terug  begin  verderprepost
[p. 13]

Hoofdstuk II.
De Saint-Simonisten.

Wij beginnen onze voorstelling van dit tijdvak met de uitéénzetting der denkbeelden en lotgevallen der school van Saint-Simon. Doch wanneer wij van volgelingen van Saint-Simon spreken, moet men vooral niet een al te engen band tusschen die zoogenaamde leerlingen en den stichter der school onderstellen. Neen, de samen-hang is vrij los. De verhouding doet denken aan de punten van overeenkomst, doch vooral van onderscheid, tusschen Hegel en de Jong-Hegelianen. De zeer talentvolle jonge mannen, die de denkbeelden van den graaf de Saint-Simon gaan opnemen, verwerken en ontwikkelen die begrippen tot gansch nieuwe stellingen: zij drukken een eigen stempel op de leer, die zij slechts als logische gevolg-trekking van het idee des meesters willen voordragen: zij geven in veel opzichten iets zeer oorspronkelijks. Ook blijven zij als vastgesloten school niet lang bij elkander. Zij houden het niet lang vol, om de organisatie en instandhouding hunner instellingen te behoeden of te verzekeren. Neen, als een vlucht vogels schieten zij weldra uit elkander: de één her-, de ander derwaarts. Doch de zaadkorrels van hun leer dragen zij mede, en op elk veld, waar zij later neêrstrijken, zal men iets zien ontkiemen, wat aan den ouden, door hen geliefkoosden akker herinnert. Bijna allen zullen in de maatschappij, in de wereld van zaken, in de sfeer van banken en spoorwegen, in de politiek, een zeer opgemerkte eerste plaats innemen. Schijnbaar zullen hun wegen uitéénloopen. Maar als men zeer scherp gaat toezien, zal men bemerken, dat die uitééngespatte kring altijd een geheimen band houdt, een soort van vrijmetselarij in het klein vormt, en misschien ook daardoor een grooten invloed oefent. Als een zeker woord wordt uitgesproken, vereenigen zij zich allen als reünisten van oude studie-jaren. Want zij zijn er trotsch op, dat zij in een tijdvak, toen het individualisme een volledigen triomf waande te behalen, toen het liberalisme den vooruitgang der maatschappij meende te kunnen verzekeren door op elk gebied het gezag te verzwakken, toen kritiek en nog eens kritiek overal op den vóórgrond stond, tegenover die denkbeelden van ontkenning en van verbrokkeling de sociale ideeën hebben opgeroepen. Waar de verlichte midden-klasse sprak

[p. 14]

van vrijheid, onafhankelijkheid, zelfstandigheid, dáár spraken zij van leiding, organisatie, hiëarchie. Waar de liberalen heil verwacht'ten van concurrentie en wedijver tegen elkander, daar getuigden zij van samen-werking en broeder-liefde, en leerden zij, dat door het betrachten van zulke denkbeelden, die zij tot godsdienst verhieven, het geluk en de welvaart reeds hier op aarde te vinden waren. Zij strooiden in één woord gist in de stilstaande of eenzijdig zich ontwikkelende elementen der maatschappij. En die gist zou opbruisen.

prepostterug  begin  verder