terug  begin  verderprepost

III.

Van Augustus 1848 tot September 1870, toen Napoleon III viel, heeft hij in Engeland vertoefd.

Hij was, toen hij in ballingschap ging, nog slechts 34 jaren oud, en kon dus onverzwakt zijn vroegeren letterkundigen arbeid weder ter-hand nemen.

[p. 415]

Allereerst schreef hij enkele brochures, om zijn gedrag en houding tijdens de revolutie van 1848 in het, volgens hem, ware licht te plaatsen. Eerst verscheen nog in 1848 ‘Le Socialisme: droit au travail, réponse à M. Thiers’. Daarna in 1849 een boekje: ‘Appel aux honnêtes gens, quelques pages d'histoire contemporaine’. Dit betrekkelijk kleine geschrift werd in 1850 uitgebreid tot het boekdeel: ‘Pages d'histoire de la révolution de février 1848’. Later werden die bladzijden vervormd tot het hoogst opmerkelijk boek in twee deelen over de geschiedenis van de revolutie van 1848, dat als antwoord en weêrlegging moest dienen van het bekende dagboek van Lord Normanby, den Engelschen gezant te Parijs tijdens de Februari-omwenteling.

Voorts bewerkte hij de latere deelen van zijn geschiedenis der eerste Fransche revolutie, die hij in 1846 begonnen had. Slechts twee deelen waren toen afgewerkt; nu schreef hij het vervolg, en wist hij aan die geschiedenis nieuwe aantrekkelijkheid en belang bij te zetten, omdat hij voor het eerst goed gebruik ging maken van al de schatten, die de Engelsche (nationale en andere) bibliotheken over dat tijdvak bezitten. Daargelaten dus de strekking-zelve van het verhaal, zal de uitéénzetting der feiten, die voor het eerst werden bekend gemaakt, de grootste belangstelling blijven verdienen.

Voor de dagblad-pers bleef hij werkzaam: deels door een eigen orgaan ‘Le nouveau Monde’, waarin, nevens een polemiek tegen Proudhon, verschillende stukken kwamen, die later een plaats vonden in zijn geschiedenis der revolutie van 1848; deels door inzending van brieven over Engeland in het dagblad ‘Le Temps’. Die brieven zijn later verzameld tot vier deelen, ‘Lettres surl Angleterre’. Het trok de aandacht, dat Louis Blanc met de grootste waardeering hier over Engeland sprak, en bijna niet meer terugkwam op zijn socialistische utopieën van vroeger1). Zij, die echter goed lazen, konden slechts opmerken, dat de socialist van vroeger zweeg, hoewel hij niet bekeerd was. In de artikelen over de Engelsche armen-wet kwam dit trouwens nog even uit.

De socialist echter hield zijn geheimste denkbeelden voor zich, sinds de gebeurtenissen hem voorloopig ongelijk hadden gegeven. Onvermoeid bleef hij arbeiden aan historische en letterkundige geschriften.2)

[p. 416]

Hij was niet zeer bemind. Trouwens zijn opvatting van het socialistisch stelsel was altijd vrij doctrinair geweest, en zijn karakter was eenigszins ‘raide’, eng en soms kleingeestig ijdel.1) Van de amnestiën van Napoleon III had hij geen gebruik willen maken. Doch toen de keizer viel, ijlde hij in 1870 naar Parijs.

Het is echter voor hem geen bijzonder aangenaam leven in de derde republiek geweest. Al zijn vroegere kamp-genooten, die meestal veel ouder waren dan hij, waren gestorven of van 't tooneel. De socialistische strooming, waaraan hij vroeger had deelgenomen, ging in Frankrijk een gansch andere richting uit, dan die hij goedkeurde. De man van het Staats-socialisme was de grootste tegenvoeter van de richting, die in de ‘commune’ had gezegevierd. Tegenover de anarchie had hij juist altijd den Staat, of, als onderdeel van den Staat, de stevig georganiseerde ‘gemeente’ willen zetten. Wel werd hij dadelijk in de Nationale vergadering van 1871 gekozen, maar toen hij zich ook tegen de Commune-mannen verzette, kwam hij, al hield hij nog een rede tegen Jules Favre's wets-ontwerp betreffende het verbod van de Internationale, bij de uiterste partijen in een scheeve verhouding.

In de oogen der felste socialistische partij-gangers, die de kern van zijn vroegere leer niet begrepen, was hij bijna een opportunist. Wel poogde hij, door verschillende opstellen, zijn standpunt nog te verduidelijken; opstellen, die verzameld zijn in de drie deelen: ‘Questions d'aujourdhui et de demain’. In het begin van 1877 begon hij zelfs nog een nieuw blad ‘L'Homme libre’.2). Doch het feit bleef vaststaan, dat hij niet meer populair was. Met eenige moeite werd hij in 1876 weder in de Kamer gekozen.

Hij had het verdriet in Januari 1882 zijn broeder Charles Blanc, den bekenden kunst-historicus, met wien hij innig vertrouwd was, te verliezen. Zelf stierf hij arm te Cannes 6 December 1882.3).

Zijn dood ging bijna onopgemerkt voorbij. Doch in 1887 richtte men, met zekeren ophef, in Parijs een standbeeld voor hem op.4)

1)Zie Edmond Scherer, ‘Etudes sur la littérature contemporaine’, tome III, (Ed. 1885) pg. 273-282. Scherer prijst in zijn stijl: ‘La netteté lumineuse, la sureté de correction, la mâle simplicité, le mot qui peint et plus souvent encore celui qui burine’.
2)Wij bezitten ook nog van hem een brochure, herdruk van een studie, die hij reeds onder Louis Philippes regeering schreef: ‘L'Etat et la Commune’, 1866; voorts een brochure: ‘Plus de Girondins’, 1851, tegen Considerant gericht; en een brochure, ook van het jaar 1851, onder den titel: ‘La République, une et indivisible’. In den ‘Nouveau Monde’ van October 1849 bepleitte hij sterk de echtscheiding, zie daarover François Huet, ‘Le règne social du Christianisme’,, 1853, pg. 173 en 350.
1)Zie een brief van George Sand aan hem van 10 Juli 1857 in de ‘Petit Temps’ van 27 Mei 1899.
2)Zie over den arbeid in die krant Maurice Talmeyr in de ‘Revue de Paris’ van 15 Aug. 1895. Talmeyr levert daar een vrij komiek portret van Louis Blanc.
3)Vergelijk over de verlatenheid waarin hij in de Kamer verkeerde, Jules Simon, ‘Figures et Croquis’, 1909, p. 246/247.
4)Zonderling is het dat de Duitsche sociaal-democraten, wien hij den weg wees ter verovering der politieke macht door de arbeidersklasse, hem thans ter-nauwernood een socialist heeten, zie ‘Neue Zeit’, 1898/99, deel II, pg. 289. - De anarchisten onzer dagen spreken, uit den aard der zaak, den naam van Louis Blanc met afkeer uit. Wanneer het oud-lid der Parijsche Commune van 1871, G. Lefrançais, al zijn wrevel wil luchten tegen den opportunistischen socialist Jaurès, noemt hij den Louis Blanc der Juni-dagen van 1848 ‘le Jaurès de ce temps’. Zie ‘Les Temps nouveaux’ van 14/28 October 1899.
prepostterug  begin  verder