terug  begin  verderprepost

IX.

De wijkplaats, werwaarts Enfantin met zijn veertig vrienden zich begaf, heette Ménilmontant. Het was een huis, met grooten tuin, gelegen op een der glooiende heuvels, die Parijs omringen, in een ver afgelegen buitenwijk, doch binnen den kring der vestingwerken. Het had aan de ouders van Enfantin behoord, die er vroeger wel in woonden. Hij-zelf had dáár als kind geleefd en gespeeld, en dikwijls week hij er naar toe, wanneer hij in eenzaamheid iets wilde overpeinzen.

De naam van Ménilmontant zou van nu af aan, door het verblijf der Saint-Simonisten aldaar, een eigenaardigen klank verkrijgen.

Wanneer wij dien naam thans uitspreken, denken wij aan een mengeling van comedie en tragedie, aan een roman vol pathos en toch vol lachwekkende tooneelen, aan een melodrama, zinneloos en toch weemoedig. Het beslaat een geheel éénige buitensporige bladzijde in de geschiedenis der beschaving. Op hoeveel manieren de zich-zelven zooveel inbeeldende menschen den hemel hebben willen bestormen, hier is wel een der dolste klouter- en stijg-methodes beproefd. En het zonderlingste was, dat al die veertig jonge mannen, die dáár samenkwamen, elk voor zich, scherp geteekende individualiteiten waren. Men kon hen niet vergelijken met makke schapen, die als van-zelf vaste regels opvolgden, neen, zij waren hartstochtelijke, excentrieke Franschen, niet gewend, om een bevel, dat hun niet aanstond, na te leven. Toch bleef Enfantin hen volledig beheerschen. Als hij later er aan dacht, sprak hij wel eens van de ‘menagerie’ van Ménilmontant2). Maar het was een feit, dat hij, als een andere Orpheus, die wilde dieren door de muziek van zijn woorden wist te bedwingen en te leiden. En als later de school uit elkander gestoven is, wordt het enkele woord Ménilmontant voor hen een wachtwoord, een weêrklank van iets ideëels, dat zij ééns beproefd hebben, een aandenken aan een innig samenleven, aan een onzelfzuchtig werken voor en door elkander, een herinnering aan een weinig poëzie,

[p. 93]

vermengd met veel dwaasheid, een toover-parool voor allen1).

Op den 20sten April 1832 was Enfantin met zijn veertig leerlingen naar het buitenhuis gegaan. Niet alle vrienden konden medekomen. Enkelen, zooals Stephane Flachat en Bouffard, werden met opzet tot ‘prêtres séculiers’ benoemd, om de liquidatie der geldzaken en schulden af te wikkelen2). Thans zou men niet veel geld meer noodig hebben. Want het leven in Ménilmontant zou weinig kosten. Zóó ging men op dien goeden Vrijdag in optocht derwaarts. Vrouwen togen niet mede. Zij die gehuwd waren lieten hun vrouwen achter. Doch nauwelijks was men er, of daar kwam de droeve tijding tot Enfantin, dat zijn moeder nog dienzelfden dag in Parijs door de cholera werd aangegrepen en stierf. De buitenwereld riep hem dus weder. Enfantin was altijd een goed zoon voor zijn ouders. Voor den vader, die wegens de financieele ongelukken, waaronder hij in Frankrijk had gezucht, in het buitenland, thans in Génève vertoefde, zorgde hij steeds. Met de moeder was hij het wel meestal oneens over zijn theorie, doch over zijn belangrijkste vraagstukken, zelfs over de questie der vrouw, schreef hij telkens aan haar. Nu echter, op het oogenblik, dat hij een hoog voorbeeld van geest-vernieuwing aan de wereld wilde geven, stond hij vrij hulpeloos en verlegen bij het lijk zijner moeder. En het ergste van alles scheen, dat er geen geld hoegenaamd in de kas was, om de begrafenis plechtig te doen plaats hebben. Gelukkig zond de vader van Gustave d'Eichthal een bankbillet van duizend francs Nu vaardigde Enfantin ook zijn besten vriend Holstein naar zijn vader in Zwitserland af, om dien te troosten. De moeder zou op het kerkhof Père la Chaise ter aarde besteld worden. Die begrafenis, waaraan alle leerlingen in vast geschaarde orde deelnamen, had plaats. Wederom trok de optocht van het kerkhof naar Ménilmontant. Toen men de poort was binnengetreden, werden de deuren gesloten. Dit keer scheen men voorloopig voorgoed van de wereld gescheiden.

Men installeerde zich in het huis en in den tuin. Het zou een

[p. 94]

vast samenleven wezen. Gezamenlijk zou men spijzen, en voorts opstaan, werken, studeeren en rusten op vaste en een ieder verbindende uren. Allen zouden in een hechte hiëarchie geplaatst worden, onder bevel van Enfantin, die hun kerkelijk en wereldlijk hoofd was: hun paus. Het doel was de vervorming van den ouden mensch tot een nieuwen1), door de instelling van een apostolische vereeniging, enkel van mannen, gewijd aan het celibaat, onderworpen aan een strenge en vaderlijke tucht, afgescheiden van de wereld, niet alleen door gevoelens en gedachten en zeden, maar ook door uitwendige teekenen: kleeding, baard en haar-snit. En dit alles zou zoolang plaats hebben, totdat de ‘vrouwelijke Messias’ zich zou hebben geopenbaard. De hiëarchie maakte onderscheid in rang, maar overigens waren allen gelijk. Ieder moest een handwerk doen: spitten, schilderen, timmeren. Een blies er op de trompet als signaal voor het beginnen der bezigheden. Geen dienstboden werden meer toegelaten. Ieder moest aan de bereiding der spijzen, aan het reinigen en schoonhouden der kamers en kleeding helpen. Het witte blanke vel van ieder moest bruin worden. En er was veel te doen. Het huis was erg vervallen en diende vertimmerd en anders ingedeeld te worden. De tuin was een wildernis. Welnu, de meesten waren ingenieurs en gingen dus aan het herstellen. Voorts waren er vaste uren van onderwijs, van lessen in de nieuwe godsdienst-leer, maar ook van onderricht in alles wat de industrie betrof. Fournel, die ook tot hen was gekomen, en tot wien zijn vrouw, Cécile Fournel, dus een tijdelijk vaarwel richtte, gaf uitnemend lessen over zijn ingenieurs-vak. En alles werd altijd begeleid door liederen en muziek. De zangen waren gewone, min of meer dichterlijke verzen, niet slechter dan andere gezelschaps-liederen, slechts iets gezwollener of verhevener van toon, maar de muziek, die ze begeleidde, was meestal zeer goed, want onder de leerlingen, die zich aldus afzonderden, was ook gekomen Félicien David, de latere componist van den ‘Désert’; zijn schoone compositìën gaven aan het geheel een muzikale wijding, de liederen werden door de melodiën een onwaardeerbare schat voor al die jonge apostelen2). Ook allegorische dansen werden ingestudeerd en uitgeoefend, dansen die de wentelingen der sterren aan 't uitspansel zouden afbeelden, welke gewijde voorstellingen geregeld werden door de oud-ingenieur Lambert, die een voortreffelijk mathematicus en astronoom was3)

Nadat zij zich eenigszins op deze wijze hadden ingericht, stelde Enfantin de kleeding voor hen vast.

[p. 95]

Het zou in de eerste dagen van Juni 1832 gebeuren. Alles werd in gereedheid gebracht. Het costuum zou bestaan uit een gesloten kort blauw jasje, met leêren riem om het midden van het lichaam, uit een witten pantalon, en een roode kleine baret of fez, een doek kon om den open hals worden gebonden, de haren moesten op de schouders vallen, en in snit van baard en knevel volgde men het Oostersch model1). Die kleeding werd nu in den tuin - terwijl, behalve de veertig leerlingen, alle getrouwe Saint-Simonisten waren opgeroepen, en het publiek eenigszins uit de verte de plechtigheid kon aanzien - onder de dolste ceremoniën, waarbij aan elk kleedingstuk een symbool en allegorie werd gehecht, aangetrokken2). Het geschiedde op Woensdag 6 Juni 1832. Er was onweêr aan de lucht, en telkens rolden donderslagen, of viel er een stortbui over de hoofden der Saint-Simonisten. Maar even zwaar als dit rommelend wolken-geluid weêrklonken in de verte uit Parijs doffe schoten van het kanon. Want den vorigen dag was, bij gelegenheid der begrafenis van den radicalen generaal Lamarque, de arbeiders-bevolking der hoofdstad opgestaan3). Bij 't klooster Saint-Mery woedde op straat het gevecht. Het geschut ratelde over de keien van het plaveisel. En elke redevoering van Enfantin en zijn vrienden werd telkens afgebroken door dat somber beklemmend gedreun. ‘O ironie’, zegt Heinrich Heine, ‘juist, terwijl op straat het proletariaat gaat vechten tegen den koning der burgerklasse, trekt de gemeente der Saint-Simonisten in landelijke eenzaamheid zich terug!’

Het publiek was slechts een oogenblik in Ménilmontant toegelaten geweest. Straks vielen de deuren weder toe, en werd het afgesloten leven der veertig leerlingen met Enfantin weder voortgezet. Doch de afzondering was toch iets geheel anders dan het stil verblijf in een klooster. Het geheel gaf altijd den indruk van iets tooneelmatigs. Allerlei ceremoniën en symbolen waren ingevoerd, die aan iets opgeschroefds deden denken. Er was altijd iets onrustigs. En wanneer men iets bijzonders ging doen, werd telkens de wereld toch weder als getuige genomen, werd het publiek binnen geroepen4).

[p. 96]

Zóó zou op Zondag 1 Juli 1832, onder allerlei plechtigheden, een aanvang worden gemaakt met een soort van tempel-bouw in den tuin. Wijd werden de deuren geopend. Wel twee duizend menschen vloeiden toe, en bleven in breeden kring de Saint-Simonisten aanstaren. Dezen begonnen hunne gewone redevoeringen te laten hooren. Enfantin en Barrault spraken de leerlingen en de volksmenigte toe. Weldra begon de arbeid der Saint-Simonisten. Daar klonk in opwekkend snel tempo de marsch van David:

 
Le soleil
 
Nous sourit,
 
Et le peuple
 
Est avec nous;
 
Dieu bénit
 
Nos travaux.

De arbeids-werktuigen: de spade, het houweel, werden ter hand genomen. De kruiwagens werden voortgeduwd. De groepen der verschillende afdeelingen gingen aan het werk, en al de arbeiders zongen nu iets meer statig het volgende ook door David gecomponeerd gezang:

 
Quand notre père nous appelle,
 
Et nous crie: ‘enfants travaillons!’
 
Prenons la brouette et la pelle,
 
Serrons nos rangs, et commençons!
 
En nos chants que la gaîté brille!
 
Nous travaillons en nous donnant la main:
 
L'humanité sera notre famille,
 
Et l'Univers notre jardin!
 
Gloire à Dieu!

Terwijl zij aldus werkten als in een opera, en telkens elkander de hand gaven, terwijl de spade en houweel1) tot allerlei symbolische gebaren aanleiding gaven, terwijl de menigte met stomme verbazing hen aankeek, kwam daar plotseling, juist bij dien tempelbouw, de politie en de rechterlijke macht. Michel Chevalier stond hun te-woord, zette uitéén, dat al hun pogingen vredelievend waren en niets te doen hadden met verstoring der orde. Doch de regeering was niet geheel zeker, of niet door dit alles weder beroering in het licht ontvlambare Parijs kon worden veroorzaakt; wel trok de politie weg, doch een wacht van soldaten werd voortaan vóór den muur van Ménilmontant geplaatst.

En weldra zou ook de stad Parijs, en niet enkel die buiten-

[p. 97]

wijken, weder iets van de Saint-Simonisten kunnen bemerken. Een droevig voorval toch had in Ménilmontant plaats. De cholera, die nog altijd slachtoffers vorderde, kwam ditmaal binnen de afgesloten muren van Ménilmontant, en greep daarbinnen Edmond Talabot, een der discipelen, aan. Een geheelen dag worstelde hij met den dood. Toen zijn pijnen het heftigst werden, poogde David, door zachte improvisaties op de piano, aan zijn gemoed wat kalmte te geven. Doch het lijden nam toe en 17 Juli 1832 overleed hij. Nu echter werd met alle ceremoniën het lijk tentoongesteld, en werd bepaald, dat allen in hun rang-orde en in hun kleeding, hun makker op Père-Lachaise plechtig zouden begraven. En op een der volgende dagen zag het verbaasd Parijs dien zonderling gekleeden optocht naar het kerkhof zich bewegen. Zij zongen een klankvol klaaglied over den geliefden vriend, onder het langzaam voorwaarts treden met de baar. Weldra waren zij omstuwd door een ontzettende menigte, die echter met eerbied hen liet gaan. Op het kerkhof gekomen, groeven zij zelven het graf. Daarna spraken zij. Een oogenblik kon het Parijsche volk zich niet goed houden, en begonnen de omstanders guitig te glimlachen, toen bij de lijkrede in vollen ernst tot lof van Talabot werd verkondigd, dat hij opmerkelijk was door zijn sterke passie voor de vrouwen1); - doch, behalve dit kleine tusschen-spel, liep de begrafenis geregeld af. Spoedig waren de Saint-Simonisten terug te Ménilmontant.

Dáár gingen zij weder geregeld aan den arbeid. Zij oefenden zich in allerlei handwerk; bleven de hiëarchie streng in acht nemen; leefden matig en kuisch; gewenden zich aan het gezamenlijk denken en gevoelen, en gaven een voorbeeld, hoe in nieuwerwetschen zin een klooster-leven kon worden geleid. Velen studeerden. Wat zij bij uitzondering schreven, werd bij wijze van vliegende blaadjes van uit Ménilmontant overal verspreid. Reeds vroeger, toen de ‘Globe’ bestond, hadden zij naast enkele zelfstandige boekjes allerlei studies van den ‘Globe’, onder den algemeenen titel: ‘Religion Saint-Simonienne’ telkens, als brochures, afzonderlijk uitgegeven, en altijd in hetzelfde octavo formaat, in denzelfden blauwen omslag2). Zij gingen daarmede voort, en

[p. 98]

lieten in Juni nog verschillende van die vroegere artikelen in brochure-vorm herdrukken. Ook nieuwe vlugschriften werden een enkelen keer door hen uitgegeven: wij denken vooral aan het boekje: ‘Mort de Talabot, apôtre.’ Naast de brochures werden dan die losse, vliegende blaadjes verspreid. Deze werden dan, even als de brochures, onder den algemeenen titel: ‘Religion Saint-Simonienne’ saâmgevat. Meestal waren het ook nog overdrukjes van kleine opstellen uit den ‘Organisateur’ en uit den ‘Globe’, zooals de artikelen van den ‘Globe’, toen de cholera in Parijs kwam; de artikelen over openbare werken, over de vervolging door politie en regeering, enz. enz. Aan zulke overdrukjes van oude artikelen werden dan toegevoegd geheel nieuwe blaadjes, bijv. een briefwisseling met Fournel, enz. enz.1). Doch anders zochten zij hun kracht thans niet in schrijven. Enfantin had hun gezegd: dat die tijd voorbij was, men moest nu handelen.

Doch het handelen was ongelukkig altijd min of meer melodramatisch. Altijd deed het denken aan de tooneelen van een opera. Nooit verzuimde Enfantin een aanleiding, om een ceremonie te vieren. Van alles wist hij gebruik te maken. Daar kwam te Ménilmontant de tijding, dat Bazard den 29sten Juli 1832 te Courtry, op eenigen afstand van Parijs, gestorven was. Dit was een te schoone gelegenheid om haar stil te laten voorbijgaan. Dadelijk besloot Enfantin, dat de Saint-Simonisten hem zouden begraven. Zij gingen in optocht in hun kleeding naar Courtry. Verschillende dorpen moesten zij doortrekken, en overal liep de bevolking tezamen; de ‘maires’ en de politie waren onophoudelijk in de weêr. Eindelijk kwamen zij, na op hun weg vrij wat opschudding verwekt te hebben, op een kwartier afstands van Courtry. Doch in allerijl vloog Jules Lechevalier namens mevrouw Bazard hun tegemoet, met de bede, niet bij de lijk-staatsie tegenwoordig te zijn. Toen keerden zij - na eenige protesten - om, en begaven zij zich weder naar hun plaats der afzondering2).

Intusschen liet de regeering altijd het zwaard van Damocles: de rechts-vervolging hun boven het hoofd hangen.

Eindelijk, in Augustus 1832, werden zij gedaagd, om 27 Augustus voor de ‘Cour d'assises de la Seine’ te verschijnen, ten einde zich te zuiveren van de aanklacht van onzedelijkheid. Vier hunner:

[p. 99]

Enfantin, Barrault, Duveyrier en Michel Chevalier waren met Olinde Rodrigues (wegens zijn vroegere uitingen) in staat van beschuldiging gesteld. Op den aangewezen dag trokken zij, vergezeld van al de leerlingen, in optocht en in hun kleurrijke kleeding, omstuwd, soms uitgejouwd door een bonte menigte, naar het hof van justitie. Vooral Enfantin was wonderschoon uitgedost. En nu had vóór de rechters een der meest humoristische tooneelen plaats, van welke de geschiedenis heugenis draagt. Geen enkel blijspel, zelfs van Labiche, werkt zoo verbazend op de lachspieren, als het eenvoudig verhaal van deze gerechtszitting. De humor lag hier in de tegenstelling. Beschuldigd van de zedelijkheid dezer wereld aangetast te hebben, door zijn lessen en onderricht over de vrouw, ging Enfantin voor een oogenblik handelen, alsof de nieuwe orde der dingen, die hij altijd profeteerde, er reeds was. Hij deed, alsof de vormen der maatschappij, die hem te-rechtstelde, niet bestonden en verouderd waren. In de meest indrukwekkende houding binnentredende, stapte hij recht toe naar een leuningstoel, die naast dien van den president stond, en ging dáár plechtig zitten. Met moeite werd hij verwijderd. Toen nu de president hem vroeg, wie zijn rechts-bijstand, zijn raads-lieden waren, wees hij twee dames aan: Aglaé Saint-Hilaire en Cécile Fournel, die met hen waren gekomen1). De dames traden naar voren, en moesten weder niet zonder tumult worden weggeleid. Toen de getuigen werden ondervraagd - de getuigen waren de leerlingen - en zij den eed moesten doen, vroegen zij eerst eerbiedig aan Enfantin, of zij een eed mochten afleggen. Nieuwe toorn van den president. Het wordt er niet beter op, als Enfantin hun het zweren verbiedt. Na eindelooze verwarringen, allerlei misverstand en verklaringen, die volstrekt niet passen op de vragen van den president, na gehaspel en geharrewar, komt in de zitting van 28 Augustus 1832 Enfantin zelf aan het woord, om zijn zaak te verdedigen: de zaak der nieuwe orde van de zedelijkheid. Hij gaat zijn leer en theorie nu toepassen. Hij is de priester der nieuwe maatschappij; een priester werkende door gevoelens en gedachten, maar ook door zinnelijke vormen, door uitingen van den lichamelijken persoon. Welnu, hij ziet ze aan, die rechters, dien advocaat-generaal, lang en scherp. Zeer bij tusschenpoozen laat hij zich enkele woorden ontvallen. De president wordt woedend. Enfantin poogt hem en den ambtenaar van het openbaar ministerie door zijn blik tot kalmte te brengen. Weder ziet hij vast hen aan.... Ach de mannen der oude wereld begrepen niets van al die diepzinnige vormen! Zij vonden het zelfs verbazend ongepast. Enfantin, Duveyrier en Michel Chevalier werden veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf wegens aanranding der zedelijkheid2): de hoogepriester der Saint-Simonisten zou als gewoon sterveling achter slot en grendel worden gezet.

[p. 100]

Hij teekende onmiddellijk cassatie aan, en begaf zich met al zijn leerlingen, terwijl koude regen-vlagen op hen vielen, weder naar Ménilmontant.

De rechterlijke macht had blijkbaar niets begrepen van zijn stellingen over de vrouw. Hij had in zijn verdediging vóór die rechters de questie als nog niet geheel opgelost beschouwd en voorgedragen, zich-zelven bescheidenlijk bij een Johannes den Dooper vergeleken1), maar hij had de aandacht der rechterlijke macht op het bittere probleem, de sociale ramp der prostitutie, willen vestigen, en wenschen aan-te-toonen, dat hier voor de maatschappij iets te doen was. Helaas, hij was uitgelachen! Toch hield hij zich, in Ménilmontant teruggekeerd, meer dan ooit met die questie bezig. Aan zijn nicht Thérèse Nugues schreef hij 19 September 18322) een langen brief over de publieke vrouwen, die hij met de bacchanten vergeleek. Hij verduidelijkte, in een brief van October 1832, aan den kolonel Brack, dat ‘gelijkheid’ van man en vrouw niet beteekent, ‘identiteit’ van man en vrouw3). De questies van het huwelijk en van de opvoeding der vrouw, lieten hem niet met rust4); hij was altijd in gedachten.

Daar aldus in Ménilmontant niet veel werd gedaan en gehandeld, zoo als toch het oorspronkelijke denkbeeld was geweest, begonnen de beste leerlingen weder te schrijven. Onder de stukken, die er opgesteld zijn, behoort vooral een fantasie van Charles Duveyrier, die geplaatst werd in het vermaarde ‘recueil’, dat alle beroemde Fransche schrijvers, onder den titel: ‘Le livre des cent-et-un’ bewerkten ten voordeele van den uitgever Ladvocat. Het artikel heette: ‘La Ville nouvelle5). Het was een (in Saint-Simonistischen geest en verbeelding) voorgestelde verbouwing van Parijs. Er moest orde en karakter in onze steden blijken. In de richting en buiging der straten, in de constructie en plaatsing der openbare gebouwen, in de architectuur der huizen, moest een plan en een bedoeling zichtbaar zijn. Elke stad moest een éénheid wezen, een zinnebeeld der inwoners zelven. Uit het verwarde en verwarrende gekrioel en netwerk van straten en stegen moest een evenredig geheel worden gemaakt. En dit was mogelijk. Door onteigeningen in het groot en door verbouwingen, het doorsnijden van oude wijken met nieuwe breede straten, kon zooveel gedaan worden. Duveyrier liet hier aan zijn verbeeldings-kracht den vrijen teugel. Hij maakte van Parijs een menschelijk beeld; hij gaf zich aan de

[p. 101]

dolste illusiën over, doch schonk te-gelijk een voorbeeld, dat Napoleon III door Hausmann in enkele trekken liet navolgen.

Overigens werd het stil in Ménilmontant. Nog eens bemoeide de wereld er zich mede, toen den 19den October 1832 Enfantin en Olinde Rodrigues vóór de rechtbank der correctioneele politie moesten verschijnen, om zich te zuiveren van de aanklacht van oplichterij (‘escroquerie’), wegens de questie der financieele associatie en leening, die door Olinde Rodrigues was bedacht. Ditmaal werd echter het geding niet scherp gevoerd. Het openbaar ministerie begreep zelf, dat het te ver gegaan was. Er volgde dan ook volkomen vrijspraak, en ook het Parijsche volk was ditmaal beleefd, toen zij het rechts-gebouw verlieten1).

Het was bij gelegenheid van deze vrijspraak, dat hun hoop weder eenigszins opvlamde. Een nieuw lied werd toen door hen gezongen, dat sinds dien tijd haast hun lievelings-lied werd. Het was het gedicht, dat aangeduid wordt door het refrein: ‘Peuple fier, peuple fort’, en dat aldus luidt:

 
Qui féconde la terre,
 
Qui plante bois et vignes,
 
Qui sème les moissons,
 
Qui pour chacun prépare
 
L'habit et la parure,
 
La chair, le pain, le vin?
 
Peuple fier, peuple fort,
 
C'est toi;
 
Ton coeur est bon, voici mon coeur;
 
Ton bras est fort, je suis à toi;
 
Voici mon bras, je suis a toi:
 
Je suis au Père,
 
Au Père, à Dieu,
 
A la vie, à la mort,
 
A la mort, à la vie.
 
 
 
Qui pour les grandes choses
 
Enfante les grands hommes,
 
Qui sait les couronner,
 
Qui sur la terre entière
 
Six mille ans fit la guerre,
 
Qui la fera cesser?
 
Peuple fier, etc. etc.
 
 
 
On charge ses épaules,
 
On charge, on charge encore;
 
Il ne sait pas plier.
 
Bien, dit-il, Dieu m'éprouve;
 
Espérons avec calme,
[p. 102]
 
Travaillons, je suis fort.
 
Peuple calme et puissant,
 
Salut,
 
Ton coeur est bon, voici mon coeur, etc. etc.

Doch het was slechts een opflikkering geweest. Het was voor allen duidelijk, dat die afzondering te Ménilmontant tot niets leidde. Men was met de meeste overtuiging op het denkbeeld van Enfantin ingegaan. Men had aan zeer strenge regels zich onderworpen, bijna een leven van ascetisme geleid, altijd in de hoop, dat er een oplossing door de vrouw zou komen. Men was bereid de wacht te blijven betrekken, maar altijd met het oog op het mogelijk oprijzen der vrouw. Het waken was goed, mits de gebeurtenis, die men verbeidde, dan ook eindelijk voorviel, mits de vrouw zich openbaarde. En zóó had men gewacht op ‘de vrouw’, doch ziet, de vrouw kwam niet.

Nog een tijd-lang hield de spanning der leerlingen aan1). Een enkel geval, bij voorbeeld, toen de zoon van den minister van financiën Humann tot hun kring kwam, hield soms de gemoederen wakker2). Doch de opwinding der leerlingen maakte allengs plaats voor afmatting en ontmoediging. Enkelen verlieten reeds den kring. Enfantin bedacht nog een uitweg, door van tijd tot tijd missies uit Ménilmontant te zenden3), en aan die zendelingen volkomen vrijheid van handelen te geven. Het celibaat werd reeds opgeheven. Geheel het kloosterleven werd reeds minder streng opgevat. Doch de uitweg was niet meer voldoende. Het was duidelijk, dat de verspreiding zou beginnen. Toen was het, dat den 3en November 1832 d'Eichthal als het ware het signaal gaf en zijn protest liet hooren. Hij verweet Enfantin te-veel aan zich-zelven te denken. Enfantin wilde volgens hem een volk fatsoeneeren voor zich; een volk, dat slechts wachtte op de vrouw. Neen, de discipelen moesten in de wereld gaan, de wereld doorreizen, om ‘de vrouw’ te zoeken en te vinden4).

De vorm van dit protest was hard, maar Enfantin zag in, dat zijn leerlingen geen onrecht hadden. Hij wenschte nog een soort van apostolaat voor enkelen zijner leerlingen te behouden, met het voornemen, om door eenigen de vaste kleeding nog te doen

[p. 103]

dragen. Maar reeds werd die fraaie kleeding door de meesten afgelegd. Men stelde er geen prijs meer op, wanneer men op straat kwam, uitgelachen te worden. D'Eichfhal nam de burgerkleeding weder aan. Zijn voorbeeld werd gevolgd. Duveyrier ging mede. Allengs vroegen zij allen hun vrijheid. Ook Lambert ging weg. Het werd voor Enfantin een tijdperk van bitter lijden1). Den 14den November werd hij ziek.

En terwijl nu de meesten zijner leerlingen uit Ménilmontant waren vertrokken, om ‘de vrouw’ op te zoeken, naderde voor hem het oogenblik, dat hij (daar zijn eisch tot cassatie was verworpen) zijn gevangenis-straf van één jaar moest ondergaan. Den 15den December 1832 werden Enfantin en Michel Chevalier in de gevangenis Sainte Pélagie gebracht2).

In de gevangenis, die voor Enfantin tot 1 Augustus 1833 duurde, kwam hij tot meer rust. Het verblijf te Sainte Pélagie was zeer draaglijk. Hij had er een goede kamer en gelegenheid tot werken, tot schikking zijner papieren, zooveel hij wilde. Daarbij waren er zeer vele politieke schuldigen: republikeinen, legitimisten, die zich tegen de heeren Casimir Perier en Guizot verzet hadden. Zóó was er ook de hertog Sosthènes de la Rochefoucauld, die formeele recepties gaf. Enfantin droeg eerst in de gevangenis het hart vrij hoog, hij was slechts bang ‘burgerlijk’ te zijn, als gewoon mensch zich te gedragen. Hij ordende dus zijn dagelijksch leven met Michel Chevalier met eenige zorg. Hij ontving bezoeken, o.a. van den markies de Saint-Simon. Trouwens hij werd door alle mede-gevangenen als het hoofd van een nieuwe secte beschouwd3). Een oogenblik werd hij uit de gevangenis geleid, toen hij en Michel Chevalier, 8 April 1833, weder vóór het ‘Cour d'assises de la Seine’ werden gebracht, om zich te verantwoorden wegens het vergrijp tegen art. 291 Code Pénal, in zoover men ongeoorloofde, niet door de wettige overheid erkende vereenigingen en samenkomsten had gehouden4). Enfantin, prachtig uitgedost voor deze gelegenheid, verdedigde zich, door te verklaren, dat zijne bijéénkomsten godsdienstige bijéénkomsten waren, en dat de godsdienst-oefeningen vrij waren in Frankrijk. Hij deed dit in eene rede, die er zeer zonderling van vorm uitziet, doch die werkelijk

[p. 104]

een vrij volledige aanéénrijging is van al zijne denkbeelden1). Hij werd vrij-gesproken. Beiden, op dit punt vrij-gelaten, gingen nu weder in de gevangenis Sainte Pélagie, wegens het vonnis over de schending der zedelijkheid. Het gewone dagelijksche leven, zelfs in de gevangenis, had echter reeds invloed gehad op beider stemming. Enfantin begon met Michel Chevalier te twisten2). Zij waren te veel met elkander. Enfantin liet zijn leerlingen vrij, om gratie te vragen. ‘Blijf niet om mij,’ zeide hij. Michel Chevalier wist dan ook reeds 6 Juni 1833 uit de gevangenis te komen, ging eerst in een ‘maison de santé’, en snelde daarna de wijde wereld in. Hij achtte zich van de regels der school ontslagen.

Trouwens Enfantin had, in de rede van 8 April 1833, zeer uitdrukkelijk aan het slot zijn autoriteit over alle leerlingen neêrgelegd.

De periode der vaste hiëarchie, der aanéénsluiting, der heilige afzondering in Ménilmontant, was geheel voorbij.

Toen hij 6 Juni 1833 uit den kerker kwam, vond hij nog wel Saint-Simonisten, maar geen school, geen goed gedrild ‘bataillon’ meer. Hij stond alléén. Ménilmontant was uitééngespat.

2)Zie Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 146.
1)Denk aan de woorden van Renan (in zijn boek ‘Les Apôtres’ p. 148). ‘Ceux qui savent quel trésor inappréciable est, pour les membres encore existants de l'Eglise Saint-Simonienne, le souvenir de Ménilmontant, quelle amitié cela crée entre eux, quelle joie luit dans leurs yeux quand on en parle, comprendront le lien puissant qu'établit entre les nouveaux chrétiens le fait d'avoir aimé, puis souffert ensemble. Les grandes vies ont presque toujours pour principe quelques mois durant lesquels on a senti Dieu, et dont le parfum suffit pour remplir des années entières de force et de suavité.’ Vergelijk voorts over Ménilmontant, behalve de ‘Souvenirs littéraires’ van Maxime du Camp, de ‘Souvenirs anecdotiques’ van Charles Pellarin, 1868, pg. 131 seqq. en ook (over den indruk in ons land) de ‘Vaderlandsche letteroefeningen’, 1833, tweede druk, mengelwerk, p. 86.
2)De geheele schuld werd eerst in 1845 gedelgd door een laatste storting van 60,000 francs, zie ‘Notices Historiques’, VI, p. 229.
1)Zie ‘Notices Historiques’, VII, p. 22/23.
2)Zie over F. David ook Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 143 en IX, p. 22. Zie enkele liederen: ‘Notices Historiques’, VII, p. 142-145. Félicien David is in September 1876 gestorven, zie ‘Journal des Débats’, 18 September 1876.
3)Zie over hem Henry Fouquier in ‘Le Temps’ van 25 October 1901.
1)Blauw was de kleur der Saint-Simonisten; reeds in Augustus 1830 hadden zij dit vastgesteld, zie ‘Notices Historiques’, III, p. 51/52. - Ook voor de vrouwen werd later een dergelijke kleeding vastgesteld als nu voor de mannen.
2)Enfantin hield bij die gelegenheid een biecht over zijn leven, en stelde aan den vergaderden kring een klein kind, zijn zoon buiten huwelijk geboren, voor. Zie ‘Notices Historiques’, VII, p. 104. De zoon wordt later door hem wettig aangenomen, ingenieur en spoorweg-directeur.
3)Het was toen 5 Juni 1832, denk aan de schildering in de ‘Misérables’ van Victor Hugo: ‘l'épopée de la rue Saint-Denis’.
4)Wij lezen op een der vliegende blaadjes die van hen uitgingen: ‘Notre Père a décidé que, pendant le mois de Juin, les portes de la retraite de Ménilmontant, où la famille nouvelle se fonde autour de lui, seraient ouvertes deux fois par semaine, le dimanche et le mercredi, aux personnes qui nous aiment. Les laissez-passer seront delivrés rue Monsigny.’
1)Zie over ‘la pelle et la pioche’ ook Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 218.
1)Barrault hield die lijkrede. Die zinsnede luidde: ‘Vif, ardent impétueux, Talabot aima les femmes et en fut aimé (quelques asistants rient). Pauvres femmes! Je parle d'un homme qui vous rendait un culte et l'on rit!’ Zie de brochure: ‘Mort de Talabot’, 1832, p. 17.
2)Zoo kennen wij, naast het boekje van Laurent: ‘Considérations sur la politique extérieure et intérieure de la France, depuis la Révolution de 1830’, 1831, 63 pag., de als vlugschrift uitgegeven overdrukken uit den ‘Globe’: ‘Projet de discours de la couronne, Moyens de supprimer les impôts, La Vendée’, 1831, en voorts de brochures: ‘Politique Européenne, articles extraits du Globe’, 1832, ‘Politique Industrielle et Système de la Méditerrannée, extraits du Globe, Juin 1832,’ La Prophétie, articles extraits du Globe, du 19 Février au 20 Avril 1832, Juin 1832’, ‘A tous’, 1832, zijnde extracten uit het laatste nummer van den ‘Globe’.
1)Voor mij ligt een collectie van zes en dertig van die vliegende blaadjes, met moeite verzameld, waarin geheel het leven en denken en gevoelen dier Saint-Simonisten zich afspiegelt. Ziehier enkele titels: ‘La femme du peuple’ - ‘Les chiffonniers’ - ‘Les empoisonnements’ - ‘Fin du choléra par un coup d'état’ - ‘Comment le peuple peut s'élever - “Le Saint-Simonien et les coups de poing” -“Qu'est-ce qu'un travailleur” - “Du bon et du mauvais prêtre catholique” - “Le tailleur et le fermier” - “Les médecins” - “Les orphelins” - L'hôtel Dieu’, enz. enz.
2)Zie ‘Notices Historiques’, VII, p. 178-188.
1)Zie over de beteekenis van die aanwijzing Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 7/8.
2)Barrault en O. Rodrigues kwamen met een geldboete vrij, zie ‘Notices Historiques’, VII, p. 255. Vergelijk Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 39 en IX, p. 43.
1)Zie Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 87-89, vandaar de formule: ‘Saint-Jean à la Cour d'assises.’
2)Zie Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 10, 17, vergelijk ook VII, p. 224.
3)Zie Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 24.
4)Zie Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 32 en 133.
5)Zie het stuk in de ‘Notices Historiques’, VIII p. 65 tot 93. - Vergelijk de denkbeelden van Fourier daarover, zie mijn tweede deel der Socialisten, p. 177.
1)Zie ‘Notices Historiques’, VIII, p. 100-107, Oeuvres VIII, pag. 39.
1)Zie ‘L'attente’, ‘Notices Historiques’, VIII, p. 56-64 In die dagen van 1832 en 1833 verscheen ook het blad ‘La Femme nouvelle, apostolat des femmes’, onder directie van mad. Suzanne Volquin.
2)De jonge Humann werd echter weldra, ook door de bejegening van zijn eigen familie, geestes-krank. Zie ‘Notices Historiques’, VIII, p. 119, 124, 134, 137/138, 143/144, voorts Enfantin, Oeuvres, VIII, pag. 37.
3)Zie over die missies en missionarissen, ‘Notices Historiques’, VIII, p. 125, 145.
4)Zie ‘Notices Historiques’, VIII, p. 146-148, en Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 79 en 197.
1)Zie bijv. Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 172: ‘La nuit de Ménilmontant, départ de Lambert.’
2)Zie over de zonderlinge melodramatische tooneelen op den avond vóór dat Enfantin naar de gevangenis ging, Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 102/103, 174.
3)Als zoodanig schreef hij nog uit de gevangenis de dwaze brieven aan Cécile Fournel over vriendschap en liefde, bijv. dien van 3 Maart 1833, Oeuvres, VIII, p. 159-180, zie ook IX, p. 1-10. Den 3den Maart 1833 eindigde het jaar van het celibaat, zie Oeuvres, VIII, p. 181. Zie nog den brief in de Oeuvres, IX, p. 74/75 over het thema, hoe hij ‘de vrouw’ verwacht.
4)Zie ook Enfantin, Oeuvres, IX, p. 10/11, 18.
1)Zie de rede: ‘Notices Historiques’, VIII, p. 228-236.
2)Zie Enfantin, Oeuvres, VIII, p. 200, 203, 301 en IX, p. 32, 34/35. Sinds 5 Mei 1833 zagen Enfantin en Michel Chevalier elkander niet meer in de gevangenis, ‘Notices Historiques’, IX, p. 27. Op de te-rechtzitting van 8 April was Michel Chevalier reeds in burger-kleeding.
prepostterug  begin  verder