprekend scherp gesneden gelaat, met den adelaarsneus, den geestigen mond en het allengs sneeuwwitte altijd overvloedige lange haar. Hoe glinsterden in dat hoofd - dat soms

[p. 90]

aan dat van Sterne deed denken -, de oogen, hoe verraste de kwinkslag, door den opslag van den blik, waarin de vonk reeds sprankelde, telkens aangekondigd! Hij was sterk verouderd toen ik hem leerde kennen. Toch deed hij mij soms denken aan 't type van een ouden Franschen markies. De wijze, waarop hij met zijn slanke gestalte, eenigszins hortend aangetreden - want hij was een lijder aan 't podagra - in onze commissie zich op den leuningstoel vlijde, zijn groote snuifdoos vóór zich zette, en de ‘prises’ zijn naast hem zittende tafel-buren hoffelijk aanbood, om dan ietwat luimig de zitting te openen, was weêrgaloos ‘nonchalant’ en toch lang niet banaal. Voor mij, die hem in de vergadering bestudeerde, vormde hij volkomen de tegenstelling van Potgieter. Bij Potgieter was in zijn kunst alles het resultaat van goed berekende inspanning. Had hij niet tot motto genomen zijn eigen vers: ‘Worsteling kenmerkt onzen tijd, neem er deel aan allerwegen!’ Zijn stijl was dan ook in zekeren zin de vrucht van arbeid, stevig hecht bewerkt, hoog gestemd, saâmgedrongen door aanéénschakeling of vervlechting van gedachten en gevoelens, artistiek tot op de grens van het artificiëele, fijn spottend, teeder gevoelig, maar altijd eenigszins zwaar en soms grillig doordacht en gewild. Zijn tijdgenooten klaagden over zekere stugheid van den schrijver, en over het onbegrijpelijke van zijn niet altijd gemakkelijk te grijpen voorstelling. En bij van Lennep scheen alles van-zelf te glijden. Zijn proza was helder, eenvoudig, natuurlijk, smaakvol, vlak, zelden afwijkend van den goeden toon zijner dagen, vreemd aan bestudeerde woordkunst, ongedwongen en volkomen doorzichtig. En dit verschil teekende zich in het figuur. Potgieter, correct gekleed, bleef in den kring der commissie-leden de welgestelde kloeke ‘burgerman’, die zijn plaats zich moest veroveren en licht tot ontevredenheid kon overhellen. Van Lennep was in de bonte groep der aanzittenden, hoe achteloos hij soms gekleed was en hoezeer zijn dunne lippen van tijd tot tijd onopzettelijk, haast onbeleefd, lucht schenen te blazen, een patriciër, afstammeling van de eerste geslachten, gunsteling der fortuin, wiens plaats altijd en overal bereid was. Zijn presidium was een mengeling van familiariteit en voornaamheid, zijn leiding der debatten was 't ‘laissez-aller’ van een goedgehumeurden ‘grand seigneur’. Zijn kunst was spel, niet in de eerste plaats arbeid. Werd hij warm dan genoot een ieder van zijn voordracht en van zijn geest. Want de natuur had hem gestempeld om representatief op te treden, en op die wijze heeft hij dan ook in 1867 het standbeeld van Vondel-

[p. 91]

door Royer ontworpen - opgericht en aan de stad Amsterdam overgedragen. Ter zijde stond hem bij dat alles, niet Potgieter, die voortdurend ietwat grommend kritiek uitoefende, maar Jozef Aberdingk Thijm, die ten slotte met hoofdsche zwier een bezoek aan het Muiderslot wist te organiseeren, dat zelfs Potgieter's verstoordheid overwon.

Terwijl ik op die wijze aan letterkunde en kunst mijn hulde bracht, en mijn vrije uren besteedde, om óf voor ‘de Gids’ of voor Vondel's standbeeld te werken, bleef ik onafgebroken schrijven en stellen als secretaris van de Kamer van Koophandel. Eigenlijk was het een Kamer van Koophandel en Fabrieken, maar het tweede lid van dat opschrift werd te dikwijls in Amsterdam vergeten. De leden van de Kamer die meer bijzonder de industrie vertegenwoordigden - ik noem de H.H. van Vollenhoven (bierbrouwer), Spakier (suikerrafinnadeur), van Vlissingen (fabrikant van stoomwerktuigen) - wezen mij op het gewicht der bestaande nijverheid van Amsterdam, en drongen bij mij er op aan, om voor die sfeer van arbeid meer belangstelling te vragen. Want hooge regeering en stadsbestuur schenen, nu allengs de ideeën van bescherming aan het kwijnen waren gekomen, zich tot taak te stellen, om van de bronnen onzer nationale nijverheid zoo weinig mogelijk af te weten. In plaats van Engelands voorbeeld na te volgen, waar men de wisselende eischen zoowel van handel als van nijverheid met voortdurende zorg bleef nagaan, en met het oog daarop steeds maatregelen ten bate der ingezetenen nam, scheen men hier - het zijn woorden van Tak van Poortvliet - in onkunde een eer te stellen. Helaas, ook ik was volkomen onkundig, een vreemdeling op dit groote gebied der industrie. In mijn eerste gedrukte verslag der Kamer van Koophandel, een overzicht van handel en nijverheid in 1861, had ik getracht een gedetailleerde statistiek van alle nijverheids-ondernemingen in Amsterdam te leveren, en had ik de hoop uitgesproken, dat de welvaart der industrie ook in Amsterdam mocht toenemen. Toen deed ik plotseling een zonderling verwarrende ervaring op. De heer van Vollenhoven, die met groot beleid de bierbrouwerij ‘de Valk’ dreef, waaraan een talrijk personeel van arbeiders was verbonden, keek mij eens scherp in de oogen, en deed mij verstaan of ik wel goed wist wat ik zeide, toen ik groote uitbreiding der industrie aan Amsterdam ipewenschte. Hij vroeg mij of ik er nooit van had gehoord, dat toeneming der industrie, voor een stad als Amsterdam, vergezeld zou gaan van veel ellende voor de

[p. 92]

dan samenvloeiende arbeiders-bevolking. De heer van Vollenhoven was dikwijls zwaarmoedig en altijd pessimist. Ik nam dus niet altijd zijn woorden letterlijk op; ditmaal echter bleef zijn uitspraak in mijn brein hangen. Dien avond las ik enkele bladzijden over van de Bosch Kemper over de natuurlijke slavernij der loon-arbeiders en sprak daarover met mijn vriend den Tex, wien ik eiken avond laat in het bierhuis sprak. Zijn antwoord was een uitnoodiging om met hem naar zijn oudsten broeder te gaan, die des zomers aan de Ruhr vertoefde, en dáár de industrie in 't groot bestuurde.

Ik kende dien broeder van mijn vriend sinds eenigen tijd. Hij zou een vijftal jaren later de gevierde burgemeester van Amsterdam worden. Op 't oogenblik dacht niemand er aan, dat zoo zwaarwichtige en glansrijke taak hem op de schouders zou worden gelegd. Zijn figuur en beteekenis heb ik pogen te schetsen in mijn opstel over A.C. Wertheim. Doch die beteekenis kwam eerst later tot haar recht. In de jaren 1861 en 1862 ontleende hij in de eerste plaats zijn invloed aan het feit, dat hij de schoonzoon was van den zeer rijken heer Vriese, die zijn geld in Oost-Indië had verdiend. In allerlei geldelijke relatiën werd hij dus getrokken. En het bleek weldra, dat, bij het behandelen van ‘zaken’, zijn persoonlijk karakter van zuiver gehalte was. Zijn zeer groote stevige gestalte was een goed voertuig van zijn vastheid van optreden en doen. Geen mijmerzieke trek was op zijn gelaat te bespeuren. Hij was ook in de verste verte geen denker of man van studie, zooals wij dat type ons dikwijls verbeelden. Integendeel: hij genoot als realist van 't leven, bleek doorgaans vroolijk en welgemoed, en was van den aanvang van zijn leven kenbaar aan zijn vriendelijken glimlach en bij verschil van meening aan 'teven optrekken der schouders. Hij was het toonbeeld van kracht en veroorloofde zich soms, wanneer hij 't ernstig opvatte, gebaren die daaraan evenredig waren. Bij wijlen ging hij hierin tot aan de grenzen van uitbundigheid. Hij deed dan denken aan den Hercules van Goethe (uit de ‘Götter, Helden und Wieland’.): ‘Hätte einer Ueberfluss von Kräften, so prügelte er den anderen aus; und versteht sich, ein ächter Mann gibt sich nie mit Geringeren ab, nur mit Seinesgleichen, auch Grōsseren wohl’. Intusschen, de voortreffelijke eigenschappen van zijn geest, zijn wilskracht, zijn veel omvattende werklust, zijn onkreukbare waarheidsliefde en eerlijkheid, kwamen in de praktijk van ‘zaken’ volledig tot haar recht. Hij speelde altijd open kaart, liet aan ieder ‘fair play’ toe: zijn ja was ja, zijn neen neen. Tegen een niet maische weigering of een vier-

[p. 93]

kante terechtwijzing zag hij niet op. Hij had een afschuw van laagheid en valschheid, een afkeer van lauwheid en halfheid. Was hij een enkele maal ondeftig, vooral in de uiting van zijn meening, men wist toch waar hij heên wilde. Wat hij weigerde was voor goed afgewezen; wat hij beloofde daarop kon men staat maken dat het zou gebeuren. Zijn schoonvader nu, een goed kenner van zaken en personen, had begrepen van zijn hoedanigheden partij te moeten trekken in een groote onderneming in Duitschland. Met zijn vriend van Braam had Vriese een groot landgoed aan de Ruhr gekocht. Dáár wees hij hem een ruim terrein voor werkzaamheid aan. Het was het kasteel Steinhausen, dat, op een der heuvels aan de Ruhr gelegen, omgeven door geboomte waaruit 't zich ophief, het stadje Witten bestreek. Eigenlijk was het nu slechts een statig heerenhuis, terwijl ter zijde nog een oude toren en sterke muur aan het grijs verleden herinnerde. In 't begin der negentiende eeuw had alles nog toebehoord aan het geslacht Stael-Holstein; langzamerhand was het in andere handen gekomen, totdat deze het verkochten aan twee in Indië rijkgeworden Hollanders, die er het veld van een speculatie in zagen. Want aan het bezit van 't kasteel was verbonden het eigendom van twee steenkolenmijnen (Nachtigall en Theresia), terwijl twee groote metaal- en staalfabrieken, als in samenhang met het ‘kasteel, in aanleg waren gekomen, en iets verder een glasblazerij mede tot de hoorigheid van den kring behoorde. De heer den Tex vestigde zich met zijn jonge vrouw des zomers op dat Steinhausen, en nam met volle kracht de exploitatie van geheel die onderneming in handen. De heer van Braam werd als mede-eigenaar door den heer Vriese spoedig uitgekocht, en na den dood van zijn schoonvader was den Tex de éénige eigenaar. Een lust was het hem dáár op Steinhausen werkzaam te zien. Hij bracht er zijn geheele huishouding, zijn paarden en rijtuigen. De inwoners van Witten zagen hem, met zijn Hongaarsch vierspan, des middags of tegen den avond, rennen en galoppeeren van al de glooiende heuvelen langs de rivier, terwijl een opgewekt vroolijk babbelend gezelschap den afrij-wagen vulde. Maar diezelfde stedelingen konden hem 's ochtends zien werken, in 't besturen der mijnen, der ijzerfabriek en der staalgieterij, in welke laatste bloeiende zaak de heeren Berger zijn compagnons waren.

Derwaarts nu bracht mij mijn vriend Nicolaas den Tex, om mij te laten zien hoe de groote industrie der negentiende eeuw, de industrie van mijnen, staal, ijzer, in het tijdperk

[p. 94]

van die dagen, als sociaal element, werkte. Ik moest nu goed uit mijn oogen zien. Trouwens reeds de aanblik van het landschap, toen ik, langs Arnhem en Emmerik sporende te Oberhausen aankwam, en van daar, langs zijtakjes van de Bergisch-Märkische baan, naar Witten reisde, liet mij geen oogenblik los. Het was avond-schemering toen ik aankwam. Overal zag ik hooge fabrieks-schoorsteenen, wier rook in geel-zwarte kronkels naar boven golfde. Van tijd tot tijd gloeiden in de verte kleine vlammen uit vurige ovens. De vlakte zelve, waarop de fabrieken stonden, scheen zwartachtig aangeslagen. Liep de trein langs een dier werkplaatsen, dan hoorde men een brommen, gonzen en dreunen. Waar de arbeid nu, - bij 't vallen van den avond, gedaan was, daar zag men een bende zwarte mannen, besmeerd met kool en smook, zwijgend, met haastigen tred zich spoeden naar lange reeksen van huisjes, waar de gezinnen woonden, en waar, bij een spaarzaam brandend lampje, de vrouw hen wachtte met het maal. Het zag er, van 't oogpunt der arbeiders, overal druk doch somber uit.

In het vroolijk ruim verlichte kasteel, waar de gastvrije bewoners mij hartelijk ontvingen, ging de eerste donkere indruk intusschen spoedig voorbij. Den anderen dag vergezelde ik den heer den Tex in zijn werkplaatsen. Ik zou den ondernemer aan, 't werk zien. En hij was dáár in zijn element. Waar de stoomhamers stampten, waar de ijzeren reuzen-armen zich op en, neder bewogen, waar vonkelend de vuren flikkerden, dáár was hij thuis. Trouwens met zijn hooge gestalte scheen hij zelf als ijzer zoo sterk, zoo hard als het blanke staal. Het woord ‘vooruit’ kwam hem telkens van de lippen. Hij vroeg belangstellend en bevelend naar den gang van 't werk; sprak over den afgedanen arbeid, de bestellingen, knorde, moedigde aan, was op en top het beeld van den werkgever. Straks hoorde ik hem met bezorgdheid spreken over treurige resultaten van de metaalfabriek, de Steinhauser Hütte, die met de constructie van de brug over den Rijn te Keulen ontzettende verliezen ging lijden; dan verder sprak hij opgewekt met de heeren Berger in de bloeiende Guszstahl-fabriek, 't hoofd schuddend als hij hoorde, dat de Pruisische minister van oorlog de aanbestedingen der fabriek niet aannam, omdat een der chefs - de heer L. Berger - tot de oppositie-partij in de Kamer behoorde. Het was iets zeer eigenaardigs te midden van dat werkzame bedrijf den heer den Tex te zien, wenken uitdeelend, berichten ontvangend, overal impulsie wekkend. In alle opzichten begreep hij de industrie als machtigen productie-

[p. 95]

factor iu de maatschappij, een bron van winst voor het in dien tak van arbeid vastgelegde kapitaal. - Den volgenden dag daalden wij in een der steenkolen-mijnen. Was den vorigen dag mijn opmerking geheel in beslag gelegd door den werkgever, hier in de donkere mijn trok uitsluitend aandacht de arbeider, de mijnwerker. Hier was alles volkomen zwart; het water, dat in de plassen stond, was als inkt. In die donkerte, slechts verlicht door een kleine lantaarn, die aan den hals werd gedragen, werkte de man in de ‘schacht’, met zijn houweel. Het was een eindeloos kloven en hakken. De wagentjes werden gevuld met de losgemaakte steenkool en rolden af en aan. Alles ging ordelijk en stipt. De talrijke mannen waren in de duisternis flink bezig, schenen niet eens zwaar vermoeid, hoe inspannend de taak ook was. Er was geen wanorde hoegenaamd. Allen wisten volmaakt goed, wat en waar 't werk gedaan moest worden. De groet ‘Glück-auf’ werd door ieder, bij ontmoeting, aan den ander en ook aan ons gebracht. Mij was het intusschen een verademing, toen ik weder boven kwam en de door de zon beschenen vlakte weder kon aanzien. Ik haalde diep adem. Ik genoot, en mompelde Alberdingk Thijm's vers uit het Voorgeborchte:

 
't Voegt Tubalkaïns zonen
 
Meer 't ingewand der aard, dan d' aarde te bewonen....
 
Mij - 't leven in Gods dag! mij - 't groen van 's Heeren velde!...

Doch dadelijk kwam de gedachte bij mij op: hoe legden staat en maatschappij 't aan, om dien toestand van 't mijnwerk voor de arbeiders dragelijk te maken? Den Tex, de eigenaar der mijn, wees mij er op, dat inderdaad Duitschland, en bepaaldelijk Pruisen, wel degelijk groote zorg voor die mijnwerkers had, en dat de begrippen van den zoogenaamden vrijen arbeid en van staats-onthouding hier al bitter weinig in zwang waren. Trouwens, ik had als jongen wel 't een en ander daarvan gehoord. Mijn grootmoeder was uit Elberfeld, nauw vermaagschapt aan de von der Heydts. Toen één uit dien kring en naam minister van financiën was geworden in den Pruisischen staat, had hij, daar hij spoorwegen moest aanleggen, bij al zijn bewondering van het Engelsche stelsel, waar hij kon, zich verzet tegen de consequent-economische leer van het ‘laissez-faire’, en had hij zijn maatregelen voor de arbeiders-toestanden liever vastgeknoopt aan Pruisische en oud-Duitsche traditiën. Die traditiën brachten in Pruisen mede, dat de staat een lands-

[p. 96]

vaderlijke zorg voor de materieel zwakkere deelen der bevolking had, dat in 't algemeen op elk gebied de zelfzuchtige wil der enkelen onverbiddelijk gebogen werd onder een hooger doel der gemeenschap. In het overig Duitschland, dat niet zoo streng in een staatsgareel was geklonken als Pruisen - ik noem bijv. de Harz, Nassau, Saksen, Saarbrücken, en het vroeger Westfalen - waren het uit den bloeitijd der Middeneeuwen dagteekenende gegevens van associatie en organisatie, die, bij voorbeeld, onder de mijnwerkers tot vaste verbindingen hadden geleid. Zij waren dáár voortgekomen als uit den boezem zelf van de arbeiders. Het was eén historische ondergrond waarop door een hoog staatsman kon worden voortgebouwd. Wij bedoelen de zoogenaamde ‘Knappschaftsvereine’: bestaande vereenigingen onder de Duitsche mijnwerkers, die aan haar leden bij ziekte, ongelukken en invaliditeit onderstand verleenden, en na het overlijden aan weduwen en weezen uitkeeringen deden. Haar kassen werden gevoed door verplichte bijdragen van werkgevers en arbeiders. De Pruisische wet van 1854 had nu, in den geest der staatsvoogdij, dit alles naar regelmatige en vaste vormen geleid, en had bepaald dat soortgelijke kassen, onder toezicht der overheid, door beiderzijdsche vertegenwoordigers zouden worden beheerd. Kenmerkend was bij deze ondersteunings-kassen het voor ondernemers en arbeiders dwingend karakter: men kon zich niet onttrekken.

Snuffelend en turend in verordeningen of reglementen op de werkkamer van mijn gastheer te Steinhausen, rees een geheel nieuwe wereld voor mij op. Een hoek der maatschappij waarvan ik niets wist. Bij het lezen van het boek van Pertz over den vrijheer vom Stein, had mij altijd zeer getroffen de beschrijving van Stein's eerste leerjaren, toen hij zijn loopbaan begon. Op zijn 23ste jaar toch, in 1780, werd hij, de Nassauer, in Westfalen geplaatst bij de mijnen, in een administratie, die hij tot 1785 voerde. Dáár leerde hij eigenlijk goed, wat het beteekent om mede te werken tot het ordenen van sociale toestanden, tot het vestigen van een rechts-orde bestemd om levens-regel te wezen voor de maatschappij, in één woord tot het samengaan van staat en maatschappij. Sinds had ik dergelijke denkbeelden als uit 't oog verloren. Ik had ze slechts in boeken en brochures, nooit in de werkelijkheid gezien. Trouwens waar waren in ons land de mannen die daarvoor oog hadden? De economisten bij ons te lande waren nog altijd bezig aan het knutselen van begrippen en omschrij-

[p. 97]

vingen van het waarde-begrip. Zij dachten er niet aan, dat er zoo iets kon zijn als sociale politiek. Hier echter in deze Pruisische reglementen op het mijnwezen was een andere frissche geest. Vrij luide klonk daaruit een stem die zeide: laat de industrie haar vaart gaan, maar zorg dat de arbeiders onder het werk een menschwaardig leven behouden, anders loopt 't mis in uw maatschappij. De man die 't werk doet moet zijn volledig loon krijgen: hij in de eerste plaats. Zeker kan ook het kapitaal zijn heffing vragen, maar let daarop niet uitsluitend, rijkdom van het kapitaal is iets geheel anders dan levenskracht van een volk. Ik begon iets te begrijpen van het woord van den - heer van Vollenhoven.

Dit was mijn eind-indruk toen ik van mijn uitstapje aan de Ruhr in Amsterdam was teruggekeerd: dat ik mijn oogen beter moest gebruiken, dat ik inderdaad nog zoo weinig van 't werkelijk leven wist. Waar ik, als vrucht van mijn lectuur, meende te zien, deed ik de ondervinding en gewaarwording op, dat ik eigenlijk zag als door een beslagen venster-ruit. En toch, in den kring der wetenschap van staat en maatschappij kwam alles nêer op juist zien en goed observeeren. Elke hoek van het leven, elke waargenomen levensgewoonte of plooi, is - ik verstond het allengs - niet slechts belangwekkend, maar kan ons nuttiger zijn dan lezing van allerlei geschriften, vooral der droge muffe betoogen over staathuishoudkunde, à la J.B. Say, zooals de negentiende eeuw er zoovelen in de winkelkasten onzer boekverkoopers heeft uitgestald. De geringe ervaring die ik van de maatschappij had opgedaan, de weinige gelegenheid die ik tot nu toe had gehad om te zien, en nog eens te zien, drukte mij zeer. Vandaar dat ik een offer deed, waarmede de Bosch Kemper geen vrede had. Het stads-bestuur van Amsterdam was namelijk in het voorjaar van 1862 bezig haar Doorluchtige School, het Athenaeum, eenigszins meer uit te breiden. De heer de Bosch Kemper trok zich terug als hoogleeraar, doch wenschte dat eenige van zijn talrijke vakken aan mij zouden worden toebedeeld. De heer dr. H. van Beeck Vollenhoven, toen president-curator, kwam mij op een namiddag op mijn kamer daarover spreken. Ik antwoordde, dat ik de vereerende opdracht slechts dàn kon aannemen, wanneer een schikking werd getroffen, dat ik bij 't meer beschouwende vak van professor het practische vak van secretaris der Kamervan Koophandel kon behouden. Ik zette mijn overtuiging uitéén, dat ik nog altijd leerling in het maat-

[p. 98]