Met zekeren schroom beginnen wij de taak om het beeld van Saint-Simon te teekenen. Wel is waar zijn de gegevens nu voorhanden. Zijn geschriften zijn publiek domein geworden. Neemt men de elf deelen of afleveringen der ‘Oeuvres de Saint-Simon’, die van 1868 tot 1876 bij Dentu in de zeer volumineuse verzameling der werken van Saint-Simon en Enfantin verschenen, en vult men het ontbrekende aan met sommige stukken uit de drie deelen ‘Oeuvres choisies de C.H. de Saint-Simon’, die in 1859 te Brussel bij van Meenen, dank zij de zorgen van den heer Ch. Lemonnier, uitkwamen, - dan heeft men thans schier alles bijeen. Doch ook nu, dat alles vlijtig doorlezende, zal men telkens aarzelen, vóórdat men een vast oordeel over den persoon uitspreekt. Men prijst den éénen dag bij zichzelven beslist en hoog het genie en het ongewone inzicht van dezen man, om den volgenden dag - na wederom een honderdtal bladzijden te hebben bestudeerd - in zijn oordeel te wankelen en de vrees te uiten, of men, begoocheld wellicht door droomen van een kranken geest, zijn held niet heeft overschat. Dit is zeker: Saint-Simon is een buitengewoon man geweest, die met de raadselen der maatschappelijke inrichting zich steeds heeft bezig gehouden; hij heeft niet gerust, eer hij den gang en loop, het tempo der hem omringende en steeds voortgaande beschaving, eenigermate heeft kunnen bepalen; hij heeft vrij spoedig begrepen, dat met de negentiende eeuw een nieuwe fase in de ontwikkeling der menschheid kon en zou beginnen: het tijdperk der Industrie; en hij heeft tot de producenten (die hij allen te zamen wilde vereenigen, op welke sport der maatschappelijke ladder zij ook stonden) het woord toegeroepen, dat Sieyès tot den derden stand sprak: ‘gij zijt tot nu toe niets, gij moet alles worden’. Hij heeft toen getracht in dien zin als hervormer der maatschappij werkzaam te zijn, en de sociale grondslagen der samenleving te reorganiseeren: - zelfs kan men slechts in dat opzicht hem tot de socialisten rekenen, niet wanneer men 't woord socialist in zijn enge, gangbare beteekenis wil opvatten; - en ten slotte heeft hij geheel zijn streven willen bekronen, door een zeer stoute poging om tot een nieuwe religie te geraken, daar hij met het
dogma van den vooruitgang een zoogenaamd nieuw Christendom wilde stichten. Toen de meesten zijner tijdgenooten zich slechts bezig hielden met analyseeren der sociale verschijnselen, heeft hij een synthese van Staat en maatschappij nagejaagd. Hij wilde éénheid in de arbeidende, denkende en voelende samenleving. En in die wereld wilde hij dan vestigen een nieuwe geestelijke macht, evenwijdig aan de Kerk der Middeleeuwen; een macht die de leiding der geesten op zich zou kunnen nemen, een intellectueel gezag dat den weg kon wijzen. Zijn invloed is zeer groot geweest. Allereerst op zijn bepaalde school, daarna indirect, doch zeer sterk op de tijden, die zich veel later hebben ontwikkeld. De Fransche ‘wereld van zaken’ draagt nog hier en daar zijn stempel, en, naar ons inzien, zal men de dagen van het keizerrijk van Napoleon III nooit goed begrijpen, wanneer men niet zal willen erkennen, dat toen voor een deel Saint-Simonistische plannen werden verwezenlijkt. De man is dus belangrijk genoeg. Zijn geschriften hebben iets van vlammen: zij geven een flikkerenden glans, doch schroeien somwijlen scherp. Wij zullen zijn leven en zijn werken achtereenvolgens in historische volgorde pogen te ontleden en te toetsen.