terug  begin  verderprepost
[p. 273]

Zesde hoofdstuk.
Arbeid aan de economische productie-factoren in ons land.

Mijn praktisch doen en mededoen aan den arbeid van de economische productie-factoren in ons land bepaalde zich in de dertig jaren, sinds ik Utrecht verlaten had, tot het werk aan de Nederlandsche Bank, aan de Nederlandsche Handelmaatschappij, aan de Staatsspoorwegen en aan de Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij. Achteréénvolgens zal ik mijn positie bij die vier ondernemingen van grootbedrijf even pogen toe te lichten.

I.

Het eerst komt natuurlijk in aanmerking de Nederlandsche Bank, waarvan ik tot Juli 1885 secretaris, later mede-directeur was.

Toen ik in December 1877 aldaar als secretaris optrad, stond in die kantoren der Nederlandsche Bank als oppermachtig leider en strategist de heer mr. W.C. Mees. Van April 1849 tot Februari 1863 was hij secretaris dier instelling, na 1863 werd hij de president. Veilig kan men zeggen dat hij die circulatie-bank, welke tot op zijn optreden eigenlijk slechts een Amsterdamsche inrichting was, levende onder den druk van machtige kassiers, heeft weten op te voeren tot een waarachtig Nederlandsche instelling. Hij was 64 jaren oud, toen ik als secretaris het werk aan de Bank van mijn ouden kennis Gleichman, die minister van financiën in het kabinet-Kappeyne werd, overnam. Ik kende den heer Mees reeds lang, eerst in den tijd toen ik secretaris der Amsterdamsche Kamer van Koophandel was, later als professor te Utrecht, toen hij door de regeering tot presidentcurator was benoemd. Zijn voorkomen, eenvoudig en bijna

[p. 274]

achteloos, zonder scherpe trekken of uitdrukking, maakte geen indruk. Hij leek zoo dood-gewoon, het gelaat was zelfs ontsierd door een eenigszins roodgetinte neus. Doch onder de zware wenkbrauwen stonden oogen, die doordringend konden flikkeren. Dit had slechts een enkele maal plaats, want rustig, kalm en gelijkmatig ging hij doorgaans zijn gewonen weg in het voor hem steeds gelijkvormige leven. Zijn bestaan en loopbaan waren niet verbrokkeld. Hij had te Utrecht gestudeerd, eerst in de natuurkunde of medicijnen, later onder zijn oom professor Ackersdijk in de wetenschap der maatschappij. Toen was hij weder naar zijn geboorteplaats Rotterdam gekeerd, als onder de vleugelen van het groote kassiers-kantoor R. Mees & Zoonen, aan welk kantoor hij zich altijd als vastgehecht gevoelde. In Rotterdam was hij secretaris der Kamer van Koophandel geworden: hij werkte daar met liefde, toen in Amsterdam de betrekking van secretaris der Nederlandsche Bank open kwam. In 1849 werd hij naar Amsterdam als zoodanig verplaatst. De economische leer van professor Ackersdijk, de verworven handels- en financieele kennis uit het kantoor van zijn vader, zou hij nú gaan toepassen. En hij bleek weldra te zijn de rechte man op de rechte plaats. Hij ging als van-zelf zijn vasten gang. In de bureaux der Bank werd hij volkomen de meester en leider. De directie zelve volgde altijd zijn adviezen. Trouwens hij was de man die het wist. Ik geloof niet, dat hij zich ooit in Amsterdam inheemsch gevoelde hij leefde trouwens dáár uiterst zuinig en zag bijna geen vrienden of gasten bij zich aan huis, maar in zijn ambtswoning en in den grooten tuin achter die ambts-woning (toen hij president was geworden) voelde hij zich volkomen thuis. Gelijk zijn redeneertrant geheel en al den trant der natuurmethode volgde - hij was zelden boos en wist niet wat het was opvliegend te zijn of aan een buitengewone opwelling te gehoorzamen: hij beschouwde de handelingen der menschen als natuur-evenementen - zóó kwam hij op later leven mij het meest aantrekkelijk en eigenaardig voor, wanneer hij vroeg in de morgen-uren door zijn tuin wandelde. Het zwart zijden petje op 't hoofd, kon men hem dáár eiken boom, eiken struik, elk plant zien bespieden. Met zijn trouwen tuinman - vader van een later op de beurs welbekend financier - redeneerde hij over den groei der natuur. Stak hij dan over naar het gebouw van de Bank, dàn zette hij die methode van opmerken en redeneeren voort, slechts op andere onderwerpen toegepast. Dan gold het de maatschappelijke, of eigenlijk de financieele ont

[p. 275]

wikkelingen en verwikkelingen. Doch let wel, hij liet geen enkele speelruimte toe aan wat men divinatie of fantasie kon noemen. Zelden heb ik hem zóó verbaasd gezien, als toen de jonge geniale geleerde Van 't Hoff, professor in de chemie te Amsterdam, zijn inaugureele rede hield over de rol der verbeelding in de natuur-ontdekkingen. Wat de maatschappelijke vraagstukken betreft, zoo hield hij streng vast aan de zoogenaamde ‘onveranderlijke’ economische wetten. Hij was van de oude school, wier beginselen hij slechts wilde verdiepen en uitbreiden. Ik had dit ééns scherp moeten voelen bij gelegenheid van een feest te Amsterdam, toen ik nog professor te Utrecht was. Men vierde den eersten November 1876 in de hoofdstad de opening van het Kanaal door Holland op zijn smalst. De koning had des ochtends den zeeweg geopend en den tocht medegemaakt. Des middags was een groote feest-maaltijd aangericht in het Paleis van Volksvlijt. Daar ik, oud-secre- taris der Amsterdamsche Kamer van Koophandel, wakker voor den zeeweg had gestreden en geschreven, deed men mij de eer aan mij een plaats aan dien maaltijd te geven. Ik zat naast den heer Mees. Juist had ik de eerste aflevering van mijn boek over de socialisten uitgegeven. In de inleiding van dat werk had ik de leer bestreden, dat de arbeid een koopwaar was en als zoodanig uitsluitend zou staan onder de wet van vraag en aanbod. De heer Mees - mijn president-curator dier dagen - riep mij onder 't diner daarover ter verantwoording. Hij bestreed mijn voorstelling uit 't oogpunt der ‘vrijheid’. Ik deed mijn best hem te betoogen, dat die vrijheid een schijnbeeld was. Waar was het onderscheid, of men iemand als slaaf tot werken dwong, dan wel hem vrij heette doch zijn werkkracht onderwierp aan een economische wet die deze kracht tot verlamming kon slaan? In beide gevallen was ‘de mensch’, de persoon, uit het gezicht verloren. De slavernij deed het rechtstreeks, de oude economie zijdelings. Men mocht, naar mijn inzien, de econornie niet opvatten louter als een leer der materieele rijkdommen. De heer Mees bleef ontstemd: hij liet de bedenkingen tegen de absolute, gesloten, regelen der doctrinaire wetenschap niet gemakkelijk toe. Ik had den indruk, dat hij mij als beoefenaar der staathuishoudkunde niet hoog stelde. Of liever, dat hij mij te verstaan wilde geven, dat een economist, als ontleder en blootlegger der maatschappelijke feiten en verhoudingen, niet te maken had met de zedelijke waardeering dier verhoudingen. Tot mijn opvolger als professor der economie te Utrecht deed hij dan ook later benoemen

[p. 276]

prof. d'Aulnis, die zijn intree-rede hield meteen bestrijding van het katheder-socialisme. Ik begreep den wenk, ook voor de toekomst. Toch werd onze betrekking in de Nederlandsche Bank vriendelijk. Zij naderde soms bijna de grens van het vertrouwelijke, die hij echter bij mij niet overschreed, toen ik als secretaris dier Nederlandsche Bank werkzaam was. Hij was over mij tevreden, mits ik maar niet aan de stellingen der economie raakte.

Ik had het ambt van secretaris verkregen wel niet tegen den zin van den heer Mees, maar ook niet volgens zijn bepaald verlangen. Hij had, toen Gleichman hem verliet, geen candidaat. Of liever hij had één candidaat, die het ambt niet begeerde. Het was de agent der Nederlandsche Bank te Utrecht, mr. Baert, die geruimen tijd chef der secretarie aan de Bank was geweest. In mijn levens-bericht over mr. J.F.B. Baert, opgenomen in de werken der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, heb ik de motieven verhaald, waarom mr. Baert niet uit Utrecht wilde verhuizen. Toen Baert dus voor de eer bedankte, dong ik zelf naar die betrekking, zegde mijn hoogleeraarschap te Utrecht vaarwel, en werd een tijd-lang de uitvoerende macht der directie van de Nederlandsche Bank.

Uitvoerend in beperkten zin. Want de gedachte, de bezieling tot in bijzonderheden, ging uit van den heer Mees. Slechts met dit correctief, dat hij in alles te rade ging met zijn veeljarigen vriend, den heer mr. J.H. Molkenboer, toen mede-directeur der Nederlandsche Bank. De heer Mees had dien vriend van zijn Utrechtschen studenten-tijd tot zich geroepen als kassier-generaal, toen in 1862 Hinsbeeck's financieel wanbeheer uitkwam. Den lsten Maart 1863 wist hij hem het secretariaat der Bank, en in April 1871 het directeurschap der Bank op te dragen. Het was en werd een bepaald tweemanschap, altijd ééndrachtig handelend. Te zamen vormden zij het ‘denkend hoofd’ der Bank. Er was bij hen beiden volmaakte éénheid van leiding en voorschrift. Sinds het jaar 1863 werd alles in die Bank door hen hervormd. Twee uitgangs-punten stonden op den vóórgrond: ten eerste de omwerking van de Bank van een Amsterdamsch kantoor tot een volkomen Nederlandsche instelling, toen het octrooi in 1863 moest worden herzien; en ten tweede de practische organisatie van het samenstel der agentschappen en kantoren, toen het pleit der hernieuwing van het octrooi was beslist. Wat die hernieuwing betreft had Mees geen oogenblik stil gezeten. Hij had niets aan toeval, aan de quasi-ontwikkeling der tijden, aan de

[p. 277]

uitspraken eener zoogenaamde geleerde of niet-geleerde publieke opinie, of aan politieke inzichten der regeering van den dag overgelaten. Neen, hij-zelf gaf den stoot, organiseerde nu verder het gansche eenvoudige plan der geheele nieuwe emissie van bankpapier, en gebruikte voorts anoniem de pers als het aangewezen middel om een ieder te overtuigen en zedelijk te dwingen. Hij was trouwens ‘de meester’ in deze zaken. En zijn intellectueele kracht was geëvenredigd aan zijn zelf bewustzijn. In mijn levens-bericht over Baert heb ik uitvoerig de wijze toegelicht, hoe hij bij het ontwerpen van het nieuwe octrooi der Bank werkte. Dit was de eerste helft van den arbeid. De tweede bestond daarin, om, overeenkomstig de bepalingen der nieuwe wet, het bankwezen in alle gewesten van ons land voor goed te vestigen. Hier werkte hij vooral en bijna uitsluitend met den heer Molkenboer. Binnen weinige maanden verschenen in alle deelen van het land agentschappen en correspondentschappen, en aan de bestuurders van die kantoren werden voorschriften gegeven, die hun den plicht oplegden op onbekrompen wijze handel en nijverheid ten dienste te staan. Het werd een goed omschreven, vast omlijnde centralisatie der uitgifte van waarde-papier uit één middenpunt. Kleine plaatsen werden in onmiddellijk verband gebracht met het centrum, dat over groote krachten kon beschikken. Alle reglementen en maatregelen van bestuur werden met wijs beleid vastgesteld, zóó precies en zóó juist, dat er, behoudens enkele verruimingen, geen artikel nu nog na bijna 50 jaren te veranderen valt. De voorschriften, die aan de nieuwe agenten werden gegeven, de regels die gesteld werden voor hun werkkring, alles werd voor langen tijd vastgesteld. De uitvoerige bewerking der onderdeelen werd wel door den heer Molkenboer hier verricht. Het was waarlijk geen lichte taak een regeling in dit opzicht te doordenken, welke voor alle bijkantoren een groote mate van zelfstandigheid en vrijheid van beweging met de eischen eener stipte comptabiliteit en strenge contrôle moest vereenigen. Doch Molkenboer toonde zich hier even scherpzinnig als kundig administrateur. Toen hij in April 1871 als secretaris aftrad, waren door hem in overleg met den heer Mees de grondslagen gelegd, waarop de Nederlandsche Bank zich tot kracht en aanzien heeft ontwikkeld. Nu niet enkel in Amsterdam, maar door het geheele land. Die grondslagen bleken deugdelijk. Wat ook later werd uitgebreid en toegevoegd principieele herziening behoefde het eenmaal vastgestelde niet. Er was ruimte genoeg voor hetgeen gewijzigde omstandigheden eischten.

[p. 278]

Noch mr. Gleichman, die den heer Molkenboer in 1871 opvolgde, noch ik, die in 1877 de taak van Gleichman overnam, hadden, wat de algemeene regeling betreft, als secretaris iets anders te doen dan in het goede en strenge gareel ons te blijven bewegen. Voorts werkte ieder van ons naar eigen aanleg. De gang der zaken, met al de verschillende ambtenaren op het hoofd-bureau, de besprekingen met de tallooze personen die crediet komen vragen, de correspondentie met de Bijbank en de vele agentschappen, de aanraking met de wisselmakelaars, enz. enz. vorderden eiken dag van den secretaris groote stiptheid en voortvarendheid. Des middags is hij de pen-voerder en dienaar der directie, behartigt hij met den directeur van de week het kelderwerk. Ik leefde mij in dit alles in, al leek het mij eerst haast een sprong in het duister, toen ik mij Woensdag herinnerde, dat ik Maandag nog met een plechtige rede mijn afscheid als professor te Utrecht, met al de daarbij behoorende vormelijke en deftige ceremoniën, had genomen. Doch ik was nog jong en opgewekt, en amuseerde mij met het gewoel en gekrioel van het leven weder te zien. De heer Mees, die mij eerst eenigszins links had aangekeken, knikte van tijd tot tijd, niet al te dikwijls, mij trouwhartig toe. Ik begon schik in mijn betrekking te krijgen.

Zelfs dacht ik, dat er, te midden der vele operatiën en financieele verkeers-vormen, die door den heer Mees met speurenden blik werden gevolgd en behartigd, nog wel iets voor ons land door de Nederlandsche Bank was te doen. Ik had dit bij de aanvaarding van het secretariaat dadelijk, in het bijzijn van den heer mr. C. van Heukelom die ook een vriend was van den heer Gleichman, aan mijn voorganger (toen minister) gezegd. Het betrof twee punten, die uit de wet op de Bank voortvloeiden, doch niet naar mijn inzien tot hun recht waren gekomen. Zij betroffen de bewaargeving en het rekening-courantschap.

Wat de bewaargeving aangaat, waartoe artikel 7 der wet van 22 December 1863 (de eerste wet die de voorwaarden regelde van het octrooi der Nederlandsche Bank) de bevoegdheid gaf, zoo waren in den vóórzomer van het jaar 1869, toen het nieuwe bankgebouw te Amsterdam gereed was gekomen, de bepalingen door de directie openbaar gemaakt, volgens welke zij zou geschieden. Maar die bepalingen betroffen enkel de gesloten bewaargevingen. Slechts trommels, kisten of koffers met waarden (effecten, goud, zilver en edelgesteenten) konden aan de Bank ter bewaring in haar brandvrije kluizen worden toevertrouwd. De bewaargever

[p. 279]

moest daartoe persoonlijk in Amsterdam komen, evenals hij persoonlijk ook weder daarheên moest reizen, indien hij zijn pakket wilde terugnemen; terwijl die overkomst natuurlijk ook noodig was, wanneer aan het pakket iets werd toegevoegd of iets daarvan werd uitgenomen, en de coupons moesten worden geknipt. Dit alles moest door den bewaargever zelf of door zijn lasthebber worden verricht. De Bank deed niet anders dan bewaren. Mijn ondervinding, vooral te Utrecht onder de professoren, onder bezitters van kleine fortuinen, die hun gelden toevertrouwden aan niet altijd nauwgezette commissionnairs in effecten, had mij geleerd, dat de Bank op het voetspoor der Fransche Bank veel meer zou kunnen doen ten gerieve van het publiek. Ik meende, dat, naast de instelling der gesloten bewaargevingen, een dienst van open bewaargevingen bij de Bank in het leven moest worden geroepen, welke dienst dan echter slechts effecten, acten en bescheiden, maar geen andere voorwerpen van waarde, zou omvatten. De Bank zou dan zelve, op aanvraag van den bewaargever, de coupons voor den bewaargever knippen en voorts bijvoegingen of afnemingen van stukken - volgens order van den deposant - bewerkstelligen. De heeren Mees en Molkenboer ondersteunden het denkbeeld, dat nú 1 December 1880 werd ingevoerd. Het kostte een harden strijd in de directie en onder de commissarissen om die eenvoudige gedachte te verwerkelijken. Doch de heer Mees zette, niettegenstaande allerlei ook door den heer Gleichman geopperde bezwaren, zijn schouders onder den maatregel. En toen eens de steen aan het rollen was gebracht, ging de loop der beweging de verwachte en gehoopte vaart. Ik mocht als secretaris nog medewerken, om in het boekjaar 1881/1882 bij de Bijbank te Rotterdam effecten in open bewaring te doen geven, en voorts door alle agentschappen de bij hen in bewaring te geven effecten enz. naar de Hoofdbank te laten opzenden. Ten gevolge van deze maatregelen behoefde men nu niet meer de reis naar Amsterdam te maken, om stukken in de bewaringen te brengen of daaruit te lichten en coupons in ontvangst te nemen. Alle verzendingen van en naar de Hootdbank gebeurden voortaan voor rekening en risico der Bank door tusschenkomst van haar dienaren. De stoot was gegeven, om de bewaargeving bij de Nederlandsche Bank van een plaatselijke tot een Nederlandsche inrichting te vervormen. Sinds dien tijd zijn nog allerlei bijzonderheden bij dezen dienst ingevoerd - ik noem alleen de verzilvering der coupons en de in verband brenging van het stelsel met het rekening-courant-systeem - door welke faciliteiten de

[p. 280]

Nederlandsche Bank een goed deel der bevolking van ons land geriefde.

Mijn tweede voorstel: uitbreiding van het rekening-courant- stelsel, vond daarentegen bij den heer Mees geen warm onthaal. Ik bedoel de ons bij de wet ook toegekende bevoegdheid van het rekening-courantschap. Ik wenschte vurig dat element bij de Nederlandsche Bank wat flinker in praktijk te doen brengen. In mijn voorstelling zou de Bank dan in het boek-crediet, nevens de bankbilletten, als het ware een tweede anker van bevestiging in het volk vinden. Een gezonde toepassing van het stelsel zou dàn kunnen leiden tot een inheemsch giro-wezen, in den trant als de Duitsche Rijksbank dit had ingevoerd. De heer Mees, steunende op zijn mede-directeuren, wilde zoovèr niet gaan. Hij meende dat zeer goedkoope kas-kwitanties - die later door bank-assignaties werden vervangen - voor 't oogenblik voldoende waren. Het publiek was daarmede, naar zijn inzien, volkomen gebaat. De Nederlandsche Bank was eigenlijk allereerst circulatie-bank, had daarvoor haar groot monopolie ten bate van het land, maar moest zich nu ook daarin concentreeren. De rekening-courant-transactiën waren in Amsterdam en Rotterdam de eigenaardige werkkring der groote, zeer solide werkende kassierderijen. Nam de Bank een deel van het werk dier kassierderij in zich op, dan maakte zij misbruik van haar positie, en ging zij een taak volvoeren, die zij misschien (of bijna zeker) niet zoo goed kon vervullen. De Duitsche Rijksbank, die franco-rekening-courant aanbood, had dat voordeel met allerlei bezwarende condities omringd, die voor ons land niet zouden kunnen worden toegelaten. De omstandigheden van ons land, waar het zelf-kashouden nog steeds regel was, en men in 't algemeen met kleine kassen werkte, moesten eerst zich wijzigen. Daarna kon men later zien, wat men voor verruiming van het rekening-courant-verkeer bij de Nederlandsche Bank zou kunnen doen. Hij verwees dus mijn voorstellen naar de toekomst.

Overigens was het steeds mijn lust hem in den werkkring, der Bank te volgen. En volgen werd van-zelf waardeeren en bewonderen. Naast de circulatie der bankbilletten beheerschte hij de eigenlijke munt-politiek van ons land. Toen door het verkeerd beleid der Staten-Generaal verzuimd was, de gouden munt als éénigen standaard bij de wet vast te stellen, en eerst de ontwerp-wet van 1874 was verworpen, daarna de wet van 6 Juni 1875 wèl de vrije aanmunting van goud beoogde, met behoud evenwel van de beperkte zilveren

[p. 281]

standaard-munt, waarvan de aanmunting door particulieren echter verder verboden werd, begreep de heer Mees door de Ned. Bank te moeten laten doen wat eigenlijk het werk van den staat was. Hij zorgde dus, dat de Bank in het belang van onzen buitenlandschen handel onze zilveren munt op de goudwaarde hield. Hij concentreerde dus onzen voorraad gouden munt in de kelders der Bank, gaf geen gouden munt aan het publiek, wanneer het bankbilletten inwisselde, doch stelde die gouden munt, wanneer de wisselkoersen stegen, zoo volledig mogelijk voor uitvoer naar het buitenland beschikbaar. Met forschen greep handhaafde hij dit stelsel, dat in 't begin waarlijk niet algemeen gewaardeerd werd, maar waardoor hij de depreciatie van ons ruilmiddel verhoedde en het crediet van ons land in het buitenland hoog hield. Hij was bereid in dit opzicht al de consequentie van deze gedachte te volvoeren, en liet de wetgevende macht - die zich toen haastte, om bij de wet van 27 April 1874 een bevoegdheid tot ontmunting van het zilver vast te stellen - ééns met een sterk sprekend cijfer zien, hoe vèr de uitvoer van het goud naar het buitenland kon reiken. Hij zelf was altijd tamelijk gerust, zoolang hij de schroef van de disconto-politiek stevig in zijn hand kon houden, al steunde hij - waar het voorkwam - de pogingen der bimetallisten, die een vaste verhouding tusschen goud en zilver op een zeer groot terrein door staats-overeenkomsten zochten te vestigen.

Zij, die den heer Mees, als leider der Nederlandsche Bank en der goud-politiek van deze Bank, goed willen begrijpen, moeten zich de kleine moeite geven de verslagen van zijn hand over de werkzaamheid der Bank, die jaarlijks aan de aandeelhouders door den president der Nederlandsche Bank werden uitgebracht, te doorbladeren. Zij vinden daarin telkens van die superieure opmerkingen, puntige samenvatting van veel omvattend weten, die in ééns licht over dorre materie van crediet en geld doen uitstralen. Dit betreft de theorie. In de praktijk was de heer Mees voorzichtig en kloek. Met critischen blik volgde hij alle crediet-operatiën, vooral onzer agenten. Hij rekende zelf hier alles na. In tegenoverstelling der groote buitenlandsche circulatie-banken gaf hij ook aan den kleinen man crediet. Hij was altijd voor een ieder te spreken. Alle groote handels-huizen kwamen hem steeds raadplegen. Hij was dus meestal in stad, ging slechts weg, wanneer hij meende elders persoonlijk te moeten optreden. Dàn deed hij meesterlijk zijn taak. Een enkele maal zag ik dat persoonlijk. Altijd zal in mijn geheugen blijven de reis,

[p. 282]

die ik den 13en Mei van het jaar 1879 met hem naar Rotterdam deed, toen de inéénstorting der zaken van Pincoffs aan de Nederlandsche Bank bekend was geworden. De heer Mees zou in Rotterdam alles in orde pogen te brengen, en wèl zóó, dat de groote handels-huizen aldaar met geen gevaarvolle crisis zouden te worstelen hebben. Ik zat met hem op het kantoor der heeren R. Mees & Zoonen, hielp voor mijn bescheiden deel aan de ontwarring van het kluwen van den vèr vooruitzienden Israëliet, en was getuige van het weêrgaloos beleid en tevens van de stoute grepen op financieel terrein van mijn president, waardoor allerlei jammer gekeerd werd.

Toen de heer Mees in December 1884 stierf, droeg ik in mijn hart - al behoorde ik niet tot zijn vertrouwdste jongere vrienden - diepen rouw over dien man, een der meest beteekenende figuren die ik in mijn leven heb ontmoet. In mijn rede over ‘sociale politiek’ van het jaar 1885 poogde ik hem te teekenen, vooral als man der praktijk. Bij hem -aldus sprak ik - een afschrik van al wat vaag of onbestemd was, en een afkeer tegen allés wat zekere maat overschreed. Bij hem was alles goed belijnd en vast. Hij wist op zijn terrein het kleine klein, het groote groot te achten. Echt mathematisch hoofd, paste hij op al wat hij waarnam de methode der natuurwetenschappen toe. In de vormen, waarin hij zich uitdrukte, was hij eenvoudig en sober, bovenal vreemd aan alles wat naar drukte en omhaal zweemde. Geen meester van het woord, en toch is hetgeen hij sprak zoo duidelijk en doorzichtig als glas. Zuinig in zijn lofspraak. Wars en onhandelbaar tegen oppervlakkigheid. Onbevangen in zijn oordeel zooals geen ander. Voor allen dezelfde. Toegerust met een ijzeren wil wist hij altijd scherp en juist wat hij bedoelde, en bracht hij (soms op een schijnbaar achtelooze wijze) de menschen tot de eenvoudige conclusie, de gezonde oplossing, die voor allen dan het ei van Columbus geleek. Deze man zweeg, waar hij meende nog niet alles te weten. Dacht hij dat het oogenblik van spreken voor hem gekomen was, omdat alle gezichts-punten van een vraagstuk door hem waren onderzocht, dàn kwam er een kleine flikkering in de oogen door donkere wenkbrauwen overhuifd, dàn speelde er een zekere luim over zijn lippen, en deed hij op enkele fragmenten van economisch terrein zijn licht schijnen. Wat hij sprak of deed kwam altijd op tijd. Hij wachtte, en sloeg zijn slag.

Na zijn sterven heb ik als mede-directeur der Nederlandsche Bank onder twee presidenten gewerkt, die elk op eigen wijze voortreffelijk de taak en koers van den heer Mees hebben

[p. 283]

voortgezet. Eerst de heer mr. N.G. Pierson. Zijn talent en karakter waren anders gevormd dan dat van zijn voorganger, maar zijn behartiging der zaken, behoorende tot den kring der circulatie-bank, was even groot. Zijn kennis van het vak was de vrucht van groote belezenheid der auteurs op dat gebied, en van wetenschap die voortdurend uit allerlei bronnen werd bijgehouden en vermeerderd. Bij Mees was dit het eigenaardige, dat hij over zijn vak en trouwens over geheel de leer der economie bijna niet las. Ik zag hem zelden met lectuur over staathuishoutkunde bezig. Al zijn gedachten en maatregelen vloeiden bijna natuurlijk uit zijn goed geschoold brein. Zonder aarzelen of zonder iets na te slaan raakte en trof hij altijd het middenpunt der questie. Alles kwam bij hem als van-zelf. De heer Pierson, door de praktijk opgevoed, achtte wetenschap zeer hoog, en ontging soms wel niet het gevaar aan meeningen van een nieuwen auteur toe te geven, gelijk hij in't algemeen toegankelijk was voor nieuwe kennismakingen van personen, die soms misbruik van deze voorkomendheid maakten. Maar zijn voortdurende dagelijksche zorg voor het credietwezen van ons land was boven mijn lof. Op enkele punten week hij van zijn voorganger af, onder anderen in zijn voorkeur van een portefeuille met buitenlandsche wissels, als voorpost, bolwerk, borstwering en beschutting van den goudvoorraad der Bank, waartoe een vernieuwd octrooi der Bank in 1888 hem de bevoegdheid gaf. Die zoogenaamde buitenlandsche portefeuille had nooit het verlangen van den heer Mees uitgemaakt. Wèl wenschte de heer Mees met zekeren aandrang, dat de staat zou ophouden met munt-billetten uit te geven. Hij wilde dat de Bank volledig alle circulatie-middelen van het land in handen zou houden. De heer Pierson drong hiertoe niet zóó sterk aan. De opvolger van den heer Pierson, mr. N.P. van den Berg, die in 1891 optrad nam - bij de onderhandeling over het octrooi van 1904 - dit punt weder op, en wist door enkele concessies den staat te bewegen, de meening van den heer Mees tot werkelijkheid te maken. Het voegt mij niet de door alle mannen van het vak erkende bekwaamheid van de bank-specialiteit - die de heer van den Berg was en is - te prijzen. Daar hij langen tijd president van de Javasche Bank was geweest, werd door hem telkens een aanknoopingspunt aan den arbeid van die Oost-Indische circulatie-bank gezocht, gelijk hij het levendigste belang bleef stellen in de munt-politiek van dat Indië, en daaraan van tijd tot tijd de hulpbronnen van de Nedérlandsche Bank wist te ver-

[p. 284]

binden. Dit alles verwijdde soms den horizont der Nederlandsche instelling.

Mijn leven gleed onder het behandelen der tallooze zaken van de Bank haast ongemerkt daarheên. Alle directeuren hebben steeds met groote liefde hun taak vervuld. Zij kwamen van verschillende hoeken en kanten uit de bedrijfswereld van Amsterdam. Maar juist door die verscheidenheid van oorsprong en optreden waren zij een waarborg tegen éénzijdigheid van routine, of sleur van behandeling. Aardig was het, hoezeer het doopsgezinde element - waarover ik in mijn ‘Herinneringen’ bladz. 76 sprak - altijd eenigszins bleef domineeren bij de keuze van leden der directie. Er bleef zich hier een zekere stroom van traditie doen gelden. Namen als: van Eeghen, van Heukelom, Fock, Rahusen kwamen als van-zelf vóór onder de namen der directeuren. Onder de persoonlijkheden, die in den kring der directie tijdens mijn leven werkzaam waren, toonden zich enkele bepaalde typen. Ik noem als voorbeelden de heeren Jacob Fock en Zeverijn.

De eerste was in alle opzichten een scherp geteekende individualiteit. Een koopman, zooals onze republiek ze moet hebben opgeleverd. Zonder eenige weekheid van aandoening bij het behandelen van zaken. Bijna zonder scrupules in dat opzicht. Teêrhartigheid voor noodlijdenden stond, wanneer hij ‘zaken’ behandelde, niet in zijn woordenboek geschreven. Eer weigerde hij hulp, dan enkel in zaken hulp te bieden. Nooit ging hij over één nacht ijs. Zonder verschooning was hij voor feilen en te-kort-komingen van ambtenaren. Hij was de man der meest stipte contrôle. Als zoodanig was hij een aanwinst en een veiligheids-klep voor iedere zaak die hem als commissaris koos. Hij was de tegenvoeter, en, binnen zekere grenzen, de antagonist - zij 't meestal in welwillenden zin - van den heer Mees, voor wien hij respect had. Ook hij was bij uitstek knap, goed rekenaar, en wist altijd wat hij wilde. Een man van de daad, die alles van het bankwezen, voor zoover het de Beurs raakte, afwist. Trouwens zijn grootvader en zijn vader waren beiden president der Nederlandsche Bank geweest, toen deze instelling nog het meer Amsterdamsch karakter droeg. Die Amsterdamsche plooi behield hij. Hij-zelf was chef van het bankiershuis Determeijer Weslingh en Zoon, en tevens assuradeur zooals zijn vader en grootvader. Zijn grootvader Jacob Fock, de vroegere president der Nederlandsche Bank, was gehuwd geweest met juffrouw Bondt, door wie het bankiers-huis. Determeijer Weslingh en Zoon tot den kleinzoon gekomen

[p. 285]

was. Die kleinzoon zou door Karl Marlo misschien tot de plutocraten gerekend zijn. Want Co Fock gaf in zijn bedrijf ‘weinig om de vormen, maar des te meer om de zaak; verlangde noch liefde, noch achting, maar in de eerste plaats stipte betaling, en beschouwde het betalings-vermogen, de solvabiliteit, als den grondslag van alle vriendschap’. Daar zijn bankiers-zaak de agentuur van de Belgische Nationale Bank waarnam, was hij eigenlijk steeds eenigszins, voor het disconteeren, een concurrent der Nederlandsche Bank, en schijnbaar een zelfs gevaarlijk concurrent, in de oogen van hen die niet in het ware wezen van een circulatiebank waren ingedrongen. Bij alle discussiën was hij in het debat de evenknie van den heer Mees, tegen wiens hooger en dieper inzicht hij echter steeds de vlag moest strijken. Hij was een man van de 18de eeuw, in zooverre hij boeken beminde en zelfs allerlei literatuur bijhield. Ook voor gemoed had hij een soort van uitweg, de muziek: tot op hoogen ouderdom bespeelde hij zijn klavier. Maar overigens was hij in zijn oordeel over anderen tamelijk hard, hield hij zich tegenover de wereld gereserveerd, en zag hij meestal uit naar den kant van waar winst hem of aan de Ned. Bank kon toewenken. Men was in den kring der ambtenaren in de Ned. Bank steeds bang voor zijn uiterst gestreng toezicht.

Anders deed zich Zeverijn voor. Hij was ook een zakenman, doch in tegenstelling van den heer Fock, die zijn positie aan zijn afkomst verschuldigd was, kwam hij van onderen op, en had hij door ongewone energie zich naar boven geworsteld. Nù gold het voortaan voor hem: leven en leven laten. ‘Self-made’-man reikte hij de hand aan ieder die in den kamp van het leven moest strijden. Wij hebben hem niet lang in den kring der Nederlandsche Bank gezien, want in 1885 tot directeur der Bank verkozen, ging hij reeds in 1889 als president-directeur der Javasche Bank naar Batavia, vervangend aldaar den heer mr. N.P. van den Berg, die onze president werd. Vier jaren later stierf hij - 60 jaar oud - nadat hij door zijn werkkracht de Javasche Bank tot bloei en ontwikkeling had gebracht. Een langdurig en geduldig lijden was zijn sterven voorafgegaan. Bij zeer velen klopte van aandoening het hart, toen hij grafwaarts werd gedragen. Want hij was in den vollen zin van het woord een braaf, trouw en edel man. Oorspronkelijk en sympathiek. Hij was begonnen als de bescheiden werkman, als dienaar op groote kantoren, doch werd vanzelf allengs de persoon tot wien men opzag. Opgewekt, vroolijk en vol geest ging hij zijn weg. Hij hielp altijd

[p. 286]

overal en een ieder met raad en daad. Zijn wakkere oogen tintelden u toe. De oprechtheid straalde uit zijn blik. Ziedaar een man - zeide een zijner oude vrienden - van wien verklaard kan worden, dat hij nooit gelogen heeft. Hij was een hart van goud, in wien niets dan eerlijkheid is gevonden. Een man van de daad, tegelijk een man die de economische handels-literatuur wist te verrijken. Zijn brochure van 1881 over ‘Onze Oost-Indië-vaarders’, zijn artikelen in den ‘Economist’ over den termijn-handel in koffie, en over de Londensche suiker-conventie, zijn in hun tijd zeer opgemerkt en overdacht. Altijd rusteloos bezig zette hij zijn schouders onder elk ernstig streven van anderen. In mijn levens-bericht over A.C. Wertheim heb ik verhaald, hoe op zijn kantoor in 1884 de toen bijna vallende NederlandschIndische Handelsbank weder werd opgericht.1) Daarbij had hij de gaaf om met een trek van humor allerlei toestanden te kenschetsen. Toen mijn artikel over Marlo overal aanstoot gaf, en dit mij scheen te grieven, zond hij mij onder couvert een enkelen opwekkenden bijbeltekst. Hoe hartelijk heeft hij den ganschen tafel-kring der bestuurders van onze Bank doen lachen, toen hij ons een audientie bij Lord Rothschild op diens kantoor te Londen beschreef! De machtige rijke Joodsche Lord, wien hij de belangen der Javasche Bank wilde opdragen, bood hem geen zitplaats aan, en riep achter den stoel, waarop hij zelf zat, een zijner hoofd-boekhouders. ‘Hoe groot is dat kapitaal van die Javasche Bank?’ vroeg hij aan Zeverijn. Toen deze het matig bedrag nog wèl in millioenen van guldens had genoemd - want in £ St. had het zóó weinig geleken - wendde Rotschild zijn hoofd naar den nederig achter hem staanden boekhouder, en trok medelijdend zijn schouders op.

Ziedaar enkele figuren uit de directie, zooals ik die heb gekend. Doch niet allereerst met die personen heb ik hier te doen. Ik hechtte mij aan hen, doch vooral aan het doel van de Bank. Want in ons land heeft die Nederlandsche Bank, als regulator van het productie-vermogen van ons volk, krachtig en aanhoudend voor het algemeen belang ingewerkt. Aan handel en nijverheid, straks aan landbouw, heeft zij in ruime mate crediet-hulp kunnen verstrekken, doorgaans tegen een zeer matige en stabiele rente, matiger en stabieler dan in de meeste der ons omringende andere landen kon geschieden. Het haar bij uitsluiting van anderen toegekende recht is een monopolie, maar een monopolie in

[p. 287]

het belang van het geheele Nederlandsche volk. Aan het geheele verkeer van ons land is zonder ophouden door haar de stoot gegeven. Waarlijk niet enkel ten bate der meer vermogenden, maar ook voor de kleine burgerij. Het grootste deel van haar binnenlandsche portefeuille - zie de vermelding in het verslag der Bank over 1888/1889 - bestaat uit acceptatiën van winkeliers, grossiers, kleine fabrikanten en landbouwers; acceptatiën die door allerlei kanalen tot haar komen. Zij heeft den regel nooit losgelaten van open te staan voor ieder, die een goeden naam heeft.

Den 30sten Maart 1912 nam ik mijn afscheid uit de directie der Nederlandsche Bank. Een nieuwe president zou weldra worden benoemd, daar de taak van den heer van den Berg met 25 September 1912 afliep. Als zoodanig werd door de regeering de heer mr. G. Vissering aangewezen, die zijn sporen had verdiend, evenals de heer van den Berg, in de betrekking van president der Javasche Bank. De aandeelhouders der Nederlandsche Bank gaven mij toen een plaats in het college van commissarissen.

Veel was in het tijdperk, sedert ik aan de werkzaamheden der directie begon deel te nemen, veranderd in de werkkrachten, waarover de Nederlandsche Bank te beschikken had. Het cijfer der bankbilletten in circulatie, dat in 1877 allengs begon te naderen tot 200 millioen guldens, bereikte, altijd klimmende, nu het cijfer van 300 millioen gulden. De weekstaat van 2 November 1912 gaf voor de bankbilletten in omloop zelfs een cijfer van f 334,925,110 aan. En wat den metalen schat der Bank betreft, zoo was de verhouding van het goud tot het zilver geheel en al gewijzigd en als het ware omgekeerd. Terwijl in het jaar 1877 (munt en muntmateriaal bijééngevoegd) de metaalkas bestond uit 40 % aan goud en omstreeks 60 % aan zilver - zilver dat voor het internationaal verkeer geheel onbruikbaar was - wees de samenstelling van den metaalvoorraad van de Bank op 31 Maart 1912 aan, dat de verhouding van het goud tot het zilver was 91,797% goud tegen 8,21 % zilver. De goud-politiek van den heer Mees was, onder het regime van den hinken- den munt-standaard, tot op dien datum volkomen proefhoudend gebleken, al had hij zelf, helaas, in een zwak oogenblik, willen toegeven - toen al te veel gevaren dreigden - aan de ijdele verlokking van het bimetallisme. De behoefte van Indië aan zilver had voor ons land den doorslag gegeven aan omkeer van vroegere min of meer leerstellige opvattingen.

Aan den staat heeft de Bank allengs een groot deel van

[p. 288]

haar winsten afgestaan. Haar voorzichtig beleid heeft duidelijk aangetoond, dat de vele en gewichtige, met geheel het economisch leven der natie nauw verbonden, belangen door een staatsbank kwalijk beter zouden kunnen worden behartigd, dan door deze onder de hoede en contrôle van den staat werkende particuliere instelling. Staats-ambtenaren zouden nooit met die kieschheid in de intieme vermogensaangelegenheden der bevolking kunnen intreden, als de met het vertrouwen hunner mede-burgers vereerde leden der directie. Elk geheim dezer mede-burgers was bij eiken directeur veilig. Men legde alles voor hem open, wat men den staat wellicht zou willen verzwijgen. Nooit heb ik berouw gehad mijn diensten aan de Nederlandsche Bank te hebben gewijd, al was het een sterk monopolie, lijnrecht indruischend tegen de absolute leer van den vrijhandel. Altijd heb ik de stelling verdedigd, dat een goede credietgeving onder alle vormen der maatschappij, die men zich denken kan, een sociale taak is. Slechts onder een goede circulatie ontwikkelt zich de productie. Voorts beaamde ik dàn de uitspraak van Walter Bagehot: ‘crediet is een macht die kan groeien, maar niet kunstmatig kan worden in het leven geroepen. Laten zij, die onder een groot en krachtig crediet-systeem leven, er aan gedachtig zijn, dat, indien zij dit vernietigen, zij-zelven er nooit een ander zullen aanschouwen, want er zijn jaren en nog eens jaren noodig, om er een nieuw voor in de plaats te stellen.’

Den 3den en 4den April 1914 werd eenigszins luisterrijk het honderdjarig bestaan der Nederlandsche Bank gevierd, bij welke gelegenheid aan den scherpen blik en het beleid van den stichter der Nederlandsche Bank - koning Willem I - de aan zijn nagedachtenis in alle opzichten toekomende hulde werd gebracht.

Buiten het kader dezer ‘Herinneringen’ over personen en zaken, met welke ik volledig medegeleefd heb, vallen natuurlijk de buitengewone maatregelen, die de directie der Nederlandsche Bank, in overleg met de regeering, tijdelijk moest nemen, om de financieele crisis te bezweren, die bij het uitbreken van den Europeeschen oorlog in Augustus 1914, toen ik in Zwitserland bij Zürich (Dolder) als opgesloten zat, in ons land ontstond. De kern dezer buitengewone maatregelen zijn vervat in de volgende negen maatregelen:

1.- De Nederlandsche Bank stelde ter beschikking van een bankiers-consortium een bedrag van ten hoogste f 200 millioen, om daarmede personen en instellingen aan beschikbare middelen te helpen, die tengevolge van de bijzondere tijdsomstandigheden hun onthouden werden.
2.- Teneinde de Nederlandsche Bank tot dergelijke uitzetting harer operatiën in staat te stellen werd de dekking der obligo's bij Kon. Besluit van 3r Juli 1914, Sbl. 334 van 2/5 op l/5 teruggebracht.
3.- Opgeheven werd de verplichting door de Ned. Bank aangegaan om de wisselkoersen op goudpariteit te houden, en bij Kon. Besluit d.d. 31 Juli 1914 Sbl. 333 werd de gouduitvoer verboden.
[p. 289]
4.- Bij den geweldigen aandrang om kas te maken en te houden werd de groote voorraad van bankpapier in zulk een korten tijd uitgeput, dat in allerijl nuod-bankpapier moest worden aangemaakt, welks bewerking in enkele dagen kon geschieden. In de eerste week van Augustus 1914 begint de uitgifte van dit nood-papier.
5.- In weerwil van aanmunting van zilveren specie blijft de voorraad bij de Ned. Bank onvoldoende om de zucht tot ophoopen van specie tegen te gaan. De regeering besluit in overleg met de Ned. Bank zilverbons uit te geven van f1.-, f 2.50 en f 5.-. (Wet van 6 Augustus 1914, Sbl. 377.)
6.- De opkomende aandrang om een moratorium wordt in overleg met bankiers-consortium en Ned. Bank door de regeering bestreden.
7.- De Ned. Bank besluit achtereenvolgend tot rente-tarief-wijzigingen:
29 Juli, met een vol percent voor alle rubrieken verhoogd.
1 Augustus, met anderhalf percent voor disconto's, met één percent voor de overige rubrieken verhoogd.
14 Augustus, met een half percent wordt het rente-tarief voor beleeningen verlaagd.
20 Augustus, met een geheel percent wordt het rente-tarief voor alle rubrieken verlaagd.
8.- De Ned. Bank besluit op 1 Augustus den termijn voor beleeningen op ééne maand te stellen, en het surplus met 10% te verhoogen. De beleeningen zullen worden gesloten onder voorwaarde dat 50 % wordt uitbetaald en voor 50 % wordt gecrediteerd in Rekening-courant, waarover kan worden beschikt hetzij per giro, hetzij per cheque, mits deze door derden wordt aangeboden. De provisie voor stortingen in Rekening-courant wordt opgeheven.
9.- De Ned. Bank zal van het bankiers-consortium ook fondsen nemen als onderpand, welke tot heden niet bancabel werden beschouwd, - goederen tot heden uitgesloten, - en als zekerheid aannemen hypothecaire vorderingen, hypotheken, teneinde zooveel mogelijk in de behoefte aan beschikbare middelen te knnnen voorzien.
[p. 290]

II.

Naast de Nederlandsche Bank werd ik vastgehecht aan de belangen van de Nederlandsche Handelmaatschappij.

Mijn oude vriend Balthasar Heldring verbond mij al spoedig, na mijn aftreden als secretaris van de Nederlandsche Bank, aan deze tweede groote handels-instelling. Hij was mijn dorps-genoot. Wij waren in dezelfde Betuwsche streek geboren, in twee kleine Geldersche dorpen, die haast in elkander liepen: hij in Hemmen, waar zijn vermaarde vaderpredikant was, ik in Zetten. Met de vertrouwde vriendin van mijn vrouw was hij gehuwd, een zuster van een mijner beste vrienden: Alexander Sillem, en zóó hechtte hij er aan met mij over al zijn denkbeelden te kunnen spreken. Ik werd plaatsvervangend commissaris, weldra commissaris, toen - nadat Heidring president der Handelmaatschappij was geworden - commissaris der koningin bij die instelling en als zoodanig president-commissaris.

De Nederlandsche Handelmaatschappij vervulde in Amsterdam drieërlei werkkring. Zij was vooreerst een bedrijf van goederen-handel. In de tweede plaats een cultuur-onder- neming vol risico en schommeling. Daarnaast was zij echter een bankiers-zaak, die in allerlei verschillende belangen geïnteresseerd was, en als zoodanig vrij regelmatige en standvastige winsten behaalde. Nu was door den loop der omstandigheden, en vooral door den invloed van den heer Heidring, dit laatste gebied van den werkkring der Handelmaatschappij telkens grooter geworden. Men kon zelfs zóó - mits men de woorden niet al te eng opvat - spreken van een soort van transformatie der Handelmaatschappij. Doch de twee eerste onderdeelen behielden toch haar groote waarde. Vooral de cultuur-ondernemingen, waarin, toen ik optrad in die instelling, slechts ruim een zevende van het gansche maatschappelijk kapitaal direct was vastgelegd, behielden haar eigenaardige bekoring en prioriteit in 't oog der commissarissen. Zij gaven, door haar veranderlijk element en door de beweeglijkheid van haar toestanden, meestal aanleiding tot winsten van groote afmetingen, waarvan het gansche kapitaal der Handelmaatschappij dan profijt trok. Het was een taak die gezette inspanning van de directe vereischte, om een zoo uitgebreid kapitaal als dat der Handelmaatschappij - een groote 35 millioen gulden.

[p. 291]

die weldra tot 45 millioen werden opgevoerd - voor de aandeelhouders vruchtbaar te maken. Ik mag daarbij doen opmerken, dat juist in het aanzienlijke van dat kapitaal het belangrijke voordeel gelegen was, dat de Handelmaatschappij aan de handels- en geld-markt van ons vaderland kon verschaffen. De Nederlandsche Handelmaatschappij was daardoor het stevige bolwerk, dat veel streven van anderen kon stutten, en dat, door het massale van haar vermogen, overal ontwikkeling op de verkeers-wereld van ons land en zijne koloniën kon steunen, een kracht die in moeilijke tijden iets kon doen. De kapitaals-positie der Handelmaatschappij maakte, dat zij op een gegeven oogenblik, wanneer een meer dadelijk Nederlandsch belang haar steun vorderde, ook met gewicht kon optreden, al was, in het dagelijksch bedrijf, menig participatie in zulke financieele aangelegenheden, uit een meer algemeen oogpunt en uit het weidsche doel der maatschappij begonnen, niet dadelijk in den eersten tijd een bron van winst.

Wat altijd aantrok was de veelzijdigheid van het bedrijf der Handelmaatschappij ten bate van ons gansche land. Uitgangspunt was hier de gedachte van den grondlegger der Maatschappij, den bij uitstek in zaken van handel en nijverheid beleidvollen koning Willem I. Hij had in de statuten, of zoogenaamde artikelen van overeenkomst, in art. 49 op breede wijze den werkkring der maatschappij doen omschrijven, en daarin opgenomen ‘het doen van voorschotten, het verschaffen van bedrijfs-kapitaal aan, en het deelnemen in ondernemingen van landbouw, visscherij, nijverheid, handel, scheepvaart en vervoer te land en in de overzeesche bezittingen of koloniën van den staat...’ ‘Inzonderheid strekken haar handelingen tot bestendiging, uitbreiding en aanknooping van voor Nederland en zijn koloniën voordeelige handelsbetrekkingen.’ In het zoo lezenswaardig boekwerk, dat de oud-gouverneurgeneraal mr. P. Mijer gewijd heeft aan Jean Chrétien Baud, wordt uitvoerig de beraadslaging medegedeeld over de vorming en kweeking van het idee der Handelmaatschappij, gelijk dat toen in de omgeving van Willem I in de knapste breinen onzer staatslieden en administrateurs ontkiemde. Jean Chrétien Baud was lid en secretaris der commissie, benoemd bij Koninklijk Besluit van 7 Mei 1824 nℴ. 106, om met de afgevaardigden der deelnemers in de Handelmaatschappij de artikelen der overeenkomst te ontwerpen. In de verschillende overwegingen van den koning en zijn kring treffen ons telkens gezegden, waarop de toekomst haar zegel heeft gedrukt. Zóó het woord van den heer

[p. 292]

F. Rant, in vroeger tijd algemeen boekhouder op het OostIndisch Huis te Amsterdam: ‘Een vereenigde maatschappij (zie pag. 221) zonder monopolie en zonder politiek gezag in Indië beschouwde hij als 't éénig middel om den handel derwaarts met voordeel te drijven.’ Let wel op het woord ‘zonder monopolie.’ Dus oordeelden de besten. Want zij waren overtuigd, dat de energie onder het volk moest worden opgewekt. ‘De ondervinding van tegenspoed - zóó lezen wij op pag. 219 - had de gemoederen week, buigzaam en lijdelijk gemaakt.’ Welnu, tegen dezen verflauwenden zin wenschte men zich te verzetten, en die bestrijding van slapte van geest moest steeds een goede leuze voor de Handelmaatschappij wezen- Een stevige ruggegraat was daarvoor altijd noodig in deze corporatie. Zulke stemmen weêrklonken ook in de Tweede Kamer der Staten-Generaal onder de regeering van Willem I. In mijn studenten-tijd had mij aangetrokken de dissertatie van den door mij altijd bewonderden Gerrit de Clercq, in zijn leven, evenals zijn vader, secretaris der Handelmaatschappij. Die Latijnsche dissertatie over de geschiedenis der Handelmaatschappij sloot met een aanhaling uit een redevoering in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, den 14 December 1838 gehouden door den heer Van Alphen, een der meest verlichte kenners van Indië toen ter tijde. Van Alphen schetste dáár, in den kring der Hoogmogenden, de Handelmaatschappij als ‘een associatie, die den reëelen handel bevestigde en nationaliseerde, die hier te lande aan de industrie een goede leiding en inrichting kon geven, die een band knoopte welke het moederland aan de kolonie, en de kolonie aan het moederland verbond, zonder dwang, zonder uitsluiting, zonder verkorting van iemands rechten, en die kon beletten dat wij de dupes werden van pogingen om handel, scheepvaart en cultures louter aan vreemde kapitalisten te verzekeren.’

Het kwam mij voor, dat commissarissen van een wakkere, bezige directie steeds zulke gulden woorden zich moesten herinneren... wanneer het noodig was.

Gelukkig was dit niet meer noodig in den tijd, toen ik zeer werkzaam was als rapporteur der commissarissen over de verslagen der directie, en later als voorzitter van dat college.

Het tijdperk toch der ontwikkeling van het Indisch cultuuren consignatiestelsel, der daarmede samenhangende inrichting van het scheepvaart-bedrijf, en in verwijderd verschiet de geheel eigenaardige door de Nederlandsche Handelmaatschappij gegeven plooi aan de textielnijverheid was

[p. 293]

voorbij. Ook in het algemeen voorbij de tijd der verleening van vaste subsidies en premies door den staat, deivestiging van monopolies, en van den rechtstreekschen steun uit de staatskas aan handelaars en industrieelen: kortom der doorgaande blijvende bescherming door de overheid van verschillende takken van bedrijf. De bevordering van den nationalen arbeid ook door de particuliere instelling der Handelmaatschappij - dus buiten den staat om - bleef echter meer dan ooit op den vóórgrond staan, zooals dit geschetst was in art. 49 der artikelen van overeenkomst. En in die richting stuurden thans president en directie der Handelmaatschappij.

Drie presidenten der Handelmaatschappij heb ik zien werken. Allereerst den heer Alting Mees, oud-minister. In Juni 1900 stierf deze toen tachtigjarige, stoere, krachtige grijsaard, die zonder omhaal of drukte, met krachtige hand, de zaken der maatschappij in het goede vaarwater dreef. Een in vormen eenvoudige man, die al de trappen eener groote carrière in Indië en in het moederland had beklommen, en nù, als een der oude gestalten door Homerus geteekend, zijn leven afrondde en besloot met kostbaren raad te geven aan ‘de jongere geslachten der menschen, die als het gebladert des wouds elkander afwisselen.’ De Handelmaatschappij was voor hem steeds een aan het staatsrechtelijke verwante inrichting ten bate van den handel, waar niet dadelijk naar gewin mocht worden gestreefd. Hij had de betrekking niet begeerd, maar had hem die zien opgedragen, toen hij president-commissaris was, en de keuze tusschen twee jongere min of meer mededingende directeuren den koning moeilijk werd gemaakt. Hij bewaakte toen rustig de aan zijn zorgen toevertrouwde belangen. Ik paste altijd op hem toe de wapenspreuk, die ik onder het blazoen van een Fransch edelman had gelezen: ‘vaillant et veillant’.

Hij werd als president opgevolgd door mijn vriend Balthasar Heldring, die toen 61 jaren oud was. Jong was hij naar Amsterdam gegaan ten kantore van de firma van Eeghen & Co. en in verloop van tijd naar een kantoor in Padang. In het vaderland teruggekeerd, helaas met een rheumatische ziekte, die hem al zijn leven heeft gekweld, maar zijn veerkracht niet heeft kunnen breken, werd hij in 1865 aangesteld tot directeur der pas opgerichte Kasvereeniging. Vijftien jaren bleef hij dáár werkzaam, toen hij lid werd der directie van de Handelmaatschappij. In het jaar 1900 werd hij president, welk ambt hij tot aan zijn sterven in Juli 1907 heeft bekleed. Die zeven

[p. 294]

jaren hebben in het leven der Maatschappij een groote plaats beslaan. Hij was een man wiens hand altijd voorwaarts wees. Toen, in het tijdperk tusschen de jaren 1860 en 1870, het bewustzijn in ons land wakker werd, dat men, door den ouden weg te bewandelen, inderdaad in den maatschappelijken wedloop der volken achteruitging, was Heldring een der voornaamste economische leiders, die als uitgangs-punt en drijfveer aannam, dat meer energie, meer durf in handel en bedrijf moesten worden aan den dag gelegd, dat ons materieel productie-vermogen kon en moest worden verhoogd. Op die basis zou dan geheel ons Hollandsch volks-leven, naar zijn inzicht, intensiever worden. Men moest zich niet onttrekken aan de bewegingen van maatschappelijken vooruitgang, die in andere landen tot vaster samenhang en tot voorspoed drongen. Zóó trad hij in Amsterdam op. Hij wilde verbinden de oud-Hollandsche traditie van ons verkeers-leven met hooger waardeering van vooruitgangs-elementen. In die richting schreef hij enkele korte pittige artikelen in ‘De Gids’ die telkens zeer scherp werden opgemerkt. In dien geest nam hij het directeurschap der Handelmaatschappij waar. Toen hij omstreeks 1880 dáár optrad, was de stabiele rust in den groothandel van ons land reeds verbroken. De stille golven bruisten op. De groote waterwegen van Amsterdam en Rotterdam waren aangelegd. Spoorwegen werden in ons land volgens een vast plan getrokken. De handels-tarieven ondergingen herziening. De exploitatie der koloniën werd in anderen zin geleid. De productieve krachten waren dus reeds hier en dáár wakker geschud. Één eenigszins onbewogen plek bleef volgens strenge berispers nog altijd over. De volks-mond duidde nog altijd de Ned. Handelmaatschappij aan - trots wat reeds Alting Mees had tot stand gebracht - als een instelling, die te-veel met het verleden, niet genoeg met de toekomst rekening hield. Een eenmaal door de traditie geijkte leuze is taai. De Handelmaatschappij had reeds het wezen der hervorming maar nog niet den naam. Men herinnert zich, dat Multatuli - toen hij zijn vlammend pamflet schreef - aan dat boek van Max Havelaar den ondertitel gaf: ‘de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij’. Er was stout optreden noodig, om een ieder te overtuigen dat zulk een titel een vorm van laster was. Heldring wist dat in Amsterdam te bewerken. Hij ging de lieden overtuigen, dat, wat zij een bolwerk van het behoud meenden te mogen noemen, inderdaad een vaste reserve voor den vooruitgang in zaken was. Al zijn veerkracht heeft hij

[p. 295]

tijdens zijn leven voor die gedachte gegeven. Aan het bankiers-bedrijf der Handelmaatschappij werd grooter terrein door hem verleend. De bakens werden verzet. En er kwam in de publieke opinie over de Handelmaatschappij nu allengs een vaste kentering. Trad men in de dagen, toen Heldring president was, op de Amsterdamsche beurs, dan zag men die verandering. De Handelmaatschappij was in, de verste verte niet meer geïsoleerd, neen, zij stond aan net hoofd der vooruit-drijvende krachten dier beurs. De productieve factoren van onzen handel, industrie en scheepvaart vonden in de Handelmaatschappij het machtigst orgaan. Het drijven van Heldring werd beloond. Trouwens hij had altijd den blik op de toekomst. Hij dacht aan het morgen en overmorgen. Hij deed dit alles met het gezag van zijn kennis. Met stevigen greep. In het richten naar zijn doel was hij zeer positief en stellig, even kernachtig in zijn woord als in zijn daad. Alles ging bij hem uit van een ijzeren wil. Willen is onze persoonlijkheid inzetten voor iets binnen ons bereik. Welnu, die wil, was er, in de leiding der Handelmaatschappij, altijd bij Heldring: de wil die altijd naar een in de gedachte gezien doel uitgaat, zich nooit laat ontmoedigen, nooit verslapt, nooit verbrokkelt. Wij zagen dien wil in zijn oogen, en in de plooien van zijn voorhoofd immer gegrift. Vraag nu niet, of hij altijd zacht in zijn uitingen was: dit behoorde niet in de eerste plaats tot zijn optreden. Soms was hij in de discussie zeer ‘cassant’. Wat wij in hem echter bewonderden was de ingespannen werkzaamheid, om ons land in den wereldhandel vooruit te brengen, en daarnevens de aangeboren fierheid, die neêr kon zien op rumoerige verwijten en aanmerkingen om hem heên. De inblazingen eener zoogenaamde publieke opinie lieten hem koel. De lieden, die altijd in vergaderingen, brochures of dagblad-artikelen, van ‘vrijhandel’ spraken, en met dat tooverwoord alles meenden te kunnen bezweren, zonder verder iets te doen wat hun land vooruitbracht, werden door hem minachtend bejegend. Niet aan het woord of de leus hechtte hij, slechts aan de daad. Al het andere was voor hem schuim en wind. Al dat geschrijf over vrijhandel vergeleek hij met het spinnen van rag. Als ik des zomers met hem op zijn buitengoed Berkheide te Hilversum wandelde - liefelijk oord door hem met groote zorg aangelegd en gekweekt - kon hij rustig daarover lachen. Een oud-vriend van ons beiden, P.N. Muller, moest het dan wel eens ontgelden. Ik zag hem zoo gaarne op dat Berkheide, want hij vergat dáár bijna de lichaams-smarten, die

[p. 296]

hem op het laatst van zijn leven altijd folterden. Op het kantoor der Handelmaatschappij vergat hij ze niet, maar hij liet ze niet merken. Hij was als onbewogen te midden van allerlei pijn. De bedilzieke stuurlui aan wal mochten niet zien wat hij leed, terwijl hij resoluut zijn plicht deed. Ook voor hem gold het woord, dat een Duitsche zendingsvriend op zijn vader Otto Gerhard Heldring toepaste, spelende met zijn naam: ‘Held ring zum Siege’.

De derde president, met wien ik werkte, was de oudminister van koloniën, de heer J.T. Cremer. Zijn benoeming door de koningin op het einde van Juli 1907 maakte overal een uitstekenden indruk. Zijn groote kennis der cultuurzaken in Oost-Indië, juist verlevendigd door een uitgebreide reis naar het Oosten, waar hij al onze bezittingen en alle onze handels-vóórposten had bezocht; zijn karakter als man van bedrijf; zijn werkkracht gaven de waarborgen dat hij werkelijk de leider van onze onderneming zou zijn. Hij trad dadelijk in het spoor van den heer Heidring, maar met voorkomender en vriendelijker vormen. Toen hij een zekeren tijd president van de Handelmaatschappij was, begon men overal in hem te waardeeren, naast zekere eigenschappen die aan een Amerikaanschen go-ahead-man deden denken, de continuïteit van zijn inspanning, zonder gejaagdheid of overmoed. Er was dadelijk bij hem merkbaar zekere frischheid, te-gemoetkoming, hartelijkheid, soberheid, eenvoud en afwezigheid van parti-pris. Voorts volkomen evenwicht en evenredigheid van wil en inzichten. Hij deed alles als vanzelf, zoodat men haast, als men hem iets zag doen, zou zeggen: ‘n'est ce que ça?’ Toch voelde men daarbij iets als een stevige bries, wanneer men zijn optreden in zaken gadesloeg. Ook hij was geen vriend van illusies: achter het tooneelscherm van de illusies stond voor hem de realiteit, die hij wenschte te zien, en die hij niet altijd gunstig achtte in ons land. Doch des te sterker moest men veerkracht en ondernemings-geest ook in de Handelmaatschappij opwekken. Hij-zelf gaf dán altijd het voorbeeld.

De Handelmaatschappij stond langzamerhand, dank zij ook de wending die onder Heldring was genomen, min of meer op een keerpunt. Het is de tijd, dat meer dan ooit de buitenbezittingen van Java de aandacht van ons land trekken. In onze Kamers der Staten-Generaal weêrgalmen telkens die woorden. De Handelmaatschappij moest de kracht hebben onze handels-vlag - de vlag der oude Compagniete doen wapperen op vele van die plaatsen. Maar dit was waarlijk niet het éénige. Al de relaties met het Oosten

[p. 297]

moesten worden uitgebreid. Op Engelsch Indië en in China moesten vestigingen der Maatschappij verrijzen. Het voorbeeld, dat de heer Poolman in 1857 reeds gaf, toen hij het kantoor te Singapore vestigde, moest worden nagevolgd. Inderdaad werden dan ook - in de jaren toen ik commissaris was - kantoren der Nederlandsche Handelmaatschappij geopend te Rangoon in Britsch Indië, te Shanghai en Hongkong in China. Zulke kantoren gaven nu niet dadelijk winst, maar waren bakens voor de toekomst. Veler wenkbrauwen trokken zich samen, toen in ons college de heer Heldring zijn voorstellen daaromtrent verdedigde. Doch de directie volhardde. Zij meende op die wijze een geheele afronding en uitbreiding te kunnen geven aan de vroegere vestiging te Singapore. Natuurlijk moest in die operaties - die zich ook uitstrekken over sub-agentschappen te Medan, Penang, Palembang, Telok-Semaweh, Olehleh, Bandjermasin zekere matiging worden betracht. Te veel middelen konden niet van het geheel der Maatschappij hier worden opgeëischt, maar zeker is het, dat beleid en verstandige durf hier veel vermogen.

Dat beleid moest telkens ook uitkomen, waar de Handelmaatschappij kapitaal aan Nederlandschen handel en industrie verstrekte, overeenkomstig het door mij reeds vermelde artikel 49 der statuten. Uit den aard der zaak hield geheel het bestuur - directie en commissarissen - zich voort- durend bezig met de ontleding en toetsing van het financieel getimmerte der zaak, met de vooruitzichten van de toekomst op dat financieel gebied. Nauwkeurig werd dus de zeer groote omvang der financieele syndicaten ontleed, waarin de Handelmaatschappij als bankier was en is gewikkeld. Er zijn als het ware drie categoriën dier syndicaten. Zij die meer bepaald een uitvloeisel zijn van het bankiersbedrijf; zij die ter wille van het handels-bedrijf werden aangegaan, daar zij de brug uitmaken om nieuwe consignaties uit Indië te bekomen; zij die een steun beoogen voor nationale oogmerken, al is de winst niet dadelijk te voorzien. Een betrekkelijk hoofdgewicht wordt nu ook aan die laatste categorie gehecht. In dien zin is in de laatste jaren de onderneming der Hollandsche aannemers voor de groote verbeterings-werken aan de Wampoe-rivier bij Shanghai gesteund, en kunnen andere aannemers, die in den vreemde nieuwe -werken uitvoeren, nu en dan op financieele hulp der Handelmaatschappij rekenen. Deze zaken vermogen aan de Handelmaatschappij dadelijk voordeel op te leveren, en hebben het reeds gedaan. Een zaak

[p. 298]

van belang voor de Nederlandsche vlag was het, toen de Handelmaatschappij in het begin van het jaar 1905 het besluit nam, rechtstreeks deel te nemen in het organiseeren van een geregelden stoomboot-dienst op Zuid-Amerika, hetgeen leidde tot het constitueeren van de zoogenaamde Koninklijke Hollandsche Lloyd. Er was gevaar, dat die scheep vaart-lijn, welke met onvoldoende geldmiddelen was opgericht, niet langer een nationale lijn zou blijven, doch aan het buitenland zou worden vervreemd. Toen trad de Handelmaatschappij daartusschen, om te zorgen dat de Zuid-Amerika-lijn, die in de eerste plaats de vaste verbinding van Nederland met Argentinië en Brazilië tot stand bracht, een Nederlandsche lijn bleef. Het was eenigszins een oogenblikkelijk offer, maar bovenal een vaderlandslievende taak, welke aan den arbeid van ons land later ten goede moet komen. In het algemeen mocht ik - zoolang ik het voorrecht had in het college van commissarissen der N.H. Mij. te zitten - getuige zijn van het streven der Handelmaatschappij om onze Nederlandsche industrie, waar het mogelijk was, te steunen ten einde de eerste en moeilijke jaren te doorworstelen. In herinnering werd altijd als voorbeeld door ons gehouden, dat, overeenkomstig de bezielende aansporing van onzen eersten koning uit het huis van Oranje, door de Handelmaatschappij in Twente de katoenindustrie als uit den grond werd opgestampt, toen de scheiding der Zuidelijke provinciën den invoer der Belgische textielof weef-nijverheid in Java voorloopig onmogelijk maakte. De Handelmaatschappij zond terstond in 1833 haar secretaris Willem de Clercq naar Twente1) om in Noord-Nederland de taak te vervullen die Zuid-Nederland tot nu toe had volbracht. Ons land is klein en moet het dus ook vinden in den export.

Eénzelfde nationale daad had de Handelmaatschappij in de laatste jaren pogen te verwerkelijken, door - als in tegenoverstelling van Singapore - de havenwerken van Sabang te organiseeren. Als een marquanten trek mocht ik reeds in het jaar 1904 aan de koningin wijzen op de uitbreiding, die door het beleid der Handelmaatschappij gegeven werd aan de zeehaven en het kolenstation te Sabang. Trouwens reeds in 1904 was de scheepvaart-beweging, die in 1903 aldaar 423 schepen telde, tot 837 schepen geklommen. Aan steenkolen werd 76974 ton in 1904 afgeleverd, tegen 36409 ton

[p. 299]

in 1903. De voordeden, die in 1905 aldaar werden verkregen, door het passeeren der Russische vloot naar Japan, waren natuurlijk voorbijgaande, doch het bezit van die haven bleek een blijvend voordeel voor onzen Nederlandschen staat. Het was een zaak van algemeen belang. De Nederlandsche staat zag het in, drukte het zegel op dat werk, en nam in 1909 bij de wet ons werk aldaar over.

In den heer Cremer - die helaas slechts vijf jaren (van 1907 tot en met 1912) president was - vond de Maatschappij den man die, geheel in den geest van Heidring, sterke uitdrukking gaf aan de beweging van expansie, welke voortaan den loop der zaken van de Handelmaatschappij moest kenmerken. Terwijl hij rekening moest houden met het feit, dat voor de Handelmaatschappij de~beteekenis van Singapore in den eersten tijd sterk verminderde - het scheen te dalen als handels-emporium, al bleef de scheepvaart er aanzienlijk - gaf hij al zijn aandacht aan de buitenbezittingen van Java, bewerkte hij een goede vestiging te Makassar, richtte hij zijn oog op Padang, stichte hij kleinere bijkantoren o.a. te Medan, te Tabing Tenggo, doch zorgde hij tegelijk voor het stichten van nieuwe suikerfabrieken op Java in de residentiën Pekalongan, Banjoemas, straks in Kedoe. In Djember, in Bandong werd zijn krachtige hand gevoeld. Overeenkomsten met de tabaks-ondernemingen werden herzien. Waar het hem mogelijk was, werd in Indië nieuw leven gewekt; een taak soms voor de Handelmaatschappij niet al te licht, omdat de andere belangrijke koloniale ondernemingen, op Java gevestigd, allengs aan die N. H. Mij sterke concurrentie gingen aandoen, en de Javasche Bank niet altijd zich streng binnen de perken van een zuiver circulatie- en emissiebank bewoog, maar hier en dáár als bankiers-instelling begon te werken. Het was dus niet altijd gemakkelijk werk voor den president der N. H. Mij, die wegens de wenteling in het Oosten - na den oorlog van Rusland en Japan en de revolutie van China - ook het oog moest houden op de Chineesche kantoren te Shanghai, te Hongkong en zelfs op Rangoon, die niet voordeelig werkten.

De wissel- en bankzaken, zoo in het Oosten als hier te lande, bleven zich intusschen steeds uitbreiden. Op de jaarlijksche aandeelhouders-vergadering van 14 Juni 1912, de laatste die hij presideerde, kon de heer Cremer de volgende mededeelingen daaromtrent doen: ‘Trekking en remises en de daarmede gelijkstaande operatiën tusschen ons en onze vestigingen in het Oosten hebben thans het cijfer bereikt van nagenoeg zes honderd millioen gulden, waarvan

[p. 300]

f 331,730,000 op rekening komt van onze kantoren in Nederlandsen Indië en f 266,164,000 van die daarbuiten. Het saldo der deposito- en giro-rekeningen bij al de vestigingen in het Oosten bedroeg, blijkens de gecombineerde balans dier vestigingen, te zamen ruim f 72,000,000 - de totale omzet op die rekeningen beliep f 1,570,000,000’; - derhalve meer dan ander-half milliard.

De heer Cremer meende zich nog voorloopig te moeten onthouden bij de vaart, die in rubber - object van zuivere speculatie - werd gevoeld. Doch het was voor hem een in zijn oog voor de hand liggende taak, om weder een koffie-markt van beteekenis te Amsterdam te creëeren. Ter zijde latende het eigenaardig optreden van den Rotterdamschen koffie-handel, wist hij, gebruik makende van den invloed die de N.H. Mij. had gehad in de oprichting, der Koninklijke Hollandsche Lloyd, voortdurend groote aanvoeren van Santos-koffie naar Nederland te dirigeeren, en daarvan groote winsten aan zijn instelling te verzekeren. In allerlei Nederlandsche ondernemingen stak hij voorts kapitaal der N.H. Mij.

Ik wijs op dit alles, omdat te-veel door het publiek wellicht de nadruk steeds gelegd wordt op de bemoeiing, der Maatschappij enkel met de cultuur-ondernemingen op Java, waar dan ook inderdaad de directie steeds bezig is - vooral wat betreft de suiker - schaduw-strepen weg te vagen, en voor industrie en handel nieuwen afzet, ook en vooral naar het Oosten, te verwerven, en tegelijk voordelen te doen afdalen op de arbeidende bevolking. Breed is werkelijk de blik der Handelmaatschappij geweest in de laatste tientallen jaren. Het gold verwijding en verheffing, van geheel de werkzame beweging van ons land. Het was nog altijd de verwerkelijking van het programma van koning Willem I. Bij den aanvang van zijn regeering, toen het politieke zelfbestuur van ons land was verzekerd, bevestigde hij de levens-functies, die een gezond frisch-ademend leven door geheel het organisme onzer Nederlandsche maatschappij - rustende op handel, nijverheid en landbouw - zou doen stroomen. In 1814 stichtte hij daarvoor de Nederlandsche Bank, tien jaren later de Nederlandsche Handelmaatschappij. Hem zweefden daarbij voor den geest tradities en legenden van de Amsterdamsche Wisselbank en van de Oost-Indische Compagnie. Doch die tradities werden verruimd en aangepast aan moderne begrippen der 19de eeuw. In zijn bedoeling en in dat zijner bekwaamste staatslieden lag het, aan het maatschappelijk leven van ons

[p. 301]

vaderland twee krachtige longen te geven. Hij en zijn kring dachten wellicht aan de oude verzen van Vondel:

 
Uitheemsche vyanden te sitten in de veêren,
 
Te slingeren den staert groothartigh over see,
 
Is ydel, als uw long, geslagen aan het teeren,
 
Inwendig vast vergaet, en ghy van hartewee,
 
Soo deerlyck sucht en kucht....

Welnu, de Nederlandsche Handelmaatschappij poogt er nog steeds voor te zorgen, dat onze handels-markt niet kucht en niet zucht. De heer Cremer trad als president af 31 December 1912. Hij werd als zoodanig opgevolgd door den heer C.I.K. van Aalst, die de periode der expansie der Maatschappij, begonnen door den heer Heldring, verder ontwikkeld door den heer Cremer, met energie en geestdrift ging voortzetten. In October 1913 bracht hij het kapitaal der N.H. Mij. op 50 millioen, terwijl 8 Dec. 1913 aandeelhouders hem machtiging gaven het tot 75 millioen later te kunnen brengen.

Toen ik den leeftijd van 80 jaren naderde verzocht ik 21 Mei 1914 eerbiedig aan Hare Majesteit ontheffing uit mijn betrekking als commissaris der koningin, welke betrekking ik sinds 6 Januari 1904 had bekleed. Dat ontslag werd in zeer vriendelijke woorden mij 27 Mei 1914 verleend.

[p. 302]

III.

In de derde plaats handhaafde ik mijn plaats bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.

Door mijn aanvaarding der betrekking van secretaris der Nederlandsche Bank moest ik tijdelijk het commissarisschap der Staatsspoorweg-maatschappij nederleggen, daar president en secretaris der Bank, volgens de usantie, geen dergelijke commissariaten mogen aannemen. Bij mijn optreden aan de Nederlandsche Bank maakte ik echter met den heer Mees de afspraak, dat ik slechts tijdelijk mijn positie aan de Staatsspoorwegen zou opgeven, een positie die geen uitzicht op winsten van eenige beteekenis gaf, en die als 't ware met mijn arbeids-leven was saâmgevlochten. Aldus gebeurde het, dat de aandeelhouders dier Maatschappij mij de betrekking van commissaris, die ik in 1878 had vaarwel gezegd, in Juni 1881 teruggaven. De raad van commissarissen, in wier midden ik keerde, benoemde mij dadelijk weder tot lid van het engere comité uit zijn midden, waarin de zaken met den directeur-generaal allereerst werden besproken en voorbereid.

Dat comité was intusschen eenigszins uitgebreid. In plaats der drie leden van vroeger was dat comité, overeenkomstig een nieuw reglement van 13 December 1879, uitgebreid tot zes leden. President was de heer den Tex, en onder de leden had de heer A.C. Wertheim toen den voorrang en overwegenden invloed.

Trouwens na het aftreden van den heer F. s' Jacob, die weldra gouverneur-generaal van Neêrlandsch-Oost-Indië zou worden, was veel in den gang der Exploitatie maatschappij veranderd. Ik heb daarop reeds gezinspeeld op pagina 193. Tot directeur-generaal was - in den tusschentijd toen ik niet tot den kring van commissarisssen behoorde - na heftigen strijd gekozen de heer Willem Vrolik. In samenstemming met de denkbeelden van de heeren den Tex en Wertheim, begon deze nieuwe directeur-generaal een tijdperk van krijg en concurrentie, een uiterst bedrijvig handelen, waarbij als einddoel voor oogen stond het vastklinken van het staatsspoorweg-net aan de hoofdstad, aan Amsterdam, Ik heb de persoonlijkheid van den heer Willem Vrolik op de bladzijden 194-197 dezer ‘Herinneringen’ pogen te schetsen. Op zijn geestkracht, op zijn slagvaardigheid, doch tevens op zijn al te impulsieve en turbulente natuur, heb ik dáár

[p. 303]

den klemtoon gelegd. Aanstonds bij zijn optreden als leider der Maatschappij toonde hij dit volledig. Hij gaf zich geheel zooals hij was, zonder eenige terughouding of matiging. Elk uur van den dag was hij aan den arbeid, kloek, slim en onstuimig. De hoofdambtenaren, op wie de heer s' Jacob steunde, verlieten nu, één voor één, onze maatschappij. Secretaris en gedruischlooze spil werd de heer J.L. Cluysenaer. Al dadelijk werd door den heer Vrolik, bij 't begin van het jaar 1882 - op hetzelfde tijdstip, toen de door Tak van Poortvliet gepresideerde parlementaire enquête over de spoorwegen te 's-Gravenhage werd gehouden - in den boezem van het comité aan de orde gesteld een mogelijke overneming van de Rijnspoor, en tegelijk een herziening der overeenkomst met den staat van het jaar 1876. Want deze overeenkomst, die ons financieel goed had geholpen, belemmerde in alles onze vrijheid van beweging en onze uitgaven. Werd die overeenkomst niet loyaal als associatie met den staat opgevat, niet breed door den staat toegepast, dan verwarde men zich in een omslag, en in een netwerk'van allerlei regeerings-colleges, stond men weerloos in den tarief-oorlog tegenover het buitenland, en verzwakte men zich in een concurrentie der vrachten met de binnenlandsche spoorweg-maatschappijen, nú wij toch reeds altijd bovendien te kampen hadden met de mededinging der waterwegen. Gruwelijke krachts-verspilling was dàn het resultaat. Zóó oordeelde de heer Vrolik en met hem de meerderheid van het comité. Terzelfder tijd had hij (December 1881) reeds een onderhoud met de heeren Forbes en Ameshoff, de leiders der Rijnspoor, om de geheele Rijnspoorbaan te koopen. Want de Rijnspoor kon vermoeden, dat zij in 1898 geen verlenging der concessie van de regeering kon verkrijgen, en zag in, dat door de geweldige concurrentie, die de Exploitatie-maatschappij in de gelegenheid was haar aan te doen, zeker voor haar (wanneer zij op zich-zelve bleef staan) wèl vermindering, maar geen vooruitgang te verwachten was.

Aldus werd het schaakspel der spoorwegen door den heer Vrolik begonnen. De strijdstukken werden op het schaakbord onmiddellijk stevig vastgesteld.

Van het jaar 1882 af tot op het jaar 1889 is het nú een felle kamp geweest, slechts even nu en dan onderbroken door gewapenden wapenstilstand of scherpe onderhandeling tusschen de Rijnspoor en de Staatsspoorwegen, terwijl, als lang niet onverschillig belangstellendemogendheid, de Hollandsche spoor, met doordringenden blik:

[p. 304]

toezag, om, als het oogenblik dáár was, haar slag te slaan.

Want de Hollandsche spoor werd allengs na eenige jaren feitelijk gedirigeerd door een even merkwaardig bestuurder als de heer Willem Vrolik: wij noemen den heer Robert van Hasselt. Het is onmogelijk den heer Vrolik goed te begrijpen, zonder het beeld op te roepen van zijn tegenstander, en wij moeten hem dus in den kring onzer herinneringen opnemen. Zij waren beiden gelijktijdig studenten te Delft geweest, hadden te zamen deelgenomen aan al de beroeringen van het studenten-corps dier dagen, en waren boezemvrienden geworden. Zij bleven dit, terwijl zij voor de wereld, elk aan de spits van de twee groote Spoorweg-maatschappijen van ons land, elkander heftig concurreerend bekampten. Het was de meest zonderlinge verhouding-, die men zich denken kan, bijna éénig in de wereld van ‘zaken’. Het gansche jaar door bestreden zij elkander in hun werkkring, en des zomers gingen zij te zamen, met hun beider echtgenooten, die ook vriendinnen waren geworden, op reis naar Zwitserland of een andere bergstreek, beklommen zij te zamen bergen, genoten te zamen van de frissche natuur, spraken over alles en nog wat,... behalve over spoorweg-politiek. Dit was de voorwaarde der reis, een beding dat zij trouw nakwamen en volhielden. Beiden werkten zij rusteloos, met onwrikbaar zelfvertrouwen. De één, Vrolik, was misschien genialer, maar de ander, van Hasselt, had het groote voordeel, dat hij niet in een gewestelijke land-stad als Utrecht woonde, maar in en door de handeldrijvende atmosfeer van een groote stad als Amsterdam was geleid en opgekweekt. Terwijl Vrolik nog tobde met de ‘Zeeland’ te Vlissingen, verkreeg van Hasselt het mede-zeggenschap in groote, veerkrachtige scheepvaartlijnen als de ‘Nederland’. Met al de mannen der beurs te Amsterdam stond hij in dagelijksch levendig mondeling contact, terwijl Vrolik alle zaken slechts uit schrifturen en papieren, op zijn eenzaam bureau te Utrecht, moest leeren kennen. Vandaar dat bij Vrolik de levendige verbeelding te sterk ging werken, en dat de realiteit hem soms ging ontglippen. Zóó arbeidde hij niet rustig, en gunde zich niet den tijd resultaten af te wachten. Een enkel gesprek op of bij de beurs met de groote kooplieden of ondernemers gaf aan van Hasselt een nieuwen kijk op een door hem beraamd plan; hij behoefde slechts de nuance hier of dáár te verzwaren of te verlichten, terwijl Vrolik - die soms als in isolement werkte - met rukken voorwaarts ging, van den hak op den tak sprong, en veelal den arbeid van weken en maanden prijs gaf, om een nieuw denkbeeld uit te werken, dat dikwijls

[p. 305]

spoedig weder door geheel andere opvattingen werd verdrongen. Hij werd dán voor het comité der staatsspoorwegen, dat hem ter zijde moest staan, bepaald vermoeiend. Zijn karakter bleef echter daarbij volkomen ongerept en zonder kreuk of rimpel. Ik heb nooit iemand ontmoet die zóó volkomen onbaatzuchtig leefde. De gedachte aan eigen voordeel kwam zelfs niet bij hem op.

Toch was er bij Vrolik in zijn bestuur der staatsspoorwegen, onder het hulsel van geniale onrust, een vaste continuïteit. De vormen mochten telkens veranderen en verschillen, maar het doel bleef hetzelfde. Hij achtte het voor den bloei van zijn Maatschappij een onmisbaar vereischte, dat zij een eindpunt had in de hoofdstad, in Amsterdam. Dit denkbeeld bepaalde zijn gedrags-lijn. Geen middel werd nu door hem onbeproefd gelaten om dat doel te bereiken: tal van plannen werden daarvoor door hem opgemaakt. De geheele overneming van de Rijnspoor door de Exploitatie-maatschappij was het begin. Toen dat mislukte, werd een fusie-plan van Rijnspoor en Staatssporen door hem geconstrueerd. Daarna, toen ook dit geen gevolg had, werd een zoogenaamde ‘running-power’ voor Rijnspoor of Hollandsche spoor bedacht. Eindelijk, toen al die plannen in rook verdwenen, werd, met behulp van den hoofdingenieur van weg en werken der Maatschappij, den heer Kalff, de stoute constructie van een eigen weg en eigen station in Amsterdam, op papier gebouwd. De publieke opinie glimlachte dadelijk over dien ‘luchtspoorweg’, zoo als zij dien noemde. Niets werd dus verwezenlijkt. De rustelooze geest van Vrolik werd niet moede, maar het lichaam, rug, spieren, zenuwen, begonnen aan afmatting te lijden, gevolg der overspanning van het brein.

Daarbij voegde zich de voor Vrolik zeer droevige omstandigheid, dat de voorzitter der commissarissen, de heer den 'Tex, op wiens raad hij vooral steunde, den 6en December 1882 overleed. In Januari 1883 werd den Tex als voorzitter van den Raad van commissarissen opgevolgd door den heer Bieruma Oosting- Ook deze stierf op het einde van Juli 1885. Toen benoemden commissarissen mij, die juist den post van secretaris der Nederlandsche Bank met dien van mede-directeur der Bank verwisseld had, den 12en December 1885 tot voorzitter van den Raad, dus ook tot voorzitter van het comité uit dien Raad.

De werkzaamheid was veel omvattend en daarbij - met het oog op de eigenaardige persoonlijkheid van Vrolik - uiterst vermoeiend. Geen dag ging voorbij zonder brieven

[p. 306]

van zijn hand; telkens werden andere denkbeelden geopperd. Zittend in zijn Utrechtsche éénzaamheid, kon hij maar niet berusten in een politiek van afwachten. Altijd turende op het voor hem alles beheerschende plan der verbinding, van het net der staatsspoorwegen met Amsterdam, liet hij van tijd tot tijd tastbare dadelijke voordeelen door de Hollandsche spoor zich ontrooven, en beging hij een bepaalde fout. Wij doelen op de onderhandelingen van de jaren 1883 en 1884, toen de Hollandsche spoor, en niet de heer Vrolik, zich van de Geldersch-Overijsselsche locaalspoor, en dus voor een groot deel van het vervoer van Twente met de Hollandsche havensteden, meester maakte. De commissarissen, en vooral de leden van het comité, waarin nu allengs de heeren oud-ministers mr. G. de Vries Az. en mr, J.H. Geertsema en voorts de heer jhr. mr. J. Röell zitting namen, werden eenigszins wrevelig. Er ontstond een lichte verkoeling, en dus een haast onmerkbare maar toch voelbare remming van de zijde van commissarissen. Over en weder vielen verwijten. Toen kwam er echter na eenig toeven eensklaps een oplossing der groote questie, en wel van een zijde die Vrolik niet had verwacht. De regeering zelve werd het in 1889 ééns met de Rijnspoorweg-maatschappij over den aankoop van haar lijnen, en opende onderhandelingen met de Exploitatie-maatschappij en met de Hollandsche spoor over een verdeeling van de exploitatie van het geheele Nederlandsche spoorweg-net. De kern-gezonde heer van Hasselt had met zijn scherpen zaken-kijk toegezien, toegezien en afgewacht, en zou nu het voordeel met zijn vriend Vrolik, die zich voor de zaak had afgebeuld, rustig en kalm gaan deelen. Ik heb die onderhandelingen over de verdeeling van het spoorweg-net in alle onderdeelen mede gevoerd. Vrolik werd daarin bijgestaan door een commissie uit de commissarissen waartoe de heeren J.H. Geertsema, A.L. Wurfbain en mijn persoon werden gekozen, terwijl de heer A.C. Wertheim met weêrgaloos talent voortdurend raad gaf, en telkens, wanneer de overgangen tot elkander kraakten of dreigden te breken, meesterlijk kunstige en tegelijk toch houdbare bruggen (soms uit kinderbalken) tot toenadering wist te slaan of te bouwen.1) Het werd een zwaarwichtige en langdurige bemoeiing.

Van de zijde der regeering werd de onderhandeling gevoerd door de hoofdambtenaren, de heeren J.P. van Bosse en J.C. de Marez Oyens. Van tijd tot tijd grepen de ministers, die van Financiën, Godin de Beaufort, en die van Water-

[p. 307]

staat, de heer Havelaar, zelven in. Conferenties op conferenties werden gehouden. Het begon in Februari 1889. De eerste voorwaarden van een contract met den staat werden reeds besproken, toen het bleek dat de heer Vrolik door ernstige ongesteldheid werd aangetast. Hij moest een buitenlandsch verlof nemen van 4 Maart tot 15 April. In dien tusschentijd werden door ons de grondslagen, waarop de onderhandelingen steunden, nader overwogen en getoetst. Het eigenlijke overleg begon dus eerst, zoodra de heer Vrolik was teruggekeerd. De groote lijnen der verdeeling van het net werden toen eerst voor-goed met de Hollandsche spoor en de regeering besproken. Bij de regeering stond op den vóórgrond, dat men twee als het ware in zich-zelf geconcentreerde Spoorweg-maatschappijen voor het gansche land zou verkrijgen, die in de gelegenheid werden gesteld, op elk punt naar het buitenland met elkander te kunnen concurreeren. Bij onze Maatschappij was hoofdzaak de verbinding met Amsterdam door overneming van Amsterdam-Emmerik, Utrecht-Rotterdam en een Centraal-spoorweg. Voorts zou dán een zeer uitgebreid recht van ‘running-power’ aan beide Maatschappijen worden gegeven. De Hollandsche spoor zou volledige verbinding met Duitschland verkrijgen, ook gedeeltelijk met België. Leiddraad van onze overwegingen was, dat wij aan onze aandeelhouders moesten kunnen aantoonen, dat wij financieel in geen slechter conditiën kwamen, dan waarin wij tot nu toe waren gesteld. Op die wijze vorderden dan ook de onderhandelingen. Toen eensklaps in de maand Juli twee groote struikelblokken zich voordeden, waarover de heer Vrolik niet kon heênstappen. De eerste was, dat de staat beslag legde op al onze fondsen, als verkregen en gereserveerd uit de bruto-ontvangsten; de tweede was, dat onze directeur-generaal de overtuiging voor zich zelven begon te koesteren, dat de Hollandsche spoor door den staat financieel meer werd bevoordeeld dan de Staatsspoorwegen; hij eischte door den staat op gelijken voet gesteld te worden als de Hollandsche spoor. Het eerste struikelblok, de fondsen, werd nu op meesterlijke wijze geëffend door den heer A.C. Wertheim. Het tweede struikelblok nam ik voor mijn rekening. Ik betoogde, dat de gansche zaak niet mocht afspringen op het beweren, dat de Hollandsche spoor, straks onze éénige concurrent, krachtiger zou worden dan wij. Dit was zij thans in zekere mate ook mú. Wij, die den eisch stelden, dat wij bij de nieuwe regeling, welke wij in groote lijnen als plan toejuichten, financieel niet zouden achteruitgaan, konden het der concurreeren de maatschappij

[p. 308]

niet euvel duiden, wanneer zij in zake der financiën datzelfde standpunt innam. De voordeelen voor ons waren tastbaar: 1° de vaste huur, zij het dan gecorrigeerd door de winstverdeeling en door art. 20; voor die vaste huur kochten wij onze vrijheid: de overeenkomst toch van 1876 trok en bond ons in al haar artikelen, met zooveel draden en koorden, was een netwerk van afhankelijkheid en contrôle; 2° de aansluiting van ons net aan de hoofdstad; 3° de mogelijkheid om gpedkooper te exploiteeren, daar wij vele faux frais konden vermijden: in plaats van verwoede concurrentie zou, door den loop der ontwikkeling, min of meer geregelde samenwerking tusschen de beide Maatschappijen moeten ontstaan, elke der twee maatschappijen blijvende op haar eigen gebied. Lieten wij nú de ons aangeboden kans varen, dan zouden wij geheel geïsoleerd staan, waren wij zeker van de blijvende tegenwerking der regeering, en zouden wij aan de Hollandsche spoor de verleiding gemakkelijk maken, om wellicht haar slag te slaan en de Rijnspoor zelve ‘en bloc’ te nemen. Voor deze argumenten boog onze Raad van commissarissen, de heer Vrolik echter niet - Vergadering op vergadering volgde. Samenkomsten hadden plaats met de regeering. Lange besprekingen met de ministers van Financiën en Waterstaat, o.a. in het departement van Waterstaat op 12 Juli 1889. Alles duurde wegens het ingewikkelde der questie zeer lang. Ik herinner mij een vergadering te mijnen huize op Dinsdag 27 Augustus 1889, van 's ochtends 10 uur tot 's avonds 10 uur, tusschen de heeren Geertsema, Wertheim, Wurfbain en mij met de heeren van Bosse, Oyens en Rijperman (lid der Commissie van Toezicht). Wij, de commissie uit de commissarissen, naderden tot de inzichten der regeering, doch de heer Vrolik werd hoe langer hoe onverzettelijker en bijna koppig. Toen begon een bitter drama. Een strijd in eigen boezem. Vrolik, die al zijn leven gewerkt had, om de verbinding van het Staatsspoorwegen-net met de hoofdstad te verwerkelijken, die vroeger alle bezwaren en tegenwerking had overwonnen, verloor zijn fier en krachtig zelfbezit. In het gezicht van de haven liet hij het stuur aan anderen over. Hij wilde niet toegeven, dat hij in zekeren zin gelijke voorwaarden van de regeering kreeg als zijn vriend en tegenstander van Hasselt. Hij overwoog het besluit om af te treden. Nog ééns zouden wij, met ons beiden alléén, aan de ministers onze bezwaren voordragen. Het geschiedde Zaterdag 31 Augustus 1889. Nooit heb ik zulk een droeven gang gedaan als op dien tocht naar Den Haag. Wij beiden spraken met

[p. 309]

de twee ministers. Geen van hen gaf toe. Toen deden Vrolik en ik een lange eenzame wandeling in het Bosch. Wij waren alléén en zwegen. Het weder was verrukkelijk. Men voelde de suizel-stilte van het woud. Lichte wolken dreven in de blauwe lucht. De zonnestralen trilden langs de dichtgebladerde boomstammen. Op de vijvers weêrkaatste de zacht rimpelende stroom den groenen oeverkant. Doch wij zagen dat alles ter nauwernood. Wij dachten niet meer aan harmonie of overéénstemming. Vrolik had, als stout speler, zijn levens-lot op één worp gezet, en die worp faalde. Zijn gelaats-trekken werden hoe langer hoe strakker, zijn kleur bleeker. Het stormde in zijn brein. Hij bood definitief kort-af mij zijn ontslag aan.

 

De verdere onderhandelingen liet hij aan mij en de Commissie van Bijstand uit de commissarissen over. Noodgedrongen namen wij de zware verantwoordelijkheid op ons. Bij verdere vergaderingen zat de heer Vrolik met zijn lichaam, niet met zijn geest. Hij liet alles begaan, totdat 17 October 1889 de aandeelhouders hem zijn eervol ontslag gaven, en in zijn plaats benoemden den heer J.L. Cluysenaer, den vroegeren secretaris der Maatschappij, die in de laatste jaren was opgetreden als directeur der Zuid-Afrikaansche Spoorweg-maatschappij, welke betrekking hij thans vaarwel zegde.

Intusschen werd de overeenkomst met de regeering, over de verdeeling enz. van het spoorweg-net in Nederland, in het volgende jaar 1890 (de Tweede Kamer der Staten-Generaal nam het aan 18 Juni, de Eerste Kamer 17 Juli) door de regeering bekrachtigd.

Vooraf hadden wij onzen aandeelhouders op 4 November 1889 de artikelen dier overeenkomst voorgesteld.

Namens commissarissen hield ik in de vergadering de volgende door mij opgestelde rede:

Wederom komen wij tot U met een voorstel ter verandering van de grondwet onzer Maatschappij.
In de zes en twintig jaren van ons maatschappelijk bestaan hebben wij, gedurende de eerste helft van dat tijdvak, geleefd onder de bepalingen der zoogenaamde concessie van 1863. Toen die concessie financieel ons dreigde te gronde te richten - daar, bij de schaal der uitkeeringen aan den staat, niet genoeg rekening was gehouden met de telkens bij iedere uitbreiding van het vervoer klimmende sommen der uitgaven - is in 1876 de overeenkomst met den staat tot stand gekomen, die uit den financieelen druk ons ophief. Wij hebben (andermaal dertien jaren) onder de betrekkelijk rustige heerschappij dier overeenkomst
[p. 310]
van 1876 geleefd, en thans wordt door den staat - naar aanleiding van de voorgenomen opheffing en liquidatie der Rijnspoorweg-maatschappij - een geheel nieuw contract ons aangeboden.
Het is een veelszins ingewikkeld stuk, dat, naar aanleiding der onderhandelingen tusschen de regeering en ons, aan uw oordeel wordt onderworpen.
Wij ontveinzen ons niet, dat wij vele bepalingen anders hadden gewenscht. Wij houden ook de verklaring, niet terug, dat wij, bij het aanvaarden dezer voorwaarden, waarlijk niet alléén rekening hebben gehouden met dat wij verkregen, maar ook met de gevolgen, die middellijk of onmiddellijk voor ons uit eene afwijzing zouden kunnen voortvloeien. Deze gevolgen zouden, zeer zeker, enkele gunstige positiën, die wij sinds, jaren met moeite hebben verkregen, in gevaar hebben kunnen brengen. Wij hebben dus begrepen aan de wenschen der regeering te moeten voldoen, ook omdat wij werkelijk gelooven, dat de nieuwe overeenkomst met den staat aannemelijk is. Wij zullen de gronden van dat gevoelen U kortelijk uiteenzetten.
Die gronden zijn deels ontleend aan onze algemeene spoorwegpolitiek, deels aan motieven van financieelen aard. Wij zullen beide soorten van beweegredenen afzonderlijk behandelen.
Allereerst verzoeken wij U op drie veranderingen en wijzigingen te letten, die door deze overeenkomst in onze spoorweg-politiek zullen worden teweeg gebracht.
a. Wij verkrijgen toch al dadelijk door deze nieuwe overeenkomst een beter spoorweg-net. Onder de tegenwoordige overeenkomst van het jaar 1876, is ons net gebleken nog altijd te veel een samenrijging van fragmenten te zijn. Wij waren allengs in het bezit gekomen van uitstekende overgangen over de grenzen, bruggen naar het buitenland. Maar de impulsie van binnen-uit was niet goed geregeld, of in het geheel niet in onze macht. Met name waren wij niet in de hoofdstad. Van Amsterdam waren wij buitengesloten. Wij hebben vele, en velerlei pogingen gedaan, om er te komen, doch telkens werden wij teleurgesteld. Deze overeenkomst brengt ons nu van zelve te Amsterdam. Wij zijn door deze overeenkomst geheel en al, volkomen, in het hart van het land. Wij zullen de bevoegdheid hebben, om van uit de hoofdcentra van het verkeer van ons land (van Amsterdam en Rotterdam) langs de koorden van een goed aanééngesloten net het vervoer te regelen. De springveeren, die het verkeer drijven, zijn in onze macht. Wij zijn daardoor werkelijk in staat gesteld een krachtige productie-factor van ons land te blijken.
b. Wij zullen - ziehier een tweede gunstige verandering - bij het exploiteeren van dat net redelijk vrij in onze beweging zijn. In den werkkring van het vervoer, die ons is opgedragen, zullen wij meer dan vroeger kunnen verrichten, wat wij in het belang onzer maatschappij meenen te moeten doen. Zelfstandigheid binnen onzen kring is ons in zekere mate toegestaan. Dit is een groote verbetering boven den toestand, zooals wij dien
[p. 311]
kennen onder de tegenwoordige overeenkomst van het jaar 1876. Het contract van 1876 gaf ons financieele kalmte en onbezorgdheid. Wij zijn dankbaar aan hen, die dat wisten te verkrijgen. Maar wij kochten het voor veel opoffering van vrijheid. Onder den schoonen en vagen naam van deelgenoot of vennoot van den staat, waren wij inderdaad een afhankelijke dienares der regeering. Niet weinige artikelen van dat contract waren scherpe ijzerdraden, die ons vasthielden en knelden. Op zeer veel had de regeering contrôle. De ‘associé’ werd nooit losgelaten; hij werd met zorg bewaakt en in een gareel, soms in een nauwsluitend keurslijf, gehouden. De voet waarop de stortingen in de fondsen moesten geschieden, en het gemis aan bevoegdheid, om ze naar eigen opvatting te gebruiken, bezwaarden onze exploitatie op eene wijze, die uit meer dan één oogpunt, aan bedenkingen onderhevig was. De afstand der 20% bruto ontvangsten hinderde ons in het toestaan van vervoer tot zeer lage tarieven, omdat wij in dat geval meer aan den staat moesten betalen, dan wij voor ons zelven overhielden. Slechts zeer behoedzaam, en altijd belemmerd, konden wij in dit opzicht onze wenschen volgen. Van nu af aan, als de nieuwe overeenkomst wet wordt, kent de staat ons zelfstandigheid in eigen kring toe. Onze verhouding tot de regeering is duidelijk omschreven. Wij hebben stellige plichten jegens de regeering te vervullen, maar zijn dan ook, na de voldoening dier plichten, vrij in onze beweging. Wij zullen een taak, een functie, volvoeren, die ons, in de oogen der buitenwereld op een onafhankelijk regeerings-agent zal doen gelijken; maar wij komen niet meer in de positie eener vaste associatie met den staat; een toestand, die voor ons altijd uitliep op de bekende gevolgen der vertrouwelijke wandeling van de ijzeren en aarden pot uit La Fontaine's fabel.
c. Er wordt - ziehier een derde wijziging - op het veld der spoorwegen in ons land door deze nieuwe regeling, waarvan het U aangeboden contract een der deelen is, een soort van arbeidsverdeeling tusschen de groote Spoorwegmaatschappijen tot stand gebracht. Deze verdeeling leidt tot eene betere organisatie van het verkeer. Voor de belangen van onzen handel met het buitenland, wat de transporten der goederen betreft, is die schrede van groot belang. Concurrentie blijft er, onverschillig of de derde groote Maatschappij is opgeheven, maar er is voortaan concurrentie tusschen slechts twee Maatschappijen; en door zóó verstandige indeeling en leiding, als nu wordt beproefd, kan de bestaande mededinging voor de Maatschappijen minder kostbaar worden, met het gevolg, dat de mindere uitgaven ook aan het publiek ten goede kunnen komen. De regeering houdt daarbij in naam van het algemeen belang, de draden van het geheel in handen, door hare macht over tarieven en dienstregelingen. Het algemeen zal er dus altijd wèl bij varen, 't Is waar, onze Maatschappij moet, ter wille van dat beginsel der arbeids-verdeeling, enkele groote opofferingen doen. Een zeer belangrijke lijn, Dordrecht - Elst, moet geheel
[p. 312]
door haar worden afgestaan; op alle richtingen naar Duitschland en België en elders moeten wij een mede-gebruik op onze wegen van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij gedoogen. Maar toch zaI, naar ons oordeel, deze arbeids-verdeeling tusschen twee groote Maatschappijen, die beide volkomen toegerust en in staat zijn om tegen elkander te concurreeren, ook voor onze Maatschappij voordeelig blijken.
Deze drie punten: - de verkrijging van een flinker net, het bekomen van grooter vrijheid van beweging, en het vestigen van arbeidsverdeeling tusschen ons en onzen concurrent - zijn als het ware de drie kenteekenen, welke de nieuwe overeenkomst uit het oogpunt der spoorweg-politiek onzer Maatschappij gunstig karakteriseeren. Door de vereenigde kracht dezer motieven zal grooter stelselmatigheid in ons bedrijf, vaster resultaat onzer krachts-inspanning kunnen worden verkregen.

Na deze meer algemeene beschouwingen werd de financieele zijde van het vraagstuk door mij aan de aandeelhouders toegelicht, waarbij ik er op wees dat ook onze - Maatschappij het recht verkreeg - als de omstandigheden veranderden - deze overeenkomst met den staatopte zeggen.

De aandeelhouders namen de overeenkomst met algemeene stemmen aan. Slechts één der aandeelhouders, de staatsraad Mr. P.F. Hubrecht, gaf een zeer beteekenis-vol advies op de vergadering, toen hij aan het bestuur in overweging gaf, liever voortaan niet zijn kracht te zoeken in concurrentie met de tweede groote Maatschappij, de Hollandsche spoor, maar in samenwerking.

Hij, die in onze Maatschappij op den vóórgrond kwam na het terugtreden van den heer W. Vrolik, was de heer Geertsema. Hij werd in zekeren zin de geestes-beheerscher van het nieuwe tijdvak onzer Maatschappij, toen van 1890 tot 1900 de heer Cluysenaer directeur-generaal was.

Het is hier de plaats zijn beeld te teekenen.

Hij was reeds bejaard, toen hij in December 1885 in onzen kring zitting nam, omstreeks zeventig jaren oud. Elk tiental jaren woog dus voor hem, totdat hij in de lente van 1908 op twee-en-negentig-jarigen leeftijd ons ontviel. Maar c'e eigenschappen, waardoor hij uitmuntte, bleven, behalve zijn beminnelijken eenvoud, altijd-door, zijn groote frischheid, zijn jeugdige groenende ouderdom. Frischheid. In al wat hij sprak en deed was iets zeer oorspronkelijks, iets oprechts, iets dat deed denken aan een stevige bries, die u langs het gelaat streek. Trouwens, hij kwam uit het Noorden van ons land, uit de stad en het gewest, waaruit zoo dikwijls de beste krachten van ons land zijn voortgekomen. Onze hedendaag-

[p. 313]

sche schilderschool is uitnemend, maar de opmerkelijkste vertegenwoordigers zijn misschien de twee, die in Groningen zijn geboren: Israëls en Mesdag. Er was een vijftig-, zestigtal jaren geleden in datzelfde Groningen een groep van jonge staatkundigen, die ons volk beslister voorwaarts wilden doen opgaan. Professor Tellegen was wellicht de uitnemendste van die groep. Onze Geertsema was in hun midden een man van actie, man van de daad. Een man bovendien van groote menschen-kennis. De burgerij, de geheele landstreek van Groningen waardeerde hem. Men wees hem met den vinger aan, en gaf hem in Groningen allerlei mandaten. Men genoot van zijn heldere voordracht, zijn vastheid van oordeel, zijn rake opmerkingen. Straks, in 1863, vaardigde men hem in dat Groningen af naar de Staten-Generaal, waar zijn kloek optreden nieuwe banen hielp openen. Dáár was zijn houding zoo flink. Dat levendige behield hij tot op het laatst. In onze vergaderingen der Staatsspoorwegen hadden zijn woorden altijd een helderen, zuiveren klank. Die frischheid in zijn adviezen en daden hing samen met wat ik zijn voortdurende jeugd zou durven noemen. Zonderling: deze oude man, die zooveel ouder geworden is dan al zijn tijdgenooten, die ze allen heeft overleefd, is eigenlijk in gedachten en gevoelens nooit oud geworden, nooit verouderd. Onder onze commissarissen der Staatsspoorwegen was hij de veerkrachtigste en scherpzinnigste van allen. De jaren gleden langs hem heên, het was haast alsof zij in het voorbijgaan hem liefkoosden. Hoeveel leed hem ook later trof, hij bleef optimistisch en opgewekt. Zijn vertrouwen in de toekomst werd nooit geschokt. Hij geloofde in de toekomst. Hij bleef jong met de jongeren. Hij was nooit strak absoluut, altijd blijmoedig resoluut. Hij was steeds in de stemming van hem, die den dageraad begroet. Zag hij nevelen, welnu, het waren de nevelen van den morgenstond, nevelen, die het opgaan van de zon voorafgaan, niet verhinderen. Zóó heb ik hem gekend bij elke eenigszins moeilijke onderhandeling in den kring der Staatsspoorwegen. Wat hem jong hield, was zijn lust tot arbeiden. Elke taak nam hij op zich in de sfeer, die hem was toebedeeld. Met zijn vluggen stap ging hij als van-zelf voorwaarts, aan het hoofd der anderen. Zijn tintelend oog riep allen op, om hun plicht te doen. Zijn rechterhand gaf houvast. Voor hem was plicht altijd éénsluidend met het ‘feu sacré’, waarvan weleer de Fransche keizer sprak. Wat is feu sacré? vroeg men Napoleon. Hij antwoordde: ‘Plus qu'on ne: doit:’ Welnu, de oude-jonge Geertsema deed altijd méér dan bij

[p. 314]

behoefde. Ter beschaming van ons allen. Die twee trekken, die ik opnoemde - zijn frischheid en zijn jeugd - stempelden hem tot een der beminnelijkste burgers van ons land. Zeker, onder hen, die op het staats-terrein met en naast hem werkten, zijn er geweest, wier gaven meer buitengewoon, meer ‘hors ligne’ waren, maar geen enkele is er geweest, bij wien het ‘ensemble’ dier gaven zóó harmonisch inéén sloot. Er ging een bekoring uit van de samenstemming van karakter, beleid, scherpzinnigheid, blijmoedigheid en drang tot handelen. Het geheel ademde beminnelijken eenvoud. Hij was in zijn vormen de vriendelijkheid en voorkomendheid zelve. En die vormen waren niet anders dan de weêrglans van zijn wezen. Het is zooveel waard. Zij, die thans zich voordoen, als, bij uitsluiting van anderen, de mannen te zijn der ‘gemeenschap’, weten haast niet anders te doen dan afscheiden en verbitteren. Geertsema behoorde nog tot de oude school. Hij sprak nog van toenadering, van verzoening. Of liever, hij sprak niet daarvan, hij deed het. Hij was goed voor een ieder. Hij was in den omgang vertrouwelijk, toegankelijk, gemeenzaam en tactvol. Hij was aan de zijde van hen, die pogen te werken uit liefde.

Cluysenaer, de nieuwe directeur-generaal, was in dit opzicht de man naar het hart van mr. Geertsema. Ook hij was bij ons allen geliefd en welkom. Hij gaf den indruk van een volmaakt correct uitvoerder van onze wenschen. Hij verwezenlijkte in de verte eenigszins het beeld - als ik mij dus mag uitdrukken - van een ideëel uit den krijgsdienst teruggetrokken kolonel, zooals Thackeray zulke figuren wist te teekenen. Terwijl de Raad van commissarissen onzer Maatschappij altijd in zekere onrust, emotie en zucht tot oppositie verkeerde tijdens het directeurschap van den heer Willem Vrolik, was er voortaan, na het beleidvol optreden en de duidelijke uitéénzettingen van den heer Cluysenaer, behaaglijke kalmte in de leiding der zaken. Cluysenaer-zelf behield zijn bedaarde waardigheid en zelfbezit, en de Raad waardeerde in hem den besten dienaar, dien zij kon begeeren. Het wapen van zijn woorden en daden was een degen voor den Raad. Vooral het comité, waarin allengs de heer jhr. mr. Röell eene belangrijke plaats innam, - zijn broeder baron mr. W. Röell nam éénzelfde positie in bij de Hollandsche spoorwas in den regel geheel éénsgezind met den nieuwen directeur-generaal. In dat comité werd trouwens alles voorbereid en vóóraf besproken. Slechts op twee punten bleek eenige ‘nuance’ van verschil, doch verschil, dat niet door persoonlijken aanleg, maar door de in de Maatschappij

[p. 315]

zelve liggende omstandigheden veroorzaakt was. Bij deze verschil-punten werd altijd een geleidelijke lijn van oplossing gevolgd, omdat de groote meerderheid der commissarissen met klem de begrippen van den heer Cluysenaer ondersteunde, en de minderheid overtuigd was van de reine bedoeling van den directeur. - Het eerste punt had betrekking tot de plaats van den zetel der Maatschappij. De Amsterdamsche leden van den Raad - de heeren A.C. Wertheim, Wurfbain en ik-zelf - hadden, na de tot-standkoming der overeenkomst van het jaar 1890, den zetel naar Amsterdam willen verleggen, om onze Maatschappij als 't ware in de atmosfeer en drukke beweging van een groote handels-stad te kunnen brengen. Indien de verplaatsing naar Amsterdam, ter_wille der samenleving met de Hollandsche spoor niet gewenscht werd, hadden zij zich dadelijk nedergelegd bij een verplaatsing naar Rotterdam, die soortgelijke voordeelen opleverde voor een leiding der Maatschappij als handels-zaak. De groote meerderheid der commissarissen - men houde in 't oog dat elke provincie feitelijk een eigen vertegenwoordiger in ons college had - wenschte zulk een verhuizing niet, en gaf de voorkeur - naar mijn inzicht een groote fout - aan een blijvende vestiging in het plaatselijk centrum van ons land: in Utrecht. De minderheid bleef bij haar eigen inzicht, doch wenschte, toen 20 November 1891 de zaak ter sprake kwam, en de meening bij de meerderheid vaststond, de zaak niet tot een stemming te brengen: zij liet slechts een protest hooren, ging mede bij den aankoop van een terrein voor vergrooting van het Utrechtsche centraalbureau, mits goed geconstateerd werd, dat de questie der al of niet-overplaatsing naar Amsterdam niet voor-goed werd geprejudicieerd. - Een tweede nuance van verschil deed zich soms voor bij de toepassing zelve der overeenkomst. Het was de questie der vingerwijzing van den heer Hubrecht op onze aandeelhouders-vergadering van 4 November 1889. De overeenkomst was gebaseerd op het begrip van concurrentie der twee groote Spoorwegmaatschappijen in het belang van handel en verkeer. De heer Hubrecht wees er toen dadelijk op, dat samenwerking der beide Spoorweg-maatschappijen de voor de hand liggende praktijk zou moeten zijn. De heer Vrolik had dit logisch postulaat zelfs in een geheim contract uitgewerkt. Onze commissarissen nu meenden, dat, zonder het vroeger door den heer Vrolik bedoeld oogmerk direct op te volgen, toch, indirect het streven van onze Maatschappij moest zijn, om over enkele speciale punten samen te gaan met de heeren

[p. 316]

der Hollandsche spoor. De overeenkomst van 1890, zóó redeneerden zij, bedoelde concurrentie. Maar wij konden misschien veel doen om de asperiteiten der concurrentie weg te nemen, die geheel en al in het voordeel kwamen van tusschen-personen, en wij konden te zamen strijd voeren tegen den gemeenschappelijken vijand in het buitenland. Dus wilden zij concurrentie, met strenge loyale uitvoering van wat binnenhet terrein der concurrentie kon worden overééngekomen, bij voorbeeld: dat men tot geen verlaging van tarieven zou overgaan zonder elkander te waarschuwen; dat men vaste arbiters zou benoemen buiten onzen kring staande. De Raad wenschte dit alles vooral voor het goederen-vervoer, en wilde aan het personen-vervoer algeheele vrijheid aan de Maatschappijen gunnen. Achteréénvolgens zou men fragmentarisch, stap voor stap, maatregelen kunnen vaststellen, die onze spoorweg-politiek in het buitenland voor beide Maatschappijen zouden afronden, ten einde allengs in de materie van het goederen-vervoer een ‘gemeen accoord’ vast te stellen, een voorbereiding tot meer éénheid. Het doel was natuurlijk het financieel voordeel voor beide Maatschappijen. De reducties, die wij ter wille der onderlinge concurrentie onzer twee Maatschappijen, aan derden gaven, moesten in ons eigen voordeel komen. Voorts kon dàn in de dienstregelingen, door wegvalling van overtollige treinen, bezuiniging, worden verkregen. Het financieel voordeel was het doelwitMaar ook het moreele oogpunt woog. En wèl in tweederlei zin. Eerst in eigen kring, wijl men dan, als er betere verstandhouding was, in eigen boezem de overprikkeling kon doen bedaren. Welk een tijd kostte toch dat voortdurend strijdvoeren tegen elkander! Maar ook buiten onze meer enge sfeer zou men in het land - wijl men zag dat de beide Maatschappijen op elkander rekenden - ophouden op ons beider jaloerschheid te speculeeren, en zou het door derden (expediteuren, cargadoors en anderen) gevolgde stelsel, om telkens vliegen van onze beide Maatschappijen af tevangen, tot het verleden kunnen behooren. Dit alles werd meermalen in onzen Raad van commissarissen bepleit. Men wenschte geen ‘pool’ der inkomsten van onze twee Maatschappijen, maar over en weder vertrouwen. Ongelukkig werd dit streven echter gedwarsboomd door de questie der personen. Cluysenaer, van aard eenigszins vormelijk, hooghartig en voorzichtig, steeds hoffelijk in toon en manieren, daarbij volkomen eerlijk en trouw ook in kleinigheden, doch soms ietwat meesterachtig, kon zich niet wennen aan de schijnbaar meer nonchalante

[p. 317]

wijze van doen van den feitelijken leider der Hollandsche Spoorweg-maatschappij. Deze was vóór alles ‘man van zaken’, met al de allures: het kort aangebondene, het pittige, het telkens in woorden wisselende of afbijtende van zulk een karakter. Het zelfvertrouwen van den heer van Hasselt was onwrikbaar, zijn kijk op de zaken als van een koopman die geld moet verdienen, zijn wil dadelijk scherp bepaald, zijn geestkracht evenredig aan zijn drang om te arbeiden, om vooruit te komen. Zijn toon leek meestal kort-af. Cluysenaer overwoog nog bedaard, wanneer zijn bondgenoot reeds handelde, en dikwijls handelde tegen een zoo even met Cluysenaer gehouden bespreking in. Onze directeur-generaal meende dàn te kunnen wijzen op het vage der hem aangeboden voorwaarden, klaagde nu en dan over een al te weinig ontzienden tegenstander. Het einde was, dat de drijfveeren van hen onder de commissarissen - wij noemen hier vooral A.C. Wertheim, Geertsema en mijn persoon - die meer aanéénsluiting der twee Maatschappijen wenschten, niet tot bepaalde resultaten voerden.

Overigens waren de zaken, die (naast het dagelijksch werk der Maatschappij) door den heer Cluysenaer - bijgestaan door zijn bij uitstek wakkeren secretaris en plaatsvervanger, den helaas te spoedig overleden heer Nivel - werden tot stand gebracht, zwaar-wichtig genoeg. Wij wijzen enkel op de reorganisatie van de Centraalspoorweg-maatschappij; op de afrekening met den staat over den spoorweg Leiden-Woerden; op de regeling eener te-gemoet-koming aan het personeel der vroegere Rijnspoorweg-maatschappij; op de bevestiging van de Stoomvaartmaatschappij ‘Zeeland’ tegenover de door de Hollandsche spoor opgeroepen lijn van den Hoek van Holland; op de bemoeiing met de lijn Vlissingen-Hull; op de samensprekingen met Boxtel-Wezel; op den koop van den Zuid-Ooster Spoorweg; op het leggen van den Zuiderspoorweg in Limburg; op de tot stand koming van 't lijntje Herzogenrath-Sittard; op den aanleg van velerlei tram-spoorwegen; op de zorgen sinds 1896 om een uitgebreid en goed goederen-station te Amsterdam zich te verzekeren; op den strijd wegens den Noord-Ooster locaalspoorweg; eindelijk op den kamp om de belangen van het Belgisch goederen-vervoer langs onze Noord-Brabantsche lijnen te verzekeren, toen de Belgische staat in Januari 1896 de lijnen van den ‘Grand-Central’ naastte en ons van de lijnen Luik-Limburg losmaakte.

Het gewone en buitengewone werk der leiding van onze

[p. 318]

Maatschappij vereischte dus bij den directeur-generaal meer dan gewone inspanning. En terwijl hij met zijn hoogere ambtenaren aldus dag en nacht zorgvol werkte en waakte, om alles binnen de perken eener zuinige huishouding te houden en te dringen, namen intusschen de uitgaven der exploitatie in onrustbarende mate toe. De inkomsten vermeerderden, zooals wij bij het aangaan der overeenkomst van het jaar 18