terug  begin  verderprepost
[p. 112]

Hoofdstuk III.
Charles Fourier.

Haast in hetzelfde tijds-verloop, waarin Saint-Simon arbeidde, leefde in Frankrijk een ander socialist, die mede de stichter van een groote school zou worden: Charles Fourier. Zij beiden zouden niets van elkander weten en in hun leven nooit met elkander in aanraking komen. Ook van dezen Fourier zijn al de werken uitgegeven en voor ieder toegankelijk. Zij vormen twaalf deelen: acht grootere, waarin de bij het leven van Fourier uitgegeven geschriften zijn verzameld, en vier kleinere, waarin na zijn dood zijn leerlingen zijn verdere manuscripten hebben laten afdrukken1). En die geschriften hebben dit eigenaardige, dat zij dadelijk een volkomen afgerond plan, een goed sluitend stelsel, aanbieden. In het eerste deel vindt men de met vaste hand getrokken lijnen der schets, in de latere deelen de tot in alle onderdeelen afgewerkte, geschakeerde en gekleurde teekening. Poogde Saint-Simon den gang der hem omgevende maatschappij, den golfslag van den hem en zijn tijdgenooten medevoerenden stroom van denkbeelden en gevoelens, te bepalen, ten einde den gedachtenloop der menschheid te veranderen en te wijzigen; ging hij een eind weegs op bestaande golvende lijnen der menschelijke organisatie mede, om ze daarna een andere richting te helpen geven - Fourier daarentegen wilde niets van die bestaande en zich ontwikkelende vormen weten. Hij plaatste zich geheel en al buiten de werkelijkheid. Volgens hem was onze beschaving niets waard. Dat de menschen er nog genoegen mede namen, was alleen daaraan toe

[p. 113]

te schrijven, dat zij blind waren. Lichtte men het cataract van hun oogen en bracht men hen in het genot van den zuiveren zonneglans, dan zouden de menschen een gansch ander schouwspel van een mogelijk samenleven voor hun opgetogen blik zien verrijzen. Een tafereel van een hypothetische maatschappij, zóó gloeiend van kleur en wondervol van vormen, dat het ons aan visioenen uit Arabische nachtvertellingen doet denken. Volgens die hypothese zou in het heelal een universeele harmonie verwerkelijkt worden. Het leven en samenzijn der menschen op aarde zou in even regelmatige lijnen zich bewegen, als de wentelende kringen, die de sterren beschrijven in het firmament. En dat alles zou geschieden, wanneer alles en een ieder zijn eigenaardige bestemming volgde; een bestemming, die door de wet van attractie aan ieder werd aangewezen, en waarvoor geen zweem van uiterlijken dwang ooit behoefde aangewend te worden. Voor de menschen beteekende dit, dat men aan de verschillende hartstochten vrije speelruimte en vrij terrein gaf. Een ieder zou dan doen, werken en uitrichten datgene waartoe hartstocht, smaak, lust en neiging hem dreef, en zou door zijn aard gedreven worden zich in groepen te vereenigen met die medemenschen, die denzelfden hartstocht en smaak van arbeid hadden. Er zouden zich dus groepeeringen van gelijkgezinden vormen. Zoodra in een groep al de nuances van hartstocht van één tak van arbeid waren vereenigd, zou zij zich als progressieve serie in harmonieuse orde kunnen ontplooien en organiseeren. In zulk een serie zou dan de hartstocht zich nog vrijer en schooner kunnen ontwikkelen. Twaalf dozijnen dier serieën (ieder mensch kon lid van meer dan één serie zijn) waren voldoende, om alle hartstochten der menschen te omvatten en aan 't werk te stellen, en zouden nu een ‘phalanx’ vormen: het collectieve lichaam, waarin, door de inwerking der serieën op elkander, de menschen, vroolijk naar hun smaak werkende, het best hun bestemming vervulden. Op de aarde zouden geen steden en dorpen, maar overal paleizen voor ‘phalanxen’ oprijzen. De aarde zou dan niet meer het schouwspel leveren van onsamenhangenden arbeid en geïsoleerde huishoudens (want van blijvende huwelijken in onzen zin was verder geen sprake), maar al de op aarde harmonisch ingerichte ‘phalanxen’ zouden, met de in hun kring vervatte serieën, een gecombineerde, een sociëtaire orde vormen. De arbeid zou boeiend en aangenaam zijn, de associatie zou als bewegende spil het werk gemakkelijk doen vlotten, en het resultaat van het werk zou tusschen de deelgenooten, niet op domme gelijke wijze, maar naar gelang van het kapitaal, den arbeid en het talent, dat aangewend was, worden verdeeld.

Fourier poogde nu, in zijn drogen, vormloozen stijl, deze geheel aan de werkelijkheid vreemde en zoo artificieel mogelijk gebouwde constructie voor onze verbeelding te stellen, en al de kracht van zijn geest besteedde hij, om die ééne gedachte telkens als een verleiding ons in 't brein te doen sluipen: als het ééns mogelijk ware....

1)Wij gebruiken de editie der ‘Oeuvres complètes de Charles Fourier’, en daarvan den derden druk van het eerste deel (1846), den tweeden druk van het tweede deel (1843), den tweeden druk van het derde deel (1840), den tweeden druk van het vierde en vijfde deel (1841), en den vierden druk (quatrième édition, 3me tirage, 1870) van het zesde deel. - Voorts gebruiken wij van ‘La Fausse Industrie’ de editie in twee deelen van het jaar 1835, en eindelijk van de ‘Publication des Manuscrits de Charles Fourier’, het eerste deel van 1851, het tweede van 1852, het derde van 1853-1856, en het vierde van 1857-1858.
prepostterug  begin  verder