Wij naderen allengs tot hen, die uit al de verspreide meeningen en inzichten van het Fransch socialisme, zooals het zich na de revolutie van het jaar 1830 had geopenbaard, beproeven zouden, een breed, algemeen en toch afgerond stelsel te construeeren. Zij waren in hun tijd de minst bekende der socialistische leiders, maar hun invloed zou met de jaren klimmen, en hun leus zou ten-slotte het wachtwoord van het grootste deel van het strijdend hedendaagsch socialisme worden. Zij namen de gegevens voor hun stelsel weg van alle kanten. Aan de Saint-Simonisten, aan de Fourieristen, aan de communisten, aan de religieuse socialisten, aan de mannen van het Staats-socialisme, - aan allen werd iets ontleend. Doch zij zorgden er voor, dat, bij de formuleering van hun stelsel, de éénheid hunner gedachte al het fragmentarische van het verzamel-werk doordrong en ordende. Die gedachte kwam hierop neder, dat de maatschappij der toekomst tot vasten regel ‘het collectief eigendom aan grond en kapitaal’ zou hebben. Het individueel eigendoms-recht zou slechts toegepast worden op de zaken, die onmiddellijk tot verbruik dienden. Dit was het ideaal, waarnaar, volgens hen, de samenleving zich moest richten en inrichten. Om dat ideaal te bereiken, moesten allengs onder de menschen de grond en alle arbeids-werktuigen worden gesocialiseerd of genationaliseerd. Elke individueele toeëigening van een stuk land of van een kapitaal was een fout, een daad van teruggang. Het was het werk der achterblijvers. - Wat de socialisatie van den grond betreft, konden zij zich op groote namen beroepen. De diepste wijsgeer, dien de nieuwe tijd had voortgebracht: Spinoza, had het reeds in zijn ‘Politiek Tractaat’ uitgesproken: ‘dat de akkers en al de grond en zoo mogelijk de huizen in eigendom van den Staat moesten behooren, die de onderscheidene woningen en landerijen aan de burgers zou verhuren. De aanzienlijke opbrengst van die huur zou alle overige belastingen, althans in tijd van vrede, kunnen overbodig maken’.1) Op dien weg van Spinoza waren andere denkende geesten: een Rousseau en Fichte voortgegaan.
Het leerstuk bleef dan echter behooren tot het ideëel domein der geleerden of geletterden. In Engeland was die leer meer onder het volk opgekomen en verspreid. In het jaar 1775 toch had, zooals wij vroeger zagen, een arme schoolmeester te Newcastle-on-Tyne, Thomas Spence geheeten, een lezing gehouden, om al het land weder tot eigendom van het gezamenlijke volk te maken, welke lezing hem wel eenigen last had veroorzaakt, maar hem tevens tot hoofd van een kleine secte van aanhangers had bevorderd1). Zóó had het denkbeeld-zelf hier en dáár reeds wortel geschoten. - Wat de socialisatie der arbeids-werktuigen of van het kapitaal betreft, hadden Bazard en Enfantin, vooral in hun brief van 2 October 1830 aan den voorzitter van de Kamer der afgevaardigden, dit punt vrij duidelijk op den vóórgrond gezet. - Er waren dus antecedenten genoeg voor de leer der collectivisten. De tijdgenooten van de Fransche collectivisten zagen dan ook in hen niet in de eerste plaats iets oorspronkelijks. Zij namen hen aan voor leerlingen uit de scholen van Saint-Simon, van Fourier en der communisten. Doch ten-onrechte. Het is waar, de Saint-Simonisten wilden ook wel het erfrecht afschaffen, maar behielden toch den levenslangen persoonlijken individueelen eigendom. En Fourier verdedigde wél een gemeenschappelijke bebouwing van den grond, maar het grondbezit-zelf bleef (in zijn systeem) als individueel eigendom gehandhaafd door het stelsel der vertegenwoordiging van aandeelen, waarin elk gezamenlijk landgoed als het ware was verdeeld; bovendien werd het begrip van kapitaal als voorwerp van individueel bezit zeer bepaald door Fourier in bescherming genomen2). De collectivisten bedoelden iets meer consequents, iets meer doortastends, dan hetgeen door leerlingen van Saint-Simon of van Fourier werd gevraagd. Zij bouwden een eigen vrij volledig stelsel op. Gebruik makende van de noten hunner voorgangers poogden zij het accoord saâm te vatten.