Wij woonden in een klein nieuwerwetsch, doch gezellig huis in de Nieuwe Schoolstraat in Den Haag. Het was een straat van slechts een tien of twaalftal huizen, die met een hoek zich omboog tot een breeder weg leidende naar de Mauritskade. Het gedeelte der straat, waarin wij gehuisd waren sinds ons huwelijk en verder, zoolang wij in Den Haag waren, bleven wonen, had iets van een hofje. Het was stil, rustig en vriendelijk gelegen. Slechts de stal van den heer Vrolik, aan den hoek der straat, gaf wat rollend en dof geratel van wielen te hooren. Wij hadden ons afgezonderd van de vroeger mij omringende roezige wereld. Ik zag geen kennissen of vrienden meer. Slechts werd de omgang met Buys en zijne vrouw steeds inniger. Zij kwamen dikwijls des Zondags bij ons en wij gingen veel malen Zondags tot hen te Leiden. Overigens deed ik - als des avonds het werk voor de staatsspoorwegen was afgeloopen - mijn best mij weder in studiën van allerlei aard te verdiepen. Ik bewerkte met liefde een opstel over de ‘Herinneringen der familie de la Ferronays’, verzameld door een zuster der moeder van den graaf De Mun; ik schreef weder voor ‘de Gids’ politieke overzichten, en bleef op de hoogte der maatschappelijke vraagstukken. Daar verraste mij een schrijven van mijn meester Jhr. de Bosch Kemper. Hij had geen vrede gehad met mijn besluit, dat ik op bladzijde 98 vermeldde, toen ik een verzoek om hoogleeraar te Amsterdam te worden had afgeslagen. Thans was, door den plotselingen droevigen dood van Mr. Otto van Rees, weder een professoraat in de Economie te Utrecht vacant. Hij had met zijn ouden vriend, den vroegeren minister A.G.A. van Rappard, nu president-curator der Utrechtsche academie,
over die vacature gesproken, en mij als opvolger van mr. Otto van Rees aanbevolen. Ik schrikte eenigszins over dien stap. Ik was met mijn oordeel over sociale questies niet tot afronding gekomen. Hoogstens was ik in een toestand van overgang. Ik kende, door mijn aanraking met de wereld van ‘zaken’, het troosteloos gedoe der heeren financiers, en de willekeurige als door toeval gedreven splitsing en kanalisatie der kapitaal-middelen over het terrein der maatschappij. Met de verdeeling van het kapitaal was het dus, naar mijn inzicht dier dagen, in de samenleving niet geheel in orde. En van den anderen kant zag ik opkomen een naderende ontwrichting der onderste lagen onzer samenleving: een dringen en worstelen van allerlei groeikrachten in de wereld der loon-arbeiders, donkere wereld, die aan de scherpzienste koppen mijner omgeving - ik noem enkel mijn vriend Buys - bijna verborgen was. Bij zulk een opvatting der maatschappij ‘economie’ te onderwijzen scheen mij moeilijk. Ik begon dus de vereerende vraag eener candidatuur af te wijzen, en wees op enkele mannen, die, naar mijn meening, beter voorbereid waren om zuivere ‘economie’ te doceeren. Na eenigen tijd kwam echter een uitnoodiging om bij den heer van Rappard een bezoek te brengen. Dáár werd toen genoegen genomen met mijne verklaring, dat ik - in den geest van Jhr. De Bosch Kemper - een studie op den economischen gang der maatschappij zou geven, en voorts lessen over de staatkundige geschiedenis zou voordragen, waartoe ook mijn politieke overzichten in ‘de Gids’ mij hadden voorbereid. Na eenige aarzeling, over en weder, kwamen wij tot éénstemmigheid, en nam ik de toezegging aan dat curatoren mij zouden voordragen.
Mijne benoeming tot professor in de rechtsgeleerde faculteit te Utrecht volgde.
Zooals ik had voorzien, ondervond ik dadelijk, toen ik, door het aanvaarden der betrekking, mij moest uitspreken over de beteekenis der maatschappelijke questies, kleine wrijvingen onder vrienden. De wisseling van gedachten werd meermalen kaatsing, terugstooting en botsing van opinies. Ook in den kring der redactie van ‘de Gids’ deden ‘nuances’ zich gelden. Vooral de oudere, zoo voorkomende Vissering was een weinig ontstemd, toen ik hem meêdeelde, dat ik de bewegings-lijn der maatschappij mij niet kon voorstellen volgens de richting, die Bastiat, in de van-zelf ontstaande en in vrijheid
werkende harmonie der belangen, had geteekend. Zijn vriendelijk gelaat werd ietwat donker getint. Wij kwamen zóó geleidelijk op de vraag, wat dan te doen zou zijn. Ik wees hem o.a. op de ‘Gewerbe-ordnung’, die de Noord-Duitsche Bond bezig was tot wet en regel van de nij verheidstoestanden te maken; een regeling, welke ik mij voorstelde op mijn college te behandelen. Die stof echter - zóó meende Vissering - was al heel sober, want inderdaad was er volgens hem slechts ééne ‘Gewerbe-ordnung’ te bedenken: die welke inhield dat er geen ‘Gewerbe-ordnung’ zou zijn. Buys stond niet meer volkomen op dat standpunt van het ‘laissez faire laissez passer’. Maar toch, hij moest zich telkens dwingen de nieuwere opvatting van een beginselvaste leiding der maatschappelijke verschijnselen te volgen. Aan de regelen der doctrinaire, absolute, gesloten wetenschap der staathuishoudkunde - met haar onveranderlijke definitieve wetten-wetenschap als leer der rijkdommen in een zoogenaamd vrij ruilverkeer gedacht - kon hij zich niet geheel onttrekken. Het ging bij hem nog niet van harte.
Den 23en October 1868 sprak ik mijn inwijdingsrede uit over ‘Staat en Maatschappij.’ Potgieter, die mij de eer aandeed tegenwoordig te zijn, heeft in zijn brief aan Huet van 4 November 1868 (zie de Brieven deel I pg. 314 en volgende) uitvoerig het verhaal van dien dag gedaan. Hem troffen bovenal de politieke toespelingen, de hulde aan Rousseau, de kritiek op Guizot. De duidelijk uitgesproken maatschappelijke ketterijen dier dagen - dat de staat inhoud en stof ontvangt van de maatschappij, en dat, wanneer maatschappelijke toestanden door den staat worden geïgnoreerd of verwrongen, conflicten tusschen staat en maatschappij onvermijdelijk zijn - werden door hem niet vermeld. Evenmin wees hij er op, dat ik telkens, bij 't behandelen van het vraagstuk der volkswelvaart, de sociale questie als naar voren drong, de leuzen der socialisten even liet klinken, en ten slotte aanwees, dat de economie slechts een deel der gangen van de maatschappij kon verklaren. Dit moest hem ontgaan. Daarentegen trof hem het slot dier rede, de toespraak aan de studenten, waarin ik mijn idealistische opvatting onbewimpeld weêrgaf.
Tot U - zóó sprak ik - wend ik rnij het laatst en het liefst. Gij zijt jong, het leven vangt nog voor U aan, maar ik ben zelf nog jong en ik-zelf begin nog inderdaad het leven. Wij kunnen dus gerust te zamen werken. Toch heb ik in de korte jaren, dat ik in de menschelijke maatschappij heb mede-gearbeid, wel iets gezien en opgemerkt. In de bureaux der Provinciale Staten, in de Amster-
damsche handels-wereld, later in de spoorweg-kringen en in de wereld van ‘zaken’, waar het woord van zaken wordt omschreven door 't woord ‘het geld van anderen’, heb ik hier en dáár wenken voor het leven opgedaan, hier en dáár en altijd den mensch aan het werk gezien, en van dat streven kan ik U verhalen, om U te waarschuwen, maar vooral om U te prikkelen en op te wekken. U op te wekken, want ik heb inderdaad een goeden dunk van het leven. Houdt dit voor zeker, dat deze wereld, in welke zonderlinge vormen zij zich ook hult, een wereld van beginselen en van ideeën is. Grijpt die ideeën en bekommert U niet om het overige. Meent niet, dat gij door slimheid en door zoogenaamde handigheid in dit leven veel kunt uitrichten. De zoogenaamde practische mannen hebben nognimmereenwezenlijk groot werk verricht. Neen! weest in waarheid ridders van den geest, kampend voor wat edel en waar is. Buigt U niet onder het juk van een doctrinair dogmatisme, dat het volle leven kon dreigen te verstikken, maar hebt eerbied voor elke kloeke overtuiging. Onze studies leiden ons op hetveldvanhetmaatschappelijkverkeer, en brengen daardoor ons in aanraking met de problemen van het arbeids-leven. U zij het gegeven, hier met vaste hand het reine van het onreine te schiften, en de onzuivere elementen der samenleving als zoodanig te erkennen. Zoo ik dien geest in U kan versterken, zoo ik, omgaande met U als uw gelijke, maar die slechts iets zwaarder last dan Gij torst, U niet mag zien verflauwen, waar wij te zamen ons werk verrichten, te zamen de ontwikkeling van staat en maatschappij volgen, dan voorzeker zal ik eerst begrijpen dat ik het waard ben uw aanvoerder te zijn: tot zoo lang mag ik die eer nog niet aannemen, en vraag ik slechts een weinig geduld, om onder U het vaandel te mogen dragen. Dat vaandel, waarop de leuze ‘Sursum corda’ is geschreven, werd mij door den staat in handen gegeven. Ik zal het met uw hulp kloek verdedigen. Want, mijne Heeren studenten, wij kunnen niet allen de epauletten winnen, maar wat wij allen ermogen is op te houden de eer van de vlag.
Toen ik dit alles uitsprak, en in den geest van Martinus luide mijn studenten toeriep: ‘Grijpt de ideeën en bekommert u niet om het overige’ zag ik een toornigen blik mij toewerpen uit den kring der hoogleeraren: het waren de oogen van Opzoomer. Zonderling: van uit Indië kwam na eenige weken, zoo vriendelijk mogelijk ingekleed, éénzelfde verwijt. Het was de pen van Huet die 't schreef. Huet was in de lente van 't jaar 1868 naar Java vertrokken. Financieele zorgen hadden hem genoopt naar anderen meer ruim betaalden arbeid om te zien, dan het dagwerk aan de Haarlemsche Courant der heeren Enschedé (zie pag. 87) uit den aard der zaak hem Opleverde. Daarbij ergerde hem de verwaten toon der oppervlakkige liberale kringen. Hij wilde
een nieuw oefeningsperk en arbeidsveld voor zijn geest. Hij meende dat nieuwe terrein in Indië te zien, en had het aanbod aangenomen de ‘Java-bode’, de in Batavia verschijnende krant, te redigeeren. Wonderlijk genoeg koos hij, om de vulgaire, banale, liberale strooming te bekampen het conservatieve standpunt. Van uit dat standpunt bestreed hij op zijn eigen, uiterst pittige en puntige wijze mijn rede. Hij prees veel te sterk den vorm, doch had zijn bedenkingen tegen mijn huldiging der wet van den vooruitgang. Hier had ik - volgens hem - meer gezegd dan ik als man der wetenschap verantwoorden kon. Hij verweet mij vooral bij mijn voordracht geen rekening met Indië te hebben gehouden. En eindelijk verzette hij zich met al de kracht van zijn dictie tegen de woorden: ‘Grijpt de ideeën’. ‘Misschien - zóó eindigde hij zijn opstel - zou de moeilijke toestand, waarin Indië verkeert, het best kunnen verholpen worden door een der practische mannen, van wie de heer Quack beweert - moge de schim van Napoleon I het hem vergeven! - dat nooit door hen een groot werk verricht is.’
Eenige dagen na het houden van mijn rede gingen wij ons inrichten in de stad Utrecht, waar ik negen jaren zou wonen. Wij betrokken een beknopt, zoo-even gebouwd huis in de Westerstraat, dicht bij het station van den Rijnspoorweg, een huis in uiterlijk en afmetingen geheel overeenkomende met de woning die wij in Den Haag verlieten. Wij zouden eenvoudiger moeten leven, eenvoudiger zelfs dan wij in Den Haag gewend waren. Maar wij deden alles blijde en opgewekt. Mij persoonlijk was alles bijzonder welgevallig. Want het was mij te moede, alsof na een groote interruptie - de zwerftocht in de maatschappij - het leven zich voor mij weder aansloot aan het einde van mijn studenten-tijd. Ik nam mijn boeken van vroeger weder op; ik zat weder vóór mijn ouden lessenaar; ik bladerde weder in mijn aanteekeningen van weleer. In den goeden zin van 't woord was het voor mij als een ‘restauratie’. Mijn meester Martinus had ééns, in een zijner glansrijke improvisaties voor de studenten, met zekere aandoening dat woord ‘restauratie’ uitgesproken en verdedigd. Het was bij gelegenheid dat Opzoomer sterk was uitgevaren tegen dat begrip, en in een brochure zijn aanklacht had geformuleerd. Toen had Martinus, in een dichterlijke opwelling gezegd, dat evenzeer als reactie iets onaangenaams moet wezen, restauratie iets heerlijks kan zijn. Dàn komt men terug tot de dingen, die men vroeger had moeten wegwerpen. De lading, waarvan
het schip was ontlast in den storm, wordt weder teruggezocht. Een restauratie is een ἀποχατάσταις Het kind is jongeling geworden, doch heeft tegelijk met die jongelingschap iets formeels gekregen; hij wil weder als een kind vrij en ongedwongen leven; zijn restauratie begint. Het terugkomen van den verloren zoon is in dien zin - zeide Martinus - een restauratie. Zij is altijd een vrije beweging, een vrij, in vol bewustzijn weder opnemen van het oude. Alzoo ging het mij. Ik zamelde de schatten weder op, die ik na mijn promotie ter zijde had laten wegdrijven. Maar die schatten moesten nu anders worden gebruikt. Ik moest ze, vermeerderd en vermenigvuldigd, aan anderen - mijn studenten - mededeelen.
Ik moest daarvoor stil, in mij zelf gekeerd, zonder ophouden werken. En Utrecht bood voor zulk rustig werk een passende omgeving. Men ziet, wanneer men tot de stad nadert, allereerst het rijk geschakeerde geboomte, dat in de plaats van de vroegere muren is gekomen, de singels, wier moderne, sierlijk ronde, in golvende lijnen glooiende aanleg de huizen-massa des zomers in frisch groen omvat, singels, die dan uitmonden in de statige, breede, regelrechte, achttiende-eeuwsche, aristocratische Maliebaan. Gaat men dan door die lijst van boomen en heesters heên, wandelt men door de engere of breedere straten en langs de pleinen en markten der stad, dan oefent zij een vreemde bekoring op ons uit. Want als men dieper waagt in te kijken in de verschillende hoeken en kleine afgesloten ruimten, dàn verrijst te midden van het Utrecht van het heden, hooggeroemde centraalplaats van allerlei,. in hun vaart daareven ophoudende spoortreinen, een geheel oude stad, of liever een stad vol oude herinneringen. Ik bedoel nog niet eens de kluizen in de grachten, die Napoleon verschrikten, en den overal op die grachten neêrzienden grijzen Domtoren. Maar ik wijs slechts op de eigenaardig aanééngeschakelde gebouwtjes, die achter enkele boomen den Driehoek van St. Marie beslaan; ik wijs op de Jacobi-kerk, waar Duifhuis preekte, en men u de plaats nog aanwijst, op welke Oranje de Zwijger zat en hem aanhoorde; ik wijs vooral op de harmonische lijnen van de veel te fraaie in de laatste jaren opgemaakte Middeneeuwensche kloostergang, naast den Dom, die als het ware het verlengstuk, neen, haast de schoonste decoratie der Academie vormt. Al die oude constructies beginnen, als wij ze eenigen tijd aanzien, ons een blik vol vertrouwen en gemeenzaamheid toe te werpen, want daarin zijn verholen mysteries van vroeger eeuwen.
Alles wijst in Utrecht op de traditie. En niet enkel de gebouwen. In de oude bisschops-stad heerschten, toen ik er in 1868 aankwam, overal in de samenleving nog gezag en orde. Vaste vormen bleven bewaard, en de afstand tusschen de verschillende rangen en standen der maatschappij werd in ouderwetschen stijl in acht genomen. Het was een samenstel van kringen. De kring van professoren was een kleine zelfstandige wereld op zich-zelf. Namen van geslachten, wier dragers in staats-of maatschappelijke zaken zich vroeger hadden beroemd of bekend gemaakt, hadden nog altijd in Utrecht een goeden klank. De afstammelingen van den Utrechtschen adel, wonende in hun ruime huizingen, hadden steeds een voorrang. Zelfs de meest geavanceerde in de stad was lang niet ongevoelig voor de omstandigheid, dat de hoofden dier aanzienlijke familiën hem toeknikten. Over alles, gebouwen en menschen, hing een gevoel van rust. Zóó wilde het de traditie. Men maakte zich niet druk of zenuwachtig. Men onderging en volgde het voor ieder geteekende lot. In die stad, en nog wel in een der schilderachtigste hoekjes van de kloostergang - de zoogenaamde Hongaarsche kerk - zou ik dan voortaan tot mijn studenten spreken; dáár, in die vergrijsde, schoone historische vormen der traditie, zou ik met vuur gaan opkomen voor mijn ideaal.
Ik diende dat echter te doen in samenhang met de leden der juridische faculteit der hoogeschool. In die faculteit hadden vier hoogleeraren zitting. Met mijn drie collega's zou ik dus voortaan samenwerken. Inderdaad is het voor mij een zeer aangename samenwerking geweest. Hoe vreemd ihet misschien klinke, de zeer grillig bont-gekleurde samenvoeging van ons gezelschap maakte het samenzijn niet slechts pikant, maar ook, daar men in een hoffelijke omgeving woonde, onverstoorbaar onderling welwillend. Wij bleven al de negen jaren, die ik in Utrecht vertoefde, steeds bij elkander, en in de behandeling der studie-questies betreffende de studenten bijna altijd eensgezind, al bekende ieder onzer een eigen kleur.
Het eerst trok natuurlijk de aandacht het oudste lid van ons college, de conservatieve, toen bijna 60-jarige Vreede, professor in het staatsrecht, de boezemvriend van mijn meester de Bosch Kemper. Wanneer ik het woord conservatief op hem toepas, dan doe ik dat enkel daarom, omdat Vreede de tegenvoeter was van Thorbecke en van zijn liberalen aanhang. Want conservatief is toch eigenlijk niet
het woord waarmede men een man als Vreede kon aanduiden. Hij was in alle opzichten onberekenbaar. Zij die hem niet kenden en opmerkten dat zijn aangezicht, hoe vriendelijk de trekken ook konden zijn, dikwijls een min of meer verschrikte plooi door de achter den bril opgesperde oogen aannam, en die dan in zijn uitvallen mogelijke vlagen onderstelden, wisten niet zeker of zijn geestes-toestand wel altijd in behoorlijk evenwicht was. Potgieter, toen hij bij mijn oratie Vreede zag, deed alsof hij blijde was dat Schneevoogt, de inspecteur der krankzinnigen, achter hem zat. Maar die hem beter en langer kenden, begonnen zeer sterk dien man met al zijn vreemde, soms bizarre manieren, lief te hebben. Ik heb zijn figuur in een mijner opstellen uitvoerig pogen te teekenen en zal een paar trekken aan die teekening hier ontleenen. Mij beroepende op het beeld, waarmede hij zeer dikwijls werd vergeleken heb ik dien Vreede, even als zijn tegenstanders deden, een don Quichot genoemd. Inderdaad - zóó zeide ik - hij was zulk een don Quichot, maar in veel edeler zin dan de politieke tinnegieters uit de koffie-huizen meenden. Gelijk de ridder der droevige figuur niet ophield het ideaal van de oude ridderschap aan zijn-vaderland voor te houden, zóó heeft. Vreede onvermoeid aan ons land pogen te herinneren, wat grootsche daden het voorgeslacht in de buitenlandsche politiek vermocht. Gelijk de humor, over de handelingen en gezegden van den dolenden ridder door Cervantes uitgespreid, eigenlijk ontspruit uit het contrast van de beschaving van twee werelden: - de gewone dagelijksche maatschappij gaat haar sleur en gang, terwijl de edelman voorbeelden uit oude dagen oproept, die op deze maatschappij geen vat meer hebben: - zóó trilden er tranen in den schertsenden lach, dien de stukken van Vreede bij de besten onzer schenen op te wekken. Het pleit toch niet voor Nederland, wanneer het Don Quichotisme moest worden genoemd, dat Vreede nog hechtte aan een Nederlandsche buitenlandsche politiek; dat hij iets hoogers en beters van ons land dacht te maken, dan waartoe onze tegenwoordige staatkunde ons schijnt te veroordeelen. Ziet men niet in, dat wij, door ons zóó volkomen buiten de staten-huishouding van Europa te plaatsen, door elke beweging die Europa ondergaat te ignoreeren, zonder daarbij de kracht te toonen, een eigen beginsel als levensbeginsel voor ons land op den vóórgrond te stellen, - dat wij zoodoende, met al onze fraaie wetten en bepalingen en maatregelen, bezig zijn van ons vaderland een goed geadministreerde provincie te maken, een soort van Hannover,
dat zonder veel moeite voor den eersten stormwind bezwijkt? Ziet men niet in, dat Holland door zijn koloniën, door zijn - menigvuldige betrekkingen, ook tot Zuid-Afrika, hef boom en genoeg bezit, om zich desnoods in de schatting van Europa wat hooger te doen stellen dan zelfs België, de zoogenaamde modelstaat van Europa? Vreede zag dit duidelijker en scherper dan de meeste onzer staatslieden, die niet meer gelooven aan een roeping, welke Nederland te vervullen heeft. Zijn menigvuldige aanrakingen met buitenlandsche staatsgeleerden, met oude Belgische vrienden, leerden hem, dat Nederland in de schatting van Europa wel degelijk nog iets beteekende. ‘Slechts wie zich-zelf vernedert wordt vernederd’, riep hij nu op alle wijzen ons vaderland toe. ‘Altijd werd de eer in 't slijk versmeten, van wien niet eerst zich zelven eert’, zóó sprak hij van Lennep na.
Vreede was een bij uitstek opwekkend professor voor de studenten. Hij was een soort van type aan de academie. Een man, van wien anecdotes te verhalen waren. Hoe vriendelijk hij-zelf ook was - men moest zich spitsen, om hem, op straat tegenkomende, in het groeten vóór te zijn: hij had reeds den hoed gewipt en groette de studenten met dat zoo eigenaardig hoofdknikken - hoe glimlachend hij rondom zich zag, geen student ging zonder eerbiedigen schroom over den drempel van Vreede's studeervertrek. Hij had dan dáár van die woorden, welke wel eens op paradoxen geleken, maar die door den klank, den toon, waarmede zij werden uitgesproken, zich in het geheugen van den student zouden blijven hechten. Als men hem beet had - en Vreede was zoo kinderlijk naïef, dat hij gemakkelijk te vangen was - schaamde men zich en zweeg men, wanneer men juist plan had gehad, met zekeren ophef het feit aan de vrienden te vertellen. Trouwens er was altijd een groote partij onder de studenten die het voor Vreede opnam, wanneer er enkelen geweest waren, die hem onheusch zouden hebben willen bejegenen. Vreede dankte die goede stemming der studenten aan zijn onderwijs en aan het aantrekkelijke en edele in zijn karakter. Wat zijn onderwijs betreft, zoo zocht hij, in zijn lessen over staatsrecht en volkenrecht, bovenal de studeerende jeugd te doortintelen met liefde voor hetgeen ons vaderland in de 16de, 17de en 18de eeuw groots had volbracht. Een gansche reeks van dissertatiën is door kweekelingen der Utrechtsche academie onder zijn leiding in dien geest bewerkt. Kwam Vreede te spreken over ons vaderland in het begin dezer eeuw, dan waren vooral van Hogendorp
en Falck de onderwerpen van zijn groote hoogachting. Doch het verleden diende Vreede altijd tot een toets-steen, om het heden te beoordeelen. Vreede's lessen waren daarom zoo belangwekend, omdat zij vol toespelingen waren. Op allerlei onderwerpen zoo-even door de tijdschriften of dagbladen aangeroerd, doelde dan zijn vlugge geest, en de beste studenten hoorden hem aan, zooals men bij enkele auteurs als tusschen de gedrukte regels leest. Soms wierp hij het geleerde masker van het verplichte college geheel en al af, en, als een gebeurtenis van groot belang in Europa of in ons land plaats greep, kondigde bij aan, dat hij vrije colleges aan alle studenten zonder onderscheid over dat feit dacht te geven. Dan stroomde al wat jong en vurig van geest was toe, om den hartstochtelijken, onstuimigen professor te hooren. Bekend zijn zóó zijn colleges over de staats-omwentelingen van 1848, en later zijn voordrachten bij gelegenheid der invoering der vijf bisdommen in 1853. Vreede was geen bezielend redenaar, maar zijn korte afgebroken zinnen raakten wel degelijk den toehoorder. Hoofdzaak was, dat alles de uiting bleek van een karakter. Menigeen raakte soms de kluts kwijt bij het volgen zijner strafrechterlijke colleges, maar bijna alle studenten werden toch door Vreede gewonnen voor een humanistische richting in het strafrecht. Vreede was een beslist tegenstander van de doodstraf en van de vroegere lijfstraffelijke rechtspleging. Maar vooral ijverde hij er voor, om, bij de strafvordering, de vrijheid en de eer der burgers ongeschonden te bewaren. Het recht der verdediging in strafzaken wilde hij met de meest mogelijke ruimte zien toegekend. Hij sprak met warmte over een beperkte toepassing der zoo treurig werkende preventieve hechtenis, en wilde dat de staat een schadevergoeding zou geven aan de onschuldig van de vrijheid beroofde burgers. Die schadevergoeding was naar zijn inzien meer dan een questie van geld: het was een vraag van rechtvaardigheid en van eer. In het algemeen huldigde Vreede de zienswijze: liever tien schuldigen in vrijheid dan één onschuldige in de gevangenis. De verschillende colleges, die Vreede gaf, waren telkens afdruksels van hetgeen hij op dat oogenblik dacht en gevoelde. Hij stoorde er zich niet bijster aan, of hij binnen de afgepaste staketsels bleef der verschillende lessen, die hij moest geven. Neen, hij sprak op elk uur eigenlijk over alles, wat in zijn levendig brein en in zijn ontzettend geheugen, op elk gebied van staatsrecht, strafrecht en natuurrecht, omging. Bekend is de anecdote van den Leid-
schen student, die met zijn Utrechtsche vrienden om wat champagne de weddenschap aanging, dat hij, na een uur Vreede te hebben aangehoord, werkelijk zou zeggen in wat vak volgens de ‘series’ Vreede college zou hebben gegeven. Hij luisterde met alle aandacht en raadde: volkenrecht. Het bleek een les over strafvordering te zijn geweest. Maar al kon men hier nog zoozeer over glimlachen, al was men het spoedig ééns (met de mannen der historische school), dat het natuurrecht geen recht van bestaan had, tenzij het was gecreëerd om aan Vreede de gelegenheid te verschaffen eenige miscellanea juridico-historica aan den man te brengen, dit belette niet, dat er toch een indruk van die colleges uitging, omdat de man die dáár stond te verhalen en te betoogen, zulk een frissche en oorspronkelijke geest was omdat hij den kranigen moed zijner overtuiging had. Modderen en schipperen was hem vreemd.
Mijn tweede collega was de professor in het Romeinsch recht, de baron Lintelo de Geer van Jutfaas, toen (in 1868) 52 jaren oud. Hij behoorde - zelf was hij zeer vermogend - tot een van de aanzienlijkste geslachten van Nederland, door aanverwantschap van den heer de Geer van Oudegein met de Nassau la Lecq's - de bastaardlijn van prins Maurits - zelfs, op niet oficieelen voet, eenigszins naderend tot den drempel van ons koninklijk huis. Koning Willem III merkte hem dadelijk bij voorkeur op, wanneer hij een bezoek aan Utrecht bracht, en de Geer van zijn kant stond in elk vraagstuk van politieken aard aan den kant van den koning. Op het groote schilderstuk van Pieneman, hetwelk ten stadhuize te Utrecht voorstelt de aanbieding van een adres van verknochtheid en vertrouwen, namens de protestantsche ingezetenen, aan koning Willem III bij gelegenheid van diens bezoek aan de stad Utrecht, na de April-beweging in 1853, staat het portret van de Geer vooraan. Hij was beslist anti-revolutionnair, en werd in die gezindheid steeds bevestigd door zijn echtgenoote, eene van Asch van Wijck, die tot het catholicisme helde en later daartoe overging. Hij had in 1868 nog altijd het gedistingeerde, levendige uiterlijk van zijn jeugd, dat zelfs bestand was tegen de meer dan slordige kleeding waarin hij gestoken was. Hij was niet zeer groot van gestalte; zijn eenigszins smal gelaat was soms half bedekt door betrekkelijk lange achteloos op 't voorhoofd neêrvallende haren. Maar onder de wenkbrauwen flikkerden geestig doordringende oogen. Daarbij was hij doorgaans vroolijk, had hij er slag van om een rake opmerking te plaatsen, en dat alles trof te meer, omdat men
wist dat zijn huiselijk leven niet zonder zorgen was. Hij was bij uitstek voorkomend. Voor ieder toegankelijk kwam hij een ieder minzaam tegemoet. Hij scheen andersdenkenden altijd te waardeeren, was zelfs soms eenigszins hard van oordeel voor zijn eigen partij-genooten. Doch een ieder wist toch wat hij wilde, hoe samengesteld enkele zijner uitingen waren, en hoezeer men soms wel moest bekennen, dat hij een zeker scepticisme paarde aan zijn streng geloof. Toch had die sceptische ader, in laatste ressort, geen invloed op zijn beginselen. Het eigenaardigst kwam hij uit in zijn professorale toga en bef met de hooge baret op 't hoofd. Wanneer men hem in het groote auditorium - de oude kapittelzaal van den Dom - te midden van zijn getabberde collega's zag zitten tegen den muur, wanneer men dan de Geer's zeer fijne gelaats-trekken onbewegelijk vast beslist van onder het hoofddeksel zag staren, dan was het soms, alsof men een der oude leden van de kerkelijke hiërarchie vóór zich zag, die zonder aarzeling, wanneer het moest, den zondaar desnoods aan den brandstapel zou hebben overgeleverd. Men kon er zeker van zijn, dat de Geer zich nooit door gemoeds-bezwaren van weekelijken aard zou hebben doen tegenhouden, wanneer een hard besluit, volgens hem, noodzakelijk was. Oude vriendschap, medelijden of welwillendheid golden dan voor hem niet. Hij was van natuur en aanleg eigenlijk fanatiek. Doch hij overdekte en overschaduwde dat alles in den gewonen omgang met vormen van bijna onmatige beleefdheid. Beleefdheids-betuigingen aan iedereen bewezen, zoodat men aan die vormen bijna geen waarde kon hechten. Hij was voorts overweldigend geleerd. Hij was de hoogleeraar van het Romeinsche recht, maar ééns, een dertiental jaren geleden, in 1855, toen men zoekende was naar een geschikt professor voor de Hebreeuwsche, Aziatische en Oostersche talen, hadden zonder eenig bezwaar de curatoren dat onderwijs tijdelijk aan de Geer - bij zijn andere vakken - kunnen opdragen.
Daarbij was het verwonderlijk, hoe hij, de geleerde bij uitnemendheid, zich steeds in geheel practische zaken bewoog. Als hij de gansche week vijf dagen achteréén colleges had gegeven en examens had afgenomen, ontving hij Zaterdag (den Utrechtschen marktdag) des morgens de buitenlui, die hem over allerlei kwamen raadplegen, meest over kerkelijke zaken en twisten. Des zomers verblijf houdende op het huis ‘de Geer’ bij Jutfaas, kon men hem met de boeren in den omtrek zien ploeteren in polderzaken, als voorzitter
of schout van de polders; hij liep met die boeren den schouw te voeren en leefde als met hen samen. Zijn gewaad was dan even vuil en onverzorgd als dat der landlieden, doch voor hen allen bleef hij in hoog aanzien. Was hij niet de landheer, hoogheemraad van den Lekdijk Benedendams en dijkgraaf van het Over- en Nedereinde van Jutfaas? Kerkelijke zaken stonden bij hem op den vóórgrond. Hij schaarde zich resoluut aan de zijde van de omstreeks 1850 oplevende orthodoxe gereformeerde richting. Sinds had hij ijverig medegedaan aan de April-beweging van 1853. Het eerste concept-adres van den Utrechtschen kerkeraad der Hervormde Gemeente, welke kerkeraad toen aan alles de leiding gaf, was van den jongen hoogleeraar de Geer. Van dien tijd af was hij, wien de groei der Nederlandsche hervormde kerk bovenal ter harte ging, de vraagbaak van alle rechtzinnige kerkeraden. Straks, in de jaren toen ik in Utrecht kwam wonen, hielp hij voor het bestieren der kerkelijke goederen het ‘Vrij beheer’ tot stand brengen, nam hij een zeer werkzaam deel aan den arbeid der Confessioneele Vereeniging, vormde hij in 1872 het bestuur van het Anti-schoolwet-verbond, dat den stoot gaf tot een algeheele wenteling in ons land op staatkundig gebied en tot het anti-revolutionnair program van 1878 - en was hij onder de eersten die medewerkten, om het fundament te leggen voor de Vereeniging van Hooger Onderwijs op gereformeerden grondslag. Hij was voor al die ingrijpende voorbereidingen de juridische raadsman. Geenszins echter verzuimde hij zijn onderwijs in het Romeinsche recht. Ik had als student te Amsterdam, toen ik mijn candidaats-examen moest doen, enkele keeren zijn college bijgewoond, en men verzekerde mij, dat het in 1868 nog evenzoo dáár toeging. Men kwam in die college-kamer, achter zijn groot huis op de Nieuwegracht, door een lang, smal, bochtig gangetje van de Heerenstraat uit. De studenten zagen hem dàn, met zijn boeken onder den arm - heel wat minder echter dan Vreede medebracht - in zonderling zwaaienden tred door den tuin aankomen. Zijn hoed wierp hij achteloos op den grond, hij beklom zijn katheder en begon zijn college in het Latijn uitéén te zetten. Die ontvouwing was pittig, eenvoudig en duidelijk, zoodat de hoorder wel zeer zwaar van begrip moest zijn om 't niet te kunnen volgen. In één cursus gaf hij een volledig overzicht van de Instituten. De Pandecten werden later grondig behandeld. Hij was de stof en de literatuur volkomen meester, en gaf mildelijk uit zijn rijken voorraad. Goudsmit's college te Leiden - dat ik
ook een enkele maal bijwoonde - was misschien puntiger en boeiender, door het telkens aanknoopen van het tegenwoordig privaatrecht aan het Romeinsche recht, terwijl de Geer juist zijn kracht zocht in het zich streng isoleeren en verzinken in de atmosfeer van het Romeinsche recht, maar toch stond het onderwijs van de Geer zeer hoog. Voor zijn studenten was de Geer uiterlijk bij uitstek beleefd en genoegelijk. Ik geloof niet dat een van hen ooit iets onaangenaams van hem gehoord heeft. Doch zijn, voor hen onuitgesproken oordeel over de kennis dier studenten - een oordeel dat hij slechts aan zijn collega's mededeelde - was zeer weinig opwekkend en soms bijtend scherp. Hij vond ze niet knap, en niet uit één stuk. Ondanks al zijn hoffelijke woorden, moesten de besten wel eens het gevoel krijgen, dat hij het gros der studenten - ze over één kam scherende - haast misbaksels, zooals hij zich dan uitdrukte, achtte. In de faculteits-kamer, tegenover zijn collega's zich uitende, kwam de zeer sceptische toon van de Geer dikwijls boven. Slechts was het opkomend scepticisme dan zwart pessimisme geworden.
Geheel anders was mijn derde collega, professor J.A. Fruin, hoogleeraar in het burgerlijk en handelsrecht en in het civiel procesrecht. Hij was de jongste broeder van den Leidschen meer beroemden hoogleeraar Robert Fruin. Terwijl ik met dien Leidschen broeder reeds jaren-lang, als lid der Gids-redactie, omging, leerde ik eerst, nadat ik de benoeming tot professor had aangenomen, den Utrechtenaar kennen, die in postuur en kleine gestalte op den broeder geleek. Hij kwam mij uiterst vriendelijk te-gemoet en noodigde ons uit-toen ik mijn intreêrede moest houden - bij hem onzen intrek te nemen. Hij en zijn beminnelijk gezin zijn ons altijd uiterst vriendschappelijk gebleven. Toen ik hem in October voor't eerst zag, telde hij 39 jaren. Hij was een gezellig en opgewekt prater; zijn omgang bleek zeer aantrekkelijk. Vlug van opmerking, onuitputtelijk in pikante guitige anecdotes, steeds goed gehumeurd, gaven zijn goede toon en geestige kout altijd een blijmoedigen indruk. Hij gaf den indruk van een optimist. En dat uitwendige, een glimlach der natuur, ging gepaard met een degelijke kennis en geleerdheid. Zijn innerlijke gehalte was waarlijk van goed allooi. Hij behoorde met hart en ziel der liberale Thorbeckiaansche partij toe, en was in de stad zijner inwoning op bijéénkomsten een gevierd woordvoerder dier richting. Hij arbeidde, na zijn advocaatschap in Rotterdam, een kort oogenblik als referendaris in Den Haag, onder den minister
van Bosse, doch kreeg reeds in 1859 zijn benoeming tot Utrechtsch hoogleeraar. Dáár, in Utrecht, was hij als Rotterdammer onder de hoede gekomen van den Rotterdammer Opzoomer, den bijzonderen vriend van zijn broeder Robert. Die verhouding, door den broeder steeds geleid en bevestigd, bleek intusschen voor mijn collega nog al drukkend. Al spoedig kreeg ik de impressie, dat Jacques Fruin, al prees hij in woorden hemelhoog den ‘wijsgeer der ervaring’, toch 't min of meer beklemmend vond, steeds door dien Opzoomer als in genadige bescherming te worden opgenomen. De man der wijsgeerige vrijheid liet aan zijn volgers nog al sterk den band voelen, die hen aan zijn stelsel hechtte. Bij wijlen voelde Fruin zich niet op zijn gemak tegenover zijn ouderen filosofischen collega. Vooral de dagelijksche wandelingen, op welke Opzoomer, druk bezig aan zijn commentaar over het Burgerlijk Recht, den op dat vak aangewezen hoogleeraar, als 't ware bij wijze van gymnastiek voor zijn eigen denkvermogen, ondervroeg en uitpompte - Opzoomer noemde dat een gedachtenwisseling - waren voor Fruin allengs bijna een ergernis. Te meer, omdat, in het wezen der opvatting van 't recht, Fruin veel meer historisch was aangelegd dan zijn volgens uitsluitende regels der redeneerkunde te-werk gaande ouderen ‘vriend’. Doch Fruin was en bleef goed gehumeurd en kwam die voorbijgaande drukkende oogenblikken, die nu en dan zelfs tot ontstemming voerden, na zekeren tijd weder te boven. Hij was aan de academie zeer geliefd: docent in den besten zin des woords. Zijn voordracht was sober, correct en boeiend. Het leek soms wat gewoon, maar kenners, die wisten wat er aan vastzat, om aan studenten - die zoo-even uit de vakken der aan letterkunde verwante studie der Romeinsche jurisprudentie kwamen - de zeer nuchtere, prozaïsche practische vormen en ‘clichés’ van 't moderne burgerlijk recht en handelsrecht in te prenten, oordeelden uiterst gunstig over Fruin's onderwijs. Trouwens de resultaten waren, te oordeelen naar de leerlingen die onder hem hun studie volbrachten, zeer goed. Er zat, onder het eenvoudig waas, vaste methode in dat onderwijs. De expositie was soms wat al te glad voor de toehoorders, rolde als van zelf voort - zelden waren er woorden of uitdrukkingen bij Fruin die men als munten behield - maar alles was zoo duidelijk, zoo goed afgewerkt, dat de studenten bijna geen repetitor meer noodig hadden. De les door Fruin ontvouwd kon, als men wilde, van buiten geleerd worden. Nimmer verdriette het den hoogleeraar een uitéénzetting, die niet dadelijk begrepen was, nog eens
te herhalen. Hij was volledig de man ten dienste van zijn studenten-gehoor. De besten onder hen werden door hem opgewekt tot zelfstandige diepere studie. Allen waardeerden zijn ruimen blik in de civiele rechtspleging, en de wijze waarop hij hier praktijk aan theorie (in zijn zoogenaamd ‘practicum’) verbond. Zijn heldere betoogtrant, zijn vaste methode, heeft veel tot het ‘juridisch denken’ van al zijn leerlingen bijgedragen. In de breedere maatschappij was hij ook de man van zijn liberaal gehoor, maar in eenigszins anderen zin. Dáár, in vertrouwelijke en openbare bijéénkomsten, vertegenwoordigde hij den liberalen anti-clericalen tijdgeest, den scherperen kant der neutrale schoolwet van 1857, was hij de beste type van zijn geestverwanten, doch moest hij dan ook blijven de man van zijn gehoor, voor't oogenblik niet verder gaan dan dat gehoor wilde. En in dat gehoor zaten soms zeer enge, dichtgeknoopte, hoewel lang niet onknappe mannen - ik noem als voorbeeld den lateren burgemeester Mr. W.R. Boer - die Fruin als 't ware in hun vast gareel gebonden hielden. Hij was dàn de gevangene van zijn partij. Fruin was altijd bereid beleidvol mede te gaan op de golving der liberale strooming, doch scheen niet te voelen, dat hij op weg was een doctrinair liberalisme te dienen, dat allengs tot conservatisme oversloeg. Hij was boven velen van zijn partij scherpzinnig, talentvol, man van practischen zin, die zijn krachten wist te concentreeren, maar hij zag niet in, of mocht niet inzien, dat er naast de richting van het jaar 1848 een andere, sociale strooming opkwam, waarmede hij geen rekening hield.
Ik had mij zelven tot doel gesteld wèl rekening daarmede te houden. Mijn programma -al was het nog vaag - stond mij toch duidelijk voor oogen. De lessen, in mijn studententijd van Martinus en Kemper ontvangen, hadden in haar dubbelen invloed mijn studie stevig bepaald. De kennismaking en aanraking met de bestaande maatschappij hadden de lijnen van die studie wel is waar hier en dáár in wat scherper of dieper plooi gegroefd, maar in hoofdzaak was ik dezelfde gebleven als in mijn studenten-tijd. In staatkundig opzicht belijdde ik mij tot de democratie. Uit maatschappelijk oogpunt wenschte ik het sociale element, de factor der gemeenschap, tot erkenning te helpen brengen. Ik wilde voor die twee begrippen pleiten als idealist, als één die vast gelooft aan de zuivere verwerkelijking der gerechtigheid, en die dus niet mede kon doen aan al het geknutsel en geknoei der politieke (ook liberale) drijvers. Ik
wenschte mij daarbuiten te houden. Mij niet gevangen te geven in het gareel der partijschappen. Ik was, in eigen oogen, niet anders dan een vrijwilliger op sociaal gebied, één die op de vóórposten streed, hoogstens, wanneer men 't woord maar niet in zijn aanmatigende beteekenis opvatte: een ‘éclaireur’, zooals de militairen het noemen. Op die wijze wilde ik mijn colleges inrichten, en heb ik in de negen jaren, die ik in Utrecht vertoefde, ze voorgedragen.
Die colleges waren van tweederlei aard: een staatkundig historisch en een economisch college, want het derde college, 't welk ik moest geven, dat der statistiek, was als 't ware een onderdeel van de lessen der economie. Het waren dus twee groepen van voordrachten.
Wat het college der politieke geschiedenis betreft, nam ik als gewoonte elk jaar één groot tijdperk te behandelen, dus een vierjarigen cursus er van te maken: het ééne jaar bewerkte ik de zestiende eeuw, het tweede jaar de zeventiende eeuw, het derde jaar de achttiende eeuw en het vierde jaar de Fransche revolutie en het begin der negentiende eeuw. Consciëntieus heb ik telkens uit de eigen bronnen, met behulp der ‘Mémoires’ van de staatslieden - uit wier geschriften ik dàn fragmenten voorlas - die historische periodes, welke te zamen de geschiedenis van het Europeesch statenstelsel vormden, verklaard. Alle die tijdperken heb ik regelmatig afgewerkt. Maar het liefst behandelde ik drie periodes: de periode der Engelsche omwenteling der 17de eeuw, de eeuw van Frederik den Groote, en het drama de groote Fransche revolutie. - De Engelsche omwenteling: omdat de parlementaire worsteling van het parlement tegen willekeur, en het zoeken van dat parlement naar een vaste richting, zooveel overeenkomst bood met wat na 1870/1871 in het voor onze oogen levende Frankrijk geschiedde: omdat de moties, de interrupties, de redevoeringen te Versailles, in den eersten tijd na 1871 gehoord, slechts verre echo's waren van hetgeen in de parlementen onder Karel I en in het Lange parlement voorviel. Ik heb in het jaar, wanneer ik die Engelsche revolutie behandelde, de figuren van Hampden en Pym pogen te schilderen. Ik heb nagegaan, hoe ten slotte de wet het eindelijk won, al leden de enkele kampioenen voor die wet klaaglijk schipbreuk. En aan mijn studenten poogde ik volle bevrediging te doen gevoelen, toen het ons bleek, dat het regime der wet tevens dat der vrijheid was, en dat de man, die op dat gebouw der vrijheid, niet enkel voor Engeland, de kroon zette, was Willem de Derde van Oranje, Hollander in merg en been. -
Na de Engelsche omwenteling trok mij aan de voorstelling der schepping van Frederik den Groote. Hier was niet vertrouwd op den vrijen zin der burgerij, zooals in Holland; hier was geen resultaat verkregen door evenwicht van krachten en partijen in een volk, zooals in Engeland; neen, hier was alles uitgegaan van een organiseerend hoofd, van een vorst, van een koninklijken wil. Frederik de Groote wilde het - daarom was de Pruisische monarchie krachtig; hij wilde het - daarom was er geloofsvrijheid in zijn land: in mein Land kann Jeder nach sein Façon selig werden; hij wilde het - daarom bloeiden landbouw en industrie; hij wilde het - daarom was er een leger waarvoor ieder terugdeinsde. De Pruisische staat was een constructie uit het brein, een machine door een vaste hand uit velerlei gegevens te samengesteld, en zóó te samengesteld, dat zelfs die hand zich soms kon terugtrekken, het bleef alles toch bijéén. Bovendien, het getimmerte bleek zóó stevig, dat het later op zijn grondslagen kon dragen geheel een uitgebreid massaal rijk: het nieuwe Duitsche rijk, dat in 1870 vóór onze blikken werd opgericht. - Eindelijk behandelde ik met groote liefde de bedrijven der groote Fransche revolutie. Ik poogde uit de verschillende eischen der Fransche revolutie van 1789 op te maken een nog altijd geldende ‘dogmatiek der democratie’. Want in mijn voorstelling stond dat begrip der Fransche omwenteling gelijk met het begrip van emancipatie. Emancipatie op bijna elk gebied en vernietiging van allerlei voorrechten. Elk vraagstuk werd door die revolutie principiëel behandeld. Scheiding van kerk en staat doorgezet, terwijl een Frederik de Groote niet verder was gekomen dan tolerantie, en dan nog niet eens tolerantie voor de joden. Een solidariteit der volken werd als doelwit gesteld, en het volkenrecht in zooverre gewijzigd, dat de erfenis der vroegere tractaten, waar die een ramp was geworden, eenvoudig-weg, overboord werd geworpen, en een beroep werd gedaan op het recht dat met ieder volk op elk tijdstip geboren was. Tegenover een ethnografische politiek werd het geweten der volken opgeroepen, het geweten getuigend dat volken niet als vee kunnen worden geruild of afgestaan. Ik beken, dat ik soms met veel warmte dat alles voordroeg, dat ik levendig belang stelde, ja partij mij stelde in het groote drama der Fransche revolute. Bij het nagaan en ontleden der geweldige problemen, die toen werden aangeroerd, stond immer bij mij vast het ‘tua res agitur’. Maar de studenten schenen het ook aldus te verlangen. Uit hun oog blonk ook wel eens het vuur van.
bezieling en van geestdrift, wanneer ik de woorden van dien heroïeken tijd op de lippen nam. Zij moedigden mij aan, en te zamen vernietigden wij dàn in theorie de versteende of vermolmde vormen van onrecht en willekeur. Met mijn studenten leefde ik dàn mede: wij dachten niet aan muffe staatspapieren; we spraken totelkander:
Zóó heb ik in 't algemeen de politieke geschiedenis op mijn college steeds met het leven in verband pogen te brengen. Ik was waarlijk niet bang, om soms zeer geavanceerde denkbeelden voor te dragen. Doch mijn studenten waren jonge mannen, die elk een eerlijke overtuiging moesten zien te verkrijgen. Een karakterlooze opvatting van vraagstukken, die nog altijd het politiek leven der volken raakten, zou hen wellicht koud hebben gelaten. Het was niet meer de tijd der oude diplomatie. Ook voor hen moest politiek allengs iets anders blijken dan geknutsel en louter vormenspel. Het werd hun - bij het hooren van mijn college - tastbaar, waarom het stelsel van politiek evenwicht der drie laatste eeuwen fiasco had gemaakt. In werkelijkheid lag aan dat stelsel geen beginsel ten grondslag, maar slechts een; expediënt: het behouden en handhaven van zeker statuquo. De geschiedenis van het politiek evenwicht was dan ook slechts de geschiedenis van de pogingen om er inbreuk op te maken. Het staatkundig evenwicht was geworden enkel een stelsel van verkregen rechten, van verdragen en tractaten, die met de werkelijkheid in schreeuwende tegenstelling stonden. Dàn, als dit diep gevoeld werd, realiseerde zich het woord van onzen Spinoza: ‘een verdrag tusschen staten bestaat zoolang zijn oorzaak bestaat: de vrees voor schade of de hoop op winst’. Mijn zoeken op het college was dus, de politieke geschiedenis volkomen in verband te brengen met het staatsleven thans op dit tijdstip. Ons leven in het tegenwoordig politiek Europa moest, door de kennis van die staatkundige geschiedenis van vroeger, een breeder horizont verkrijgen en meer intensief worden. In de borst mijner studenten moest medetrillen de beweging onzer dagen in de staatkundige worsteling der volken, nu de levens-stroom van beneden hoog opwaarts begon te stuwen.
Doch politiek en politieke geschiedenis houden zich nog
maar alléén bezig met den staat, en de staat is toch eigenlijk maar een vorm, zij het de meest marquante vorm der samenleving. De samenleving zelve in haar volheid, in haar woeling en arbeid, constitueert het begrip van maatschappij. En met het wezen der maatschappij moest ik op mijn colleges van economie en van statistiek mij bezig houden. Op dat groote en breede veld kiest ieder een standpunt, om van daaruit zijn waarnemingen te doen en zijn gevolgtrekkingen te formuleeren. Mijn gezichtspunt was - als resultaat van mijn eigen leerlingschap aan hoogeschool en in levens-praktijk - dat der sociale ideeën, die in de maatschappij een vorm en uiting hadden gevonden of nog zochten. Ik ging uit van de waarneming, dat in het leven, werken en streven der menschen twee sferen waren te onderscheiden: de individueele sfeer, steunende op eigenbelang en op de rustelooze zucht, die een ieder is ingeschapen, om eigen positie te veroveren of te verbeteren; en de sociale sfeer, waarin op den voorgrond staat, dat het leven op aarde een samenleven en samenwerken is, waarin het begrip der gemeenschap overheerschend blijkt. Met al mijn macht heb ik nu in mijn voordrachten gewezen op de krachten en elementen, welke door die tweede sfeer in het maatschappelijk leven der menschheid werden in beweging gebracht. De strekking van mijn betoogen was als 't ware tweeledig: critisch, in zooverre ik trachtte te bewijzen dat de individueele sfeer niet de éénige was, waarmede de economie te rekenen heeft; opbouwend, in zooverre ik al de vormen van het sociale element trachtte te ontleden en daarvan een vormenleer poogde te geven. Ik trachtte, langs die beide wegen, het betrekkelijk recht eener collectieve opvatting der arbeids- en bezits-verhoudingen te doen waardeeren. Is het natuurlijk, is het billijk - zóó vroeg ik - dat de werklieden niets te zeggen hebben bij de fabrieken, die zij zelven bouwen en doen werken? Is het te verdedigen, dat men den arbeiders in 't algemeen telkens hindernissen in den weg legt om zich voor hun eigen klasse-belangen te vereenigen? Is het redelijk, dat het individueel eigendom op den grond versterkt wordt als een citadel, waarin men zich retrancheert? Is particuliereigendom in 't algemeen de éénige en afdoende waarborg tegen wanorde en anarchie? Wanneer ik critisch dan had doen twijfelen aan het exclusief recht van individualisme en het eigenbelang, poogde ik positief te wijzen op de verschillende plooien, die het sociale denkbeeld hier en dáár had aangenomen. Uit de geschiedenis trachtte ik, aan de hand van
Henry Sumner Maine, aan te toonen, dat bij den oorsprong der maatschappij dat sociale element overal aanwezig was, bij familie-bezit en gemeenschappelijk bezit der mark. Dàn, mijn blik richtend op het heden, toonde ik op allerlei plekken overblijfsels aan van oude en kiemen van nieuwe sociale ideeën. De machtige coöperatie-beweging met haar winkel- en crediet-vereenigingen, met haar productieve associaties was de vorm die dadelijk het meest aantrok. Maar waren niet de vakvereenigingen voor een deel vervormingen van dat element? En vast turende, wees ik overal op kleuren en tinten, die, als door een lente-weven, in het dorre veld der hedendaagsche maatschappij begonnen te ontluiken. Ik zocht die kleuren voor mijn jonge vrienden te versterken. De aanblik moest leiden tot een leven met en voor anderen, voorts tot een gevoel (ook en vooral in den arbeid) van algemeene verantwoordelijkheid, van solidariteit tusschen allen, en van waarachtige broederschap. Sterk werd door mij op het begrip organisatie nadruk gelegd. Ik waardeerde en bewerkte dit, op historisch terrein, bij de gilden, die in den bloeitijd der Middeneeuwen, een volkomen goede organisatie van den arbeid waren. In de verste verte was ik niet bereid om te dwepen met de leer der abstracte vrijheid in de volks-nijverheid. Het was mijn vaste overtuiging, dat hier, op dat gebied, de Fransche revolutie een verkeerden stap had gezet. Het bekende decreet der Constituante van 17 Juni 1791, waarbij alle gilden voor goed werden opgeheven en ontbonden, in naam der absolute vrijheid, vond in mij een heftig tegenstander. In 't algemeen meende ik, dat sinds de groote uitvindingen en toepassingen van den stoom door Watt, Arkwright en Fulton, er voor het individu-arbeider een strekking van isolement was gekomen, dat in elk opzicht moest worden bestreden. Niet meer moest uitsluitend gelden het denkbeeld, dat een ieder op zich-zelf was aangewezen. Men moest niet in de hand werken een beschouwing, die de werklieden een hoop zandkorrels achtte zonder samenhang, zonder band; een beschouwing vernederend voor de arbeiders, doch ook vernederend voor ons, omdat wij zulk een anarchie zouden hebben toegelaten, en uit egoisme ons niet bekommerd zouden hebben over de ellende en het verderf der lagere klassen. Slotsom van mijn beschouwingen was, dat men de economie als wetenschap niet meer goed kon voordragen als een ontvouwing van op zichzelf staande stellingen. Indien die stellingen iets wilden beteekenen, dan moesten zij voortvloeien uit een algemeene beschouwing der geheele maatschappij. In het verband met de leer der maatschappij moesten zij telkens
kunnen worden teruggebracht; door dit verband moesten zij eerst haar kleur en vorm ontvangen. Met andere woorden: economie was slechts een fragment van de leer der sociologie. De Franschman Le Play had in zijn w:erk ‘La Réforme sociale’ behartigenswaardige lijnen getrokken, die in haar constructie aanwezen wat ik bedoelde. Dag aan dag poogde ik dan mijn studenten te doordringen van het besef, dat de krachten der maatschappij altijd en altijd aan 't werk waren, immer in wording, zoodat een gestadige vorm-verwisseling hier op te merken viel. Nadruk legde ik op het feit, dat deze werking der maatschappij even onweêrstaanbaar is, als zij stil voor zich gaat. Men moest inzien dat de wetten der maatschappij in haar-zelve liggen. In stilte, omhuld en onbespied, wassen meestal de nieuwe kiemen en kernen in de menschelijke maatschappij. Maar de ontplooiing gaat onbedwingbaar voort. Onze moderne maatschappelijke evolutie is het resultaat van de werking der sociale ‘ideeën’, die - ontwrichtend de individualistische hoûvasten - overal tot nieuw leven wekken, en gezonde vruchtbare cellen formeeren voor het organisme der toekomstige samenleving, waarin de gemeenschap regel moet zijn.
Een onderwijs van de economie in dezen zin week eenigszins af van de gewone ontvouwing en leermethode van dat vak. Daar er van tijd tot tijd in de buitenwereld over werd gesproken, condenseerde ik mijn opvattingen in drie studies, die ik ook aan het publiek van ‘de Gids’ ter lezing aanbood. Het waren de studies over Huber en Maurice en mijn rede over ‘Bouw en Samenstel der Maatschappij’.
Allereerst behandelde ik in ‘de Gids’ van 1874 de twee figuren van Victor Aimé Huber en van Frederik Denison Maurice. Ik meende, als het mij gelukte die twee personen te doen leven in hun denken en voelen, dat ik dan een duidelijke inleiding kon geven van de beginselen, die zij op het veld der gemeenschap wilden helpen tot stand brengen. Ik koos die twee mannen, omdat zij juist zoo sterk mogelijk gekant waren tegen elke revolutionnaire beweging, omdat niemand hen verdenken kon van een ingrijpen en optreden als van een Armand Barbès. Zij waren beiden zeer positieve protestantsche Christenen, uitgaande van behoudende beginselen. De één - Victor Aimé Huber - was een bedaagd, zeer bezadigd Duitsch professor, in de politiek zelfs een aarts-conservatief, aanhanger en bewonderaar van den Pruisischen koning Friedrich Wilhelm IV; de ander - Maurice - was een Engelsch geestelijke,
orthodox Anglicaansch, al stelde hij ook in de theologie op den vóórgrond, dat een streng en stevig vasthouden aan het oude godsdienstig geloof vereenigbaar was met een ruime sympathie voor de zaak van den vooruitgang. Beiden behoorden tot de zoogenaamde steunpilaren van troon en kerk, werden ook door de toongevende kringen als zoodanig erkend. En toch nam de éen, Huber, tot leus van zijn leven ‘de sociale ridderdienst onzer dagen’, en durfde de ander zich noemen een ‘christen-socialist’. De twee figuren vulden in hun tegenstelling elkander aan. Was Huber in zijn onderzoekingen droef gestemd, wierpen zijn geschriften een somber licht af, den dienst bewijzende van de lamp die een mijnwerker vasthoudt, als hij voor zijn taak naar beneden afdaalt, - Maurice was als de man, die bij het rijzen der eerste zonnestralen naar den zoom van het woud is getogen, om het opkomend leven te bespieden, en over de met dauw bedekte velden, terwijl de leeuwrik jubelend ten hemel stijgt, Gods kleurrijke zon ziet opgaan. Zeer uitvoerig ontleedde ik nu in mijn twee artikelen beider leven en werken.
Wat Huber betreft, wees ik op zijn programma en op de uitvoering die hij daaraan wist te geven. Ik herinnerde aan zijn opstel van het jaar 1844. Toen ging hij in zijn betoog vooral uit van de hooge waarde der vrijwillige, uit eigen drang volvoerde werkzaamheid, die ten bate der misdeelden overal naast de officieel verplichte taak moest plaats grijpen. Dit was de ridderdienst onzer dagen. Die vrijwillig op te nemen arbeid had nu in onze maatschappij een groot veld. Het voornaamste werk, ten behoeve van anderen, bestond echter niet daarin, om de behoeftigen iets mede te deelen doch veel meer om de honderdduizenden, die op den rand van den afgrond nog arbeidende poogden te leven, maar die bijna geen vasten grond meer onder hun voeten voelden, dáár op dat hellend vlak stevig vast te houden, en hen te beletten allengs af te glijden in den poel van het pauperisme. Staat en kerk moesten zeer zeker hier ook helpen, maar het wezenlijke werk kon gedaan worden door vrije vereenigingen, waarin de beste elementen der welgestelde en der arme klassen elkander de hand moesten reiken. Wat Huber wilde, was dus een organisatie te midden onzer maatschappelijke verbrokkeling. Een organisatie op christelijke grondslagen en op de materieele basis van een nieuw te scheppen gemeenschappelijk eigendom. Tot dit gemeenschappelijk eigendom dienden de rijkeren hun deel te geven, maar moest ook door de arbeidende klassen van hun dagloon iets worden bijgedragen. Daarvoor moesten echter de
arbeiders de gelegenheid hebben, om op de goedkoopste wijze in hun levensbehoeften te voorzien. De aankoop moest in 't groot voor velen kunnen worden gedaan. Huber's denkbeeld was in 1844 nog beperkt tot een associatie van distributie: een vereeniging om goedkooper alle levensbehoeften zich te kunnen aanschaffen, verbonden met het denkbeeld, om de lagere standen, uit hun onreine donkere atmosfeer in gezonde verfrisschende woningen en omgevingen, in lucht en licht, over te brengen, waardoor op het zedelijk gehalte en leven van 't volk zou worden ingewerkt. Op deze wijze wilde hij de menschenmassa's, die door de industrie op ordelooze wijze waren opééngehoopt, in een nieuwe en vaste organisatie verbinden, en ze opheffen, om ze tegen de verdierlijking in den jammer van het pauperisme te behoeden. Ten einde dit plan te verwerkelijken, ten einde op die wijze arbeiders-kolonies te vestigen, had hij de hulp noodig van rijken en vermogenden, ja, van den staat; en tot die rijke lieden, tot de conservatieven in den staat had hij zich gewend. Hij wenschte dus toen vooral een hulp van bovenaf. Tot de arbeiders zelven had hij zich daarvoor nog niet in de eerste plaats onmiddellijk gewend. Dit geschiedde echter in 1849 en later toen hij zijn denkbeelden ging ontwikkelen der productieve associatie. Met groote zorg analyseerde ik al zijn toelichtingen van dit vraagstuk. Het kon - zóó meende Huber in het begin van zijn onderzoekingen - slechts toegepast worden op zaken, die met een klein bedrijfs-kapitaal werden gedreven, en die een geringen graad van technische en mercantiele vormingen opleiding vereischten, dus enkel op zulke handwerken, die slechts voor de dagelijksche behoeften werkten, en zelfs hier ried hij een trapsgewijze geleidelijken voortgang aan: hij wilde in den aanvang eigenlijk slechts gemeenschappelijke aanschaffing van grondstoffen en gemeenschappelijken verkoop veroorloven. Maar hij volgde met spiedenden blik de ontwikkeling der coöperatieve beweging in Engeland en Frankrijk, en kreeg hoe langer hoe meer vertrouwen in deze denkbeelden. Hij reisde veel, en toegerust met al de kennis, die deze buitenlandsche reizen hem gaven, maakte hij nu in schrift en woord breedere propaganda voor de productieve associatie. Doch het einde van al zijn pogingen was meerendeels teleurstelling. Men geloofde hem niet. Hij was de ‘zwart-ziener’ zijner dagen, wanneer hij wees op het wereld-leed en de wereld-zelfzucht, vooral wanneer hij op de teekenen van ‘decompositie’, van ontbinding onzer hedendaagsche samenleving, den vinger legde. Zijn streng vasthouden aan het godsdienstig chris-
telijk geloof was voor velen een beletsel zich bij hem aan te sluiten. Tusschen Lassalle en Schulze Delitzsch kwam hij als in gedrang. Beiden wilden zich op hem beroepen, maar hij meende het zoo geheel anders dan deze twee leiders. Hij werd niet moede zijn denkbeelden der gemeenschap uitéén te zetten, doch bittere droef heid beving hem, dat noch de conservatieve, noch later de liberale partijen, iets voor de kern van zijn streven voelden. Toch was hij vast overtuigd, dat zijn richting die der toekomst zou zijn. Strijd zou er komen. Het slagveld - zóó sprak hij - zou echter niet liggen op de strategische terreinen der militaire topografie, maar op het veld der ‘sociale questie’. Hij kende de meer dan heidensche barbaarschheid der in onkunde verzonken en verwaarloosde lagere klassen, en hij huiverde bij de gedachte, dat niets gedaan werd om het dreigende van dien kant komende gevaar te bezweren. In het laatste jaar van zijn leven (hij stierf Juli 1869) schreef hij nog woorden, die twee jaren later te Parijs letterlijk zouden worden verwerkelijkt. ‘Men vergeté niet - zóó waarschuwde hij - dat de roode republiek het meest verschrikkelijke elementaire verdelgings-middel tot nog toe niet heeft toegepast, te weten: de brandfakkel. Wat zal haar beletten vroeger of later brand-gendarmes te gaan organiseeren?’ Hij zag in het verschiet de rosse vlammen reeds aan de kroonlijsten van onze paleizen lekken.
Met meer hoopvollen blik zag Maurice in de toekomst. Hij was in zekeren zin optimist en idealist. Toen hij, bij het naderen van het jaar.1848, als geestelijke van de rechtszaal in Londen, zijn verbond sloot met de beste jonge advocaten van Lincoln's Inn, stond het bij hem vast, dat tegenover de toenemende verwildering en verdierlijking der arbeidende klasse, onder het ‘régime’ van den vrijhandel, reddende daden noodig waren. Er moest een oprijzing der arbeidende klasse tot stand komen. De waarde van den arbeid, en vooral de achting voor den arbeid moest weder worden gevoeld. Maar inzonderheid moest het begrip worden verlevendigd, dat men niet van verstandelijke of zedelijke verbetering kon spreken tot menschen die veel leden en veel ontbering hadden, tenzij eerst belang was gesteld in hun gezondheid, in hun wonings-toestanden, in hun strijd om het bestaan. Zulk een belangstelling intusschen zou in elk opzicht verspild blijken, wanneer zij niet het middel was, om aan de arbeiders het gevoel van eigenwaarde als personen, geschapen naar Gods evenbeeld, terug te geven. En dat besef van eigenwaarde kon eerst komen,
wanneer men uitging van het denkbeeld, dat zij sociale wezens waren. Want nooit moest er aan gedacht kunnen worden, dat men hen kon helpen individueel knapper of individueel beter te worden, wanneer men vergat, dat zij met al de andere menschen in een levende maatschappij aan elkander waren verbonden door banden van familie, nabuurschap, land of van gemeenschappelijke menschheid. De hefboom, dien Maurice nu ter hand nam om de arbeidersklasse uit de diepten te doen oprijzen, was het associatiebeginsel. Hij werkte dat practisch uit in zijn ‘Society for promoting working men's associations’ en in zijn ‘Werkmanscollege’, in 1854 te Londen geopend, waar hij de allerbeste talenten onderwijs deed geven aan het volk: Ruskin gaf er onderricht in't ornament, Rossetti lessen over het figuur. Theoretisch zette hij zijn inzichten uitéén, vooreerst in het weekschrift dat hij met Kingsley en zijn rechtsgeleerde vrienden uitgaaf onder den naam: ‘De Christen-Socialist’, straks gevolgd door de ‘Tracts on Christian Socialism’. Hij was niet moede al zijn stellingen, één voor één, telkens te ontwikkelen, totdat hij alles samenvatte in zijn boek over ‘Social Morality’. Dat boek was een grootsch programma. Thans - zóó betoogde Maurice - meer dan ooit moesten alle klassen van menschen, alle rangen en standen, dus ook de arbeiders, er aan herinnerd worden, dat het leven hier op aarde niet mocht zijn een egoistisch volgen van eigen individueelen wil of wensch, maar een samenleven was en samenwerken. De ééne stand moest gevoelen, dat zijn werken en doen van beslissenden invloed op het lot van den anderen was, daar allen van elkander afhankelijk bleven. Alle klassen moesten begrijpen dat zij voor elkander verantwoordelijk stonden. Welke nu de zelfverloochenende drijfveeren waren, die het heil der anderen in dien zin bedoelden, dit moest en kon worden nagespoord. Er was noodzakelijkheid om dit onderzoek te beginnen, omdat onze eeuw maar al te geneigd was geweest de maatschappij zich voor te stellen als gebouwd op den eigendom, en niet op betrekkingen en verhoudingen der menschen. Die betrekkingen echter waren de grondslag der zeden en gewoonten onder de menschen, vormden de basis der maatschappij. In eene studie, als die Maurice ondernam, kon natuurlijk langs breede trekken een economie, een plan, een huishouden der menschheid worden geteekend. Want al die verhoudingen en betrekkingen waarin de mensch zich geplaatst vond - verbanden die de mensch op zijn beurt trachten zou te veredelen - waren tegelijk als zoo-
vele draden, die te zamen een groot weefsel vormden. Zij wezen (wanneer men dit weefsel analyseerde) een evenredigheid en orde aan, die volkomen zou passen in de orde van het Heelal. Bij het willen opmerken dezer harmonie zou men zich nog dikwijls kunnen vergissen, gelijk de oogen soms schemeren, wanneer men vast staart op de strepen van den dageraad, vóórdat de zon is opgegaan, doch men zou zeer zeker de lijnen van maatschappelijken vrede vinden. Het zou nocit zijn een niet vindend zoeken. En toegerust met nieuwe kennis, zou men kunnen opkomen tegen de euvelen, die de tegenwoordige maatschappij der menschen soms onduldbaar maken. Men zou dringend kunnen aanmanen tot grooter aansluiting der deelen van de menschelijke samenleving, tot demping der kloven tusschen de standen, die anders hoe langer hoe breeder en dieper zouden worden, en tot uitwissching der grenslijnen, die soms zóó scherp van kleur schenen te zijn. Maurice bleef, bij het uitwerken van zulke denkbeelden, ook geheel en al in zijn geheel als vroeger dienaar der kerk, daar het toch het werk der kerk is - al verzuimt zij het zoo dikwijls - om éénheid te brengen in de verdeeldheid der menschen, om onder hen altijd-door te wijzen op de beginselen van liefde en zelfverloochening. Bij de oneindige wisseling en wenteling der golven van de maatschappelijke oppervlakte, bij het gecompliceerde der toestanden, wanneer zij zich het eerst aan onze oogen vertoonen, bij de plasticiteit van al die vormen, welke telkens geremodelleerd konden worden, moest men nu, ten einde op dit terrein eenige vastheid te bekomen, zoo sterk mogelijk vaarwel zeggen aan het denkbeeld, dat de maatschappij ooit kon bestaan hebben uit een massa enkelingen, uit een menigte atomen. Neen, er was dadelijk onder de menschen een band geweest. Wij kiezen niet dien band, wij vinden dien. De mensch vond zich dadelijk in een orde van betrekkingen, die hij niet straffeloos kon schenden. Hij was lid van een familie, lid van een natie, het één is zoowel een feit als het ander. Niet het tellen der hoofden mag dus het begin zijn bij zulk een studie der maatschappij, maar wèl het doen opmerken der verschillende groepen. De eenvoudigste groep, niet het enkele individu, is de grondslag van alles. Maurice trachtte nu in zijn boek alle verschijnselen der maatschappij, alle verhoudingen en betrekkingen te rangschikken onder drie groote kringen. Hij beschouwde het menschdom als groepeering in familiën, als groepeering in natiën, en als samenvoeging tot één geheel. Het doel was dan tevens
het licht te doen vallen op de wanorde in de huishoudens, op de bittere rampen in de natiën, op de ontzettende tegenstrijdigheden in een samenleving, die zegt alle menschen in een geordende éénheid te omvatten. Zóó gleed Maurice van-zelf op het terrein der sociale economie, op het domein der christelijke staathuishoudkunde. Men moet hier, volgens Maurice, uitgaan van de stelling: dat de menschelijke persoon meer waard is dan al het eigendom; dat verder de begrippen van het ‘mijn en dijn’ eerst dàn iets beteekenen, wanneer zij gegrondvest zijn op een hooger begrip 't welk de menschen behoedt tegen zelfzucht; eindelijk, dat arbeid een levens-uiting is van een persoonlijkheid, niet een koopwaar waarmede men handel drijft. Ook op het gebied der economie gelden de twee regelen, die eens door een Apostel aan de Grieken van het weelderig Corinthe1) werden voorgehouden: de ééne die aldus luidde: ‘de arbeider (Paulus noemt hier, 1 Corinthe IX vers 10, den ploeger en dorscher) werkt met de hoop van mede zijn deel te erlangen’; de tweede die (zie Corinthe X vers 24) uitsprak: ‘niemand zoeke dat zijns zelfs is, maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.’2)
De beide figuren van Huber en Maurice moesten mij nu dienen als wachters, ten einde het veld der maatschappij, zooals ik dat omlijnde, te steunen en te verdedigen.
Ik schetste dat veld in mijn rectorale redevoering van het jaar 1875 over ‘Bouw en Samenstel der Maatschappij’. Het was eene poging om van die maatschappij de historische ontwikkeling of groei in den tijd, en haar ontplooiing in de ruimte om ons heên, voor te stellen. Ik ontleedde hier scherper nog dan vroeger, hoe onder de menschen alles begonnen was met de groep, niet met het individu als zoodanig; ik wees dan verder op de lijnen van orde en evenredigheid die deze groep van-zelf volgde; maar hoofdzaak van mijn betoog was, dat alle regelen in de aldus zich vormende maatschappij slechts relatief, slechts betrekkelijk waren. Alle verhoudings-verschijnselen moesten waargenomen worden met het oog op den samenhang onder elkander, en dit zoowel in den tijd als in de ruimte. Niets was in het maat-
schappelijke op zich-zelf te beschouwen. Alles moest telkens worden bezien met het oog op iets anders en vooral met 't oog op 't geheel. Het sociale moment, de gemeenschaps-band, was dus de kracht die alles doordrong. Hieruit - zóó sprak ik - vloeit voort, dat voor onze maatschappelijke toestanden de spreuk niet waar is: een ieder voor zich, en God voor allen. Neen, elk individu is op allen verwezen. Men kan zelfs verder gaan. In economischen zin wordt zelfs zóó de verantwoordelijkheid van elk individu eenigszins verplaatst. Het gevoel van individueele verantwoordelijkheid wordt ten minste sterk gewijzigd. Men kan het soms voor een deel niet helpen of men bittere armoede en ellende ondergaat. Omdat Amerika de questie van de slavernij wilde uitvechten, daarom moesten de katoen-arbeiders in Engelsch Lancashire honger lijden. Omdat de suikermarkt in Londen eenige centen daalde, werden de suikerjongens in Amsterdam op straat gezet. Omdat de staatslieden geweldige oorlogen laten voeren, is er voor de arbeiders weinig kans om op normale wijze goedkoope woningen te bekomen. Omdat uw buren huwen en veel kinderen krijgen, worden uw landerijen steeds meer waard. Omdat de Engelsche Lords geen genoegzaam aantal huisjes voor arbeiders hebben willen laten zetten op hun goederen, wies in het ‘gang’-systeem menschen-onkruid op het veld, dat vrij wat erger is dan 't onkruid onder 't koorn op de akkers. Let wel: de persoonlijke verantwoordelijkheid van een ieder is daarom niet weggenomen; ik zeg niet, dat daarom ieder die arbeidt, niet altijd gezet en vlijtig moet blijven arbeiden, maar op het lot, op het welslagen van een ieder, werken nog zoo oneindig veel meer factoren in, dan alleen de eigen arbeids-lust en de eigen arbeids-plicht. Er is in de maatschappij niet overal een harmonie van belangen, wèl overal een inwerking van die belangen op elkander. De maatschappelijke band veroorzaakt onder de tegenwoordige omstandigheden even zoo goed soms rampen als voordeelen: een slechte oogst doet overal zijn nawerking als naweeën gevoelen; de conjuncturen van de beurs wonden waarlijk niet alléén hen die het beursgebouw bezoeken. Voorshands is er door het gecompliceerde van alle toestanden, bij de gebrekkige kennis der gevolgen van alle maatschappelijke verschijnselen, nog weinig kans om tot een werkelijk sociale wetenschap te geraken. Wij hebben niet genoeg gegevens, niet genoeg nog waargenomen. Toch is het van groot belang reeds nù de verschillende vormen der verhoudingen in de maatschappij eenigszins nauwkeuriger en preciezer vast te stellen, hoe die vormen voor de ééne helft ons zijn opgelegd,
voor de andere helft met bewustzijn vrijwillig door ons worden gekweekt. En werkelijk wordt aan zulk een leer der vormen door de verschillende beoefenaren der sociale wetenschappen groote scherpzinnigheid gewijd. Die allereerst van vreemde namen houden, spreken hier van ‘morfologie’. Het is eene uiterst belangwekkende studie, maar die ons soms doet denken aan het bespieden der zwellende en brekende golven van de zee. Want elk van die vormen is aan een langzame maar steeds voortdurende wisseling onderworpen. Een niet ophoudende verandering is de regel. De kneedbaarheid der materie van onze maatschappij schijnt onbeperkt. Elke plooi of regel is niet iets volledigs of afgeronds, neen, zij is slechts de voortzetting van vroegeren arbeid en het begin van nieuw werk. Het is een bedrijvige wording. Een weêrgalooze groeikracht van vormen in de maatschappij, even rijk als het wassen der planten in de natuur. Men volge, bij een beschrijving hiervan, de les van Montaigne (zie zijn Essais, livre III chap. 2) ‘je ne peinds pas l'estre, je peinds le passage’. Elke vorm, elke maatregel is slechts in zooverre iets waard, als zij een integreerend deel is van een geheel, deel van de algemeene vaste orde. Ook wanneer men de dingen dezer aarde wil grijpen, moet men er de hand op leggen onder het sociale oogpunt. Het sociale idee suist in al de goederen van den arbeid. ‘Gij wandelt - zóó sloot ik mijn rede - aan het strand der zee; gij vindt een schelp door de golven u toegeworpen; gij verlustigt u in de glansrijke kleur, in den rythmischen vorm. Maar eerst dàn wordt de schelp voor u dubbel merkwaardig, als gij, ze opnemend en aan uw oor houdend, daarin het ruischen hoort der eeuwig wentelende golven van de zee, waarin het koraal was geboren en gekweekt. Gij hoort dàn den samenhang van het kleine fragment met het groote volle geheel. Gij voelt de wet der orde die alles in de maatschappij doordringt’.
Wat ik op het gebied der economie aldus - meestal aan de hand der historische school - aan mijn studenten onderwees, was niet anders dan een regelmatige gevolgtrekking uit de ééns in mijn studenten-tijd voorop gestelde beginselen van de Bosch Kemper, die mij goedkeurend toeknikte, toen hij, een jaar vóór zijn dood, mijn rectorale rede te Utrecht aanhoorde. Helaas, mijn eerste meester, Martinus des Amorie van der Hoeven, was reeds eenige jaren geleden gestorven, gestorven tien dagen vóórdat ik mijn intreê-rede als professor te Utrecht hield. Toch wilde
ik mijn werkzaamheid te Utrecht ook als onder zijn hoede stellen. Ik schreef dus in den zomer van het jaar 1869 mijn herdenking van Martinus, die eerst in ‘de Gids’, daarna in boekvorm werd uitgegeven. Ik schreef dat boek met groote warmte. Mijn ziel legde ik daarin. Want ik wilde getuigen, dat, naar mijn inzicht, de beteekenis van dezen man daarin lag, dat hij den moed had gehad in ons land - vol van banaliteit, vulgariteit, empirisme en materialisme - de leus van het zuiverste idealisme luide te handhaven. Idealisme van zeer verheven aard. Want het was gegrond op het begrip van Gods immanentie, en richtte zich in het leven naar de uitspraak van Pascal, waar deze de drie rangen van grootheid besprekend - die van de materie, van den geest en van de liefde - aan den laatsten den beslisten voorrang gaf. ‘Al de lichamen samen en al de geesten samen met al hun voortbrengselen zijn niet zooveel waard - zeide Pascal - als de minste beweging van liefde: die is van oneindig hooger orde’. In dezen zin had Martinus een heilig voorbeeld gesteld, zooals weleer mystieke gestalten uit de Middeneeuwen. Hij had zijn ziel gelijk willen stemmen met de ziel van het heelal. Hij had de Godheid durven naderen met het woord van den psalmist (Psalm 36): ‘in Uw licht zien wij licht’. Hij had - ziende met dat licht - aanschouwd, dat de gansche natuur niet anders is dan het weefsel of spinsel van den Geest. Hij had, in contemplatie verzonken, het tijdelooze durven stellen, dáár waar zijn medemenschen het tijdelijke eerbiedigden. Hij had het woord van den Christus op de lippen genomen: ‘die in Mij gelooft stroomen van levend water zullen uit zijn binnenste opwellen.’ Hij had aangemaand om af te houden van de ijdelheden der aarde, omdat zij ‘niets’ zijn. Hij had levenskracht en bezieling aan zijn volk willen geven. Hij had gesproken van de nieuwe era die naderde, van den weg die naar boven leidde, en van het rijk der ware broederschap. Doch hij was niet louter prediker en boetgezant: hij had in zijn eigen leven zijn vast geloof willen verwerkelijken; peinzend denker, was hij geworden ‘een dier bedroefde wezens die men filosofen noemt’. Het gewicht van het levens-raadsel had hem geen oogenblik rust gelaten. Al nam hij telkens het gebed op de lippen van Thomas van Aquino: ‘Da mihi, Domine, cor nobile... da invictum’; al herhaalde hij binnen 's monds nog het woord uit de ‘Imitatio’ over ‘de melodie der ziel’ (zie boek III, hoofdstuk 50), hij begon te bespeuren dat de zwaarte der gedachte hem neêrdrukte en verbrijzelde. Elk idee om zich
te verwerkelijken heeft een offer noodig. Hij zelf werd zulk een offer. Toen had iets zeer aangrijpends plaats. Het schijnbaar breken van een eenzame ziel, geslagen door de golven der wereldzee. Doch het was slechts schijn. Boven de verbolgen daverende wateren, over en tegen hem aanstuwende, lichtte voortdurend de zacht uitstralende glans van die ziel. Dat licht was onuitdoofbaar. Ik getuigde daarvan in mijn boek. Ik beschreef het roerende drama, en aan Martinus mijn weemoed wijdend, over hem mijn weeklacht slakend, herhaalde ik, toen ik zijn ‘legende’ eerbiedig spelde, het woord van den dichter:
De baan van mijn professoraat werd systematisch door mij afgelegd. Elk zinrijk deel der samenleving werd door mij - voor zoover het in de kaders van de mij opgedragen voordracht en leiding paste - nauwkeurig bestudeerd en daarna in lessen uitééngezet. Met hartstocht was ik aan het werk. Toch was er - toen het eerste academisch studiejaar ten einde liep - zekere grief, die echter buiten de eigenlijke taak, als zoodanig, hinderde. Het was de geldelijke belooning. Geheel onbemiddeld als wij beiden - mijn vrouw en ik - waren, hadden wij ons, bij 't trekken naar Utrecht, wel op de hoogte moeten stellen, wat een professor in mijn rechtsgeleerde faculteit verdiende. De som, die toen door den heer van Rappard was genoemd, bleek intusschen veel hooger te zijn dan de werkelijkheid gaf. De heer van Rappard had eenigszins als ‘grand seigneur’ de zaak behandeld en beschouwd. Het inkomen van een hoogleeraar regelde zich echter naar het jaarlijksch bedrag der college-gelden, en deze waren toen ter tijde niet aanmerkelijk, daar het getal studenten niet zoo talrijk meer was als vroeger. Geen nood. Ik was altijd min of meer journalist geweest, en zou dus uit de journalistiek het ontbrekende weten aan te vullen.
Ik ging mij dus in den herfst van het jaar 1869 in betrekking stellen met de mij van ouds bekende dagbladen, om te zien of ik dáár - wijl door de afschaffing van het zegel op die bladen (volgens de wet van 9 April 1869) de honoraria der medewerkers hooger konden worden gesteld dan vroeger - een eenigszins vaste opdracht en voldoende
remuneratie kon bekomen. De stof voor zulk een medewerking zou mij aan de hand worden gegeven door de twee groepen van colleges die ik te Utrecht gaf. Voorkeur gaf ik natuurlijk aan de groep mijner studiën over de leer der maatschappij. Nu trof het niet onaardig, dat, juist in den zomer van dat jaar 1869 te Amsterdam, in het nieuw gebouwde Paleis voor Volksvlijt, eene tentoonstelling plaats had, op touw gezet en ingericht door de Vereeniging tot bevordering van fabrieks- en handwerks-nijverheid in Nederland. Het was een internationale tentoonstelling van voorwerpen voor de huishouding en het bedrijf van den handwerksman. In zeven klassen werden gerangschikt de volgende onderwerpen: 1o. huisvesting, 2o. huisraad, 3o. kleeding en uitrusting. 4o. voeding en verkwikking, 5o. gereedschappen, werktuigen en machines, dàn (in de zesde klasse) middelen ter zedelijke, verstandelijke en lichamelijke ontwikkeling, en eindelijk (in de zevende klasse) statuten, reglementen en verslagen van vereenigingen ten behoeve van den arbeider. De expositie van al die voorwerpen zou duren tot 4 October 1869. In vele groote steden van Europa werden commissiën gevormd, om die onderneming te doen gelukken, vooral in België, Frankrijk, Duitschland en Engeland. Enkele mannen van beteekenis hadden zich in het buitenland in zulke commissiën laten benoemen, met het doel ons land en de tentoonstelling later te bezoeken. De nieuwe burgemeester van Amsterdam, Mr. C.J.A. den Tex, de eigenaar van Steinhausen, zou die vreemdelingen altijd gastvrij aan zijn tafel ontvangen. Zóó ontmoette ik ook bij hem den voorzitter der Parijsche commissie, den man die luister gaf aan de Fransche inzendingen, het lid van den senaat, den heer F. le Play, schrijver van ‘La Réforme sociale’. Met hem had ik natuurlijk allerlei punten van aanraking over het wezen en leven der maatschappij, en zijn gesprekken wekten mij op, om, in aansluiting aan den inhoud der zesde en zevende klasse van die Amsterdamsche tentoonstelling, ons volk over al de sociale vraagstukken, die zich daaraan vastknoopten, verder in te lichten. Wat deze tentoonstelling toch in deze twee klassen ondernam was eenigszins een voortzetting van hetgeen zoo uitstekend begonnen was in de tentoonstelling, die de heer le Play zelf te Parijs in het jaar 1867 had geleid. In die schitterende Parijsche expositie, door le Play georganiseerd, was toch een bijzondere klasse ingericht voor alles wat de arbeidende standen kon steunen in den strijd van het leven, en zeer begeerlijke prijzen - waarvan er één aan
Victor Aimé Huber werd gegeven - werden uitgeloofd aan allen die werkelijk hier iets goeds hadden verricht. Welnu, ik wilde op dit alles het licht doen vallen. Ik ging dus naar het Handelsblad, naar de redactie en naar den heer Diederichs, eigenaar van de courant, en vroeg hun of ik op gezette tijden, eens in de week of in de veertien dagen, zoogenaamde ‘Sociale brieven’, met mijn naam onderteekend, in het Handelsblad kon plaatsen. Wat ik bedoelde was duidelijk en eenvoudig. Ik wilde, afgescheiden van de beoordeeling der staatkundige feiten, de behartiging der maatschappelijke belangen bespreken. Ik meende, dat deze laatste de aandacht dubbel waard waren, omdat overal in de kringen, waar uitsluitend met handen-arbeid het brood moest worden verdiend, de ernstige wil zich begon te openbaren, om een grooter aandeel te veroveren van de stoffelijke en geestelijke vruchten der beschaving, dan thans hun deel was. Voor dien wil moest, naar mijn inzicht, door de welgestelde klassen een weg worden gebaand. Zij die met aardsche goederen waren gezegend en dus, beschenen door het licht van wetenschap en kunst, als op de hoogten der samenleving wandelden, waren mede aansprakelijk voor de duisternis in de laagte. Het bestaan van elkander in de nooden des levens moest worden georganiseerd. Pogingen tot onderlinge aanéénsluiting der maatschappelijk zwakkeren moesten worden gesteund, in zooverre dat volledige vrijheid van beweging en vereeniging aan de arbeidende klassen moest worden verzekerd. Voorts moesten dan die rijkere werkgevende klassen zich allerlei vragen stellen. Was wel overal de arbeider een persoon, niet een koopwaar, maar een persoon, die op zich-zelf of nevens anderen een vrij contract met den kapitalist aanging tot gemeenschappelijke productie? Werd geheel de arbeid, tijdens de voortbrenging, behoorlijk beschermd en beveiligd? Was het toezicht op de fabrieken een feit? Werd er gewaakt tegen overmatigen arbeid van kinderen en vrouwen? Waren er waarborgen voor een rustdag? Waren er sporen van toeleg tot een meer verkorten arbeidsdag? Was er plaats voor arbeids-scheids-rechtbanken? Waren er regelingen voor vak-onderwijs? Bestonden er bepalingen voor het leerlingschap? Werd voor arbeiders-woningen iets gedaan? Was er gelegenheid om de opgelegde spaarpenningen veilig te kunnen beleggen? Waren er maatregelen tegen woeker? Werd er aan gedacht ver-valsching van levensmiddelen te voorkomen? Waren er behoorlijke pensioen-fondsen voor den ouden dag en hulp-of ondersteunings-fondsen bij ziekte en ongeval? Al deze
vragen moesten één voor één beantwoord worden. Die fragmentarische antwoorden zouden dan te zamen constructieve lijnen blijken van een maatschappelijke hervorming, van een ander en beter gebouw dan het ongeordende samenstel eener verwaarloosde neêrzetting onzer tegenwoordige samenleving. Ik wenschte nu in dien geest ‘Sociale brieven’ in het Handelsblad te publiceeren, opstellen, zooals later het ‘Sociaal Weekblad’ van 1887 uitgaf. Ik droeg met vrijmoedigheid mijn denkbeeld voor aan redactie en eigenaar van het blad. Doch ik vroeg daarvoor een jaarlijksche vaste bezoldiging, en het blad kon die niet geven. Met groot leedwezen moest ik dit mijn plan dus opgeven.
Toen het geregeld schrijven over zulk een groep van studiën en bijdragen voor een dagblad mij was ontzegd, moest ik mij wel wenden tot de tweede groep mijner voordrachten: de lessen over staatkundige geschiedenis. Trouwens hier was ik geldelijk ook iets waard. Sinds de dagen van mijn betrekking in Haarlem had ik niet opgehouden, eerst in het ‘Zondagsblad’, later in ‘De Gids’, zoogenaamde Politieke Overzichten over den gang der zaken en verwikkelingen in het buitenland te schrijven. Ik las geregeld een Fransch, Duitsch en Engelsch dagblad, hield mij op de hoogte der telkens nieuw verschijnende vlugschriften, en verslond alle mogelijke ‘Mémoires’ die uitkwamen. Mijn werk voor mijn college gaf mij steeds dieper inzicht in de historische lijn der politieke richtingen, die met den dag opkwamen. Vóór dat ik nog wist aan welk dagblad ik mij voor zulke bijdragen zou kunnen wenden, kwam reeds de hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant - mr. Tels - mij opzoeken, en mij uitnoodigen, of ik te beginnen met het jaar 1870, mij zou kunnen verbinden, om elke week, liefst des Zondags, een door mij geteekend opstel over een of ander pakkend en gedurende de afge-loopen week opgemerkt feit uit de politieke geschiedenis van het buitenland te leveren. Kon ik mij voor een jaar tot die taak verplichten, dan was de bezoldiging die mij aangeboden werd (f 2000) vrij hoog. Ik nam het voorstel aan en heb bijna alle Zondagen van de jaren 1870 en 1871 - mijn opstel als hoofdartikel gegeven. - Het waren geweldige jaren, de meest ontzettende der laatste helft van de negentiende eeuw. Frankrijk en Duitschland gingen zich in den krijg met elkander meten. Of liever Frankrijk liep in de val, met duivelsch talent door Bismarck uitgezet en vóórgehouden. Duitschland won de zege. Het was zeer zeker uit een staatkundig oogpunt een vooruitgang, dat het groote ver-
brokkelde Duitschland in dien krijg - door bloed en staal - het middel vond om een ijzeren band van éénheid zich om de lenden te slaan. Maar met bezorgdheid zàg ik, dat het tegenwicht tegen Germaanschen overmoed zou gaan ontbreken, wanneer Frankrijk verpletterd werd. Ons eigen nationaal bestaan hing ook voor een deel af van den onderlingen afgunst der groote mogendheden. En met ontroering ontwaarde ik de onbedachtzaamheid mijner vele landgenooten, die, telkens opgewekt door Opzoomer's brochures, niet begrepen, dat het gejuich over Duitschlands alvermogende suprematie aanvangs-toonen waren eener doodsklok luidende over Neêrlands bewuste zelfstandigheid als kleine natie. Men behoefde waarlijk nog niet te denken aan annexatie, indien men slechts voor oogen hield, dat - wanneer onze naaste buurman, wanneer Duitschland onbetwist en volledig het veld behield en zijn volk tot een massaal vast compact legerkamp inrichtte - indirect Duitschlands machtige druk een vaste schaduw op al onze verdere lotgevallen in den eersten tijd zou neêrstrijken. Voor de kleine natie, die wij waren, zou voortaan alles van weêr en wind, en van de stemming dier ééne groote mogendheid afhangen. In dien geest schreef ik mijn artikelen, wier strekking ik hier niet te verdedigen, maar slechts te verklaren heb. De opeenvolging dier artikelen vormt in zekeren zin een eigenaardig gekleurd verhaal der geschiedenis van den oorlog van 1870/1871. Het is een reeks van opstellen als met harte-bloed geschreven, vol van aandoening en vol van verontwaardiging soms over zonen van mijn eigen volk. Dat de Duitschers, krijgvoerende, er een eer in stelden te betoogen, dat aan hun zijde de waarheid en aan de zijde der Franschen de leugen stond, wie zal het wraken? Maar dat Hollanders het voor een uitgemaakte zaak rekenden, wie zal het thans beamen? Mij past het niet een oordeel over mijn dagblad-stukken te vellen. Daar ik echter deze bladzijden schrijf om den kring en loop mijner gedachten te doen zien, zal ik twee artikelen hier overnemen, welke in die dagen aanleiding gaven tot veel getwist en blaam voor mij. Ik kies uit de meer dan honderd opstellen - zij het dan ook dat de toon dier artikelen mij thans iets te geforceerd lijkt - de stukken over Gambetta's frase en over de annexatie van Elzas-Lotharingen.
Over Gambetta schreef ik onder dagteekening van 15 Januari 1871 het volgende, dat den lachlust van de heeren van den ‘Spectator’ opwekte:
Ieders oog ziet naar Parijs.
Is het slechts een ‘frase’, wanneer wij zeggen: dat het Fransche volk, en Parijs in de eerste plaats, bewondering en eerbied thans afdwingt?
De Pruisen beweren het, en pogen zich-zelven diets te maken dat zij voor de beschaving en tegen den schijn strijden. Doch zij staan alléén in hun meening.
Zij hebben de legers van Napoleon III en van zijn maarschalken overwonnen, doch staan thans tegenover het Fransche volk. Het Fransche volk, dat in het eerste oogenblik in alle opzichten open en onverdedigbaar terneder lag, zonder wapenen, zonder soldaten, zonder iets. Toen - in dat bange oogenblik - deden de Franschen een beroep op de herinnering der groote Fransche revolutie, en dat beroep gaf hun geestkracht om te dulden, energie om te handelen.
Tegenover het militaire cesarisme der tegenpartij, tegenover het cijfer, het getal der heirscharen, riepen zij op het idee der vrijheid, in den hoogsten zin opgevat. Zij zouden wederom toevoegen een zang tot het heldendicht van Frankrijk.
En toen Bazaine Metz aan de Pruisen verried, toen werd er van uit Frankrijk slechts één antwoord gegeven: ‘Te midden van al dat verraad en de laaghartige capitulatiën is er één, die niet capituleeren zal: de Fransche Republiek.’ Wederom een frase, - dus riepen de Pruisen! Doch het woord werd op het einde van September gezegd; sinds verliepen October, November en December; en nog altijd staat Parijs, en vliegt al wat jong is naar het Noorden bij Faidherbe, of naar de Loire bij Chanzy, of bij Bourbaki, om het leven prijs te geven ten einde den ijzeren ring rondom Parijs te breken. Voorwaar: die frase heeft dan toch wel eenige taaiheid, en is niet zoo schielijk te vermorselen door de molensteenen, waartusschen de Pruisen ze pogen te schroeven.
Daar was in de oogen der Duitschers een arme ‘frasen-held’, een jong advocaat, even 32 jaren oud, die door het woelen en schreeuwen van clubs in het Wetgevend Lichaam een plaats had gekregen: een poovere figuur, die door geraas vergoedde wat hem aan innerlijke kracht schijnbaar ontbrak. Als hij sprak, dan mompelden de redenaars aan de Spree iets van een grooten vollen mond, van een windbuidel, van een woorden-mitrailleuse, en andere dergelijke liefelijkheden. Hij was - zeiden zij - de levend geworden leugen en schijn. Al wat van hem uitging was louter waan en wind. Welnu, die jonge advocaat is de zedelijke dictator van Frankrijk nù geworden. Zonder eenige militaire opleiding heeft hij de legers en de wapening in Frankrijk gaan organiseeren; hij heeft den stroom van zijn enthousiasme aan Frankrijk gaan mededeelen; hij heeft gesproken en geschreven zonder ophouden, doch hij heeft gehandeld in de eerste plaats. En zoo er thans een leger aan de Loire, een leger in het Noorden is, een leger van burgers met wapenen, met ammunitie, met alles, het is te danken aan den armen ‘frasen-held’, aan Gambetta.
Wat is dan toch die Fransche ‘frase’?
De Fransche ‘frase’ is voor hen, die geen Franschen zijn, een zin op het effect berekend, een klank; maar voor de Franschen-zelven is het de vorm dien zij aan hun gedachte geven, en voor die gedachte, voor dat idee zijn zij bereid hun leven te laten: dat idee willen zij bezegelen met hun bloed. Dit beginsel van het zich opofferen voor een idee is bij geen natie zóó sterk en zóó schoon ontwikkeld als bij de Franschen; en dit beginsel - wij hebben het reeds als tot herhaling vroeger betoogd - zal Frankrijk toch eindelijk redden. Al heeft de hand van een speler, aan wien Frankrijk haar lot had toevertrouwd, thans haar laatsten worp verspild; al dreunen nu de zware bommen en granaten tegen de huizen van Parijs; al valt weldra die hoofdstad, - geen nood: Frankrijk is het land dat elk beginsel, elk nieuw idee met hartstocht heeft lief gehad, en die liefde zal - al heeft Frankrijk door wuftheid en lichtzinnigheid zwaar misdreven - het volk redden. De zoo geminachte ‘frase’ is soms het beste wat Frankrijk heeft.
Wil men een voorbeeld. De Duitschers hebben de innigste vereering voor hun land, hun ‘Heimath’, zij hebben dat land lief met al de kracht van hun ziel. Al verlaten zij het, nimmer vergeten zij het oord waar het eerst de moederspraak door hen werd vernomen. Krachtig gebouwde mannen krijgen tranen in de oogen, wanneer zij aan hun ‘Heimath’ denken. De Franschen nu weenen niet, lachen liefst altijd; maar zij hebben voor hun liefde tot het vaderland, voor hun trots op Frankrijk een ‘frase’ bedacht: la France une et indivisible, en voor die frase zijn zij bereid hun leven te geven. En zie nu het onderscheid in de practijk. Stel u in uw verbeelding de oogenblikken voor, toen Duitschland, na Jena's veldslag in 1806, verslagen en verpletterd werd, en vergelijk de Duitsche verschijnselen met de Fransche toestanden onder gelijke omstandigheden. De Duitsche legers zijn overwonnen, welnu, de Duitsche bevolkingen geven zich dadelijk gewonnen. Als Napoleon de legers van Pruisen doet uitéénstuiven, ligt gansch Pruisen aan zijn voeten: geen stad, geen dorp, geen vesting verroert zich meer. Als Napoleon Oostenrijks legerdrommen heeft vernietigd, trekt hij rustig binnen Weenen, niemand verzet zich langer. En als er vrede wordt gesloten, zien de Duitschers het zeer kalm aan, dat de Pruisische koning een deel van den Duitschen Heimath, den linker-Rijn-oever bijv., aan Frankrijk afstaat, en berusten zij spoedig daarin dat hun oude rijks-steden voortaan zetels van Fransche prefecturen zijn. Het lot der wapenen heeft immers beslist. Bij zeer weinigen komt het op, dat ook het volk zijn vaderland kan verdedigen. Rusland moet in 1812 eerst het voorbeeld geven en aanzetten, dàn eerst durven de Duitschers een weinig. En vergelijk daarmede thans Frankrijk. Neen: geen vesting, geen dorp geeft zich dáár van-zelf over. Bazeilles, hoe was uw kamp en uw lijden! Het minste stadje laat zich dan toch nog eerst totgruizel schieten, om toch goed te constateeren, dat het alléén buigt voor
de overmacht. Parijs, het weelderig Parijs, had immers slechts één woord te spreken en wederom had het alle weelde, allen rijkdom, alle denkbare genoegens. Het had slechts te zeggen: o koning van Pruisen, behoud den Elzas, en wat gij noemt Duitsch-Lotharingen. En, au fond, wat raakt aan Parijs de Elzas, wat heeft het te maken met al die kleine dorpjes? Frankrijk blijft machtig ook zonder den Elzas. Duitschland gaf immers vroeger altijd het voor beeld van zijn gewesten zoo schielijk mogelijk aan den vijand prijs te geven. Doch neen. Parijs zegt het niet. De frase leert het: Frankrijk is une et indivisible. Ondeelbaar. De vijand kan geen stuk van Frankrijk afscheuren, of altijd zal de wonde open blijven. Laten dan liever de bommen en granaten de gebouwen van Parijs verbrijzelen. Stervende zal Parijs het uitroepen: dat het onder wil gaan, ter wille van de ‘frase.’
En wij zouden ons zeer vergissen, indien het niet bleek, dat zelfs na den val van Parijs Frankrijk toch de zoo ongelijke partij zou willen afspelen. Want van de liefde die de Franschen voor hun grond hebben, schijnen de Duitschers zich geen denkbeeld te vormen. Wie zich eens goed dat alles nog wil voorstellen, leze bijvoorbeeld de uitgegeven brieven van een der revolutie-helden, een der burgers uit het thans zoo onbarmhartig beschoten stadje Thionville. De papieren toch van Merlinde Thionville zullen ons dadelijk doen zien welk een kolossale bespottelijkheid het is de geschiedenis van drie eeuwen als met een spons te willen uitwisschen, en in plaats van het levend, bloeiend, echt Fransch tintelend stadje Thionville, een schim uit de Middeneeuwen onder den naam van Diedenhofen dáár te doen oprijzen! De tijdgeest, die vooruit wijst, zal de mannen van het verleden in het aangezicht slaan! Als men den inval der Pruisen in 1792 in Frankrijk leest en de houding van Thionville in die dagen, dan waant men zich verplaatst in de dagen van het heden. Daar is slechts iets veranderd: te weten dat de kanonnen van de Pruisen vrij wat verder reiken, en dat dus de Pruisen bij het bombardeeren liefst de vestingwerken sparen (die later den Pruisen moeten dienen) en daarentegen de kerk en de huizen der inwoners in brand schieten. Doch behalve dit is alles hetzelfde, en de brief van 25 Augustus 1792 van den ouden Merlin is slechts iets sterker dan het antwoord op de sommatie van den veldheer van 1870 en 71: Nous avons pris noire parti; nous ne nous rendrons pas, et nous ferons sauter la ville. Zonderling, juist bij al die grens-plaatsen van Frankrijk - het is Jean Reynaud die het opmerkt - is de liefde voor Frankrijk nog ééns zoo sterk. Zij kennen den weg naar Duitschland. Zij, kennen ook Duitschland-zelf. En hun keus is niet twijfelachtig.
En omdat die Fransche frase de oorzaak is van zulke daden; omdat de Franschen ja dikwijls het woord ‘eer’ in den mond hebben, maar altijd bereid zijn met hun bloed dit woord te bezegelen, daarom kunnen wij niet zoo schouder-ophalend van die ‘frase’ spreken.
Waarlijk wij ontveinzen ons niet alle gebreken, die den
Franschen geest, deze zoo beminnelijke uiting der menschheid, aankleven, en wij zijn een der eersten geweest, die in dezen oorlog de straf hebben gezien voor wat Frankrijk had misdreven. Doch in elke straf, in elke pijn hier op aarde ligt tevens het geneesmiddel. En met volle overtuiging gelooven wij, dat de tegenwoordige krijg een regeneratie voor het Fransche volk kan zijn. Een wedergeboorte tot ernst en tot eenvoud. De Godheid snijdt hard in hen. Maar het is goed hout, dat iets kan verdragen.
En weet Frankrijk in dezen kamp het idee der Fransche revolutie van 1789 te redden, het idee der vrijheid, dan heeft het gevochten niet voor zichzelf alleen, maar voor alle vrije staten van Europa, niet het minst ook voor ons land.
Wij allen zullen dan nog wel eens dankbaar gedenken de ‘frase’ waarvoor Parijs thans het leven laat.
Dat er thans in Duitschland met ongewonen eerbied over Gambetta gesproken wordt, geheel in tegenoverstelling van wat een Treitschke in de dagen van den oorlog declameerde, bewijst de rede van den rijkskanselier von Bülow in de zitting van den Duitschen rijksdag van 14 November 1906.1)
Het tweede artikel uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat ik overneem, had betrekking tot de stelling: dat, na den oorlog, Duitschland den Elzas en Lotharingen tot zich trok, zonder het volk in die landstreken op eenigerlei wijze te raadplegen. Ik meende, dat het gebeurde in Sleeswijk-Holstein, na den Deenschen oorlog, ten minste de bewoners der kleinere staten moest nopen, hier een welsprekend zwijgen toe te passen. Doch ik bedroog mij: enkele der groote bladen in ons land gaven den toon aan, om die annexatie
zonder voorbehoud goed te keuren. Toen schreef ik in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 26 Februari 1871 het volgende opstel:
Wij zouden wenschen te protesteeren tegen sommige laagheden in enkele onzer Nederlandsche dagbladen - maar wij bedwingen ons. De publieke opinie van ons land zal van-zelf wel uitspraak doen. Het zal blijken dat in Holland het hart nog op de goede plaats klopt. Indien zelfs een stem in Holland durft beweren, hoe men het niet te nauw moet nemen met het beginsel, dat men bewoners eener landstreek niet als een kudde vee tegen en zonder hun wil aan anderen mag overdoen, - dan zal men begrijpen tot waartoe zulk een miskenning van het recht kan voeren. Toch heeft die stem ons verbaasd. Wij dachten niet, dat men in ons land tot zulk een diepte van politieke demoralisatie gezonken was. Als onwillekeurig verrees voor ons het beeld van Busken Huet, dien wij zoo liefhebben hebben gehad. Wij begrepen - al deelden wij ze niet - de bittere troosteloosheid die hem bevangen heeft, en die zeker mede een der oorzaken was van zijn afscheid aan Nederland. Als hij ons wees op de onmacht van onze Nederlandsche politici, als hij sprak van het gebrek aan karakter, als hij vorderde dat men zijn illusiën voor Hollands toekomst vaarwel moest zeggen, dan heeft altijd ons hoofd ‘neen’ geschud. Doch een oogenblik hebben wij hem begrepen, toen wij die stem in een onzer bladen vernamen, waarin zóó meedoogenloos met het beste gespot wordt waarop onze natie zich beroemt. Wij kregen een gevoel van hetgeen in Hogendorps ziel moet omgegaan zijn, toen hij de droevige woorden sprak: ‘van dit geslacht is niets te wachten.’ Want hier waren het geen Duitschers, wien men zooveel ten goede moet houden na de waarlijk schitterende overwinningen, die zij hebben behaald, neen, hier was het een Hollander - een Hollander buiten den strijd, een telg van het land dat alléén dat wat het is geworden is door de leuze van niet als vee behandeld te worden, toegedeeld aan dezen of genen vorst - die doodbedaard den bewoners van den Elzas en Lotharingen het recht betwistte Fransch te willen blijven, die doodkalm het veroveringsrecht als zoodanig erkende. Het is een schoone troost voor ons allen, die het recht heeten te onderwijzen. Leer slechts voort, ontwikkel de beginselen, wijs op den vooruitgang dier beginselen - er komt een staatsman van bloed en staal, een von Bismarck, en gewillig krommen reeds sommige publicisten voor hem hun rug, buigen zich voor het succes, en noemen uw beroep op beginselen een nabauwen van frases zonder slot of zin. Droog-weg, soms met een beroep op von Treitschke. Alsof bij het behandelen van dergelijke punten niet het eigenlijke goed en bloed van Holland-zelf op het spel stond! Alsof bij het ontleden van die questie het niet gold ons bestaan, onze kracht, onze ziel! Alsof, wanneer het recht werd prijs gegeven voor de macht, Holland-zelf niet zijn schepen verbrandde! Ach, onze stem is niet machtig genoeg om te overtuigen, maar wij zouden zóó
vurig eiken Nederlandschen publicist willen toeroepen, om toch de traditiën van ons helden-tijdvak niet te verlaten. Vondel teekende den Hollandschen staatsman met het ééne woord:
Het kan voor Holland nog een schoone taak zijn, om voor dit beginsel der vrijheid overal en op elk gebied te getuigen. Ons land, het toevluchts-oord weleer van alle vrije mannen, kan tegen de politiek der Roofstaten - hetzij die roofstaten nu een Bonapartisch Frankrijk of een Bismarckiaansch Duitschland heeten - toch nog altijd een plaats in het concert der volken bekleeden. Met onze herinneringen van weleer zijn wij nog altijd krachtig. Het zit in ons bloed. Onze zeelieden prevelen de legende binnen 'smonds. Toen de Spaansche tirannie zóó hoog was geklommen, staken zij uit van honk. Zij voeren uit in een notedop, zij kwamen terug in een linieschip. Zij wisten ons het echt Hollandsch beeld van Janmaat te geven, Janmaat die de Jan Salies in ons midden altijd met den bijtendsten spot heeft vervolgd. Wij roepen hem weder op, want de Jan Salies zijn velen in ons kostelijk Holland: hun lamlendig en onverschillig geslacht wordt zelfs nú niet wakker, hun bloed stroomt even traag. Zij hebben zich in den laatsten tijd door de Duitsche filosofie laten benevelen, en dreunen thans, half sceptisch, half ironisch, den monoloog van Hamlet op: ‘te droomen, te slapen, - en dàn - na den slaap - wat dan?’ En ondertusschen stelt met bliksem-snelheid von Bismarck het kanon-geschut, dat ook hen misschien (zoo zij niet toezien) uit hun droomen knallend zal doen opschrikken.
Wij zien niet neder op het Duitsche éénheidswerk. Integendeel, sinds wij de pen nu tien jaren lang in dagbladen en tijdschriften voeren, hebben wij dien drang van Duitschland naar éénheid geeerbiedigd en bepleit. Wanneer een zedelijk krachtig Duitschland in het midden van Europa zich kan vormen, dan hebben wij dit altijd als een der grootste weldoende gebeurtenissen voor het politiek Europa beschouwd. Wij zijn niet moede geweest dit denkbeeld onder onze landgenooten ingang te doen vinden. Tegenover het woelige Frankrijk en het geheimzinnige Rusland scheen zulk een Duitsche middenstaat ons een bepaalde weldaad. Doch evenzeer als wij altijd geloofden en nog gelooven aan het voor de beschaving vruchtbare idee der Duitsche éénheid - zoozeer hebben wij immer de gevaren der politiek van von Bismarck besproken. Toen deze man optrad, hadden wij er een vóór-gevoel van, dat Duitschland op verkeerde wegen, op wegen van list en bedrog, zou worden gevoerd. Een politiek van geweld en leugen werd gevestigd. In breede vertoogen in de October-en November-nummers van de Gids van 1862 poogden wij een ieders oogen te openen voor dergelijke Machiavellistische staat-kunde. De man, die dadelijk in October 1862 aan de commissie
uit het Pruisisch Huis van Afgevaardigden verklaarde, dat Pruisen zu gebildet was voor het constitutionalisme; die verklaarde, dat Pruisen er een vóórkeur voor had om een te groote wapenrusting op haar wat smal lichaam te dragen; die aantoonde dat deze wapenrusting nú dubbel noodig was, want dat alle groote vraagstukken, die in Duitschland sinds 1848 alles omwoelden, op een beslissing wacht'ten; de man die te kennen gaf dat die beslissing nu weldra zou komen, niet door redevoeringen, maar door staal en bloed, - die man boezemde dadelijk wantrouwen in. En hij heeft dat wantrouwen niet beschaamd. De conventie van Gastein, slechts gevolgd door de overrompeling van Oostenrijk, toonde waartoe die man in staat was. En wij moesten het in de Gids van Augustus 1866 ternederschrijven: ‘Bismarck kende zijn Duitsche volk. Niemand heeft de Duitschers dan ook zóózeer en zóó voortdurend veracht, als juist Bismarck. En tot belooning van dat alles wordt hij nu hun grootste man. De nederlaag van Oostenrijk moge in politieken zin een betrekkelijke vooruitgang wezen, daar de staats-toestand van den Duitschen bond werkelijk onhoudbaar was, - toch is daar in 't algemeen in deze weken een groote slag geslagen tegen al wat tot nu toe de waarde van den mensch uitmaakt. Macht en list hebben overwonnen, en het recht der vrije persoonlijkheid, het eergevoel dat op goede trouw steunde, is op gruwelijke wijze gekastijd. Voor wien het doel nog niet alle middelen heiligt, voor hem zijn er smartelijke uren in deze laatste dagen geweest. Als vanzelf verzet zich ons gevoel tegen het dreigend cesarisme, dat in von Bismarck een tijdelijken aanhanger en voorvechter heeft gekregen.’
En wij zouden thans niet op onze hoede zijn!
Zó ó naief is ons Hollandsch volk nie't, dat het, na al de daden van een von Bismarck gezien te hebben, thans gelooven zou de verzekeringen, die sommige publicisten uit de papieren van een von Treitschke weten op te delven. Zó ó blind is ons Hollandsch volk niet, dat het niet inziet dat thans Duitschland geheel en al door Pruisen overvleugeld wordt. En uit de geschiedenis weet ons volk te goed, dat Pruisen een staat is die door roof van alle kanten is te-zamen gebracht. Een staat, die midden in den schoonsten oorlogs-tijd, dien Duitschland ooit gekend heeft - de oorlogen van 1814 en 1815 - toch zoozeer zijn politiek van uitpersen en knevelen volhield, dat lord Wellington eindelijk zijn wrevel daarover niet kon bedwingen. Het zijn zeer gedenkwaardige woorden die toen door den Engelschen staatsman zijn medegedeeld, woorden die thans veel te denken geven, en die wij vermeld vinden in het vierde deel van het leven van Stein door Pertz, pag. 407. De Pruisische generaals - waardige voorbeelden voor de tegenwoordige krijgsoversten - hadden voor het onderhoud van hunne troepen weder overal (nu in de Belgische Nederlanden) oorlogs-contriburiën willen heffen. Wellington deed zijn best dit tegen te gaan, en eene meer wettige en billijke wijze van oorlogvoeren
te bepleiten. Wellington wist door zijn oorlogen in Spanje welk een kracht zulk een wijze van handelen geeft, wanneer men het volk niet verbittert. Doch de Pruisen bleven volhouden. Toen wees Wellington er op, dat Engeland slechts middellijk in den grooten oorlog tegen Napoleon na zijn terugkomst uit Elba was betrokken, dat Engeland slechts aan nadeel zich blootstelde wegens de schade van anderen, dat echter Engeland met al zijne middelen nú in het strijdperk kwam, alle machten van Europa, grooten en kleinen, met geld thans bijstond, en zich tengevolge van dit alles in een voorbeeldelooze financieele ongelegenheid stortte. ‘Hij, Wellington, zou het betreuren wan-neer de handelingen van Pruisen dit gevolg zouden hebben: dat de Engelsche staatslieden een walging kregen van de aangelegenheden van het Vasteland, wanneer de deelneming der Engelschen in de zaken van het Vasteland daardoor zou ophouden.’ Lord Wellington nu was niet gewoon een enkele zinsnede te gebruiken, die eenigszins naar oogenblikkelijke opwelling van het gevoel zweemde: een nuchter bedaard beleid is de grondtrek van zijn dépèches. Maar juist daarom blijft het zoo opmerkelijk tot welke uiting hem de Pruisische manier van handelen toch drijft!
Tegen die Pruisische politiek, welke thans de Duitschers heeft overvleugeld, hebben wij ieder oogenblik het idee der vrijheid opgeroepen. Men behoeft waarlijk niet in ons vrienden van Frankrijk te zien. Een Napoleontisch Frankrijk zou ons dadelijk op de bres doen staan, om ons land tegen Fransche list en Franschen geest te waarschuwen. Maar de wijze waarop von Bismarck met de vrijheid in Duitschland-zelf heeft rondge-sprongen, de wijze waarop hij Frankrijk als vrije natie heeft pogen te vernederen, heeft, dunkt ons, den onverschilligsten, mits eerlijken toeschouwer moeten doen zien dat de zaak der vrijheid gevaar loopt door den triomf van von Bismarck. Het éénige steunpunt tegen dit drijven van von Bismarck in Duitschland en Europa waren de gevoelens zelven der Duitsche natie. Wij hadden veel vertrouwen in dat fiere mannelijke volk. Doch het wil ons thans voorkomen dat ook dat Duitsche volk, door von Bismarck's overwinningen verblind, geen perk of maat meer kent in zijne bewondering voor von Bismarck. Hij, die de houding der weleer door von Bismarck zóó gruwelijk vernede