terug  begin  verderprepost
[p. 231]

Hoofdstuk X.
Socialisme der Fransche achttiende eeuw.

In de geschiedenis der beschaving trekt altijd eigenaardig die Fransche achttiende eeuw aan. Dat tijdvak als geheel genomen - van 1740 zich uitstrekkende tot 1780 - heeft niets van de forsche, gezonde 16de eeuw, met haar Hervorming en haar Renaissance: niets van de statige, deftige evenredigheid van vorm en inhoud der 17de eeuw: het staat geheel op zich zelf. De geest van die 18de eeuw is prikkelend, ontkennend en altijd raisonneerend. De Muze slaat de stoute oogen vragend op, en laat tegelijk door haar blanke vingers een passer glijden. Men is bezig het oude gebouw te ondermijnen, vast overtuigd, dat wat men zal doen oprijzen veel beter en schooner zal wezen. Alle standen en groepeeringen der oude maatschappij zetten onbewust en bewust tot dat ondermijningswerk aan. Het bevoorrecht ‘ancien régime’ geeft aanleiding en stoot aan alles: het maakt, met een zeker nooit meer te evenaren bevalligheid en fijnheid van vorm, gebruik van al zijn privileges, handelt, alsof er buiten zijn kring geen wereld meer bestond, speelt zóólang zijn bekoorlijk spel, totdat de andere standen jaloersch de wenkbrauwen fronsen, en 't gemompel begint, dat het niet recht is, als het leven voor een klein deel der menschen spel, voor de anderen zoo harden ernst beteekent: - de ‘marquises,’ en al die figuurtjes ‘à la Watteau,’ met het dons op de wangen, den kus op de fijne lippen, schertsen - terwijl de tengere hand den waaier ontplooit, waarop een herders-idylle is geteekend - onder een guitig lachje zoolang met gemoed en liefde, totdat het gemoed van zelf zijn rechten herneemt. En aan den anderen kant vangen de Encyclopedisten aan werkelijk alle verhoudingen in de wereld bijna mathematisch na te gaan en te toetsen. Zij zijn slanke, kranige figuren, wier oogen blinken als vuur, wier gebaren hartstochtelijk, wier toon luidruchtig zou dreigen te worden, wanneer niet een aangeboren tact hen van al zulke ruwheid van onbeschaafde lieden verre hield. Zij beginnen aan verlichting te arbeiden: vooruitgang te bewijzen: de rechten van het verstand en van den geest te bepleiten, op gevaar af, dat zij soms nieuwe privileges van het vernuft stellen in de plaats van de oudere der geboorte: zij gaan verdraagzaamheid leeren: eindelijk den plicht

[p. 232]

van 't twijfelen in vollen omvang onderwijzen. En zij allen, haast als terugslag op 't gemor, dat 't ‘ancien régime’ bij de andere standen deed ontstaan, en op den soms zoo teederen eisch, dien de spotzieke vrouwen-wereld zich in zwakke oogenblikken liet ontvallen, spraken steeds van een natuurtoestand, van een rijk der natuur, als van de toekomst, die weder kon verwerkelijkt worden.

Daartoe had het dan de studie van het zoogenaamde natuurrecht gebracht, dat langzamerhand een ieder naar den vermeenden natuurtoestand opzag als naar een ideaal1). De advocaten en juristen, wier invloed zoo groot was en is in Frankrijk, hadden zoolang over de natuurwet gesproken en geredeneerd, hadden zoolang, geholpen door de constructies van Grotius en zijn school, op onveranderlijke uitspraken der natuur zich beroepen, dat zij aan dat begrip een voor ieder verstaanbaren vorm hadden gegeven. Uit het natuurrecht hadden zij, als eerste overwinning der moderne zienswijze en als eerste revolutionnair beginsel, het dogma der ‘gelijkheid van alle menschen’ weten af te leiden. En thans maakte in die achttiende eeuw de publieke opinie zich van die denkbeelden van juristen en legisten meester, en begon een ieder, in plaats van met het begrip van natuurrecht, zich reeds bezig te houden met het begrip van natuurtoestand en natuurstaat, en voor dien natuurtoestand stelsels en wetten te ontwerpen. Het was zoo gemakkelijk, omdat ieder zich onder het begrip van natuurtoestand kon voorstellen wat hem goeddacht. Aan werkelijk geschiedkundige studie van de oudste vormen van onze menschelijke maatschappij werd niet gedacht: men verwierp zelfs de gegevens, die de gewijde oorkonde van ons geslacht, de Bijbel, hieromtrent reeds als historisch document geeft: neen, men spon regelmatig de constructiën uit het eigen brein af: men liet zich in zijn arbeid door geen enkel lomp feit uit het werkelijk verleden storen.

Onder die allen, die aan het omschrijven van zulke natuurtoestanden denken, zijn er nu ook, die meer bepaald op socialistische wegen vervallen. Zij vonden in Frankrijk reeds enkele voorgangers. In de zestiende eeuw had Montaigne's vriend Etienne de la Boétie (1530-1563) in zijn geschrift ‘De la Servitude volontaire’ sterker dan iemand ter wereld het begrip der gelijkheid ontwikkeld. En in de éénige politieke beroering, die het Frankrijk der zeventiende eeuw had gekend, waren er soms stemmen gehoord, die de grondslagen zelven der bestaande maatschappij gingen aantasten. In het tijdperk der Fronde toch stond zooveel op lossen voet. De gedenkschriften van de Retz gunnen ons hier en daar blikken op hetgeen in het hoofd van sceptische mannen als des Barreaux moet zijn omgegaan2). En de groote denker, voor

[p. 233]

wien dat tijdvak der Fronde niet zonder lessen en invloed voorbijging, Pascal, schreef later in zijn ‘Pensées’ een gedachte over den oorsprong van het eigendom op, die ieder socialist zou onderteekenen: - ‘ce chien est à moi, disoient ces pauvres enfants: c'est là ma place au soleil: voilà le commencement et l'image de l'usurpation de toute la terre’ -: terwijl hij, in zijn breede, sarcastische ontwikkeling over den oorsprong van recht en wet als het ware een pijlkoker van denkbeelden zou aanbieden, waaruit ieder socialist zijn snorrend schiettuig zou kunnen nemen. Wij kennen ze alle van buiten, zinsneden als de volgende: ‘plaisante justice qu'une rivière borne! vérité au deçà des Pyrenées, erreur au delà’: of deze: ‘se peut-il rien de plus plaisant, qu'un homme ait droit de me tuer, parcequ'il demeure au delà de l'eau, et que son prince a querelle contre le mien, quoique je n'en aie aucune avec lui’: of deze: ‘tout branle avec le temps’: of zijn bittere uitéénzetting, dat het wezen van het recht, en dus de bouw der maatschappij, op geen stevigen grondslag rust, en meestal slechts een verjaring van onrecht is1).

Op zulke stellingen van Pascal, door La Fontaine's fabelen geïllustreerd - wij denken o. a aan de fabel over ‘Le chat, la belette et le petit lapin’ met den versregel ‘la terre est au premier occupant’ - een enkele maal door Bossuet in 't voorbijgaan onderschrapt, waar hij in zijn preeken2) den toestand der armen kenschetst, werkten nu mannen der achttiende eeuw in Frankrijk fel en heftig voort3). Zij vestigden op zulk een grondslag een gansch gebouw. In het begin bleven het vage socialistische wenschen, zoo zij al voorkomen4). Men vindt zulke verlangens, ook bij den zonderlingen abbé de Saint Pierre, die van 1658 tot 1743 leefde. Hij, de man vooral van het denkbeeld van den eeuwigen vrede, maakte allerlei projecten, die veel trekken gemeen hebben met die van het utilitarisme onzer eeuw: en onder

[p. 234]

die plannen komen nu allerlei aan de denkbeelden der socialisten verwante gedachten voor1). Doch hij was slechts een voorlooper op dit gebied. De eigenlijke socialisten der Fransche achttiende eeuw zijn Jean Meslier, Morelly, Tabbé de Mably, en Linguet.

Wij stellen ons voor hen en hun kring eenigszins uitvoeriger te teekenen.

 

Allereerst houden wij ons bezig met Jean Meslier. Een zonderling geheimzinnige en duistere figuur. Een arme dorps-pastoor uit de Ardennen, dienst doende in de dorpen Entrépigny en But, op den weg naar Sédan: die voor 't oog der wereld trouw den dienst van zijn kerspel vervult, de biecht afneemt, de mis bedient, het laatste oliesel toereikt, al de kerkelijke ceremoniën leidt, geheel de kerk-orde volgt, doch die in zijn eigen gedachtenleven, dat hij voor iedereen verbergt, niet enkel twijfelt aan de overgeleverde leer en dogmatiek, maar het gansche Christendom verfoeit en verafschuwt, den Christus zelven voor een onmogelijken bedrieger houdt, van hem spreekt als van een ‘misérable pendard’, het Gods-bestaan ongerijmd acht, en alles wat met religie samenhangt belachelijke en monsterachtige verzinsels rekent. Nooit heeft men in zijn dorp iets daarvan bevroed. De pastoor deed rustig zijn dienst. Meestal was hij in zijn studeervertrek lezende zijn niet al te talrijke boeken. Hij was - zoon van een werkman of kleinen patroon in wol uit Mazerny in Champagne - in zijn kerspel omstreeks 1692 gekomen, nog geen dertig jaren oud. Hij bleef er tot zijn dood in 1729. Men vond hem droefgeestig en ingetrokken, doch hij zorgde voor de armen, en gaf zijn sober inkomen meestal weg aan aalmoezen. Men mocht hem dus lijden en vond hem gewoon. Een enkele keer merkte men echter, dat er iets anders, iets vreemds in hem stak. Er werd een gesprek van hem verteld uit het jaar 1723. Hij was een bezoek te Parijs gaan brengen bij een vriend, den Jezuïet Bassier: aan tafel, waar ook een jonkman tegenwoordig was, werd gesproken over zeker boek betreffende den godsdienst, geschreven door den abbé d'Houtteville, dat juist uitgekomen was2). De jonkman, een vrijgeest van die dagen, gaf schimpscheuten op het geloof ten beste. Toen antwoordde Meslier koel en streng ‘dat men niet veel geest behoefde te bezitten om de religie te bespotten, maar dat er vrij wat meer verstand noodig was, om dien godsdienst te steunen en te verdedigen.’ Een ander maal had de heer van zijn dorp, de

[p. 235]

baron de Clairy, enkele boeren gekneveld. Bij den Zondagsdienst in de kerk liet hij nu na, het gewone officieel gebed voor den heer van het dorp te doen. De edelman klaagde hem aan bij den aartsbisschop van Rheims, Mgr. de Rohan-Guémené, zijn geestelijk hoofd. Deze gelastte hem het gewone formulier te bidden. De pastoor zou gehoorzamen. Op zijn preekstoel geklommen, deelde hij de beschikking van den aartsbisschop mede, beklaagde zich daarover, en vervolgde aldus: ‘Ziedaar het gewone lot van arme dorps-pastoors: de aartsbisschoppen, die groote heeren zijn, verachten ze en hooren hen niet aan: zij hebben slechts ooren voor den adel. Bevelen wij dus in ons gebed den heer van ons dorp aan, en bidden wij God voor dien heer de Clairy. Vragen wij aan God zijn bekeering, en dat Hij hem de genade bewijze om den arme niet te mishandelen en den wees niet te berooven.’ De heer van Etrépigny was zelf tegenwoordig in de kerk bij dat gebed: hij klaagde hem weder aan. Nu liet de aarts-bisschop de Rohan den pastoor Meslier bij zich komen, en bestrafte hij hem mondeling. Sinds dien tijd was er echter open oorlog tusschen den pastoor en den heer van 't dorp. Meslier verteerde in zijn machteloosheid. Later mompelde men er van, dat hij zich had laten verhongeren.

Toen hij gestorven was, vond men in zijn pastorie twee afschriften van een zeer uitvoerig geschrift, vele honderden foliobladen groot, terwijl nog een derde afschrift van dit manuscript, eveneens door zijn hand geschreven en onderteekend, gedeponeerd was ter griffie van de rechtbank van Sainte-Ménéhould. De afschriften droegen het opschrift: ‘Mijn testament’, en waren geadresseerd aan zijn gemeentenaren, het derde exemplaar moest gegeven worden aan den heer Leroux, procureur eu advocaat bij het parlement van Mezières. De twee in de pastorie gevonden exemplaren werden ter hand gesteld: het ééne aan den groot-vicaris van Rheims, het andere aan den ‘Garde des Sceaux’ (minister van Justitie). Het bleek echter dat er allengs copieën van het werk circuleerden. Zoo werden er na eenigen tijd honderd dergelijke copieën in Parijs gevonden, die men te Parijs voor 10 Louis d'or het stuk verkocht. Voltaire gewaagt er reeds van in een brief van 30 November 1735. Later, in 1762, neemt hij meer bepaald kennis van den inhoud van het manuscript van Meslier, spreekt van een uittreksel uit dat ‘testament’, dat men in Holland heeft gedrukt, en is hij vol verbazing over de ongeloofelijke stoutheid van de uitdrukkingen van dien pastoor over de Christelijke religie. Hij (Voltaire) had het zóó kras niet durven zeggen. Mooi geschreven is het intusschen niet, zegt Voltaire. ‘Il est vrai que cela est écrit du style d'un cheval de carosse’. ‘Maar het beest slaat goed achteruit.’ Eerst in onzen leeftijd, in 1864, is het geheele manuscript in drie stevige deelen uitgegeven te Amsterdam door de zorgen van de firma R.C. Meyer.

Wat ons nu treft, zijn niet de aanvallen tegen den Christelijken godsdienst of liever tegen den godsdienst in 't algemeen. Die aanvallen stemmen geheel en al samen met den deels ongeloovigen,

[p. 236]

deels oppervlakkig rationalistischen geest der Fransche achttiende eeuw. Wat ons echter meer opmerkelijk toeschijnt, is de opvatting van dezen dorps-pastoor met betrekking tot de maatschappelijke inrichtingen van zijn tijd. Let wel daarbij op, dat hij geboren en getogen is op het platteland onder de boeren, en dat La Bruyère in 1687 die landbouwende bevolking van zijn tijd aldus had geteekend: ‘L'on voit certains animaux farouches, des mâles et des femelles, répandus par la campagne, noirs, livides, et tout brulés du soleil, attachés à la terre qu'ils fouillent et qu'ils remuent avec une opiniâtreté invincible: ils ont comme une voix articulée, et quand ils se lèvent sur leurs pieds, ils montrent une face humaine, et en effect ils sont des hommes. Ils se retirent la nuit dans des tanières, où ils vivent de pain noir, d'eau et de racines; ils épargnent aux autres hommes la peine de semer, de labourer et de recueillir pour vivre, et méritent ainsi de ne pas manquer de ce pain qu'ils ont semé’1). Welnu, voor die schepsels nam Meslier het op. In het tweede deel der uitgave van 1864, nadat hij achtereenvolgens heeft pogen aan te toonen, dat het Christendom, als godsdienst en als dogmatiek, niet anders is dan een laag en verachtelijk fanatisme, gaat hij over tot het behandelen der Christelijke zedeleer2). De drie gebreken van die moraal ziet hij in de voorkeur, die zij geeft aan lijden en smart: in de veroordeeling der begeerten en aandoeningen van het vleesch als misdaden waardig een eeuwige straf: eindelijk in de aanbeveling van sommige voorschriften en leefregelen, die openlijk de strekking hebben, om de rechtvaardigheid en natuurlijke billijkheid omver te werpen, om de boozen te begunstigen, en de goeden en zwakken te onderdrukken. Tot die laatste voorschriften rekent hij het gebod der volstrekte weerloosheid en der liefde voor den vijand. Hij acht die zedeleer een onmogelijkheid en een onzin. Nadat hij dit heeft vooropgesteld, werpt hij den blik op de maatschappij zelve, zoo als zij onder den invloed van den Christelijken godsdienst en de Christelijke zedeleer zich heeft ontwikkeld. In die maatschappij ziet hij nu niet veel anders dan een ontzettende tirannie der grooten en machtigen dezer aarde. Op vijf punten, even zoovele misbruiken, wijst hij met den vinger. Allereerst op de verbazende ongelijksoortigheid en onevenredigheid der toestanden en levens-voorwaarden van de menschen; welke menschen toch allen overeenkomstig de natuur gelijk zijn. ‘Alle menschen zijn - zoo zegt hij - volgens de natuur gelijk, zij hebben gelijkelijk het recht om te leven en op de aarde zich te bewegen, gelijkelijk het recht om van hun natuurlijke vrijheid te genieten, en deel te nemen aan de goederen

[p. 237]

dezer aarde, nuttig werkend de één voor den ander, om de voor het leven noodige en nuttige zaken te bekomen.’ Wel is waar moet er, wil een maatschappij zich handhaven, afhankelijkheid en subordinatie zijn, maar die ordening moet goed geëvenredigd wezen; de één moet niet te hoog, de ander niet te laag geplaatst zijn. En ziet nu eens naar onze koningen en naar onzen adel! De oorsprong van die monarchie en van dien adel was altijd geweld. Thans heerschen de hoogere klassen onbeperkt; er is geen nog zoo klein heer op een dorp, of hij weet ontzag te verwekken en voor zich te doen beven. En ondertusschen is er niets zoo laag - ‘rien de si vil et de si abject, rien de si pauvre et de si méprisable’ - als een Fransche boer (‘le paysan de France’). Inderdaad die koningen, die edellieden, hun vrouwen en geliefden, dat zijn op 't oogenblik voor de maatschappij de ware duivels en duivelinnen. ‘Men heeft u in de kerk - zoo zegt Meslier - de duivels voorgesteld als wezens zoo leelijk en zoo afzichtelijk, dat gij er voor terugdeinst. Ach! Men had die duivels u moeten voorstellen als de fraaie Heeren, Grooten en Edelen, als de beeldschoone Vrouwen en Mejonkvrouwen, dìe gij zoo weelderig gekleed, zoo sierlijk getooid, zoo grillig gekapt, zoo geparfumeerd, zoo gepoeierd, zoo stralend van goud, diamanten en paarlen, ziet optreden. Dat zijn de ware duivelen en duivelinnen: uw vijanden die u het meeste kwaad doen. De andere duivels uwer kerk-redenaars zijn duivels om te lachen, zij dienen alleen om groote en kleine kinderen te verschrikken!’ Dit wat betreft den koning en den adel. - Daarnaast wijst Meslier, als tweede misbruik, op het bestaan van rijke leegloopers, die, onder voorwendsel, dat zij overvloedige inkomsten hebben uit hun jaarlijksche renten, zich met geen enkelen arbeid bezighouden, maar leven als in voortdurend nietsdoen. Het is duidelijk, dat zulke lieden van geen enkel nut zijn voor de maatschappij. Integendeel, zij leven en bestaan slechts door den arbeid der anderen. Tot die groep van lieden rekent Meslier ook alle geestelijken en priesters, monniken en kloosterlingen, die, onder het voorgeven van de armoede te eeren, voortdurend bezig zijn rijkdommen op te hoopen. Zij heeten voor ons te bidden: ‘mais, vanité que celle-là, une seule heure de bon travail vaut mieux que tout cela’. - Heeft dan Meslier met het bestaan en leven der hoogere standen afgerekend, dan wijst hij, en hier komt hij geheel en al op socialistisch terrein, op de eigendoms-questie. Als derde misbruik der menschelijke maatschappij geldt voor hem de particuliere toeëigening, die de menschen op de goederen en rijkdommen dezer aarde hebben toegepast, terwijl zij al deze zaken gemeenschappelijk moesten bezitten en ook evenzeer er gemeenschappelijk van moesten genieten. ‘Ik versta daardoor - zoo zegt hij - dat alle menschen van één streek of van éénzelfde gebied, dus allen die tot één stad, één vlek, één dorp of tot één kerspel behooren, allen gezamenlijk slechts één gezin zouden vormen, elkander als broeders en zusters zouden beschouwen, hebbende allen éénzelfde voedsel en zijnde allen wel gekleed en goed gehuisd, maar allen zich evenzeer toeleggende op arbeid en beroeps-werkzaamheid,

[p. 238]

ieder naar zijn aanleg, en allen onder de leiding van de wijsten en best ingelichten. Al die steden en andere communauteiten, die elkanders nabuur zijn, zouden voorts in bondgenootschap onder elkander moeten treden en de goede eendracht tot onderlinge hulp en bijstand onder elkander betrachten.’ Zóó moest de inrichting zijn. Want wat is het gevolg van hetgeen thans in toepassing wordt gebracht, te weten, de verdeeling der goederen en rijkdommen in handen van particulieren, opdat dezen onafhankelijk van elkander daarvan kunnen genieten, zooals het hun lust? Dat resultaat is, dat ieder zich beijvert er zooveel van bij elkander te halen als hij maar kan, door alle middelen, goede en slechte. De menschelijke begeerlijkheid toch, die onverzadelijk is, en die de wortel is van al het kwade, ziet in dat particulier eigendom een soort van ‘open deur’ tot verwezenlijking van al haar wenschen, en grijpt nu met beide handen de gelegenheid aan, om een overvloed van goederen en rijkdommen bijéén te zamelen, ten einde voor alle gebrek zich te behoeden, en zooveel als maar doenlijk is te genieten: zoodat degenen, die het sterkst, het slimst, het behendigst, en dikwijls ook het slechtst en het onwaardigst zijn, zich ten slotte het best toebedeeld vinden in al de benoodigdheden van het leven. De enkelen zijn en worden rijk: de anderen hebben behoefte aan alles. Dezen leven ruim en volop, de overigen zwoegen en sterven in kommer, ziekte en verdriet. Eenigen wonen als in het paradijs, anderen verteren als in een hel. En wat het opmerkelijkst is: er is veelal slechts een zeer kleine plaatselijke afstand en tusschenruimte tusschen die toestanden: dikwijls slechts de breedte van een straat, de dikte van een muur, of het broos houten beschot tusschen twee huizen: hel en hemel grenzen en leven naast elkander: en de waardigste is niet altijd in dien hemel. Bereikt wordt echter op deze wijze slechts jaloerschheid en haat onder de menschen. Uit dat contrast tusschen bezittenden en bezitloozen ontstaat het gemor, de klacht, de onrust, de opstand en de krijg, om nog te zwijgen van al de laagheden, waarvan men zich bedient, om ook deel aan den rijkdom te hebben. - Als vierde misbruik onzer maatschappij noemt Meslier de afscheiding der families: een indeeling waardoor de menschen tusschen elkander een ware fatsoens-afrastering hebben weten te vestigen. Een zeer ingrijpende splitsing wordt op die wijze onder de menschen doorgevoerd. De ijdelheid mengt zich daaronder: en de ééne familie acht zich weldra voornamer in stand dan de andere. Zeer hatelijke distincties zijn daarvan het gevolg. Te goeder trouw meenen soms enkele geslachten van beter bloed te zijn dan andere. De ongelijkheid wordt op die wijze onder de menschen bestendigd. - Als een vijfde misbruik wijst hij dan op de onontbindbaarheid der huwelijken, waardoor man en vrouw, wanneer zij een ongelukkige keuze hebben gedaan, voor altijd onder een meer dan knellend juk zijn saâmgeklonken.

Zonderling is dus de maatschappij, onder den invloed der zoogenaamde zedeleer en godsdienst der Christelijke kerk, ingericht. Terwijl de menschen indien zij de goederen en rijkdommen dezer

[p. 239]

wereld gemeenschappelijk bezaten en genoten, indien zij voorts allen met nuttigen en eerlijken arbeid zich bezighielden, alle reden hadden om gelukkig en tevreden te leven, versmaden zij die gemeenschap, en pogen zij elk individueel rijk te worden. Het resultaat is de heerschappij van enkelen. Het arme volk verwondert zich, dat het aldus moet zwoegen in het leven. Het ziet niet in, dat de ware oorzaak deze is, dat het alléén al den last en de hitte van den dag draagt: al het werk doet voor de hoogere standen, die niets uitvoeren. ‘Gij - zoo spreekt Meslier het volk toe - gij verschaft door uw arbeid al wat noodig is voor het bestaan en weelderig leven der hooggeplaatsten. Zij zouden niets hebben, als gij uw rijkdom hun niet gaaft. Zij zouden geen macht of gezag hebben, zoo gij de knie niet boogt.’ Daarom wekt ten slotte Meslier nog weder heftig zijn arme broeders op, om voortaan niet die overmacht te gedoogen. Hij keert zich tegen de machthebbers en monarchen, vooral ook tegen den koning van Frankrijk. Hij windt zich op tegen de tirannie der vorsten, die slechts op geweld en onrecht steunt. Hij fulmineert tegen al die willekeurige belastingen, die op den armen man, vooral in de dorpen, worden gelegd. Hij spoort aan tot wat de klassieke oudheid leerde, den tirannenmoord...

Zóó murmureert en redeneert Jean Meslier dan als uit het graf voort. Met dat al is hij geen aantrekkelijke figuur. Gaarne gelooven wij hem op zijn woord, als hij zijn kerspelgenooten in den aanhef van zijn geschrift verzekert, dat het een te gevaarlijke zaak geweest zou zijn, om dat alles bij zijn leven openlijk te zeggen, dat hij 't dus liever na zijn dood uitsprak. Maar een gansch leven te slijten als geestelijke van het dorp, als dienaar der Catholieke kerk, terwijl men lijnrecht tegenovergestelde denkbeelden koestert, overschrijdt toch zelfs de grenzen van betamelijkheid, om niet te zeggen van schijnheiligheid! Met welke zonderlinge inwendige gedachten moet zulk een pastoor wel de woorden bij de mis hebben uitgesproken! Anacharsis Clootz moge in de Conventie hebben voorgesteld Jean Meslier - ‘le premier prêtre qui ait eu le courage et la bonne foi d'abjurer les erreurs religieuses’ - een standbeeld op te richten: zelfs in het Frankrijk onzer dagen, waar men struikelt over standbeelden van anti-clericalen, zal men het beeld voor zulk een ‘anti-priester’ te vergeefs zoeken.

 

Ook Morelly is, wat zijn persoon betreft, in zijn eeuw bijna geheel onbekend gebleven. Men weet, dat hij te Vitry-le-Français geboren is, en men vermoedt, dat hij dáár schoolmeester is geweest. Zijn boek ‘Code de la Nature’, dat in 1755 uitkwam, heeft daarentegen des te meer opspraak verwekt. Dit boek was in 1753 voorafgegaan door een soort van gedicht in proza, waarbij Morelly zich geheel en al aansloot aan den vorm der staatsromans. Het quasi-gedicht droeg den naam van ‘Basiliade’ (het boek der koningen) ‘of het Vergaan der Drijvende Eilanden.’ Dat proza-helden-dicht bevatte veertien zangen, en heette uit het Indisch van den beroemden, uit La Fontaine's fabels bekenden Pilpai ver-

[p. 240]

taald te zijn. De vorm was verre van fraai: de stijl is meestal gezwollen als die van d'Arlincourt: laffe, suiker-zoete uitdrukkingen wisselen elkander af: en de zoogenaamde inleiding van den vertaler, een serail-historie, is even smakeloos als onwaarschijnlijk. En toch is de roman zelf door zijn inhoud verre van onbelangrijk. Wij moeten den inhoud van die ‘Basiliade’ dus ontleden, ook met 't oog op den lateren ‘Code de la Nature.’

Het verhaal dan van ‘het Vergaan der Drijvende Eilanden’ komt hierop neder1).

Er was ééns een vasteland door den oceaan omgeven. De godheden de Natuur en de Waarheid heerschten er. Er was liefde en volkomen gemeenschap, ééndracht en geluk onder al de inwoners. Maar Booze Geesten wisten zich te midden dier bevolking in te dringen: eigenbelang maakte zich van de harten meester: de band tusschen de leden der maatschappij werd losser: ieder individu bleef slechts zijn plichten jegens de menschheid doen, omdat hij niet sterk genoeg was de overigen te bedwingen. De Natuur en de Waarheid, na vruchteloos getracht te hebben, die menschen weder tot de oude goede niet-egoïstische gedachten en daden te doen overhellen, besloten die maatschappij te straffen. Een geweldige zondvloed, vermengd met onderaardsche ontploffingen en scheuringen door vulcanisch vuur, brak, onder het loeien der orkanen, los. De menschen waren in hun angst gevlucht naar het strand der zee. Toen werden die strooken lands, waarop de inwoners nu geweken waren, van het vasteland afgescheurd: een menigte eilanden, drijvend op de poreuse, uitgebrande aardlaag, werd door die los-scheuring gevormd, en al die eilanden, welke door de stroomingen van den oceaan eenigszins bij elkander bleven, werden nu ver van het vasteland verwijderd. Op het vasteland werd slechts één paar kinderen, een broeder en zuster, gelaten, en uit dat menschenpaar zouden de Natuur en de Waarheid zich weder een nieuwe en goede maatschappij verwekken, opbouwen en ordenen.

En zóó geschiedde het. Het werd een gelukkig oord. Al het afzonderlijke en individueele was voortaan onbekend. Het eigendom, de moeder van alle misdaden, bestond er niet. De aarde werd beschouwd als de algemeene voedster van allen: allen achtten zich verplicht haar vruchtbaar te maken, maar niemand zeide: ziedaar mijn veld, mijn os, mijn woning. De landman zag met rustigen blik, dat een ander oogstte wat hij zelf had gezaaid, en vond in zulk geval in een andere streek overvloedig genoeg, om, wat hij noodig had, te bekomen. Een ieder putte uit den schat der natuur overeenkomstig zijn behoeften (‘puisait selon ses besoins’), zonder zich er over te verontrusten, dat een ander meer dan hij zelf nam: zoo als reizigers, die hun dorst aan een beek laven, niet jaloersch zijn op hem, die, dorstiger dan de anderen,

[p. 241]

met lange teugen meer bekers van het verfrisschend bron-nat opzwelgt. Onderlinge hulp maakte den arbeid te gelijk gemakkelijk en aangenaam. Voeg daarbij, dat hun samenzijn een zinnelijk, zacht leven werd, iets dat aan Arcadische toestanden of ‘bergeries’ van Watteau doet denken. Dansen wisselden den arbeid af. Muziek werd overal gehoord. Men leefde onschuldig voort, zonder in gedrag of bestaan eenigen band te kennen. Trouwens wat wij noodzakelijke deugden noemen, was er niet, evenmin als er wetten waren, die men opvolgen moest. Neen, een ieder volgde de inspraak van zijn natuur en van zijn gemoed, wat de auteur ‘sensibilité’ noemt. Zulk een leven overeenkomstig de natuur was nu een kalm, vredig leven. Vleesch van dieren en visschen werd niet gegeten; de menschen bleven ‘vegetariërs’: geen levend offer werd gebracht. De dood was een zachte overgang uit dit leven. Slavernij was natuurlijk onbekend. Het huwelijk eindelijk was wel een monogamie, en de éénige ordelijke band der twee geslachten, maar zulk een huwelijk behoefde niet voor altijd aangegaan te worden: vooral vermeed men in deze aangelegenheid een vastheid en langen duur van samenleving voor te schrijven: men wilde dat dit van-zelf volgde uit de liefde en de genegenheid. Ook de verbods-bepalingen van huwelijken tusschen broeders en zusters, en al wat wij bloedschande noemen, bestond bij hen niet. - Onder hen heerschte nu de meest volkomen gelijkheid: alleen het verschil in ouderdom maakte eenig onderscheid. Zij woonden in groote kwartieren, elk voor duizend menschen ingericht. Elk van zulk een blok huizen was een ware ‘cité’, zoo als wij het tegenwoordig zouden noemen: waarin tegelijk de magazijnen en werkplaatsen voor die duizend menschen te vinden waren (zie Basil. ch. III, p. 107 en 108). Die woning was een smaakvol opgericht gebouw met zalen, waar de maaltijden te zamen werden gehouden. In het midden van elk dier ‘cités’ of groote blokhuizen was een tuin of plaats, vol ‘berceaux’, zuilengangen en klaterende fonteinen. Langs de woningen strekten zich door het groote land flinke wegen en kanalen uit, waaraan een ieder had gewerkt. In volmaakte gemeenschap met allen was een ieder gelukkig.

Aldus was het vooral in 't begin der regeering van hun jongen koning Zeinzemin, den besten en wijsten van hun vorsten, doch onder wien toch nog ééns de gansche maatschappij dier ‘Gelukkige landstreken’ (les régions fortunées) een zware proef zou moeten doorstaan. Van uit ‘de Drijvende Eilanden’ zou een aanval op hun geluk worden gesmeed. Met de ontwikkeling van dien aanval en het mislukken daarvan houdt nu het eigenlijk verhaal der Basiliade zich bezig. De loop van dat verhaal is de volgende. Nadat al de liefelijkheden van het maatschappelijk leven in poëtisch, min of meer dol-geworden proza zijn geschilderd, en ook niet verzuimd is de invoeging hier en daar van een liederlijk tooneeltje in den trant der romans van de Fransche 18de eeuw - waartoe de primitieve ceremoniën der huwelijks-voltrekking als van zelve de hand boden - keert de auteur zich meer bepaald tot Zeinzemin, die, na den dood van zijn vader, op raad van den

[p. 242]

besten vriend zijns vaders, den ouden wijzen Adel, op reis door zijn staten gaat. Zeinzemin, wiens volmaaktheden op iedere bladzijde worden verkondigd, die jong voor zijn volk het paard wist te temmen, die ouder geworden in alle lichamelijke en zedelijke eigenschappen de eerste is, vindt nu op reis het volk aan den arbeid, aan de werken des vredes; hij vindt vooral haar, die hij tot koningin van zijn volk wil maken, de liefelijke Zavaher, die de tot nu toe verborgen dochter van Adel blijkt te zijn. In hartstochtelijke en soms suikerzoete bewoordingen wordt de liefde der twee jongelieden geteekend: het was alles zaligheid. Op dat oogenblik, nu de koning en nieuwe koningin te zamen over het volk gaan regeeren, beraadslagen de Booze Geesten - die uit deze gelukkige landstreken waren verdreven, en slechts op de Drijvende Eilanden een soort van ellendig gezag kunnen voeren - hoe zij het best weder zich zullen kunnen vestigen op het grondgebied, waar zij eertijds een kortstondige heerschappij hebben gehad. Zij willen de plaats weder innemen der Godinnen de Natuur en de Waarheid. In het paleis van de Leugen komen zoo alle kwade daemonen bijeen. De List neemt op zich, om naar het rijk van Zeinzemin te gaan: zij dringt er binnen, en weet nu den jongen koning in den droom allerlei inblazingen te geven omtrent regeeringsplannen. Zij komt in den droom tot den koning, in den vorm en onder het kleed der Wijsheid, en geeft hem illusiën, dat er wellicht nog meer welvaart onder de inboorlingen zou komen, wanneer een gansch tegenovergestelde politiek werd ingeslagen. Haar inblazingen wijzen op de vormen der welvaart, zooals wij die kennen: verdeel het land (zoo spreekt zij), geef iedereen het zijne, cuique suum: maak rangen en standen: laat er emulatie zijn onder de staatsdienaren, concurrentie onder de nijvere standen: bouw steden: laat den handel daarin een eerste plaats innemen: en laat de Godheid telkens met haar besluiten en ondoorgrondelijke mysteriën intreden, wanneer gij bezig zijt de lasten van uw volk te verzwaren (zie chant VI). Een oogenblik geraakt werkelijk Zeinzemin door al die woorden in de war, doch Adel komt ter rechter ure bij hem, en weet hem aan te toonen, dat al die illusies zoo vele sofismen zijn: hij ontvouwt wederom al de voordeelen van het gemeenschappelijk eigendom, en hij toont aan, tot welke hardheden men zou komen, wanneer men werkelijk eens tot een verdeeling van het land zou overgaan1).

[p. 243]

Zeinzemin wordt natuurlijk gemakkelijk weder door Abel overtuigd. Doch de List, dienares van de Leugen, heeft dezelfde kunstgrepen ook gebruikt bij vele inwoners van het land: er komt een partij, die tot leus heeft het gemeenschappelijke te verdeelen (déja l'on ose s'approprier’). Zeinzemin begrijpt, dat hij zulke denkbeelden in de geboorte moet verstikken, om de verdere besmetting tegen te gaan: hij brengt die rebellen tot hun plicht, en weet zoo de plannen der Booze Geesten te verijdelen.

Wederom vergaderen dezen: zij zien zeer goed in, dat een andere weg moet ingeslagen worden, om tot hun doel te komen. Zij zullen thans onder de inwoners der Drijvende Eilanden geruchten verspreiden over den rijkdom en de welvaart van Zeinzemin's staat, voorts de begeerlijkheid dier lieden opwekken, en hun het plan ingeven een zoogenaamden ontdekkings- en veroveringstocht naar die gelukkige verre landen te ondernemen. De inwoners der Drijvende Eilanden - in welke eilanden onze auteur (zoo als de scherpzinnige lezer reeds dadelijk geraden heeft) de beschaafde staten van Europa schildert - verlangen niets liever. Zij rusten een expeditie uit, en komen met hun schepen, na een lange zeereis, in het gebied van Zeinzemin. Door listige toespraken weten zij den argeloozen Zeinzemin, die zich verwondert over hun energie en hun kunstig uitgevonden schepen en werktuigen, in slaap te wiegen. Trouwens zij vragen niet anders dan alliantie, om handel te drijven, om hun waren tegen de goederen der inboorlingen te ruilen: zij zetten reeds groote oogen op, dat bij dit volk de edelgesteenten niets waard zijn, en maken onmiddellijk gebruik van het verlof van Zeinzemin om zooveel edelgesteenten, als zij

[p. 244]

in het paleis maar zien, weg te nemen, en naar hun schepen te sleepen. Onder de vreemdelingen, die zoo in het paleis van Zeinzemin komen, is er één die dadelijk zeer bepaald de aandacht van Zeinzemin trekt, en die waarlijk niet onaardig geteekend is. Het is Fadhilah. Hij is een wijze op die Drijvende Eilanden: de vertegenwoordiger van de beste eigenschappen, waartoe men het op die eilanden kan brengen, de deugdzame man bij uitnemendheid. Kent Zeinzemin niet de vooroordeelen en opzettelijke deugden, maar handelt hij als onbewust goed, zoo als de natuur het goede, wil, zoo is Fadhilah een man, die de kracht heeft gehad het juk der vooroordeelen van zich af te schudden. Hij hecht zich bijzonder aan Zeinzemin, verrukt door de onschuldige, schoone toestanden, die hij in het nieuw ontdekte land ziet. De koning van zijn kant beschouwt hem weldra als zijn vriend. In de gesprekken, die zij te zamen houden, ontvouwt Fadhilah aan Zeinzemin den bouw en het samenstel van een maatschappij als die der Drijvende Eilanden; maatschappij die op de beginselen van het Belang en van het Eigendom is gebouwd. Uit die voorstelling vloeit nu voort een kritiek van onze economische maatschappij, die hier geleverd wordt in zang VIII. Zij komt hierop neder. Nadat Fadhilah had uitéén gezet, hoe uit het begrip eigendom het verschil van rijkdom en armoede ontstaat1): daar nu één mensch veel, de anderen bijna niets zullen

[p. 245]

hebben: wordt opgemerkt dat de onderlinge hulp, die de menschen elkander bieden, dan geen uiting meer van liefde, maar van de vrees is, om anders te zamen in 't verderf te komen. Uit het onderscheid tusschen rijkdom en armoede zijn voortgevloeid de misdaden en de strijd der menschen onderling: reeds de kinderen beginnen te twisten over de beste plaats in het zonnetje1). Al de booze neigingen van de menschen komen op: booze neigingen, die men nu, daar zij tot de menschelijke natuur behooren, als een soort van erfzonde gaat beschouwen. Om al die kwade hartstochten tot bedaren te brengen en onder bedwang te houden, is een stelsel van maatschappelijke deugden bedacht, waarnaar ieder zijn gedrag zal dienen te regelen: van welke fictieve deugden de gematigdheid, het maathouden in alles, de belangrijkste is. Goede trouw en eerlijkheid worden (is het niet schande, dat dit noodzakelijk is?) als verplichtingen geleerd. Dit alles wordt dan zedeleer genoemd en versterkt en bekrachtigd door tal van wetten. Zóó komen politieke toestanden in het leven, waar een alleenheerscher, omringd door hovelingen, alles te zeggen heeft, en, in zijn kring opgesloten, niets weet van het eigenlijke volk (de auteur beschrijft hier pg. 58-60 blijkbaar het hof van Lodewijk XV) - of toestanden, waarin ter wille van een politieke schijnbare vrijheid, de ongelijkheid des te grooter is (Engeland?). Doch in waarheid zijn al die staten en maatschappijen, die op het eigendom zijn gebouwd, vrij ellendig. De hoogere standen en rangen leveren in hun edelen en priesters - die ‘la Dominante’ en ‘la Stérile’ bewonen (zie II. p. 115). - heerschzuchtige, onderdrukkende elementen. Die op de onderste sport der ladder zich bevinden, heeten gemeene werklui. Wat heeft dan ook inderdaad de arme bij zulke toestanden van zijn vaderland te wachten? En juist, omdat dit vaderland hem niets geeft en in niets helpt, daarom heeft hij er geen belangstelling meer voor: het mag voor zooveel hem aangaat te gronde gaan (zie II, p. 68).

Aldus redeneeren Zeinzemin en Fadhilah. Ondertusschen hebben de vreemden alle kostbaarheden uit het rijk bijééngegaard, op hun schepen gebracht, en, na een offer aan hun Goden op het strand gebracht te hebben, maken zij zich gereed weg te zeilen. Zeinzemin wil hun de eer aandoen hun schepen te bezichtigen, en

[p. 246]

terwijl hij nu op één hunner vaartuigen met Fadhilah is gegaan, overreedt plotseling de booze daemon der List hun hoofden, om eensklaps van land te steken, en den koning als gijzelaar mede te nemen. Tot grievend leed van Fadhilah, en tot geweldigen schrik van het op het strand vertoevend volk, wordt dit gedaan. De schepen glijden met hun kostbaren buit over de golven. Doch de godinnen de Natuur en de Waarheid waken. Zij wekken de stormen en orkanen op, om de vloot te teisteren. Geslingerd naar alle kanten, verliezen de stuurlieden hun koers. Reeds is op de schepen, daar men wel gedacht heeft om veel edelgesteenten, maar niet om veel voedsel mede te nemen, hongersnood ontstaan. Afgrijselijke tooneelen hebben plaats. Onweder op onweder valt op de rondzwalkende vloot neder. De schuimende golven steigeren hoog. Alle schepen vergaan met man en muis. Slechts Zeinzemin en Fadhilah redden het leven. Zij zijn gekomen op één van die Drijvende Eilanden, de woonplaats van Zeinzemin's vijanden. Het is een eiland, waar juist nog ruïnes zijn der oude tempels van den waren en goeden eeredienst uit den tijd, toen die Drijvende Eilanden nog deelen waren van het groote en gelukkige vasteland. Naar die ruïnes en bouwvallen van vroegeren godsdienst richten Zeinzemin en Fadhilah hun schreden, nadat het bestuur en de inwoners van dit eiland hen weldra alleen hebben gelaten. Zij bezoeken de half vervallen overblijfselen van hetgeen eens het wezenlijk heiligdom was: zij laten zich niet afschrikken, klimmen van trap tot trap, totdat zij boven op den berg de afgebrokkelde muren van den tempel der Waarheid vinden; een tempel alwaar boven de binnenste poort de woorden staan: ‘Vas, admire et jouis’ (zie II, p. 240).

Zeinzemin heeft zich dus met het Hoogste weder in contact kunnen stellen. Van den berg afgedaald, vindt hij met zijn vriend een huisgezin van visschers, die in hen door de waren Goden beschermde, bevoorrechte menschen erkennen, en aanbieden hen naar het vasteland der Gelukkige streken met een boot terug te brengen. Zeinzemin neemt het aanbod aan, en weldra zeilen ze, tusschen al die Drijvende Eilanden door, om in de open zee te komen. De tocht door die enge zee-armen geeft natuurlijk aanleiding tot een beschrijving van al de eilanden. Hier (II p. 264) meenen wij Duitschland, dáár Engeland, dan Holland, dan Frankrijk, dan Italië en dan Spanje te raden. Hoe het zij, de boot, waarop Zeinzemin en zijn vriend zich bevinden, vaart rustig voort.

Intusschen heeft de Godin de Natuur besloten nu voor altijd, daar de poging tegen Zeinzemin zóó misdadig was geweest, de Drijvende Eilanden en al hun inwoners te vernietigen. Reeds was die vloot met al de schepelingen in de golven der zee verzwolgen. Maar dat was slechts een klein deel der booze maatschappij. Al de eilanden zelven moesten nu een vloot worden en te zamen tegen de klippen van het Vasteland vergaan. Dat denkbeeld wordt ten uitvoer gebracht. Ziet, de Drijvende Eilanden zwalpen voort, gedreven door de orkanen. Hoe huilen alle elementen tegelijk! Een ontzettende, alles overweldigende angst beklemt een ieder. Krakend stort door de

[p. 247]

geweldige schokken alles: paleizen, tempels en gebouwen ter neder. Sidderend valt al wat leeft ter aarde. De woedende golven gunnen zich geen rust. De eilanden, met al wat er op is, worden te pletter gestooten, terwijl de schatten en al hetgeen de ijdelheid dáár uitmaakte door de zee op een voorgebergte van het Vasteland wordt geworpen, uit welke schatten een gouden piramide ter eere der Natuur oprijst. - Terwijl dit ontzettend strafgericht plaats heeft, is Zeinzemin met zijn vriend, door den glans der piramide als een baken aangetrokken, in zijn vaderland ontscheept... en het gelukkige gemeenschappelijke leven kan thans ongestoord in alle eeuwigheid voortduren.

‘Wees nu vrij, zachte en vredige menschheid - zoo zegt aan het slot de Waarheid - vorm een maatschappelijk lichaam, georganiseerd tot volmaakte éénstemmigheid: dat de oneindige schakeering en verscheidenheid van wenschen, gevoelens en neigingen zich oplosse in één enkelen wil: dat alle menschen slechts tot één doel worden bewogen: het gemeenschappelijk geluk!’

Zoo ongeveer eindigt de Basiliade. Die roman werd nu in de Fransche tijdschriften dier dagen vrij scherp beoordeeld. Vooral de schrijvers van de ‘Bibliothèque Impartiale’ en van de ‘Nouvelle Bigarrure’ vielen de socialistische denkbeelden der gemeenschap van den hun onbekenden auteur hevig aan. De kern van hun aanvallen en verwijten tegen Morelly kwam hierop neder. ‘Men weet genoeg - zeiden zij - hoe groot een afstand er is tusschen de schoonste bespiegelingen van dien aard en de mogelijkheid, om ze in toepassing te brengen. De reden daarvan is duidelijk. In de theorie heeft men te doen met denkbeeldige menschen, die leerzaam en plooibaar zich naar alle schikkingen voegen, en die, met gelijken ijver bezield, de inzichten van den wetgever steunen: maar, zoodra men in de practijk zijn plan wil verwezenlijken, moet men werken met de menschen zooals zij zijn, en die menschen zijn niet volgzaam, gedragen zich lui, of zijn aan de driften hunner hartstochten overgeleverd. Het schema der gelijkheid is in 't bijzonder één van die plannen, welke het meest tegen het karakter der werkelijke menschen aandruischen; de menschen worden geboren om te bevelen of te dienen, een tusschen-toestand is hun tot last.’ Tegen die kritiek schreef nu Morelly, wederom zonder zijn naam te noemen, een rechtvaardiging der denkbeelden, aan welke hij in zijn heldendicht een vorm had pogen te geven. Dat boek was dan tevens bestemd, om in zekeren zin als het ware een weêrlegging te leveren van den in 1748 verschenen ‘Esprit des Lois’ van Montesquieu: het droeg tot titel het opschrift: ‘Code de la Nature, ou le véritable esprit de ses lois, de tout temps négligé ou méconnu’; het verscheen in 17551).

[p. 248]

Dat geschrift is bij uitstek merkwaardig. Het is zelfs vrij goed geschreven en nieuwsgierig leest men het door. Het is soms snijdend scherp en, zoodra men de premissen toegeeft, zeer logisch. De uitwerking op onzen geest is deze, dat de auteur vrij sterk den twijfel weet wakker te maken, of het mogelijk ware, dat de wereld-maatschappij zich eens om andere spillen dan de bestaande zou kunnen bewegen. Met groote kunst weet hij den indruk te bepalen bij de gedachte, of wij werkelijk wel op den goeden weg zijn. Gij zijt gewoon uw kinderen te beknorren, omdat zij zich niet voegen naar uw denkbeelden: maar zou het ook kunnen gebeuren, dat uw kind gelijk had, en dat het, de inspraken der natuur gehoorzamende, de ware lijn van doen en laten volgde. Op dien twijfel rekenende, daarop voortbouwende, gaat Morelly nu de geheele wereld omkeeren. Stel, dat het schouwspel, 't welk de maatschappij ons aanbiedt, te vergelijken was met het gekrioel van allerlei bizarre, zich op en tegen elkander verdringende geschilderde figuurtjes op een zeer grooten waaier, en dat er iemand kwam, die u toonde, dat men den waaier niet van de linkerzijde naar de rechterzijde, maar omgekeerd moest uitspreiden, en de veer, waarop zich 't geheele samenstel beweegt, naar den anderen kant moest ombuigen: en stel, dat nu al de figuurtjes in eens in ordelijke en harmonieuse wijze zlch dan zouden groepeeren en voegen: dan zou die iemand met den waaier doen, wat Morelly met de menschelijke maatschappij uitvoert. Hij toont de mogelijkheid aan van een omgekeerde wereld. In plaats van een maatschappij - die uit individualistische motieven zich beweegt, die het eigenbelang, de zucht om te hebben, het eigendom tot beginselen verheft - wil hij een maatschappij oproepen, die geheel op gemeenschappelijk bezit van een ondeelbaar kapitaal, op gemeenschappelijk gebruik van de arbeids-werktuigen, op verdeeling van het werk naar de krachten, en op verdeeling van de producten naar de behoeften, gebouwd zou zijn. En hij wil bewijzen, dat zulk een maatschappij mogelijk zou blijken!

Het boek bestaat uit vier niet zeer groote afdeelingen. In de eerste worden in het algemeen de gebreken der beginselen van onze geldende staatkunde en zedekunde besproken: in de tweede houdt de schrijver zich bezig met de bijzondere fouten der staatkunde: in de derde met de eigenaardige fouten der dagelijksche, gewone zedeleer: terwijl in de vierde afdeeling een wetboek, als model van wetgeving van die andere maatschappij, welke met de bedoelingen der natuur zou strooken, wordt gegeven. - In het eerste deel begint Morelly met kortelijk den vorm zijner Basiliade te verdedigen, ten einde den inhoud daarvan nog eens opzettelijk te toetsen. Het doel van het gedicht was niet anders, dan om de vooroordeelen der menschen en hun verkeerde zedeleer te bestrijden. Eenige moralisten toch gaan uit van het denkbeeld, dat de mensch geboren wordt met gebreken en ondeugden: anderen pogen te bewijzen, dat het leven den mensch onvermijdelijk er aan blootstelt om slecht te worden: maar niemand heeft zich tot

[p. 249]

taak gesteld, om een toestand te vinden, waarin het den mensch bijna onmogelijk zou zijn bedorven of verdorven te worden. Daar heeft de gewone zedeleer niet aan gedacht. En toch zit daar de fout. De gewone zedeleer heeft haar voorschriften zóó ingericht, dat zij juist in 't menschenhart de zaden aankweekt der ondeugden, die zij had moeten bestrijden. Het begint al dadelijk bij de opvoeding der kinderen. Men bederft en verwringt de denkbeelden dier kinderen: is het wonder, dat zij zich dan beginnen te verzetten, en een zeer billijken tegenstand bieden, hoezeer de vader ook hierover in drift ontsteekt? Men gaat voort bij alles de natuur geweld aan te doen, in plaats van haar zachtkens te volgen. Volgens Morelly zijn nu de kinderjaren een toestand van algeheele onverschilligheid, uit welken toestand alsdan de behoeften, en evenredig daarmede de krachten en middelen, om in die behoeften te voorzien, ontwaken. De harmonische ontwikkeling van die behoeften en krachten vormt het bestaan der menschen. Als al de krachten en springveeren van den mensch tot ontwikkeling zijn gekomen, heeft de mensch leeren voelen, dat hij tot alles de hulp van anderen noodig heeft, en vindt de mensch zich dus geplaatst in een zedelijke aantrekking (‘attraction morale’) tot al wie hem omringen. Zijn zin voor het sociale leven is bij hem levendig geworden. De natuur, die hem omringt, heeft nu aan de menschen als ondeelbaar goed het eigendom van het productieve veld en terrein van haar gaven geschonken, en aan allen en aan ieder het gebruik van haar milde weldaden verleend. ‘De wereld is een goed voorziene disch, aangezet en ingericht voor alle gasten, van welke tafel de spijzen nu eens aan allen toekomen, wijl allen honger hebben, en dan weder het deel van eenige weinigen worden, omdat de anderen verzadigd zijn, maar niemand mag zich volkomen heer en meester van de spijzen noemen.’ Er is dus ondeelbare éénheid van het ‘fonds’, en gemeenschappelijk gebruik der voortbrengselen uit dit fonds. De producten zijn overvloediger dan onze behoeften, maar niet te verkrijgen dan tegen arbeid. Bij dien arbeid moeten de menschen elkander helpen: dankbare verhoudingen ontstaan daaruit: rust en arbeid volgen elkander daarbij op. Zoo is door de natuur zelve een wonderbaar geheel gevormd: alles is daarin berekend en juist afgepast: en geheel de machine, hoewel samengesteld uit allerlei intelligente deelen, beweegt zich naar een algemeen doel. Onafhankelijk van de particuliere krachten wordt het algemeene afgewerkt. De menschen hadden nu, bij de regeling van hun arbeid, slechts de trekken en lessen der natuur te volgen, en de maatschappij zóó in te richten. Dit hadden zedeleer en staatkunde moeten onderwijzen en verder organiseeren: de krachten der menschheid hadden zij voor den arbeid moeten verdeelen, en aan ieder zijn eigen werk opdragen in de gemeenschappelijke taak. Wat hebben zij integendeel gedaan? Zij hebben de hebzucht aangekweekt, het particulier belang als spil gaan gebruiken, en vandaar nu alle kwalen. Doch - zoo zegt Morelly - slechts dáár, waar het particuliere eigendom zou ophouden te bestaan, zouden de schadelijke gevolgen daarvan verdwijnen. -

[p. 250]

In dien geest had de opvoeding der kinderen moeten plaats hebben: in dien geest hadden later alle wetten moeten uitgevaardigd zijn. Doch juist het omgekeerde is verricht. Op het eigenbelang, in plaats van op onderlinge toegenegenheid, is door al die wetgevers gebouwd. Zij hebben in een kalm ruischende beek een groot beletsel van steenen gegooid: nu borrelt en schuimt en zwelt het water: zij werpen dadelijk een dijk en dam op, om den stroom binnen de perken te houden, en zijn sinds zonder ophouden moeitevol bezig dien dijk te stoppen en te versterken, terwijl het water wast en dreigt. Waarom mocht de beek niet kalm en effen vloeien? Inderdaad schijnen de wetboeken pogingen, om de menschen te kneden en te beschaven door reglementen en wetten, die juist geschikt zijn, om hen wild en barbaarsch te maken. De dwaze staatsinrichtingen hebben den mensch blootgesteld aan de voortdurende kansen van aan alles gebrek te lijden: is het zoo verwonderlijk, dat, om dit gevaar te mijden, de hartstochten tot woede zijn ontvlamd?

In het tweede gedeelte van zijn boek gaat Morelly de afzonderlijke gebreken van de staatkunde nader bespreken. Hij houdt zijn bestrijder (in de ‘Bibliothèque Impartiale’) bij 't woord. Die criticus had gezegd: neem de menschen zooals ze zijn, niet zooals uw verbeelding ze gaarne wilde hebben. Welnu, hij zal de menschen nemen zooals zij zijn, en wel in de primitiefste toestanden. Hij vat de beschrijvingen op der Noord-Amerikaansche stammen. Bij hen is nog een natuur-staat, is ook nog gemeenschappelijk eigendom: inheemsche wetgevers en wijzen kunnen op dien grondslag hen ontwikkelen, den arbeid (niet het land) verdeelen: en de eendracht zou blijven bestaan. Doch stel, dat één onzer moderne politici, toegerust met de fabel van Menenius, die zijn klassieke opleiding hem in 't geheugen had geprent, bij die Indianen kwam en hun zeide: ‘weest niet dwaas en begint uw landen te verdeelen: ongelijkheid van een ieders bezit is de grondslag van een ieders welvaart’, - denkt men dan niet, dat hij een wonderlijk antwoord van die Indianen zou krijgen, die tegen het geleerde betoog met de fabel van Menenius zouden kunnen inbrengen: ‘uw fabel is een impertinentie, evenals trouwens uw geheele ontvouwing: de leden van ons lichaam verdeelen ja onderling het werk, maar alle leden genieten gemeenschappelijk, gezamenlijk van wat het leven onderhoudt. De maag eigent zich niets voor zich zelve toe van wat de andere lichaamsdeelen haar verschaffen: zij laat die deelen niet kwijnen: integendeel zij verdeelt slechts de voedingsmiddelen, waarvan zij het magazijn onder zich heeft. Ga heen, één uwer zinnen is op den loop’. En werkelijk, wanneer de spreker uit de Amerikaansche stammen eens geweten had, hoe het er in de zoogenaamde beschaafde staten, die dan op den grondslag van het eigendom zijn gevestigd, uitzag, dan had hij een tafereel kunnen ophangen van barbaarschheid en wildheid, dat onzen geleerden politicus nog sterker den lust zou hebben benomen, in de verte de zegeningen der beschaving te brengen, terwijl dichtbij het veld der maatschappij er zoo woest uit-

[p. 251]

zag. - Maar hoe zijn de menschen er dan toe gekomen, om aldus geheel verkeerd de maatschappij in te richten? Om die vraag te beantwoorden, gaat Morelly den oorsprong der primitieve maatschappij na, en het insluipen aldaar van het eerste bederf. De familie en het patriarchale leven is natuurlijk de oorsprong, de kern van de maatschappij. Zoo lang de vaderlijke macht ongestoord en onverzwakt in stand bleef, was ook het beginsel der gemeenschap krachtig. Drie oorzaken verzwakten echter allengs die vaderlijke macht, te weten: de uitbreiding der familie, waardoor de bloedsband minder nauw werd; de verhuizing van enkele groepen, die de groote gemeenschap verlieten en andere oorden gingen opsporen; en de moeielijkheden verbonden aan elke nieuwe vestiging van zulk een verhuizenden stam of kolonie. Op die drie oorzaken van verzwakking der gemeenschap hadden nu de wetgevers hun aandacht moeten vestigen, en ze door tegenwichten keeren, om de eendracht en de gemeenschap te behouden. In stede daarvan hebben de wetgevers der volken niet anders dan palliatieven bedacht, misbruiken hebben zij als goede gegevens aangewend, de onvolmaaktheid zijn zij gaan regelen en dus bestendigen. Een chaos van halve maatregelen is zóó ontstaan, in welk labyrint van wetten zeer scherpzinnig de weg is gevonden door Montesquieu, doch bij welke wetten hij zich ook heeft neêrgelegd, terwijl Morelly poogt te bewijzen, dat die wetten het begin waren der afwijking van het groote begrip der eenheid en der gemeenschap. Het invoeren van het particulier eigendom is de onnatuur, die hier alles bederft: de afdwalingen van geest en hart zijn verder en verder voortgegaan: en de wetgevers hebben dien verkeerden loop gevolgd en met onbegrijpelijke scherpzinnigheid geregeld. Zonderlinge geschiedenis voorwaar! Het was toch (volgens Morelly) zoo gemakkelijk geweest de natuur te volgen. Zeer zeker, de verdeeling van den arbeid - als eens de basis van het ondeelbare ‘fonds’ was gehandhaafd - zou eenig overleg en berekening hebben gekost: maar wat beteekent die berekening bij de zoo ongelijk veel moeielijker taak, die de wetgevers hebben tot stand gebracht, daar zij, tegen de natuur in, een stelsel van palliatieven en dwalingen hebben in orde gebracht; een werk waarvan dit het meest verwondering wekt, dat het werkelijk gelukt is!

Morelly poogt nu in details aan te toonen, hoe onwaar en verkeerd de geest onzer wetten is. Bij het burgerlijk recht is alles gebaseerd op dezen grondslag: doe niet aan een ander wat gij niet wilt dat u geschiedt. Men begint dus met te zeggen, doe geen kwaad: terwijl men, den wezenlijken aard der natuur volgende, had moeten zeggen: doe al het goed wat gij zelf zoudt wenschen te ondervinden. Maar de invoering van het begrip ‘mijn en dijn’ maakt angstig en bevreesd: men is nu voortdurend bang, dat iets van dat ‘mijn’ ons zal worden afgenomen. Men plaatst zwakke negatieve regelen, in plaats van een positief beginsel. Alleen het Christendom had het ware beginsel weder op de aarde gebracht. De natuurlijke gelijkheid werd weder op den vóórgrond gelteld, gelijk de eerste Christengemeente leerde zich van de rijkdommen

[p. 252]

te ontdoen, ter wille der gemeenschap, en door haar gemeenschappelijke maaltijden en geheel haar leven de waarachtige zedeleer weder in eere stelde. Doch weldra verslapte ook bij hen de groote veerkracht. In plaats van de goede zedeleer van 't Christendom, begon een mysterieuse dogmatiek uit die school door de hersens der volgelingen te spoken: de zedeleer werd vergeten, ja schikte zich allengs weder naar de verkeerde inrichtingen der overige wereld. De wereld was in den waan Christelijk te zijn, omdat geen marmeren of metalen beeld meer werd aangebeden. De kloosters en monniken bedierven zelfs het goede begrip van de gemeenschap. Sinds is al het goede weder verloren. Het persoonlijk belang en het particulier eigendom heerschen ongestoord.

Zoo is het begrip van gelijkheid onder de menschen allengs geheel verstikt. Men heeft een systeem van zoogenaamde politieke vrijheid bedacht, waardoor alle menschen geïsoleerd staan en een maatschappij van planten vormen, die zich niet aan elkander verwant gevoelen. Een groepeering van sterken en zwakken, van onderdrukkers en onderdrukten, van heeren en dienaren, zijn zij geworden, geen verbinding van elkander helpende, in gelijken rang staande personen. Nu zijn de revolutiën in de staten gekomen. Wijt ze niet aan het toeval of aan de fataliteit: neen, enkel aan het binnendringen van het eigendom. Gaat men op den weg van 't eigendom voort, dan zullen alle staten allengs vallen: want een staat is geen staat meer: het is een samenstel van voorrechten voor de machtigen: 't particulier eigendom heeft zelfs de regeering vervormd, en het ambt, de overheidsbetrekking tot een erfelijk bezit van een geslacht gemaakt. Eerst dàn zal er beterschap komen, wanneer weder begrepen wordt, dat de gedachte van het geheel en van de gemeenschap op den vóórgrond moet worden gezet, wanneer de splitsing der deelen zal wijken. Dan is ‘de goddelijke charte’ weder te verkrijgen: en alle privileges in het staatsleven zullen ophouden.

Het derde gedeelte van Morelly's geschrift houdt zich nu bezig met het aantoonen van de bijzondere verkeerdheden der ‘morale vulgaire’. Min of meer breed wordt hier alles opgehaald: de grenzen van het zedelijk goed en kwaad eerst gesteld, en daarbij op den vóórgrond gezet, dat het zedelijk kwaad in het oog der Voorzienigheid (Morelly huldigt een streng Deïsme) niet bestaat, dat Zij als zoodanig het niet straft, dat het slechts moet beschouwd worden als onvolmaaktheid, onvolmaakt in zoo verre het nog niet is, wat de Voorzienigheid zich voornam dat het worden moest. Van het denkbeeld van latere belooning van 't zedelijk goed moet men zich losmaken. In het zedelijke zoowel als in het stoffelijke heerscht, volgens Morelly, dezelfde ontwikkelings-wet: langs trappen en schreden bereikt de menschheid haar doel: een ontwikkelingswet, die Morelly ook gaat toepassen op de kennis van het Godsbegrip, en dus op den godsdienst. De eerste gouden eeuw is misschien slechts een onbewuste toestand geweest: allengs komt de menschheid zeker, na een min of meer groot getal evolutiën, tot een constanten toestand van onschuld. Zien wij nu wat de

[p. 253]

grondslag der wezenlijke moraal is. Volgens Morelly begint hier alles met een gevoel van liefde voor ons zelven, dat zich onmachtig gevoelt zonder hulp van anderen, en wordt zoodoende het eigenlijk beginsel der zedeleer van zelf het beginsel van wèl te doen. De natuur leert ons van-zelf dat wéldoen, lang voordat wij de les noodig hebben om niet te schaden. Het kind weet op zijn omgeving, die voor hem zorgt, die practijk van goed te doen en lief te hebben, toe te passen. Het kind doet goed, om weder op zijn beurt wèl te worden gedaan. Eerst later, wanneer de mensch treedt in de sfeer van het eigendom, komt het begrip op den vóórgrond van niemand te benadeelen. Het goede denkbeeld wordt dan door het voorbeeld van anderen bedorven: de sfeer van het zedelijk kwaad wordt door het eigendom steeds grooter en grooter. Doch let wel op: het zijn dus uitwendige omstandigheden en schijnbare toevalligheden, die den mensch zóó slecht maken. Waren de voorwaarden der maatschappij zoodanig, dat de wijze inspraken der natuur konden worden gevolgd, dan zou het zedelijk kwaad dadelijk verminderen. Dan zou weder elke daad van den mensch wezenlijk bevorderlijk wezen, om zijn geluk tot stand te brengen, hetgeen toch des menschen laatste wensch is: dan zou de ‘sociale harmonie’ weder kunnen worden gevestigd. Alles roept den mensch trouwens toe: ‘indien gij gelukkig wilt wezen, doe wèl aan uw medemenschen: leer, zonder u in de eerste plaats te bekommeren van Wien gij het aanzijn kreegt, er eerst van genieten door wèl te doen. Wilt gij u verheffen tot de kennis van uw Maker, doe wèl!’ Waarom let de mensch echter niet op die stem: waarom is hij doof voor die woorden? Omdat de gansche zedeleer, evenals de staatkunde, de meeste zijner denkbeelden heeft omgekeerd: omdat het eigendom de kiem van het verderf hier heeft medegebracht. De ware zedeleer wijst weder op de natuur. En merk wel op, dat Morelly hier in de verste verte de natuur niet veréénzelvigt met barbaarschheid of primitieve tijden; neen, hij wil de beschaving zoo ver mogelijk zien uitgebreid, doch altijd een beschaving in overeenstemming met de natuur. Uitdrukkelijk verklaart hij zich tegen de vermaarde prijsvraag, door de Academie van Dyon gesteld, of de herstelling der kunsten en wetenschappen bijgedragen heeft om de zeden rein te houden: en vooral tegen de bekroonde en in 1750 uitgegeven beantwoording daarvan door J.J. Rousseau. Morelly noemt Rousseau ‘un hardi sophiste’. Neen, Morelly wil vooruitgang, doch meent dat de plooi, die aan den vooruitgang is gegeven, door den eigendom geheel verkeerd gelegd is. Hij wil een andere, geheel tegenovergestelde wending en richting.

Dan eerst zal een toestand gevonden kunnen worden, zullen de voorwaarden dáár zijn, waarin de mensch zoo gelukkig en zoo weldoend zal kunnen wezen, als hij het in dit leven kan zijn. Het zal hem dan bijna onmogelijk zijn bedorven of verdorven te worden.

Als tot bekroning van geheel zijn werk voegt Morelly nu als vierde afdeeling aan zijn boek een werkelijken ‘code’ toe, zijnde

[p. 254]

een model van wetgeving, die geheel en al zou overeenkomen met de bedoelingen van de natuur. Morelly noemt het zelf een ‘hors d'oeuvre’, omdat hij zeer goed inziet, dat in de tijden, waarin hij leefde, zulke wetten onmogelijk zouden zijn. Dit wetboek is zeker het stoutste stuk, dat men zich denken kan. Wij zullen trachten er een kort overzicht van te geven. - Allereerst komen: ‘Grond-wetten en heilige wetten, die aan alle gebreken en kwalen der maatschappij den wortel zouden afsnijden’; zij zijn ten getale van drie, en luiden als volgt: I. Niets in de maatschappij zal afzonderlijk of als eigendom aan iemand toebehooren, dan alleen die zaken, waarvan hij een dadelijk gebruik maakt, hetzij voor zijn behoeften, of voor zijn genoegens, of voor zijn dagelijksch werk. II. Elk burger zal staatspersoon zijn, gevoed, onderhouden en bezig gehouden ten koste van het algemeen. III. Elk burger moet voor zijn deel bijdragen tot het openbare nut, en wel naar gelang van zijn krachten, talenten en ouderdom: daarnaar zullen zijn verplichtingen geregeld worden, overeenkomstig de distributieve wetten.’ - Dan volgt de afdeeling der distributieve wetten. Zij bevat artikelen over de verdeeling der natie in familiën, stammen, ‘cités’, en zoo noodig provinciën: het aantal menschen in al zulke stammen, enz. moet ongeveer hetzelfde zijn: het tiendeelig stelsel wordt bij de berekening gevolgd: alle producten, die onder hen verdeeld worden, moeten, zoo het min of meer duurzame producten zijn, eerst opgestapeld worden in openbare magazijnen en daaruit afgeleverd: de aan bederf onderhevige producten worden op de openbare plaatsen gebracht en verdeeld door hen die ze vervaardigen of bereiden. Streng wordt bevolen (artikel X), dat niets onder de burgers mag worden verkocht of verruild: men mag dus eetwaren slechts voor één dag op de openbare plaats aanvragen, enz. enz. Een uitzondering wordt hierop toegelaten, als men een ander volk zou willen helpen, doch zorgvuldig wordt dan toch gewaakt, dat niet door handel eenig begrip van eigendom in den staat komt. - Nu volgen agrarische wetten. Iedere ‘cité’ heeft tot gebruik een zoo afgerond mogelijk stuk land ter bebouwing en voeding der inwoners. In steden, gelegen op dorren grond, zal men zich aan de kunsten wijden, en de naburige steden geven dan aan zulk een stad grootendeels de levensmiddelen. Elk burger, in een ‘cité’ moet zonder onderscheid van zijn 20ste tot zijn 25ste jaar zijn oefentijd in den landbouw volbrengen. Zulk een ‘corps d'agricoles’ wordt behoorlijk georganiseerd en geregeld (zie art. IV). - In volgorde komen thans de ‘édile’ wetten: zij houden zich bezig met den bouw van de ‘cité’: zulk een stad bestaat uit vier groote vierkanten, waarvan het grootere 't kleinere insluit, terwijl in het midden van het kleinste zich een groote binnenplaats bevindt. Het eerste of kleinste vierkant omvat de magazijnen, het tweede de woonhuizen, het derde de ateliers, het vierde een reeks woningen voor het ‘corps d'agricoles’, en de schuren en stallen. Buiten de vier vierkanten komen dan hospitalen, oude mannen- en vrouwenhuizen, gevangenissen, enz. - De politie-wetten volgen nu. Het is een regeling van den arbeid, welker bepalingen wij in een noot hier-

[p. 255]

onder zullen opnemen1). - Daarna de ‘somptuaire wetten.’ Zij betreffen de gelijke en eenvoudige kleeding van het volk, de voeding, enz. - Een organisatie van het gouvernement van den staat wordt alsdan gegeven. De 13 artikelen, die daarop betrekking hebben, behelzen regelen omtrent de benoeming van hoofden der stammen, ‘cités’ en provincies, en omtrent de benoeming van een generaal hoofd van den staat: tevens bepalingen omtrent de vorming van een senaat, enz. Zij moeten elke tirannieke heerschappij beletten. - Deze afdeeling wordt gevolgd door een afdeeling, wetten der administratie van het gouvernement: onder meer verdient hier de aandacht de formule waarmede iedere wet begint: ‘La raison

[p. 256]

veut, la loi ordonne’. - Opmerkelijker zijn echter de 13 hierop volgende huwelijks-wetten, die alle ontucht moeten voorkomen. Het blijkt daaruit, dat ieder burger, ‘sitôt l'âge nubile accompli’, moet huwen: het celibaat is eerst na het veertigste jaar veroorloofd: in het begin van het jaar wordt het huwelijks-feest gevierd, ieder jonkman kiest, ten overstaan van den senaat van de ‘cité’, een meisje, en als hij haar ja-woord heeft gekregen, trouwt hij haar. Dat huwelijk is onherroepelijk voor tien jaar, na afloop van welke tien jaren een echtscheiding kan plaats hebben. Bepalingen over de voorwaarden, waaronder die echtscheiding kan uitgesproken worden, en over de kinderen, die in den regel bij den vader blijven, worden gegeven. - Hierna rangschikken zich de wetten op de opvoeding, die ook tot doel hebben, om de blinde toegeeflijkheid der vaders voor hun kinderen te voorkomen. Allereerst komt de in Frankrijk zoo noodzakelijke bepaling, dat de moeders zelven haar kinderen moeten zogen. De kinderen worden nu, als zij vijf jaar oud zijn, staats-kinderen, te zamen gebracht in daarvoor bestemde woningen (knapen en meisjes afzonderlijk gehuisd) en onder een bepaald aantal familievaders en familiemoeders gesteld; welke vaders en moeders om de vijf dagen wisselen. Dáár worden dan de kinderen opgevoed tot goede burgers. Tien jaren oud, verlaten zij de gemeenschappelijke woning, om in de werkplaatsen te gaan, waar zij het mechanisch werk leeren: terzelfder tijd wordt hun zedekundig en godsdienstig onderwijs gegeven. Met de uiterste zorg wordt gewaakt, dat de zucht van het eigendom nooit in hun harten binnensluipt. - Nu volgen wetten, die afdwalingen van den menschelijken geest en elke ‘transcendentale’ droomerij moeten beletten. Die artikelen bevatten de onderwerpen voor hen, die zich aan wetenschappen en kunsten wijden. Opmerkelijk is het, dat wat moreele filosofie betreft zij uitsluitend de wetenschap moeten beoefenen, die wij tegenwoordig sociologie noemen (zie art. II). - De laatste afdeeling bevat de strafwetten. De doodstraf komt niet voor. De zwaarste straf is de opsluiting in een der met ijzeren staven afgesloten holen, die gebouwd zijn vlak bij de begraafplaats, en waar men de burgers in zet, die den burgerlijken dood hebben verdiend. Daarin wordt ook als gek, als

[p. 257]

razende, en als vijand der menschheid geplaatst, hij, die op eenigerlei wijze, hetzij door kabaal als anderszins zou getracht hebben de heilige wetten omver te werpen, ten einde het afschuwelijk particulier eigendom in te voeren.

Ziedaar nu een geraamte van 't waarlijk soms ontzettend boek van den ‘Code de la Nature’. Morelly zelf had een tamelijke mate van zelfvertrouwen, toen hij het schreef. De korte voorrede begint met de woorden: ‘Non est mora longa..... men leze het boek of niet: weinig zal het mij deren: maar als men het leest, moet men het ten einde brengen, vóór en aleer er over te redetwisten.’ Trouwens wat moet er wel in het brein van dien onbekenden man zijn omgegaan, als hij, na zijn dagwerk (men meent dat hij schoolmeester geweest is) wandelend in de buurt van Vitry-le-Français huiswaarts keerde, om aan zijn boek te schrijven: als hij zijn buren, misschien den magistraat of ‘bailli’ vriendelijk groette, terwijl hij daar tegelijkertijd gedachten en eischen in zijn hoofd smeedde, die als zoovele bliksemstralen over veertig, over honderd jaren, de gansche maatschappij in brand zouden zetten! ‘Non est mora longa’: hij had den tijd. Hij behoefde zijn naam niet gedurende zijn leven geëerd of gevierd te zien: hij liet dit over aan schitterende sofisten als Rousseau en Diderot, aan zooveel anderen, want hij wist, dat zijn boek een boek van vuurvlammen voor de toekomst zou zijn. Zij, die in de groote Fransche revolutie in 1794, of later in de dagen van 1840 en 1848, iets uit dat boek zouden durven overnemen, om het als uitvoerbaar plan voor te stellen, zouden - al waren zij de ultra's bij uitnemendheid van hun tijd - toch nog voorzichtig en zoo behoedzaam mogelijk er mede omgaan. Toen Saint-Just zijn plan tot organisatie der sociale republiek; toen Louis Blanc zijn organisatie van den arbeid bepleitte, gebruikten zij wel beiden Morelly's boek, doch waren haast zelven bang zich aan dat gloeiend vuur te branden1).

Morelly is eerst in onze eeuw geheel en al begrepen: in breeder kring werd zelfs de aandacht op hem gevestigd, toen Tocqueville in zijn laatste werk vooral zijn beteekenis deed gevoelen2). Toch is zijn boek - al wordt het door hen weinig genoemd - zeker ook op zijn tijdgenooten niet zonder invloed geweest. Die tijdgenooten konden den naam des schrijvers niet gissen, en, lettende op den hartstocht, die er gloeide onder die zinsneden, schreven zij het geschrift meestal toe aan den stoutsten en vurigsten schrijver der 18de eeuw: aan Diderot. Tegen het einde der 18de eeuw gold dan ook de ‘Code de la Nature’ algemeen als een der hoofd-

[p. 258]

werken van Diderot. La Harpe in zijn ‘Cours de Litérature’ besteedde wel 200 bladzijden, om de dwalingen van Diderot, uit dit werk blijkende, aan te toonen1): en de Amsterdamsche drukkers en uitgevers der werken van Diderot hadden werkelijk den ‘Code de la Nature’ onder de volledige werken van Diderot opgenomen. Dat geloof was zoo algemeen, dat toen Babeuf later zijn samenzwering begon, en zich in zijn stukken voortdurend beriep op den ‘Code de la Nature’, hij dan ook als schrijver Diderot noemde2). - Vóórdat dit vermoeden zich zoo sterk verbreidde, had men nog een andere gissing gewaagd: men schreef het werk aan den overigens niet zeer bekenden Toussaint toe. Men vindt die gissing in de Mémoires van den markies d'Argenson. Deze alleropmerkelijkste man, die op zijn beurt, al was hij dan ook eenige jaren (1744-1747) minister van buitenlandsche zaken van Lodewijk XV geweest, tot het ras der utopisten behoorde, die zelf een soort van maatschappelijke herders-idylle als ideaal beschreef, en in zijn brein altijd bezig was te werken aan een groot boek, dat nooit uit zou komen, en dat den titel zou voeren: ‘de wetten der maatschappij in haar natuurlijke orde’, - deze markies teekent in Juni 1756, na de lezing van den ‘Code de la Nature’, op3): ‘uitmuntend boek: boek der boeken: zoo hoog uitstekend boven “l'Esprit des Lois” van den president de Montesquieu, als La Bruyère staat boven den abt Trublet, maar tegen welk boek er geen zwavel genoeg zal zijn, om het te verbranden....’

Wij hebben er niets bij te voegen: ook d'Argenson denkt, bij het noemen van dat boek, het eerst aan vuur.

 

Wij wenden ons thans tot den abbé de Mably, die van 1709 tot 1785 leefde. Hem naderende zijn wij in het midden der Encyclopedisten gekomen. In plaats van met een onbekenden pastoor of schoolmeester, hebben wij hier te doen met een der toongevers der Parijsche kringen, voor zoover deze verlichting en vooruitgang wilden bevorderen. Hij werd als een groot geleerde door zijn tijdgenooten beschouwd, en zijn woorden legden gewicht in de schaal der wetenschap. Hij was tevens man van de wereld, gewoon om met diplomaten en staatslieden om te gaan, en dus de vormen te kiezen, die voor de meerderheid aannemelijk waren. Voeg daarbij, dat hij een koel, logisch hoofd had, met methode

[p. 259]

en orde zijn begrippen ontwikkelde, niet bang was voor de gevolgtrekkingen van ééns gestelde premissen, en dat zijn sententieuse, dogmatische manier van zich uit te drukken den tegenstander, die het waagde hem aan te vallen, altijd op zekeren afstand hield.

Hij was in 1709 te Grenoble geboren, zoon van een aanzienlijke familie. Zijn oudere broeder ‘Monsieur’ de Mably werd ‘grand-prevôt’ te Lyon, en is ons niet geheel onbekend, daar in het jaar 1740 Jean Jacques Rousseau - toen 28 jaar oud en zoo even Madame de Warens en de Charmettes te Chambéry ontvliedend - in zijn huis te Lyon een gouverneurs-plaats voor het onderwijs der kinderen kreeg. Rousseau, die een jaar in die betrekking bleef, beschrijft ons dien ouderen broeder als een zeer rechtschapen man1). Een jonger broeder, in 1710 geboren, was de vermaarde abbé de Condillac, wiens wijsgeerige en economische werken even veel naam maakten als die van zijn broeder2). Hij zelf, onze abbé de Mably, ging al spoedig, na bij de Jezuïeten te zijn opgevoed en als geestelijke te zijn geordend, in diplomatieken dienst. Een bloedverwant, de kardinaal de Tencin, was minister aan het hof van Lodewijk XV, en nam de belangen van zijn jongen neef ter harte. De Tencin had veel invloed, en bij den dood van den kardinaal Fleury, in 1743, intrigeerde hij zelfs, geholpen door zijn waarlijk niet engel-reine zuster Madame de Tencin, om de betrekking van eersten minister in al de volheid van het ambt, zoo als Fleury dit had uitgeoefend, te verkrijgen: iets dat hem echter mislukte. De salon van Madame de Tencin - het model van den lateren salon van Madame Geoffrin - was een goede diplomatieke leerschool voor onzen jongen abbé3). Mably werd spoedig secretaris van de Tencin, schreef de ‘mémoires’, die de minister aan het ‘Conseil’ moest indienen, onderhandelde enkele vredes-verdragen, en was voortdurend in actieven dienst van buitenlandsche zaken. Omstreeks 1757 verliet hij die loopbaan, die hem nog veel voorspoed scheen te beloven, om zich geheel en al aan zijn studiën te wijden. Reeds had hij veel boeken geschreven, vooral met het oog op zijn diplomatieke carrière; thans zou zijn leven geheel en al het leven van een schrijver en van een geleerde worden4).

Meer en meer toch was hij bewonderaar geworden der antieke

[p. 260]

maatschappij der Grieken en Romeinen. Sparta vooral, met zijn staatsdeugden en éénvoud des levens, was voor hem een ideaal geworden: de gouden eeuw der menschheid. En het schouwspel van die groote hoedanigheden en van die burgerlijke zelfopoffering wilde hij nu op alle wijzen en in allerlei vormen pogen te beschrijven, om bij zijn tijdgenooten enthousiasme voor het navolgen van dergelijke levens-opvatting op te wekken. Door bewijsvoering en redeneering zou hij tot maatschappelijke beginselen pogen te verheffen datgene, wat de poëzie en 't eenvoudig verhaal hem hadden leeren lief hebben en bewonderen. Zóó zou hij vrijheid, gelijkheid en zelfverloochening gaan prediken: zóó zou hij het geluk van allen vooral gaan voorstellen als te bestaan in de afwezigheid van alle weelde, in de strengheid der zeden en in de bewuste regeering van het volk door zich zelf: hij zou in Frankrijk tot gangbare munt gaan stempelen de uitdrukkingen: burger, algemeene wil, volks-souvereiniteit: al die formules, die later woorden van vuur zouden worden in de Fransche revolutie. En zulke denkbeelden ontwikkelende, zou hij niet terugdeinzen voor de stoutste eischen van het socialisme1).

Doorloopen wij enkele van zijn latere geschriften, voor zoover zij op dat socialisme en dien vrijheids-kring betrekking hebben. - Opmerkelijk is reeds dadelijk het geschrift: ‘Des droits et des devoirs du citoyen’, vooral wanneer men bedenkt, dat het in 1758 is geschreven, al is het dan ook later in 't licht gegeven: in dat geschrift toch wordt in den zesden brief de wensch reeds gedaan, om in Frankrijk wederom de Staten-Generaal bijéén te roepen, en met het lichaam der Staten-Generaal het staatswezen verder te ontwikkelen2), een wensch, die eerst in 1789 zou worden vervuld. - In het algemeen zou hij thans zijn bewijsvoering, om Frankrijk tot een ‘régime’ van vrijheid en gelijkheid te brengen, ook uit de Fransche geschiedenis zelve gaan putten. Zijn studiën over de Fransche geschiedenis zijn nu een der meest époque-makende boeken, die over die geschiedenis geschreven zijn. Naast de geschriften van Boulainvilliers, van den abbé Dubos, van Mlle de Lezardière en van de Montlosier behoudt de opvatting en theorie van Mably haar waarde, en wijst zij een zekeren datum aan. De strekking was, om aan den ‘Tiers-Etat’ van Frankrijk te bewijzen en voor te houden, dat, bij het ontstaan der Fransche monarchie, dadelijk in de groote staatkundige vergaderingen de vertegen-

[p. 261]

woordigers van den ‘Tiers-Etat’ werden gevonden, dat zij toen deel hadden aan al de rechten der souvereiniteit, en dat eerst in het vervolg van tijd langzamerhand de ‘Tiers-Etat’, het volk, op den achtergrond werd geschoven, eerst door de feodaliteit, weldra door de willekeur des konings, die in plaats van in de Staten-Generaal zijn steunpunt en heil ging zoeken in de administratie. Op twee punten werd vooral de aandacht van Frankrijk bepaald: vooreerst op de vrije Franken, die Gallië aan de overheersching der Romeinen kwamen ontrukken; een volksstam, die als republiek was georganiseerd, en onder wie Clovis slechts de veldheer en eerste magistraat was: en ten tweede op geheel de wetgeving van Charlemagne, die het ideaal van een wijsgeer en patriot wist te verwerkelijken. Dit alles werd door Mably ontwikkeld in het boek ‘Observations sur l'histoire de France’, waarvan het eerste gedeelte in 1765 uitkwam, terwijl het tweede gedeelte eerst drie en twintig jaren later zou verschijnen. Op ons standpunt van historie-kennis staande, valt het ons niet moeielijk, al het gewaagde, ongerijmde en onhistorische van Mably's betoog op te merken: de tijdgenooten meenden echter, dat Mably hier den steen der wijzen gevonden had: het succes van het boek was algemeen en onbetwistbaar: het vond overal bewonderaars en maakte overal proselieten: in 1787 bekroonde de ‘Académie des Inscriptions et Belles-Lettres’ reeds een lofrede op den auteur der ‘Observations’: en toen Thouret, een der beste leden der Constituante, hij die mede aan het moderne Frankrijk de rechts-instellingen gegeven heeft, in April 1794 eerst in de gevangenis, toen naar de guillotine werd gesleept, besteedde hij de laatste weken van zijn leven in den kerker nog, om voor zijn jongen zoon een uittreksel uit Mably's boek te maken, ten einde hem Frankrijk's geschiedenis en het recht van het vrije volk te doen begrijpen1).

Nadat Mably aldus op het eigen terrein der Fransche geschiedenis aan zijn natie had aangetoond, dat zij, als erfrecht der vaderen, de begrippen van gelijkheid en vrijheid in het staatkundige zou kunnen vorderen, nam hij weldra breeder aanloop, en wilde hij bewijzen, dat men voor geheel het maatschappelijk leven der Franschen geen beter voorbeeld konde nemen dan de antieke maatschappij, en wel zoo mogelijk den Spartaanschen staat. Hij betoogde dit vooreerst in de ‘Entretiens de Phocion’, waarin hij dien Griekschen Cato zijn lessen laat uitdeelen, en aantoonen, dat in allen geval de liefde voor het vaderland ondergeschikt moest wezen aan de liefde voor de menschheid: maar vooral, meer precies (wat het socialistisch oogpunt aangaat) in de in 1768 verschenen ‘Doutes sur l'ordre naturel et essentiel des sociétés politiques’.

Het was in dit werk dat hij zich als bepaalde socialist zou leeren kennen. De aanleiding tot het schrijven van het boek was

[p. 262]

de volgende. Sedert eenigen tijd waren de volgelingen van Quesnay, den dokter van Mevrouw de Pompadour, als een school van Politieke Economie (de Physiocraten) opgetreden. Sinds Quesnay (die in 1774 stierf) in 1758 zijn ‘Tableau économique’ uitgaf, waren telkens nieuwe adepten tot die leer toegetreden. Het was een leer, die ook de menschen practisch en theoretisch tot de natuur zocht terug te brengen. Landbouw werd als de éénige bron van rijkdom opgevat, en voorts werden lessen voor het leven en verkeer der menschen geput uit regels aan de natuur ontleend. De heerschappij der natuur beteekende dan in die theorie een ontkenning en negatie van alle menschelijke bemoeienis (laissez-faire, laissez-passer’). Op zonderlinge wijze huwden die economisten de verdediging van de vrijheid in het maatschappelijk huishouden der volken aan voorkeur voor een verlicht absolutisme en despotisme in het staatkundige. Staatkundige vrijheid en zelfstandigheid werd door hen niet geëischt. Het geheele systeem was trouwens ook uitgebroeid in het ‘entresol’ boven de apartementen der koninklijke ‘maîtresse’. De Gournay, de markies de Mirabeau, de abbés Beaudeau en Roubaud, Turgot, later gevolgd door zoovele anderen, als de abbé Morellet, le Trosne, enz., gingen allen die denkbeelden verspreiden en verduidelijken. Eén onder hen was er nu, die een handboek schreef, dat al de denkbeelden der school als in een helder beknopt overzicht weêrgaf. Het was Mercier de la Rivière, en zijn boek, dat in 1767 verscheen, heette: ‘L'ordre naturel et essentiel des Sociétés Politiques’. Dit boek maakte in de school grooten opgang. Trouwens het drukte den geest van het Physiocratisme zeer goed uit. Het populariseerde de beginselen dier school over de natuur, over den eigendom, en over het ‘produit-net’, en verbond daarmede een theorie ter verdediging van de regeering in absoluut-monarchalen zin. Anderen begonnen dadelijk het boek en den schrijver zeer hard te vallen. Voltaire schreef er zijn beroemd pamflet ‘L'homme aux quarante écus’ tegen, en Mably toog mede aan 't werk, om tegenover de denkbeelden van Mercier de la Rivière de zijne te ontvouwen1).

Het zijn tien brieven, gericht aan den uitgever van het gewone tijdschrift der Physiocraten, ‘Les Ephémerides’, en die tien brieven bevatten nu Mably's twijfelingen (‘doutes’), of Mercier de la Rivière in zijn boek wel juist had gezien2). Het is betrekkelijk in lichten en vluggen stijl geschreven en laat zich gemakkelijk lezen. De eerste twee brieven zijn voor ons doel het belangrijkst. Mably poogde daarin te verduidelijken, dat Mercier ten onrechte de drie soorten van eigendom, die ieder kon hebben - eigendom van zijn eigen persoon, eigendom van de zaken noodig tot eigen onderhoud, en eigendom van het land - als onafscheidelijk en

[p. 263]

volstrekt verbonden ging beschouwen, zoodat, wanneer één daarvan werd weggenomen, ook de twee andere soorten wegvielen. Neen, persoonlijke vrijheid (eigendom van den eigen persoon) behoeft nog niet altijd samen te gaan met particulier eigendom van den grond. Integendeel, gemeenschappelijk eigendom kan best samengaan met het eigendom en recht, dat ieder op zich zelven heeft. De oudheid heeft in Sparta hiervan het voorbeeld gegeven. Nog sterker: de zoogenaamde orde van Mercier is juist tegen de natuur in; want, terwijl de natuur naar zekere gelijkheid streeft, heeft dit individueel eigendom juist de grootst mogelijke ongelijkheid uitgewerkt en een groote wanorde op die wijze doen ontstaan. Wij zijn dus afgevallen van den goeden toestand, waarin de menschheid zich bevond. Gemeenschap van goederen en gelijkheid van toestand was het begin en de gelukkige, aanvang der maatschappij, en thans is ellende en de heerschappij der harstochten het lot der menschen. Ware filosofie zou nu natuurlijk niet moeten strekken, om thans eensklaps alle goederen te gaan verdeelen, maar wel om tegenwichten te zoeken tegen de steeds toenemende ongelijkheid. De economisten en Mercier hebben daar echter geen oogen voor: zij denken alleen aan vermeerdering der productie der gronden. Mably roept hen toe: denkt eerst aan de vorming van een goede maatschappij en aan de ontwikkeling der staatsburgers: de toestand der akkers komt dan in de tweede plaats in aanmerking1). Mably gelooft zoo weinig aan het ‘natuurlijke’ van het individueel grond-eigendom, dat hij zou willen aannemen, dat die verdeeling der gronden het werk is geweest van eenige hommels, welke ten koste van het zweet der bijen wilden leven (p. 33). De grootst mogelijke en onnatuurlijke disharmonie is toch ontstaan. Er zijn allerlei verschillende, tegenovergestelde belangen gekomen in de maatschappij, en een groot deel der menschen, de daglooners (‘manouvriers’), de menschen die niets hebben, zijn in onhoudbare toestanden vervallen2). De toestanden

[p. 264]

zijn nu deze, dat ieder in stilte zijn fortuin aanhoudend vergelijkt met die van zijn buurman, en dat een geheime onrust geheel het maatschappelijk samenstel doortrilt en bederft. De economie rekent, volgens Mably, niet met al de passiën, die door de ongelijkheid in de wereld zijn gekomen: zij wil werken op het verstand door evidentie, doch evidentie is een ijdel woord, niet bestand tegen het vuur der hartstochten.

De daarop volgende drie brieven zijn voornamelijk gericht tegen het denkbeeld der economisten, en vooral van Mercier de la Rivière, dat een verlicht despotisme het ideaal van een regeeringsvorm is. De geheele school der Physiocraten toch had uit dat oogpunt eensklaps de groote bewondering voor China opgevat; welk China tegelijk den landbouw als voornaamste bedrijf uitoefende en tevens geregeerd werd door een absoluten keizer, bijgestaan door een uiterst bekwame en intelligente administratie van ambtenaren, die langs examens steeds tot een hooger trap der hiërarchie opklommen. Kortom, al de economisten waren bezig als in koor te zingen het bekende:

 
La Chine est un pays charmant,
 
Qui doit vous plaire assurément
 
Le pays là
 
Vous séduira....

Mably richtte daartegen zijn opmerkingen: hij wees aan, hoe dáár in China - gesteld dat de berichten van al de zendelingen juist waren - het rijk der middelmatigheid en der routine gevonden werd; hoe het slechts een schijn van orde leverde, ‘je ne sais quoi de monacal’ (p. 130), en hoe zulk een despotisme dààr niet anders in de hand werkte dan een zeer stationnairen toestand. - Dezelfde polemiek tegen 't verlichte despotisme werd door Mably in den 6den, 7den en 8sten brief nog verder ontwikkeld. De begrippen van democratie en van aristocratie werden tegenover het denkbeeld der absolute monarchie ontleed, en, ook op het voetspoor van Montesquieu's ‘Esprit des lois’, de getemperde

[p. 265]

monarchie (p. 181) aanbevolen. - Alles kwam echter aan op de zeden en deugden der burgers zelven. Om voor de menschelijke maatschappij regels te stellen, moest men opklimmen tot den oorsprong der maatschappij. Men moest de menschen nemen en ze bestudeeren, zooals zij uit de handen der natuur kwamen, en onderzoeken, door welke middelen zij er toe gekomen waren de sociale hoedanigheden, die God hun had gegeven, te veranderen in toomelooze hartstochten, die het menschelijk verstand hebben verlaagd. Zóó kwam Mably van-zelf terug tot dat gemeenschappelijk eigendom en die gelijkheid van toestand, welke het ideaal, het eens verloren, maar te herwinnen Paradijs, was. Voorloopig moesten wij stap voor stap tegenwichten bedenken en toepassen, die de bestaande ongelijkheid en onevenredigheid konden wegnemen. Onze dwalingen, al waren zij verouderd en zoo langen tijd in stand, waren gelukkig daarom nog geen waarheden. Op de zeden der menschen moest het meest gewerkt worden.

Dit is de inhoud der twijfelingen van Mably tegen de juistheid van Mercier's boek. In zijn geschrift had hij reeds meermalen den naam van Polen genoemd, en op de fouten van dat staatsbestuur gewezen. Men zal zich herinneren, dat sinds 1763 (het jaar van den dood van August den IIIden van Saksen en Polen) de moeielijkheden in Polen begonnen waren. Wel werd, met hulp der Czartoroskys, Stanislas Poniatowsky koning, doch Rusland en Pruisen begonnen hun begeerige blikken reeds naar enkele provincies van Polen te richten, en de grondslagen van dien staat te ondermijnen. De confederatie van Bar, in 1768 gesloten, trachtte nog aan Polen een nationale zelfstandigheid en eigen staatsbestuur te geven, en deed heroïeke pogingen om dit vast te stellen, doch (zooals bekend is) zonder resultaat, daar 3 Augustus 1772 het eerste verdeelings-tractaat van Polen gesloten werd tusschen Rusland, Pruisen en Oostenrijk; de drie staten, welke voor langen tijd door die misdaad aan elkander geklonken werden. Tusschen 1768 en 1772 zijn echter de Polen voortdurend bezig, om bekende staats-wijsgeeren, bij het in 't werk stellen van hun laatste wanhopige pogingen, te raadplegen en hun lessen te vragen, hoe zij aan hun staat kracht en nieuw leven kunnen geven. Als vanzelf sloegen de Polen het oog naar Parijs, naar den zetel der verlichting. Zij vroegen in 1769 aan Mably een constitutie voor hun land, gelijk zij later in 1771 er een vroegen aan Jean Jacques Rousseau1). Ten einde die vraag goed te beantwoorden, deed Mably in 1770 een reis naar Polen, en uit de verschillende overdenkingen en waarnemingen op die reis ontstond het boek van Mably getiteld: ‘Du gouvernement et des lois de Pologne,’ een geschrift opgedragen aan den graaf Wielhorski, gevolmachtigd minister der confederatie van Bar in Frankrijk, van welk geschrift het eerste gedeelte gedateerd is van het kasteel de Chantome 31 Augustus 1770, terwijl het tweede deel, dat weêrleggingen bevat op aanmerkingen, die naar aanleiding van het eerste deel waren

[p. 266]

gerezen, gedateerd is van het kasteel de Liancourt 9 Juli 1771. Later verscheen nog een bijzonder geschrift: ‘De la situation de la Pologne en 1776.’

Het gezag van Mably was door al deze geschriften in Parijs van beteekenis geworden1). Wij zien in de ‘Confessions’ van Rousseau, dat zijn invloed zeer groot was. Zijn optreden en omgang waren echter niet aangenaam. Tijdgenooten spreken van zijn ‘brusqueries ordinaires’. Het levendigst wordt ons die stuursche, afbijtende manier (bijvoorbeeld in de jaren 1774 en 1775) geteekend door Malouet in diens bekende gedenkschriften. Malouet, toen omstreeks 35 jaar oud, was werkzaam in de marine, en had juist een geschil gehad met den minister van marine de Sartine, in welke questie de minister zich op de meest delicate wijze jegens Malouet gedroeg. In die dagen was Malouet nu een dagelijksche gast in het hotel der vicomtesse de Castellane, en deze was gewoon de Encyclopedisten aan haar tafel te ontvangen, onder anderen d'Alembert, Diderot, den abbé Raynal en den markies de Condorcet. Dáár ontmoette Malouet ook den abbé de Mably. Malouet sprak nu in dien salon veel over zijn geschil en prees zeer de Sartine. Mably was het niet met hem eens, en toen Malouet nog waagde tegen te spreken, haalde hij zich een van die stekelige gezegden van Mably op den hals, daar deze kortaf hem toebeet: ‘Monsieur, je me connais un peu mieux que vous en hommes et en ministres.’ Malouet noemt hem dan ook ‘l'homme le plus morose que j'ai vu’2).

Mably was juist in die jaren bezig met het bewerken van een nieuw boek, waarin hij niet ter loops, zooals in zijn geschrift tegen Mercier, maar ‘ex professo’ de questie van het socialisme wilde aanvatten. Inderdaad zou dit boek het vraagstuk consequent en op nieuwe wijze behandelen. Wij bedoelen het in 1777 in twee deelen verschenen hoofdwerk: ‘De la législation ou principes des lois’, verdeeld in vier boeken. Wij zullen den inhoud van dat belangrijke werk eenigszins nauwkeuriger ontleden3).

Het zijn gesprekken tusschen een Zweed en een Engelschen Lord, die elkaar in Parijs hadden ontmoet. Beiden hadden een werkzaam aandeel in de staats-vergaderingen van hun land genomen, en poogden elkander over en weder van het voortreffelijke van hun vaderlandsche staats-instellingen te overtuigen. De En-

[p. 267]

gelsche Lord was natuurlijk vervuld van de grootheid en rijkdom van zijn eigen land, terwijl de Zweed, in naam protestant, doch in werkelijkheid een filosoof volgens de school der ouden, het voortreffelijke van zijn Zweden juist daarin meende te vinden, dat Zweden in zijn wetten zoovele van de bepalingen der klassieke oudheid van Sparta en Rome nastreefde. De aandacht viel toen ten tijde juist bijzonder op Zweden, daar een ieder de oogen vestigde op het schitterend, fantastisch begin der regeering van koning Gustaaf III en op de maatregelen en hervormingen van den door hem bijeengeroepen buitengewonen rijksdag. Mably nu ontmoette den Zweed en den Lord in die dagen op een kasteel buiten Parijs, en terwijl zij met hun drieën een wandeling maakten in het schoone herfst-seizoen, ontspon zich weder een breede discussie en een vrij puntig dispuut. Toen namelijk, naar aanleiding van de ‘lois somptuaires’ van Zweden, de Engelsche Lord de nadeelen van zulk een sober bestaan en te ver gedreven matigheid berispte, en van zijn kant de voordeelen van den Engelschen handel, die rijkdom en schatten aanbrengt, prees, ging de Zweed wat dieper op het onderwerp in.

Hij meende, dat de Zweedsche wetten naar hooger maatstaf moesten getoetst worden. Wat toch hebben wetgevers te doen? Niet anders, dan de bedoelingen van de natuur na te gaan en te volgen. Een studie van het menschelijk hart en van den menschelijken geest moet aan alle wetgevingen ten grondslag strekken. Dan eerst, wanneer de inzichten der natuur werden gevolgd, konden wetgevers in werkelijkheid medehelpers der Voorzienigheid genoemd worden. De natuur leerde nu in 't algemeen ons met weinig te vergenoegen. ‘La terre ne nous offre qu'une quantité bornée de richesses: pourquoi voulons nous donc avoir des besoins sans bornes?’ In dien zin hebben de Zweedsche wetten op weelde-artikelen getracht de regelen der natuur te herstellen, en eenvoudigheid en gelijkheid onder de menschen te bevorderen. De menschelijke maatschappij heeft zich echter - volgens den Zweed - op een geheel ander standpunt geplaatst en gansch andere drijfveeren gevolgd: het resultaat is, dat de meest mogelijke ongelijkheid van welvaart onder de menschen te vinden is. - Al wandelende en het schoone Fransche landschap bewonderende, wijst de Zweed op de schamele hutten, waarin het landvolk leeft. ‘Nader die woningen niet, zoo gij uwe illusiën wilt behouden. Wel zou de arbeid van den landman licht zijn, indien de menschen onderling dat werk onder zich hadden verdeeld. Maar nu houdt onze hebzucht die landlieden in ellende, te midden van de vruchten, die zij in het zweet van hun aangezicht voor ons kweeken: ter nauwernood rest hun een armzalig voedsel: zij hebben al de ondeugden van de armoede, en de vrees voor de toekomst drukt misschien hen nog erger en harder dan het oogenblikkelijk gebrek.’ Het valt niet te ontkennen - zoo vervolgt de Zweed - dat de natuur gelijkheid van fortuin en van levens-voorwaarden heeft gewild: en ziedaar, de ongelijkheid heeft zich onder ons gevestigd en gaat voort ons te bederven. Waar loopt alles eindelijk op

[p. 268]

uit? Op bedelaars-toestanden aan den éénen kant; op doodstraffen tegen diefstal aan den anderen kant. Want de ongelijkheid eens onder ons binnendrongen, moet nu, het koste wat het wil, beschermd en gehandhaafd worden. De oorsprong van geheel deze verkeerde richting is te zoeken in de omstandigheid, dat het particulier eigendom ingevoerd is. Sparta heeft dit goed begrepen, daar Lycurgus zich niet enkel bepaalde, om de landerijen gelijkelijk te verdeelen, maar geheel en al het grondeigendom aan de burgers ontnam: alle landerijen moesten aan den staat toebehooren, die 't gebruik van de deelen daarvan aan de burgers afstond. Het particulier eigendom is dus juist de oorzaak van het kwaad. De dichters hebben dit gevoeld, toen zij, in hun schilderingen van een gouden eeuw, dat eigendom verbanden. In het begin der menschelijke maatschappij is dan ook nergens het particulier individueel eigendom te vinden. Dáár heerschte de gemeenschap: de communauteit van alle goederen. Heeft het thans den schijn, alsof wij menschen in ons hart een fonds van hebzucht en eerzucht dragen, zoo moeten wij wel bedenken, dat juist die hebzucht en die verkeerde ambitie de dochters der ongelijkheid zijn: zij ontstonden toen de gemeenschap werd verlaten. Wellicht zou het in het begin niet zooveel moeite gekost hebben die gemeenschap te handhaven, toen voor het eerst - hetzij door onjuiste repartitie der verdeelende overheid, hetzij door de luiheid van hen, die zich aan het gemeenschappelijk werk onttrokken - er gemor tegen de communauteit ontstond.

Zoover is de Zweed met zijn betoog gekomen, als de Engelschman hem in de rede valt, en van zijn kant er op wijst, dat het eigenbelang de beste prikkel van den arbeid is, en dat, indien zulk een poëtische gemeenschap al mogelijk was, de arbeids-lust er bij zou inslapen, daargelaten nog, dat zulke gemeenschappelijke maatschappijen altijd zeer klein zouden moeten wezen. - De Zweed loochent nu in het algemeen het geluk van die groote staten, met hun scherpe contrasten van armoede en rijkdom, en bestrijdt meer speciaal het gezegde, dat eigenbelang de beste prikkel tot den arbeid is. Hij meent, dat offervaardigheid voor anderen en het zelfverloochenende beginsel drijfveeren zijn, die even machtig tot inspanning kunnen aansporen als het eigenbelang. Waarom zou men geen helden der gemeenschap kunnen vinden? En zelfs, indien het waar mocht zijn, dat het eigenbelang talrijker producten wist te doen ontstaan, de questie is niet, om een steeds meer aangroeiend aantal voortbrengselen te verkrijgen, maar om voortdurend over een voldoende hoeveelheid goederen voor de behoeften te kunnen beschikken1). Alles komt bij zulk een ‘régime’ der

[p. 269]

gemeenschap neder op een juiste verdeeling en distributie van het werk en van de vruchten, en het zou juist een schoone taak voor een staat zijn, zulke distributieve wetten met zorg en beleid vast te stellen. Men zou door die communauteit nog meer belang in zijn vaderland, waaraan men alles verschuldigd zou wezen, stellen. De Zweed erkent echter, dat in den tegenwoordigen toestand der Europeesche maatschappij het een onmogelijk werk zou zijn, die gemeenschap weder volledig in te voeren. De ontwikkeling der menschheid is nu sedert eeuwen een gansch anderen koers opgegaan. Het zou een ideaal, een droombeeld wezen: die er van spreekt, komt niet verder dan wederom een Platonische Republiek te construeeren1). Noch de rijken, noch zelfs de armen, zouden gedoogen, dat men de gemeenschap in Europa thans dadelijk zou willen invoeren. Die ze in toepassing willen zien, moeten in de bosschen van Amerika, in Florida, haar opzoeken, of misschien in zekeren zin bij de Kwakers in Pennsylvanië. In Europa echter heeft men niet anders te doen, dan, nu het eigendom er eens is, dat eigendom als feit aan te nemen, zelfs als grondslag van alle orde, vrede en openbare veiligheid, maar men moet terzelfder tijd de wetten zóó inrichten, dat de twee ondeugden, waardoor de gevolgen van het eigendom steeds drukkender worden, met alle kracht en macht bestreden worden. Die twee fouten zijn de hebzucht en de eerzucht.

Het tweede Boek houdt zich vooral bezig met de wetten tegen hebzucht en ambitie. Het is wederom de Zweed, die hier alles ontwikkelt en voorstelt, en die langzamerhand door al zijn betoogen den Engelschen Lord tot zijn gevoelens overhaalt. - Wil men de hebzucht in den staat bestrijden, zoo zegt de Zweed, dan moet men uitgaan van het denkbeeld, dat een staat weinig geld

[p. 270]

noodig heeft: men moet dus meer zijn werk maken van het verminderen der behoeften, dan van het vermeerderen der opbrengsten van den staat. Inplaats van de menigte der indirecte belastingen, moet men enkel directe belastingen op de landerijen doen drukken. Let echter wel op, dat zulk een belasting op de gronden niet opgelegd moet worden, wegens het motief dat de Physiocraten opgeven, maar met het doel, om vooral hen te belasten die iets bezitten, niet hen die slechts van hun loon of arbeid leven1). Het omgekeerde is tot nu toe door de verschillende staten en ook door Engeland gedaan. - Rijkdommen mogen verder geen titel of reden zijn, om overheids-ambten te bekomen. De ambten zelven moeten zoo weinig mogelijk met geld beloond worden: representatiegelden der hooge ambtenaren zijn onnoodig. (Mably wijst hier op de achting, die een Jan de Witt bij zijn eenvoud ondervond). - Het spreekt van-zelf, dat alle middelen, die de financiers en mannen der geldmarkt doen groot worden, als daar zijn verpachtingen van belastingen, agiotage, enz., kortom al de middelen, die het gezegde in de hand werken: ‘on pillera d'une main pour dissiper de l'autre’, streng moeten geweerd worden. - Voorts zijn wetten noodig tegen de weelde, zooals ook Zweden die had ingevoerd, en moest men dus in dit opzicht juist het omgekeerde doen van wat de Physiocraten leerden. - Ook de handel behoefde niet aangemoedigd te worden (‘les commerçants n'ont aucune patrie’). - Dan moest het erfrecht zorgvuldig door de wetten geregeld worden. De volkomen vrijheid en willekeur van de testamenten moest niet worden aangenomen of gehandhaafd: de gevallen van overgang der goederen bij den dood des eigenaars moesten bepaald worden door de wet. De graden van bloedverwantschap behoefden hierbij niet al te ver worden uitgestrekt. Allerlei bepalingen konden daarbij worden ingesteld. De ééne dochter verkrijge slechts een derde der erfenis. Zoo iemand in 't geheel geen erfgenaam heeft, dan valle die erfenis niet toe aan den staat, die juist het voorbeeld van belangeloosheid moet geven, maar de successie moet dan verdeeld worden tusschen de arme huisgezinnen der gemeente van den overledene, enz. - Agrarische wetten moeten worden ingesteld en voortdurend in toepassing gebracht: de tegenwerping, dat de oogsten op die wijze iets minder zouden worden, behoefde niet af te schrikken: doch Mably ontkende ten sterkste, dat de agrarische wetten aan den landbouw zouden schaden. De groote bezittingen zijn onvruchtbaar, kleine stukken gronds worden het best bebouwd. - In het algemeen moeten eindelijk alle wetten in de eerste plaats het karakter en de strekking hebben, om zooveel mogelijk de welvaart onder allen te verdeelen: de wetten moeten op de distributie der welvaart inwerken. - Mably schetst hier in groote trekken een systeem van regelen, die hij op Frankrijk zou willen toepassen, en waarvan hij zich een groote verbetering der plattelands-toestanden, die in Frankrijk op het einde der 18de

[p. 271]

eeuw zoo ellendig waren, beloofde1). Het zou in zijn oog voor een maatschappij een grootscher taak wezen, dan het steeds meer en meer produceeren. Mably wijst er zelfs op, dat, wat hij wil, in zekeren zin door Calvijn te Genève was verordend, doch dat Calvijn niet consequent had durven doortasten, en nog niet genoeg het belang had begrepen van steeds nieuwe voorzorgen tegen de hebzucht der menschen te nemen.

Nadat zoo in breede trekken door Mably een afgerond geheel van wetten is voorgesteld, dat de hebzucht moest tegengaan, gaat hij thans over, een samenstel van tegenwichten te leveren tegen de eerzucht der staten en der burgers. Hij werpt een blik op de toestanden van Polen, van Zweden, van Holland, van Corsica (waar Neuhoff en Paoli hun rol hadden gespeeld), om aan te toonen, dat het werkelijk noodig was tot dergelijke wetten de toevlucht te nemen. Zulke wetten moeten met zorg gemaakt worden. Want wel is de ambitie een mindere ondeugd dan de hebzucht, maar het is toch een groot gebrek, en leidt zeer zeker mede tot den afgrond. Welke wetten zouden nu aan te wenden zijn, om die eerzucht te verstikken? De Zweed noemt er enkele op. - Vooreerst moet het oorlogs-recht geregeld worden. Aanvallende krijg moet geheel verboden worden: voorts moeten bepalingen omtrent traagheid bij oorlogs-verklaringen, omtrent het voeren der krijgsbedrijven (‘ne pas faire la guerre en banquiers’) getroffen worden. - Dan moet een politiek van non-interventie worden aangenomen: onze naburen moeten als onze vrienden worden beschouwd: in 't algemeen moet men nooit trachten vreemde bezittingen te verkrijgen, en vooral geen streken of plaatsen, die als het ware ‘deuren’ zijn in het land van den ander2). Koloniën moeten alléén worden ge-

[p. 272]

sticht, wanneer het noodig is, om voor de overcomplete bevolking nieuwe oorden en nieuwe hulpbronnen te openen, want te groote overvloed van menschen in een staat is een kwaad. - Bekroond moeten zulke maatregelen worden door de instelling van een magisstratuur des vredes. Deze overheids-personen zullen geen andere bezigheid hebben dan den vrede te behoeden: vrede tusschen de staten onderling, en vrede in 't algemeen. Zij moeten groote autoriteit bezitten, om hun inzichten steeds te doen eerbiedigen: elke aanleiding, die tot vredebreuk zou kunnen leiden, moeten zij voorkomen en uit den weg ruimen. Veel geraas te maken, zich te alarmeeren over niets, verraadt slechts kleinheid van inzicht, die men moet vermijden1). - Voortgaande om maatregelen te bedenken tegen de eerzucht der burgers, wijst de Zweed op het belang, dat elke ambtelijke betrekking in den staat zóó zij ingericht, dat niet de verkeerde ambitie wordt opgewekt. De duur der magistratuur moet dus kort worden gesteld: men moet niet te schielijk de hooge waardigheden kunnen verkrijgen. Zorg in 't algemeen, dat het groote onderscheid tusschen de burgers onderling hier eenigszins verdwijnt. Laat zoo mogelijk alle burgers toe tot het verkrijgen van ambten en bedieningen. Verneder het lagere gedeelte van het volk niet, door het als gepeupel te behandelen; waak tegen intrigues; laat nog liever bij sommige betrekkingen het lot aanwijzen wie de candidaat moet zijn. Zorg er voor, dat altijd openlijk gesolliciteerd worde. Verbied op elk terrein geheime stemmingen. Roep distinctiën in 't leven, waardoor de verdienste der burgers wordt beloond zelfs in het gewone leven, en maak dat zulke burgers allereerst tot ambten worden geroepen. In het algemeen moet men zoogenaamde ‘lois dignitaires’ in het leven roepen, om een grens te stellen tegen de zucht van enkelen of van geheele standen, om zich van alle macht meester te maken. Vooral moet men door zulke ‘dignitaire wetten’ zorgen, dat het evenwicht van macht onder de standen en rangen goed zij verdeeld. Zulke regelen kunnen dan tegen de eerzucht strijden, gelijk de agrarische wetten tegen de hebzucht. Het doel moet zijn, om emulatie wakker te houden, maar ambitie te keeren. Grenzen te stellen aan het fortuin der rangen en standen in den staat, voorzoover het staats-lichamen zijn, zou mede aan te bevelen wezen.

Met deze uitéénzetting der wetten tegen hebzucht en eerzucht sluit het eerste deel. In het tweede deel worden nu eerst de middelen gezocht, waardoor men in de verschillende staten op de

[p. 273]

beste wijze wetten kan doen vaststellen. De staats-kunst en vooral de kunst om wetten te maken wordt dus hier behandeld. Meer speciaal wordt dan ook weder de aandacht gevestigd op de richting, om de wetten zóó te verordenen, dat hebzucht en eerzucht bestreden worden. Dit alles echter vordert veel tijd. Want zeer zeker - zegt de Zweed - zal een algeheele omkeer der maatschappij niet zoo nabij zijn, als de economisten (de Physiocraten) zich dat verbeelden. Geduld is derhalve noodig. Groote kunst moet worden aangewend, en nooit mag tot geweld de toevlucht worden genomen. Overijling moet zeer worden vermeden. Want alle omstandigheden in de maatschappij zijn zóó gecompliceerd, dat bedachtzaamheid en voorzichtigheid niet genoeg kunnen worden aangeraden. Doch wanneer de wetgever zich voorneemt, alle mogelijke voorzorgen te nemen, dan kan zijn werk ook veel uitrichten. Wel is waar is de toestand der Europeesche staten (tegen het einde der 18e eeuw) niet aanmoedigend, vooral ook omdat de staten zoo groot zijn, maar met vasten wil is veel te doen. De volken moeten er toe opgeleid worden, zelven hun eigen wetten vast te stellen: volgens vaste en afgepaste formaliteiten moeten dan de wetten worden behandeld: zij moeten weinig in aantal zijn, terwijl alleen die wet waarlijk goed is, die meer gelijkheid teweeg brengt. Zoo worden allerlei punten behandeld: de questie dat de staat jaarlijks zijn begrootingen en wet der middelen vaststelt (II p. 73 enz), maar vooral wordt het strafrecht steviger onder handen genomen. De Engelsche Lord toont zich hier een groot voorstander van de afschaffing van de doodstraf: de Zweed wil haar voor twee misdaden behouden: moord (‘assassinat’) en landverraad. Gedwongen arbeid is toch, volgens den Zweed, voor die gevallen geen voldoende straf, daar inderdaad zulk geforceerd werk het geheele leven der armen uitmaakt, voor hen de gewone regel is. Overigens worden natuurlijk de bepalingen der habeas-corpus wet geprezen: pijnbank, inquisitie en confiscatie van goederen zeer gelaakt: aanbrengers van misdaden worden niet toegelaten: gratie mag niet worden gegeven, daar in zulk een geval slechts de willekeur weder binnenkomt. Mably treedt hier telkens in details, hoewel hij zijn lezers waarschuwt, dat hij 't slechts doet als gedwongen, uit inschikkelijkheid voor de menschen, die dwaas genoeg zijn, om de ongelijkheid van fortuin en van leven te behouden.