terug  begin  verderprepost

VI.

Wij hebben tot nu toe de voornaamste leerlingen en schrijvers der Fourieristische school vóór 1848 behandeld. De middelen, waardoor zij als school propaganda meenden te kunnen en te moeten maken, hebben wij nog niet opzettelijk nagegaan. Dit is thans onze taak. Die middelen zijn twee in getal: allereerst de pers, het tijdschrift, het weekblad of de krant; in de tweede plaats een proefneming met het stichten van een ‘Phalanstère’.

 

Wat de drukpers betreft, zoo besloten Fourier en zijn eerste vrienden in Juni 1832 op te richten een weekblad ‘La réforme industrielle ou le Phalanstère2). Het bevatte vooral uitéénzettingen en inlichtingen van het stelsel der associatie. De bedoeling was natuurlijk, om, door die wekelijksche vertoogen, de kern van een school te vormen. Fourier zelf schreef veel in dat weekblad, veel meer dan voor het debiet misschien wenschelijk was. Hij liet er later geheele fragmenten van zijn ‘Fausse Industrie’ in afdrukken. Opmerkelijk was een artikel van zijn hand over de waarde der afwisseling in arbeid en in genoegens. Hij deed uitkomen, welk een marteling het zou wezen, een opera van 48 uren achter

[p. 164]

elkander aan te moeten hooren. Victor Considerant leverde levendige frissche artikelen, zoo, in het nummer van 18 Januari 1833, een opstel over de beschaving, die de armoede nog dieper doet dalen, met voorbeelden genomen uit Engeland. Wij merken nog op een studie van Charles Pellarin over het gezamenlijk werken, vooral met het oog op het dorschen van het graan; en een artikel van Tripont over de belastingen. Maar de loopbaan van dit weekblad was overigens vrij ongelukkig. In Augustus 1833 vervormde het zich tot een maandschrift, en in Februari 1834 hield het geheel op. Toch waren de leerlingen niet geheel ontevreden over de resultaten: zij waren niet ontmoedigd.

Twee jaren lang had echter het Fourierisme nu geen periodiek orgaan. Maar in 1836 besloot de school, die intusschen vrij wat talrijker was geworden, een nieuwen veldtocht met een blad of tijdschrift te ondernemen. Het zou weder een weekblad in quarto-formaat zijn, en den naam: ‘La Phalange’ dragen.

Een eerste serie van dit weekblad ‘La Phalange’ loopt van 1836-1840. Men zocht toen vooral formules, om de sociëtaire leer meer ingang onder het publiek te doen vinden. Voorts bestreed men de gangbare politiek, en beschimpte men de staatkundige twisten en parlementaire knutselarijen van den dag. Men deed verder zijn best, om aan de gezeten burgerij duidelijk te maken, dat de leer van Fourier een beginsel van orde bevatte. Men betoogde, dat de maatschappij slechts behoefte had aan een organisatie van den arbeid. Een tweede serie van ‘La Phalange’, die in het jaar 1840 werd begonnen, zette dit werk voort, en wel tot en met het jaar 1843. Het doel, dat men zich nu meer bijzonder stelde, was, om, te-midden der oude partijen, een nieuwe en wel sociale partij te organiseeren. Men zou niet enkel meer een school wezen, die iets te onderrichten of te ontvouwen had, maar men wenschte ook een partij te vormen, die een eigen programma zou kunnen stellen. De ‘Phalange’ kwam nu drie malen in de week uit. Het blad verdedigde voor een deel dus een eigen politiek. Met warme geestdrift werd alles geschreven, en inderdaad had men in deze drie à vier jaren vrij groot succes.

Maar met dat al bleek die publiciteit toch niet voldoende, om op de massa's te werken. De ‘Phalange’ had slechts invloed op een kern, op een keurbende, niet op de eigenlijke publieke opinie. De kring, waarin dit kleine blad kwam, was te beperkt. Terzelfder tijd dreigde er nog daarbij eenige verwarring te ontstaan. Aan den éénen kant toch moest het blad voldoen aan de eischen van onderwijs en voordracht der nieuwe leer, aan den anderen kant moest men een dagelijksche polemiek voeren en ook over de politiek van den dag zijn meening uiten. Het ééne schaadde aan het andere. Men begreep dus, dat men tot een splitsing moest overgaan. Er zou nu voortaan zijn een degelijk maandelijksch tijdschrift, onder den ouden naam: ‘La Phalange,’ dat te beginnen met Jannari 1845 geregeld de sociale leer en wetenschap zou uitéénzetten. Maar daarnaast was, te beginnen met 1o Augustus 1843, een dagelijksche krant opgericht, onder den naam:

[p. 165]

‘La Démocratie pacifique,’ welke krant eenigszins buiten de politieke partijen zou staan, en vooral de geld-aristrocatie benevens de groote industrieele en financieele maatschappijen, die toen in die dagen zich begonnen te vestigen, zou bestrijden1).

Wij zullen op beide die organen even 't oog vestigen.

Het tijdschrift ‘La Phalange’, revue de la science sociale,’ dat maandelijks uitkwam, behelsde in zijn verschillende afleveringen enkele opmerkelijke artikelen. De meeste goede schrijvers van het Fourierisme leverden opstellen. Uit de nagelaten manuscripten van Fourier drukte men in bijna elk nommer een fragment af. En was die lectuur soms wel wat taai, zoo zorgden de anderen voor afwisseling. Victor Meunier, Victor Hennequin, F. Cantagrel, E. Bourdon, Desiré Laverdant schreven herhaaldelijk artikelen. De Engelschman Hugh Doherty zond ‘essays,’ die men voor het tijdschrift vertaalde. Ook enkele schrijvers, die niet bepaald Fourieristen waren, maar die toch in het algemeen sympathie voor het schrijven en werken dezer kleine uitgelezen groep van jonge mannen gevoelden, lieten in de ‘Phalange’ hun studiën drukken. Zoo vinden wij meermalen artikelen van den geleerden Elzasser Alexandre Weill, (in April 1899 gestorven) die voor de lezers den Boerenoorlog tijdens de Hervorming en de woelingen der Wederdoopers behandelde. Maar vooral vinden wij telkens als hoogste sieraad, als edele paarlen, gedichten van Leconte de Lisle2). De ‘Phalange’ had de eer, de beste van die zangen aan het publiek te kunnen mededeelen: wij noemen de wonderschoone antieke gedichten, die aan de Venus van Milo, aan Tantalus, aan Empedocles, aan de Idylle der ouden, aan Hylas, aan Niobé, aan Orpheus en Chiron zijn gewijd. Zij doen denken aan marmeren beelden, langs de muren en kroonlijsten van het oprijzend Fourieristisch gebouw. Met de leer-stelsels der school hebben zij niets te maken: als zij de liefde bezingen, wekken zij zelfs niet het flauwste vermoeden op, dat Fourier hier grof zinnelijk wist te schilderen, neen, de Venus van Leconte de Lisle is de gebeeldhouwde harmonie en rust:

 
Non, les ris et les jeux, les grâces enlacées
 
Rougissantes d'amour, ne t'accompagnent pas:
 
Ton cortége est formé d'étoiles cadencées
 
Et les globes en choeur s'enchainent sur tes pas!

De eigenlijke muren van het tijdschrift ‘La Phalange’ waren natuurlijk van gansch andere materie. Wij merken echter enkele merkwaardige stukken op. Zóó de inleiding, die in het eerste

[p. 166]

nummer (van Janvier-Février 1845) voorkomt. Zij geeft een helder overzicht van hetgeen tot op dat tijdstip door de school was tot stand gebracht, en tevens van de illusiën, waarmede die richting zich voedde1). Wij gedenken verder een goed stuk over Saint-Simon en zijn school van Paul de Boureulle, dat in het December-nummer van het jaar 1846 werd gelezen, en een zeer bewerkt artikel van Cantagrel over het ‘recht van arbeid’ en de practische organisatie daarvan, dat in het Februari-nummer van 1847 wordt gevonden. Niets stelt zoo te-leur als de jaargang van 1848. Men zou meenen, dat de revolutie van dat jaar haar adem over al de bladzijden van dat tijdschrift zou hebben laten blazen. Doch neen, men bemerkt hier niets van. De school liet het over aan de krant ‘La Démocratie pacifique’, om van zulke aandoeningen te trillen; het tijdschrift diende de rustige catheder, de lessenaar van een professor, te blijven. En zoo geeft die jaargang slechts uit dat oogpunt niet onbelangrijke bijdragen. Wij noemen een studie over de economisten, over Bastiat en Michel Chevalier. Hard vooral

[p. 167]

is men tegen dezen laatste, den oud-Saint-Simonist van weleer, die nu zijn best doet ‘om in de middenklasse elke edelmoedige drijfveêr en opwelling te verstikken.’ En deze studie over de economisten wordt als het ware aangevuld door de breede onderzoeking, die Victor Meunier in het laatste nummer van den jaargang van 1848 plaatste over de socialistische traditie. Hier behandelt de auteur kalm en waardig de beteekenis der revolutie van Februari. Het is geen politieke omwenteling geweest, het was een sociale revolutie, oordeelt de Fourierist. Den 22sten, 23sten en 24sten Februari is een groote slag in de straten van Parijs geleverd door den arbeid tegen de industrieele feodaliteit, en de arbeid is meester van het terrein gebleven. Zeg niet, dat Louis Philippe in 1848 overwonnen is. Er is vrij wat belangrijkers voorgevallen, en Europa zou voor zoo weinig niet zoo heftig hebben getrild. Neen, het rijk der ‘bourgeoisie’ is te-niet gedaan1). De sociale omkeer is gekomen, die ieder mensch tot den rang van mede-eigenaar van den aardbol zal maken. De 16e eeuw heeft het godsdienstig, de 18e eeuw het staatkundig, en de 19e eeuw het sociaal vraagstuk gesteld. En de Februari-revolutie van 1848 was een eerste practische stap op dezen weg.

[p. 168]

Wat in het tijdschrift ‘La Phalange’ dáár was uitééngezet, werd door de krant dagelijks herhaald. Die krant, wij noemden haar reeds, was: ‘La Démocratie pacifique’, sinds 1 Augustus 1843 dagelijks uitkomende. Zij behoorde onder Louis Philippe tot de oppositie, maar voerde toch een oppositie van eigen aard en karakter. Zij stond buiten de partijen. Het was haar niet te doen, om verandering van ministers of van ministerie; geen nieuwe artikelen in de constitutie of nieuwe politieke wetten werden door haar voorgesteld, neen, de krant bepaalde zich tot het bepleiten der associatie, als middel om den toestand van het volk te verbeteren. In een soort van manifest werd het oogmerk en doel der krant nader uitgewerkt. Het blad zou de voorwaarden der associatie van individuen, gezinnen en klassen, aanwijzen in de ‘commune’, welke ‘commune’ de kiem en cel van Staat en maatschappij was. Elke leer van maatschappelijke hervorming - zoo heette het - welke niet op zulk een stelsel der organisatie van een gemeente berustte, was, volgens de krant, slechts een illusie. Elke leer daarentegen, die een plan van zulk een organisatie van een gemeente aanbood, moest als proef eerst verwerkelijkt worden op een halve vierkante mijl, zonder daarbij in het geringste opzicht de maatschappij aan omwenteling bloot te stellen. Het stelsel, dat, door de ondervinding van zulk een plaatselijke proefneming, juist gebleken was te zijn, kon alsdan het bestaande maatschappelijk systeem vervangen, en wel door de kracht van zijn eigen superioriteit. Dit was als het ware het programma, dat in alle onderdeelen werd uitgewerkt1). Het blad had grooten invloed. Allengs begrepen de schrijvers van het blad, dat sociale hervormingen meer kans van slagen hadden onder een meer democratisch gouvernement, dan onder een regeering, die geheel en al op privileges steunt, en bestreden zij dus feller dan vroeger Guizot en zijn partij2).

 

Tot zoover het ééne middel van propaganda: de drukpers3). Maar er was nog een ander middel, dat veel afdoender voor de school had kunnen zijn, de proefneming namelijk met het stichten en verwerkelijken van een ‘Phalanstère’. Fourier had er dadelijk op gewezen, dat men, indien men de wereld werkelijk wilde over-

[p. 169]

tuigen, het gemeenschappelijk gebouw voor de associatie, waar de arbeid met passie zou geschieden, overeenkomstig zijn denkbeelden moest doen oprijzen.

Inderdaad is dan ook drie-malen door Franschen die proef genomen; telkens echter is zij mislukt.

1. De eerste keer gebeurde het in 1832, nog tijdens het leven van Fourier zelven. Wij hebben die proef reeds vroeger met een enkel woord beschreven1). De heer Baudet-Dulary had toen het initiatief genomen en het geld gegeven. Hij was geneesheer en afgevaardigde in de Kamer voor het departement Seine et Oise; hij was bovendien een vrij vermogend man. Als geneesheer had hij tijdens de cholera-epidemie in Parijs zich bij uitstek verdienstelijk gemaakt. Hij had Parijs toen geen dag verlaten, en was eerst weggegaan, toen de cholera dáár was bedwongen, om naar Etampes te vertrekken, waar de ziekte was neêrgevallen. Hij vooral had in die dagen door enkele geschriften betoogd, dat de cholera juist daarom zooveel uitbreiding verkreeg, omdat aan de arme lieden der groote steden letterlijk lucht en licht was ontnomen, omdat voor een goede hygiëne der behoeftige bevolking niets gedaan werd2). In de Kamer der afgevaardigden had hij zich beijverd, om de regeering van Louis Philippe tot wat breeder opvatting van de staatszorg te nopen. In den ‘Globe’ van 28 Januari 1832 vinden wij een rede opgenomen, die hij had opgesteld, om haar bij de behandeling van het budget van 1832 uit te spreken. Hij drong voornamelijk aan, om het stelsel der belastingen te herzien, de verterings-belastingen op de eerste levensbehoeften weg te nemen, de belasting op de deuren en vensters af te schaffen, de staats-loterij te doen vervallen, het patent te vervormen, en dat alles te vervangen door een proportioneele heffing op de huren boven de 150 francs, als eersten stap tot een progressieve belasting. Als hoofddoel moest de wetgeving zich stellen: voor de gezondheid, de verstands-ontwikkeling en de moraliteit van het volk te waken3). Dat goede doel moest een waarachtige regeering

[p. 170]

voor oogen hebben, dan zouden al die politieke kibbelpartijen en armzalige knutselarijen in 't niet verzinken. Men zou zich schamen een volk zóó te willen regeeren, als de heeren Guizot en Casimier Perier deden.

Het stelsel van Fourier vond in hem een ijverig aanhanger. Verschillende geschriften zijn in dien geest door hem geschreven: wij noemen o.a. zijn ‘Essai sur les harmonies physiologiques’. Doch hij was het vooral, die aandrong op het nemen van een proef met het systeem, en die daarvoor zijn geld beschikbaar wilde stellen. Hij vormde daarvoor een maatschappij op aandeelen, en kocht, niet ver van Versailles, langs den zoom van het bosch van Rambouillet, in den kring der gemeente Conde-sur-Vesgre, 500 hectaren te-bebouwen grond. Aldaar zou men de ‘sociëtaire’ kolonie vestigen. Men timmerde schielijk een gebouw op. Ieder gaf raad, en zoo werd het oorspronkelijke plan nog al eens gewijzigd. Het geld begon al op-te-raken onder het bouwen. Doch Baudet-Dulary hielp weder met zijn middelen, en dus kwam de stichting gereed. Toen het gebouw nu ongeveer klaar was, kwamen de leerlingen en verder allen, die de proefneming wel wilden wagen, omdat zij toch niets te verliezen hadden. Fourier-zelf schudde reeds bedenkelijk het hoofd. Dat ging te-schielijk, meende hij. De lieden, die dáár te-zamen kwamen, waren in geen enkel opzicht goed in het stelsel ingewijd: zij waren hoegenaamd niet voorbereid of geoefend. Hij, Fourier, had ook wel gedroomd van romanesk in practijk gezetten landbouw, van weelderige oogsten der kersen-boomgaarden, van kweeking en leiding der vruchtboomen, zoodat men tot twaalf variëteiten der bergamotten-peren konde komen, maar altijd had hij zekere vóórschool geëischt, had hij aan de menschen, die zijn stelsel wilden in toepassing brengen, zelfs zware voorwaarden of eischen gesteld. Hij had altijd betoogd, dat er reeds een kern van homogene, aan elkander sympathieke, elementen moest zijn; personen die volkomen toegewijd waren aan het sociale doel. En nu begon alles als een ‘pic-nic’. Inderdaad werd het een werken zonder plan. Het kapitaal was opgebruikt bij den bouw van het huis en ontbrak verder geheel en al. Er werd een week lustig gegeten en gedronken, ook soms een weinig gewerkt, maar de één voor, de ander na, ging weg en kwam niet meer terug. Het einde was dat alles uit elkander liep. Baudet-Dulary verloor er al zijn vermogen bij, en dat van zijn vrouw. Als éénig resultaat van deze proefneming kon geboekt

[p. 171]

worden, dat men nu, bij de propaganda, nog een nieuwen hinderpaal had uit den weg te ruimen, namelijk: den indruk van een mislukt experiment. Men had te bewijzen, dat deze mislukking niets te maken had met de volledige in-gang-stelling der ideeën van Fouriers stelsel; dat er van de wet der ‘serie’ nog geen sprake was geweest. Men moest dit haarfijn uitleggen - en men overtuigde maar zelden. Daarentegen regende het aardigheden. Wat het publiek het meest had getroffen van 't gebouw, was het feit, dat de varkens-hokken zoo bijzonder fraai en ruim waren ingericht, daar Baudet-Dulary van een mesting dier varkens zich veel voorstelde, en men begrijpt, welk gebruik het publiek maakte van deze opmerking in verband met de leer der passies en der zinnelijke genietingen. De apotheose der ‘zwijnerij’ begon dienst te doen1).

2. De tweede proef in Frankrijk met de vestiging van een ‘Phalanstère’ werd genomen in 1841 en 1842, in Bourgondië te Citeaux. Nú zou geen nieuw gebouw opgericht, maar een bestaand daarvoor gebruikt worden. Dit keer was het een Engelschman, die het geld daarvoor zou geven, de heer Arthur Young. In het kanton Nuits, ongeveer twaalf mijlen van Dijon, dicht bij de Saône, stond nog een oude abdij der Benedictijnen, de abdij Citeaux, met een klein kasteel en allerlei bij-gebouwen. Dit alles - groot 500 hectaren - werd door Arthur Young den 1sten September 1841 gekocht. Hij zou dit landgoed, waar hij besloot te wonen, gaan exploiteeren, en wel op gansch eigenaardige manier, met een associatie overeenkomstig de denkbeelden van Fourier. Ieder die wilde zou zich aan het plan kunnen verbinden met zijn persoon en zijn arbeid. Arthur Young vormde dus van zijn zaak een maatschappij op aandeelen, en maakte een acte van associatie, geteekend 31 Maart 1842 te Dijon, openbaar, waarbij hij ieder verzocht toe te treden2). Ook thans kwamen weder velen zich aanmelden. Het landgoed met zijn bosschen, vijvers en akkers, was zeer schoon, en velen meenden, dat hier een paradijs op aarde te vinden zou zijn. Er werd ook wel gearbeid. Maar spoedig bleek het, dat de lieden, die gekomen waren, nog ongeschikter waren dan zij, met wie in 1832 Baudet Dulary zijn proef had genomen. Trouwens in 1832 hadden de leerlingen van Fourier

[p. 172]

zelven in het begin nog mede geholpen. De schrijvers en denkers van de centrum-partij der Fourieristen hadden veel sympathie voor het plan gehad. Maar na het mislukken van die pogingen waren zij nog voorzichtiger geworden, dan Fourier-zelf reeds was geweest. Zij vooral hadden de stelling geuit, dat men, om een goede proef te nemen, eerst de menschen moest kiezen, dat het niet aanging altijd recruten aan te werven, maar dat men de jonge adepten moest drillen en exerceeren. Zij zagen dus minachtend op het werk van Arthur Young neder, en deden niet mede1). Deze proef beduidde volgens hen niets. Ook dit keer mislukte dus de proef weldra. Arthur Young zag, dat zijn exploitatie niets opleverde, en dat hij slechts een overgroot getal monden te spijzen had. Hij brak op en liet de zaak in den steek. Zij had hem zeven ton gouds gekost2).

3. Den derden keer is door Franschen een proef genomen omstreeks het jaar 1848 in Algerië. Het was de maarschalk Bugeaud, die voortdurend op Algerië had gewezen als het terrein geschikt voor min of meer gemeenschappelijk landbouw-bedrijf. Die maarschalk was in 't algemeen niet zoo geheel onwelwillend voor Fouriers denkbeelden. Wij hebben reeds vroeger verhaald, dat hij zelfs ééns op een der banketten der Fourieristen - den 7den April 1840 - tegenwoordig was als gast van Toussenel. Hij had toen bij dat banket een toost ingesteld op de afschaffing van den oorlog, en, onder het gejubel van vijf honderd aanzittenden, de vervorming der destructieve legers in productieve legers voorgestaan3). Sinds was hij wel een weinig veranderd, vooral nadat hij hertog d'Isly was geworden4). Maar altijd deed hij zijn best een soort van Cincinnatus te wezen, en sprak hij het liefst van ploegschaar en grond-ontginning. Hij wenschte voor Algerië een soort van militaire colonisatie, waarbij de militairen zelven ook den landbouw als middel van beschaving ter hand namen. Die denkbeelden drongen door in regeerings-kringen, en enkele gegevens daarvan werden in toepassing gebracht. Wij hebben gezien, dat ook de Saint-Simonist Barrault bij Algerijnsche landbouw-kolonies betrokken was. Toussenel had van zijn kant ook reeds vroeger

[p. 173]

een associatie aldaar georganiseerd; hij had er vooral de gevonden kinderen, de vondelingen, willen heênvoeren1). Doch ook de andere Fourieristen zouden een taak in Algerië vinden. Bij de rivier de Sig werden hun 1300 hectaren vruchtbaren grond in bezit gegeven2). Akkers werden ontgonnen, gebouwen opgericht tot een prijs van 450,000 francs. Doch ook van deze poging kwam niet veel. Muiron, in de voorrede van 1860 aan den tweeden druk zijner ‘Transactions sociales’, constateert slechts, dat de proefneming als zoodanig mislukt is, maar dat financieel hier aan de Sig niet dadelijk schade is geleden. Omstreeks 1881 werd deze onderneming der ‘Union du Sig’ vervormd tot een Fourieristische landbouw-kolonie voor weezen en vondelingen3).

2)Zie het tweede deel van ‘de Socialisten’, pag. 224.
1)Zie over de oprichting van het blad ook het het boekje: ‘Projet financier pour la transformation de la Phalange en journal quotidien’, 1843.
2)Leconte de Lisle, die in 1818 op't eiland Bourbon was geboren, kwam later te Parijs omstreeks de jaren 1840 en volgende, om dáár te studeeren. Zijn vriend was Paul de Flotte; hij werd aan Victor Considerant geïntroduceerd door Laverdant, ook een creool. Over de eerste ontwikkeling van Leconte de Lisle, zijn studenten-tijd tot op 1843, toen hij weder toog naar het eiland Bourbon, zie Louis Tiercelin, ‘La Jeunesse de Leconte de Lisle’, in de ‘Revue des deux Mondes’ van 1 December 1898. Zie over zijn gedichten in ‘La Phalange’ ook M.A. Leblond in ‘la Revue socialiste’, van Novembre 1901, pag. 563 seqq. en van Janvier 1902, pag. 96 seqq., maar vooral het boek door Fernand Calmettes ‘Un demi-siècle littéraire: Leconte de Lisle et ses amis’, 1902.
1)Zie ‘La Phalange, revue de la science sociale’. XIVe année. 1e serie in 8o, tome I. Het artikel heette: ‘Système des développements de l'école sociétaire’. Ziehier volgens de school den stand der zaken in 1840-1843, nadat de tweede serie van de ‘Phalange’ met succes had gewerkt: ‘Incontestablement le but spécial du travail de cette époque a été atteint. Où sont aujourd'hui les partis de 1834 et de 1836? La débâcle de la vieille politique est consommée, les vieux partis sont brisés, anéantis, et les questions sociales qu'ils repoussaient avec tant de dédain, il y a quelques années encore, ont tout envahi, de gré ou de force. A l'heure qu'il est, la cause de l'organisation du travail a fait accepter sa devise à tout ce qui a vie, jeunesse et avenir, non-seulement dans la famille française, mais encore chez les trois autres grands peuples, qui marchent avec la France à la tête du mouvement de l'humanité. En Angleterre, en Allemagne et dans l'Amérique du Nord, le mot d'ordre de l'évolution sociale du dix-neuvième siècle est irrésistiblement accepté. Ce mot, si dédaigné naguère, est déjà devenu un grand moyen de popularité; de toutes parts on réclame à grands cris l'Organisation du travail. La voix du peuple monte, monte et grossit, et les choses sont à tel point, que nous pouvons désormais laisser marcher le problème pour nous occuper, en système principal, de faire faire à l'opinion publique le grand pas qui consiste à en poser les conditions formelles et à le résoudre’.
1)Zie ‘La Phalange, revue de la science sociale’, XVIIe année, 1e serie in 8o, tome VIII. (Novembre-Décembre 1848) pg. 468-499. Snijdend zijn de zinsneden tegen de ‘bourgeoisie’ en tegen haar aanvoerders Guizot, Sauzet en Duchâtel: ‘Dressons la liste des bienfaits dont la classe bourgeoise a entouré le peuple. En politique, elle ne lui reconnut aucun droit. Elle fit de la souveraineté l'attribut de la fortune. Il y eut deux nations dans la nation, l'une se désigna elle-même sous le nom de nation légale, l'autre étant hors la loi, sans doute, hors la loi politique, assurément; et quand on réclamait contre le cynisme d'une législation qui faisait dépendre la dignité sociale du taux de la fortune, le chef austère de la bourgeoisie répondait: enrichissez-vous. Interrogé si le peuple ne devait pas s'élèver un jour à la possession des droits dont il était actuellement privé: “Jamais, rien par le peuple”, répondait-il de ce même ton doctoral dont quelques jours avant les révolutions de l'Italie’ il ajournait à vingt ans les progrès politiques de cette noble nation. Enrichissez-vous! Comment! Il y avait maints moyens de s'enrichir; la spéculation sur les fonds publics, l'agiotage sur les actions; la longue série de fraudes pratiquées dans le commerce; le trafic des consciences; la vente des concessions que la loi veut gratuites. Le moyen le plus en usage, c'était l'exploitation du travailleur par le capitaliste.... Alors si, désespérés de leur dénuement, épouvantés de leur abandon, les serfs du travail se tournent vers le pouvoir, dont la fonction est dans doute de sauvegarder les intérêts de tous et de protéger les faibles, le pouvoir parlementaire répond par l'organe de M. Sauzet, un bourgeois de bonne souche, que ‘la chambre ne donne d'ouvrage à personne’. Tournent-ils leurs mains suppliantes vers le pouvoir exécutif, un autre bourgeois, M. Duchâtel, répond ‘que la question du salaire est trop grave pour que le pouvoir ose s'en occuper’.
1)De ontvouwing van dit programma werd verkrijgbaar gesteld in een afzonderlijke brochure, boven behandeld: ‘Principes du Socialisme. Manifeste de la démocratie au XIXme siècle par V. Considerant’. 2e druk 1847. De jaarlijksche verslagen der ‘Assemblées générales’ van de aandeelhouders der krant dienden mede als propaganda-middelen, zie bijv. het verslag van 5 Mei 1844.
2)Zie ook Garnier Pagès, ‘Histoire de la Révolution de 1848’, tome IV, Editie 1861, pag. 82.
3)Wij zouden hiertoe ook kunnen rekenen de jaarlijksche uitgaven van een almanak: eerst een ‘Almanac social’, dan een ‘Almanac Phalanstérien’ die van 1845 tot 1852 regelmatig verscheen, en van een ‘Bulletin Phalanstérien’ dat ook nog in 1850 uitkwam.
1)Zie het tweede deel van ‘de Socialisten’, pag. 222.
2)Zie een fragment van zijn betoog bij Victor Considerant, ‘Destinée sociale’, Editie 1851, tome I, pag. 291-293.
3)In die rede komt dit goede fragment voor (zie ‘Globe’ 1832, p. 110: ‘J'appuierai, je proposerai au besoin des amendements tendant à améliorer la santé, l'intelligence, la moralité du peuple. La santé. Vous savez combien la mortalité est grande parmi les enfants des pauvres: cinq enfants, qui meurent à huit ans ont consommé presque autant qu'un homme de quarante et n'on rien produit. L'homme qui languit, faible et malingre est en déficit de force, de temps, souvent d'intelligence. L'intelligence. L'ouvrier dont l'intelligence n'a pu se développer, celui qui ne peut plus être qu'un manoeuvre, l'homme-machine, vit misérablement et produit peu au delà de sa subsistance; le travailleur industrieux peut seul vivre et nous faire vivre dans l'abondance: il permet à la population de s'accroitre, il faut la force et la richesse de l'état. La moralité. Sans moralité l'intelligence et la force sont gaspillées, perdues, souvent dangereuses; l'absence de moralité entre pour beaucoup dans la misère des ouvriers de villes. Occupons nous activement, incessamment de l'amélioration morale des classes laborieuses; nous y gagnerons de plus d'une manière; il y aura réaction morale sur toutes les classes de la société, sur nous mêmes, messieurs; oui je ne crains pas le dire, car c'est pour moi la première des vérités: l'absence de haute moralité, de sympathie large dans les classes supérieures, est la grande plaie de l'humanité, le grand obstacle au progrès, à la prospérité générale’.
1)Zie daar-tegenover de voorstelling van deze proefneming door Ch. Pellarin, ‘Allocutions’ pag. 60/61. De acte der oprichting van het ‘Phalanstère’ te Condé-sur-Vesgre is gedrukt. Baudet-Dulary deed in 1834 nog een brochure verschijnen ‘Crise sociale’, en gaf in 1848 uit: ‘Quelques mots sur l'Organisation du Travail’ (St. Germain-en-Laye).
2)Die acte van associatie wordt gevonden in de Engelsche vertaling van het boek van mevr. Gatti de Gamond, ‘Fourier and his system’, translated by C.T. Wood, Jun. London 1842, pag. 93-104. Vergelijk de krant ‘The New Moral World’ van 1841, vol. III pg. 150. Zie voorts ‘An outline of Social systems and communities’, 1844, pg. 211.
1)Zie Cantragel, ‘Le Fou du Palais-Royal’, p. 133 en F. Barrier, ‘Principes de Sociologie’, Editie 1867, vol. II, p. 409; vergelijk voorts ‘Revue du Mouvement social’ van 1884, pag. 200.
2)Van tijd tot tijd duiken nog kortstondige kleine proeven op, die buitenlanders (niet-Franschen) in het overig Europa ondernamen. Zij zijn meestal niet serieus: slechts een flauwe na-galm van wat Fourier had verkondigd: liefst een soort van landelijke idylle. Bekend is zóó de gril der prinses de Belgiojoso, die in 1847 haar kasteel Trivulcio, dicht bij Pavia, in een ‘Phalanstère à la Fourier’ vervormde; de Oostenrijksche politie zag het met argwaan aan.
3)Zie Toussenel, ‘Les Juifs, etc.’. 1847, tome II, pg. 161 en 182.
4)Zie: ‘Les Socialistes et le travail en commun’, par M. le maréchal Bugeaud d'Isly, 1848, p. 19/20. Het is een artikel van den maarschalk-zelf in de ‘Revue des deux Mondes’ van 15 Juni 1848.
1)Zie Toussenel, ‘Les Juifs, etc.’, II, p. 125-126 en 156.
2)Zie Eugène Bonnemère, ‘Histoire de l'association agricole et solution pratique’, 1850, pg. 109.
3)Zie ‘Revue du Mouvement Social’ van 1881 pag. 168 en 306. Behalve die proef in Algerië is nog bekend een mislukte proef in Nieuw-Caledonië, waar veroordeelden wegens deelneming aan de Parijsche Commune waren vervoerd, zie daarover het ‘Sociaal Weekblad’ van 1891, pg. 214.
prepostterug  begin  verder