terug  begin  verderprepost
[p. 473]

Hoofdstuk VIII.
Gevoels-socialisme in Frankrijk.

Tot nu toe hebben wij in dit deel ons bezig gehouden met socialisten, die een zeker stelsel construeerden of verdedigden. Naar zulk een systeem werden zij als het ware tot eene vaste klasse gerangschikt. Maar naast die lieden van een stelsel - hoe geschakeerd die leerstellingen dan ook waren - was er in Frankrijk een breede rij van mannen en ook van vrouwen, die niet door zulke dogma's, maar uitsluitend door eene zekere socialistische stemming zich lieten leiden. Zij dobberden op een stroom van meeningen, opvattingen en overtuigingen, die naar den kant van het socialisme golfden. De meesten waren geen eigenlijk gezegde socialisten, maar helden tot zulk eene stemming over, omdat zij in oppositie kwamen tegen de heerschende ideeën der regeerende midden-klasse. Waar die gezeten burgerij steeds een beroep deed op het (welbegrepen) eigenbelang, en dus met opzet of onwillekeurig de leus van het egoïsme deed hooren, dáár spraken die tegenstanders van gemeenschaps-gevoel. Waar de regeerende kringen alles wilden vestigen op den grondslag van een verstandig en beredeneerd ‘juste-milieu’, dáár gewaagden zij van verzuchtingen naar iets beters en hoogers. Overal poogden zij de perken te breken, waarin de maatschappelijke orde was gekneld: zij lieten zich voortbewegen en medevoeren door vage ideeën van verbreeding en verwijding der maatschappelijke schikkingen. Er zat socialisme in de atmosfeer, hun bloed werd daardoor geprikkeld, en het joeg sneller door hun aderen. Het verschijnsel kwam bij de meesten hunner meer voort uit ‘sentiment’, uit gevoel, dan wel uit overlegging van het verstand. Zij waren aangegrepen door een strooming van mededoogen over het lot der ellendigen om hen heên. Eene verteedering des harten had zich van hen meester gemaakt.

Velen van hen bewogen zich reeds van-zelf in eene ideëele sfeer, waren letterkundigen of dichters, en lieten aan edele hartstochten het woord. Anderen koesterden meer bepaald een droom van algemeene gerechtigheid voor een ieder. Nog weêr anderen spraken van het geluk, dat aan de menschen-kinderen op aarde moet beschoren zijn. Maar allen waren in zekeren zin ideologen, geloofden aan een idee, en wilden dat verwerkelijken.

[p. 474]

Voorboden meestal van de wielende beweging, die reeds woelde onder in de diepte van het volks-leven, waren zij te vergelijken bij het lichte, witte, glanzende schuim boven op de oppervlakte der zee. Waar passies vlamden, dáár zag men ze; waar grootsche aspiraties zich deden gelden, dáár bevonden zij zich op den vóórgrond; waar sentimentaliteit de gemoederen verweekte, dáár waren zij; waar vurige drift vormen overboord wierp, dáár joegen zij altijd mede.

Opmerkelijk is het, dat alle standen in Frankrijk als het ware elementen aan deze soort socialisten leveren. Het gevoels-socialisme wordt op dit tijdstip in Frankrijk niet als een geïsoleerde hooge uitzondering aangetroffen, zooals in Engeland en Duitschland het geval was: neen, het komt voor in velerlei kring en werkt als een gist die sommige deelen der samenleving doet rijzen. Kerk, kunst, adel, geleerdheid, poëzie, magistratuur, arbeids-stand, - alles draagt contingenten bij. Slechts de groote industrieelen en de bankiers houden zich schrap, en staan geen leden van hun groep aan deze gevoels-socialisten af. Doch alle overige kringen laten zich niet onbetuigd. Trouwens deze gevoels-socialisten zijn geen menschen uit één stuk, hebben geen gepantserde leer; enkelen hunner willen zelfs ter-nauwernood den naam van socialisten voeren; meestal staan zij op de grens, waar het veld van het socialisme begint.

 

Wij hebben reeds kunnen opmerken, hoe de adel van Frankrijk van tijd tot tijd, dergelijke vertegenwoordigers aan het socialisme geeft. Zulke edellieden herinneren zich dan de dagen der 18de eeuw, even vóór het uitbreken der Fransche revolutie, en laten zich nogmaals door de lichte dronkenschap dier ideeën van vrijheid vervoeren. Of zij zijn legitimisten, die uit de hoogte neêrzien op het Staats-geknutsel der ministers van Louis Philippe, en nu de rechten, die aan de ‘bourgeoisie’ zijn gegeven, ook aan het eigenlijk gezegde volk willen mededeelen. Als typen van zulke edellieden, bij wie het socialisme toch inderdaad zaak van het gevoel was, kunnen wij noemen den markies de Voyer d'Argenson, over wien wij (in dit deel der ‘Socialisten’ pag. 218) reeds spraken, en den graaf d'Alton-Shée. Deze laatste, oud-page van Karel X, pair van Frankrijk onder Louis Philippe, en overleden in Mei 1874, heeft in het jaar 1869 twee deelen ‘Memoires’ uitgegeven, waarin hij zijn aandeel aan de politieke gebeurtenissen onder den Juli-koning heeft beschreven. Hij verheelde reeds daarin zijne groote bewondering voor Barbès niet1). In het jaar 1848 richtte hij een weekblad op: ‘Le Démocrate’, waarin hij zijne zeer uiterste denkbeelden ontwikkelde2). - Naast deze twee

[p. 475]

vermaarde namen vestigen wij nog de aandacht op twee zonen van Bretagne. Allereerst op Hippolyte de la Morvonnais. Deze is aan alle vrienden van het dagboek van Maurice de Guérin bekend. Telkens gewaagt de Guérin dáár van zijn edelen, dichterlijken jongen vriend, met wien hij in het jaar 1833 - te La Chênaie bij Lamennais vertoevende - die heerlijke wandelingen maakte en die lange, zoete gesprekken voerde1). Hij schreef later werken over de sociale questie, vooral uit een godsdienstig oogpunt. De zaak der armen ging hem zeer bijzonder ter-harte, en in 't bijzonder was hij gewoon te betoogen: dat het persoonlijk gelukkig en welvarend zijn zoo dikwijls de sympathie en het medegevoel doodt2). Heftiger en wilder gaat de andere edelman uit Bretagne te-werk: de graaf de Kersausie. Deze liet zich reeds in met een zeer bepaalde propaganda, en steunde als commanditair met geld het blad ‘Le Réformateur’ van Raspail. Hij gold onder republikeinen als de meest belanglooze dienaar van de zaak van het recht3). - Zóó zouden wij nog andere personen kunnen noemen, maar één figuur volsta nog voor allen. Door het noemen van zijn naam geven wij ook slechts des te beter te kennen, in welken zin wij hier van adepten van enkele socialistische denkbeelden spreken. Wij bedoelen den vicomte de Châteaubriand. ‘Wij willen nu niet wijzen op enkele citaten en ‘boutades’ uit zijn ‘Mémoires d'outre-tombe’, maar wij schrijven nog eens over de bladzijde, die hij in 1836 - aan het slot van zijn ‘Essai sur la littérature anglaise’ - ter-neêr stelde4). Aldaar betoogde hij het volgende: ‘De maatschappij, zooals zij thans is ingericht, zal niet blijven voortbestaan. In verhouding, dat het onderwijs neêrdaalt tot de mindere klassen, ontdekken dezen de geheime wonde, die sinds het begin der wereld aan de maatschappelijke orde knaagt; eene wonde, die de oorzaak is van al ons leed-gevoel en van al onze volkswoelingen. De te-groote ongelijkheid der levens-voorwaarden en fortuinen kon stand houden,

[p. 476]

zoolang zij aan den éénen kant door onwetendheid en aan den anderen kant door een kunstmatige organisatie van den Staat was verborgen, maar zoodra die ongelijkheid door allen werd gezien, trof de doodelijke slag zijn doel. Herstel, zoo gij 't kunt, de aristocratische ficties; beproef het, den arme te overreden, als hij eens lezen kan, den arme, wien het levend woord elken dag door de pers, van stad tot stad, van dorp tot dorp wordt gebracht; beproef het dien armen man te bewijzen, wanneer hij hetzelfde verstand, dezelfde kennis bezit als gij, dat hij zich moet onderwerpen aan alle ontberingen, terwijl zijn buurman, zonder arbeid, duizendvoudig den overvloed des levens geniet, uw pogingen zullen vruchteloos zijn; vraag aan de menigte geen deugden boven de natuur-zelve’1). ‘Eens zal er eene toekomst zijn machtig en vrij, in al de volheid der evangelische gelijkheid, maar die tijd is nog verre’. Zóó sprak Châteaubriand, en men begrijpt, welken indruk zulke woorden uit zulk een mond maakten.

 

Ook de mannen der Kerk en allen, die zich met godsdienstige questiën bezig hielden, lieten zich niet geheel onbetuigd. In een vorig hoofdstuk hebben wij afzonderlijk deze dienaren der Kerk en van den godsdienst behandeld, voor zoover zij een aanloop namen, om een stelsel op te bouwen. Hier te dezer plaatse spreken wij slechts over gevoels-uitingen. Wij slaan thans over al die verstootenen uit de geestelijkheid, al die afvalligen der Kerk, op wie wij reeds (zie bladzijde 280 en 312 van dit deel der ‘Socialisten’) de aandacht vestigden, maar misschien mogen wij even vermelden den mystieken Coëssin. In oude dagen, nog tijdens de revolutie, had hij zich bij den graaf de Saint-Simon aangesloten. Later was hij een eigen weg gegaan, doch altijd in

[p. 477]

zekere aanraking gebleven met de Saint-Simonisten1). Allengs was hij, geprikkeld door de materieele richting der eeuw, geheel en al in het tegenovergestelde uiterste overgeslagen, en had hij een soort godsdienstig mysticisme gepredikt. Dit mysticisme was vrij nauw aan het socialisme verwant. Tegen het einde der Restauratie wilde hij zoogenaamde godsdienstige genootschappen stichten, min of meer in den trant der Herrnhutters, doch zeer streng catholiek. Hij gaf daarover uit, in het jaar 1829, zijn ‘Bulletin des enfants de Dieu, réunis en familles spirituelles, addressé aux enfants de Dieu, dispersés sur toute la terre’. Zien wij dat boekje in, dan treft het ons dadelijk, dat de inhoud vooral eene tegenstelling is tegen de heerschende industrie onzer eeuw. Hij vervloekt de concurrentie: ‘die hel, nedergedaald op aarde’. Hij vaart uit tegen het kapitaal en den Mammon. Daarentegen eert hij de armoede en al de lagere betrekkingen op aarde. ‘Het individualisme, dit nieuwe woord, dat toch dadelijk begrepen wordt, schept menschen om katoen te produceeren en te verbruiken... Welk een schoone toekomst! Geheel uw geest wordt gericht om calicot te maken, en geheel uw vreugde zal daarin bestaan om het te dragen. Hoe, zegt de industrieel, springen hemel en aarde niet op van zaligheid, bij het hooren van die edele woorden... Werk, kerel, zegt de patroon tot den arme, die zijne hulp inroept!... Werk.’ Coëssin wenscht nu alles op godsdienst en innig samengaan met God terug te brengen, overtuigd, dat dan van-zelf gevoeld zal worden, dat het overbodige aan hen behoort, die niet het noodige hebben2). Naast Coëssin noemen wij dan den zooveel lateren C.F. Chevé. Ook bij hem komt de mystieke ader aan het stroomen. Hem ook bezielde de adem van een Lamennais, doch een Lamennais zonder bitterheid of gal. Hij had zich bovenal geërgerd aan het feit, aan het schandaal, dat de Kerk zich geheel en al afgewend had van de democratie, en zijne verschillende boekjes hebben vooral ten doel eene verzoening van de Kerk en de democratie te bewerken. Op streng catholieken grondslag was hij in dien zin werkzaam. Vóór ons liggen drie van zijne werkjes: één getiteld ‘Catholicisme et Démocratie ou le Règne du Christ’, dat in 1842 uitkwam; een tweede dat onder den naam: ‘Simples Notes’

[p. 478]

in 1851 het licht zag; en een derde, dat later in 1868 is verschenen onder den titel: ‘Visions de l'avenir’. De toekomst-visioenen vooral zijn edel getint. Soms zijn het louter verheffingen tot het onzienlijke, en gaat de toon als van-zelf in dien van het gebed over. Zij roepen een rijk van liefde en van vrede op. Een rijk, waarin de menschen als broeders elkander zullen liefhebben; waarin er een werkelijke sociale ‘communie’ zal wezen; waarin de arme als gelijke zal worden behandeld. Chevé schreef slechts voor een kleinen kring, en zijne geschriften, hoe roerend soms, behooren tot de vergeten bladen1).

 

Mede uit den kring der magistraten en geleerden traden van tijd tot tijd mannen op, wier hart in opstand was gekomen tegen het individualisme en materialisme van hun tijd, en wier gevoel hen drong enkele stellingen van het socialisme aan te nemen en te verkondigen. - Wij zouden hier een eersten rang geven aan Joseph Rey uit Grenoble. Hij was later raadsheer in het gerechtshof te Angers. Hem had vooral de ongelijkheid onder de menschen tegen de borst gestuit. Toen Robert Owen in Engeland voor het eerst opgestaan was met zijne ideeën van coöperatie, had hij zich sterk tot die denkbeelden aangetrokken gevoeld. Hij had toen in 1826 brieven over dat stelsel van Owen uitgegeven, onder den titel: ‘Lettres sur le système de la coopération mutuelle et de la communauté de tous les biens, d'après le plan de M. Owen’. Over die brieven was in die dagen veel te doen geweest. De ‘Globe’ der Saint-Simonisten had er zich zeer mede bezig gehouden2). Doch Joseph Rey liet die ideeën rijpen in zijn hart, en gaf in het jaar 1836 zijn hoofdwerk uit in twee deelen, onder den titel: ‘Des Bases de l'Ordre social’. In dit werk worden de grondslagen der sociale orde altijd nagegaan uit het oogpunt der ‘harmonie sociale’. Die schoone evenredigheid onzer samenleving is er niet, zoolang de maatschappelijke ongelijkheden blijven voortduren. Rey gaat op het einde van zijn tweede deel ook de middelen na, die voorgesteld zijn, niet om progressief tot eene verbetering der sociale elementen te komen, maar met de hoop, om reeds dadelijk en volledig de maatschappij tot hetzelfde doel te leiden. Zoo kwam hij er toe, de stelsels van Saint-Simon en van Fourier te bespreken. Hij deed echter opmerken, dat zij eene radicale fout hadden, te weten: de afwezigheid van een krachtdadig middel, om den geest van exclusief individualisme, dien knagenden worm van elke associatie, te doen verdwijnen. Daarentegen bleef hij zijn voorkeur bekennen voor het coöperatieve communauteits-stelsel

[p. 479]

van Robert Owen, omdat, naar zijne meening, dit systeem alléén scheen te voldoen aan de voorwaarden van eene geheel harmonische maatschappij, omdat verder enkel dit systeem de samenwerking naar één doel in de plaats stelde van de concurrentie tot verschillende afzonderlijke oogmerken; welke concurrentie slechts een gevaarlijken wedijver en wedstrijd kon opleveren. Joseph Rey was daarenboven vast overtuigd, dat het door Owen voorgestelde practische plan alle middelen van geluk voor onze menschheid bevatte. Hij aarzelde niet het warm aan te bevelen en daarvoor propaganda te gaan maken1).

Uit de rijen der mannen van wetenschap en geleerdheid, wier stemming hen tot het socialisme deed afdrijven, zouden wij ook willen noemen E Littré. Als leerling van Auguste Comte, met andere woorden als positivist, was hij reeds van-zelf een voorstander van eene breedere opvatting der maatschappij, dan die in zijne dagen door de liberale school werd geleerd. In zijn ‘sociologie’ nam hij bovendien, op het voetspoor van zijn meester, het beginsel van het ‘altruïsme’ op; welk begrip zich natuurlijk lijnrecht tegenover het ‘eigenbelang’ der heeren economisten stelde. Toch zou die eigenaardige ‘doctrine’ hem nog niet bepaald tot het socialisme hebben geleid, wanneer niet de weêrzin, dien hij gevoelde voor de hooghartige afwijzing der grieven van de arbeiders door de heerschende klasse, wanneer niet de minachting der liberale ‘coterie’ voor wat zij noemde ‘la vile multitude’, hem als onwillekeurig aan de zijde der arbeiders had gedreven. In een keurig boek: ‘Conservation, Révolution et Positivisme’, dat niet anders is dan eene verzameling van artikelen door hem in den ‘National’ gedurende de Tweede republiek geschreven, verrijkt met aanteekeningen, opmerkingen en ‘na-redes’ van het jaar 1878, heeft hij die wenteling van zijn geest beschreven. Opmerkelijk zijn in dit boek de stukken over het socialisme. Hij erkende, dat het socialisme in zijn tijd een zeer bepaalde en bijzondere beteekenis had, dat het van de arbeidende klassen uitging, en als doel zich stelde de verhouding tusschen arbeid en kapitaal. ‘Maar’ - zoo ging hij voort - ‘als ik abstraheer van zijn oorsprong en strekkingen, dan kan ik er ook voor een oogenblik in zien eene poging tot volledige sociale vernieuwing, en kan ik onder dien naam het geheel der meeningen samenvatten, die aan de revolutie een gansch ander oogmerk geven, dan uitsluitend de politieke vervorming’. In dien geest was Littré socialist2).

Velen zullen misschien verwonderd zijn, dat ik als derden vertegenwoordiger dier gevoels-socialisten, onder de meer wetenschappelijke Franschen, noem den bekenden revolutionnairen arts François Vincent Raspail. Toch geloof ik die plaatsing te kunnen verdedigen, al hebben dergelijke schikkingen in

[p. 480]

bepaalde categorieën uit den aard der zaak steeds iets willekeurigs. Maar Raspail was, al heeft hij in zijn lang leven van 1794-1878 vooral met het populariseeren van regelen der volks-gezondheid zich bezig gehouden, in zijn vak een man van ongewone beteekenis1). Hij heeft in dit opzicht belangrijke boeken geschreven, o.a. zijn nieuw systeem van organische scheikunde van het jaar 1833, boeken die dan telkens vergezeld gingen van kleinere geschriften, waarin hij goede raadgevingen aan de volks-klasse gaf2). Zijne verschillende ‘manuels annuaires de la santé’ zijn in Frankrijk volks-boeken geweest. Toch zou hij door zijn werkkring als raadgevend geneesheer - wegens het uitoefenen zelf dier geneeskunst werd hem 19 Mei 1846 een geruchtmakend proces door de regeering van Louis Philippe aangedaan3) - niet dien invloed op het Fransche volk der arbeiders verkregen hebben, dien hij inderdaad bezat. Maar hij deed meer dan aan die arbeiders goedkoope artsenijen te geven. Hij stoof dadelijk op en stond op de bres, wanneer hij meende, dat zij verongelijkt waren. In het begin der regeering van den Juli-koning begon hij zijne krant ‘Le Réformateur’ uit te geven, in welke krant hij reeds in 1834 het algemeene stemrecht bepleitte. In dat blad heeft hij alle questies, die het volk raakten, besproken. Maar één zaak was er, die hem meer dan iets anders ter-harte ging, te weten: de toestand der gevangenissen in Frankrijk en Parijs. Daar hij telkens in den kerker werd geworpen, wist hij daarover bij ondervinding te spreken. Zijn ‘brieven over de Parijsche gevangenissen’ zijn vermaard geworden, en hebben een stoot gegeven, om hierin verbetering aan te brengen4). Zóó gunde hij zich geen rust. En als er eene uitbarsting was van woede of hartstocht onder het volk, als de kogels floten, dan wist elk arbeider, dat Raspail nabij was en zou helpen zooveel hij vermocht5). Hij kon niet anders. Zijn hart dreef hem dien kant

[p. 481]

op. In het jaar 1889 - in de maand Juli, toen men de groote omwenteling van 1789 herdacht - heeft men dan ook te Parijs, dáár waar de boulevards Raspail en Edgar Quinet samenloopen, een bronzen standbeeld voor hem opgericht.

 

Die wij tot nu toe hebben opgenoemd waren edellieden, mystieke peinzers, magistraten en geleerden. Maar zij, die van tijd tot tijd den luidsten klank, een klank als van een bazuin, onder die gevoels-socialisten deden hooren, waren dichters.

Er zijn er vier in dit tijdperk, die, als door eene krijgs-klaroen, 't hart van het Fransche volk hebben doen kloppen. Wij noemen: Lamartine, Victor Hugo, Béranger en Pierre Dupont

Bij dichters verwachten wij niet in de eerste plaats geleidelijke logica. Wij zullen ons dan ook geen schijn van moeite geven, om hunne opwekkingen en verzuchtingen te verklaren, of in samenhang te brengen met hunne overige meeningen. Wij beoordeelen hier niet. Neen: wij zullen hier niets doen dan constateeren, hun juichtoon herhalen of hunne droeve klacht overnemen, in enkele woorden doen waardeeren, hoe breed zij soms alles omvingen, hoe hoog zij dachten, hoe diep zij voelden, en hoe doordringend zij zongen.

Allereerst heeft Lamartine het woord. Wij hebben niet noodig veel van hem te citeeren, of zelfs de rede over te nemen, die hij den 13den Mei 1834 in de Kamer der afgevaardigden uitsprak. Merkwaardige rede overigens, die wel bewijst, hoezeer hij het gevoel had, dat op andere wijze voor de arbeidende standen moest worden gezorgd, dan de ministers van Louis Philippe wilden!1) Maar de wezenlijke kracht van Lamartine stak in zijn

[p. 482]

trillend lied. Hoort slechts deze enkele regels uit de ‘Marseillaise de la Paix’ met hun ideëelen zwaai:

 
Et pourquoi nous haïr et mettre entre les races
 
Ces bornes ou ces eaux, qu'abhorre l'oeil de Dieu?
 
De frontières au Ciel voyons nous quelques traces?
 
Sa voûte a-t-elle un mur, une borne, un milieu?
 
Nations, mot pompeux pour dire barbarie,
 
L'amour, s'arrête-t-il ou s'arrêtent vos pas?
 
Déchirez ces drapeaux! une autre voix vous crie:
 
L'Egoïsme et la Haine ont seuls une Patrie,
 
La Fraternité n'en a pas.

Deze vage klanken, die echter hunne uitwerking zelden misten, kregen vaster beteekenis in sommige verzen van Victor Hugo. Het begon bij hem ook eerst nog onbestemd en onbepaald. Het uitgangs-punt was altijd bij hem de antithese, de wreede tegenstelling in het leven. In de eerste bundels, die hij uitgaf, wordt het contrast tusschen rijkdom en armoede te-berde gebracht, en het volle licht, de straal der liefde, op de misdeelden dezer aarde geworpen. Uit de ‘Chants du Crépuscule’ herinnert men zich die woorden, om de gevallen vrouw niet te beleedigen: ‘O! n'insultez jamais une femme qui tombe’, met het verpletterende slot: ‘La faute en est à nous, à toi, riche! à ton or!’ - In de ‘Feuilles d'Automne’ slaat men van-zelf op het vers getiteld: ‘Pour les Pauvres’ met den aanhef: ‘Dans vos fêtes d'hiver, riches, heureux du monde....’ - In de ‘Rayons et les Ombres’ zoekt men 't gedicht ‘Rencontre’ op, het tafereel der arme kinderen op straat, die eene aalmoes krijgen. Doch de toon, waarin elk onderwerp behandeld wordt, is nog altijd min of meer elegisch: het is steeds eene klacht, samenvallende met de bede aan God, om Frankrijk rust en harmonie te geven:

 
O, Dieu! si vous avez la France sous vos ailes,
 
Ne souffrez pas, Seigneur, ces luttes éternelles;
 
Ces trônes qu'on élève et qu'on brise en courant;
 
Ces tristes libertés qu'on donne et qu'on reprend;
 
Ce noir torrent de lois, de passions, d'idées,
 
Qui répand sur les moeurs ses vagues débordées;
[p. 483]
 
Ces tribuns opposants, lorsqu'on les réunit,
 
Une charte de plâtre aux abus de granit;
 
Ces flux et ces reflux de l'onde contre l'onde:
 
Cette guerre, toujours plus sombre et plus profonde,
 
Des partis au pouvoir, du pouvoir aux partis;
 
L'aversion des grands qui ronge les petits,
 
Et toutes ces rumeurs, ces chocs, ces cris sans nombre,
 
Ces systèmes affreux échafaudés dans l'ombre,
 
Qui font que le tumulte et la haine et le bruit
 
Emplissent les discours, et qu'on entend, la nuit,
 
A l'heure où le sommeil veut des moments tranquilles,
 
Les lourds canons rouler sur le pavé des villes!

Maar die klacht, zoo roerend en zoo zacht, gaat met de jaren haast onmerkbaar over in het verwijt. De toon wordt bitser en heftiger. Het verwijt klinkt snerpend en fel. Straks in 1852 gilt door de lucht het woeste vers: ‘Joyeuse Vie’, tegen de fabrieksheeren1):

 
Caves de Lille! on meurt sous vos plafonds de pierre!
 
J'ai vu, vu de mes yeux pleurant sous ma paupière,
 
Râler l'aieul flétri.
 
La fille aux yeux hagards de ses cheveux vêtue,
 
Et l'enfant spectre au sein de la mère statue!
 
O Dante Alighieri!
 
 
 
C'est de ces douleurs-là que sortent vos richesses,
 
Princes! ces dénûments nourrissent vos largesses,
 
O vainqueurs! conquérants!
 
Votre budget ruisselle et suinte à larges gouttes
 
Des murs de ces caveaux, des pierres de ces voûtes,
 
Du coeur de ces mourants.
 
 
 
Sous ce rouage affreux qu'on nomme tyrannie,
 
Sous cette vis que meut le fisc, hideux génie,
 
De l'aube jusqu'au soir,
 
Sans trève, nuit et jour, dans le siècle où nous sommes,
 
Ainsi que des raisins on écrase les hommes
 
Et l'or sort du pressoir.
 
 
 
C'est de cette détresse et de ces agonies,
 
De cette ombre, où jamais, dans les âmes ternies,
 
Espoir, tu ne vibras,
 
C'est de ces bouges noirs pleins d'angoisses amères,
 
C'est de ce sombre amas de pères et de mères
 
Qui se tordent les bras,
[p. 484]
 
Oui, c'est de ce monceau d'indigences terribles
 
Que les lourds millions, étincelants, horribles,
 
Semant l'or en chemin,
 
Rampant vers les palais et les apothéoses,
 
Sortent, monstres joyeux et couronnés de roses,
 
Et teints de sang humain!

En wat Victor Hugo nog in breede, golvende strofen deed hooren, dat werd door Béranger in korte, vlug gewiekte coupletten gezongen, zoodat het van-zelf in het geheugen zich grifte. Wie denkt niet aan het:

 
D'un globe étroit divisez-mieux l'espace,
 
Chacun de vous aura place au soleil!

Wie herinnert zich niet zijn lied over ‘de Dwazen’ dezer aarde, met zijne beschrijving van Saint-Simon en Fourier, en zijn gedicht over ‘Les quatre Ages’, met die schildering van het toekomstige rijk der humaniteit1)? En wat hier in die verzen de keur der Fransche kritiek bewonderde, dat werd door het eigenlijke volk dadelijk begrepen, zoodra Béranger in vaste typen zijne opvatting als verpersoonlijkte. Ieder arbeider zag de figuur van ‘Jeanne la Rousse’, en bewaarde het beeld in zijn hart:

 
Un enfant dort à sa mamelle,
 
Elle en porte un autre à son dos.
 
L'ainé, qu'elle traine après elle,
 
Gèle pieds nus dans ses sabots.
 
Hélas, des gardes qu'il courrouce,
 
Au loin, le père est prisonnier,
 
Dieu, veillez sur Jeanne la Rousse;
 
On a surpris le braconnier.

Ieder man uit het volk begreep de beteekenis van het verwijt van den ‘Vagebond’:

 
Ah, plutôt vous deviez m'instruire
 
A travailler au bien de tous.
 
Mis à l'abri du vent contraire,
 
Le ver fut devenu fourmi:
 
Je vous aurais chéri en frère,
 
Vieux Vagabond, je meurs votre ennemi!

Doch men kon in deze poëzie nog een stap verder gaan. Het lied kon als zang op straat worden overgebracht, en desnoods opstands-

[p. 485]

lied worden. De stap werd gedaan door Pierre Dupont1). Dit waren liederen, geschikt om te doen hooren, als het volk van honger samenschool, of zich aanéénsloot om straks weêrstand te bieden aan de soldaten der gevestigde orde. Hoort, hoe die liederen op straat werden aangeheven, wanneer de arbeiders dreigend optrokken! Waar die zangen klonken, dáár begon de gezeten midden-klasse te beven, daar werd 't onrustig in de binnenkamers der rijken:

Denkt aan ‘Le Chant des Ouvriers’.

 
Mal vêtus, logés dans des trous,
 
Sous les combles, dans les décombres,
 
Nous vivons avec les hiboux
 
Et les larrons, amis des ombres....
 
 
 
Nos bras, sans relâche tendus,
 
Aux flots jaloux, au sol avare,
 
Ravissent leurs trésors perdus,
 
Ce qui nourrit et ce qui pare:
 
Perles, diamants et métaux,
 
Fruit du coteau, grain de la plaine:
 
Pauvres moutons, quels bons manteaux
 
Il se tisse avec notre laine!
 
 
 
Quel fruit tirons-nous des labeurs,
 
Qui courbent nos maigres échines?
 
Où vont les flots de nos sueurs?
 
Nous ne sommes que des machines.
 
Nos Babels montent jusqu'au ciel,
 
La terre nous doit ses merveilles:
 
Dès qu'elles ont fini le miel,
 
Le maître chasse les abeilles.

En dan dat lied om ‘het brood’! Nog altijd hoort men het zingen - nog altijd dreunt het refrein:

 
On n'arrête pas le murmure
 
Du peuple, quand il dit: j'ai faim;
 
Car c'est le cri de la nature:
 
Il faut du pain!
 
 
 
C'est que le pain est nécessaire
 
Autant que l'eau, l'air et le feu.
 
Sans le pain on ne peut rien faire;
 
Le pain est la dette de Dieu.
 
Mais Dieu nous a payé sa dette:
 
A-t-il refusé le terrain?
 
Le soleil luit sur notre tête,
 
Et peut toujours mûrir le grain.
[p. 486]
 
Du peuple, océan qui se rue,
 
Craignez le flux ou le reflux;
 
Donnez la terre à la charrue,
 
Et le pain ne manquera plus.

Wij schrijven niet meer af. Wij geven slechts de noot aan, die deze dichters aansloegen. Door deze liederen werden vleugelen gegeven aan de gedachten der anderen. Aan de stemming van hen, die meenden, dat de maatschappij verantwoordelijk was voor al hare leden, die dus de maatschappij ook verantwoordelijk stelden voor het ongeluk en het kwaad in haar eigen midden, werd eene uiting, een parool gegeven. ‘De eeuw is ziek’ zoo herhaalden zij op alle wijzen. En de halve poëten, de liedjes-zangers, de werkmans-dichters - wij noemen een Lachambeaudie, een Vinçard, een Boissy, een Savinien Lapointe, een Poncy, den vriend van George Sand,1) - wisselden dat goud der groote dichters in pasmunt om, en strooiden die penningen op straat voor Jan en alleman:

 

Naast die meesters van het lied schikten zich dan dichters in proza: roman-schrijvers, dramatisten, kunst-critici en anderen. Niet weinigen deden hier den socialistischen toon hooren. Eenigen schreven sociale romans, waarin het lijden van het volk met harde kleuren werd aangegeven, en al de wreedheden der samenleving werden blootgelegd.

Een van hen - Eugène Sue, in de verte leerling der Fourieristen - nam het penseel van een Jordaens en schilderde in joelende vaart de mysteriën van het leven der lagere klassen. Zijn ‘Mystères de Paris’, in het ‘Journal des Débats’ als feuilleton uitgegeven, stelden op een kleurrijk doek tooneelen voor uit het Parijsche stads-leven, in achterbuurten, in nauwe straten, waar de ellende welig voortwoekerde en het kwaad geheimzinnig samenschool. Honderdduizenden lazen dien roman. Het prikkelde de zenuwen eener geblaseerde ‘bourgeoisie’. Het scheen eene soort van fantastische enquête naar den toestand van het lagere gepeupel. Men huiverde voor ‘den schoolmeester’, den ‘chourineur’, en men bewonderde de bloem, die uit die modder rein en

[p. 487]

slank oplook: ‘Fleur de Marie’. Het doel van Sue werd bereikt: men vond de verwenschingen tegen de maatschappelijke orde niet meer vreemd, men kwam van lieverlede in eene socialistische stemming. En wat Eugène Sue door zijn roman deed, dat werkte Félix Pyat door zijne drama's uit, en vooral door: ‘Le Chiffonnier de Paris’1). Hij was wel een der bitterste schrijvers van dit tijdvak. In zijn lang leven (hij was in October 1810 geboren en stierf in Augustus 1889) heeft hij altijd-door fel aangevallen. Hij liet der burgerij geen rust. Wel werd hij telkens veroordeeld en gekerkerd - dit begon in 1844, toen hij zijn woedend pamflet schreef tegen Jules Janin, naar aanleiding van diens critiek op Marie-Joseph Chénier; een pamflet dat hem zes maanden gevangenis kostte2), - doch menschen van den stempel van Félix Pyat zijn door wat opsluiting niet klein te krijgen. Integendeel, elke veroordeeling gaf hem slechts een stoot om zijn pen in nog meer gal te doopen. Eigenlijk was hij eenvoudig-weg een anarchist. Hij vervolgde met zijn haat een ieder, die regeerde. En daar hij werkelijk groot stijl-talent bezat, troffen zijne woorden als zoovele pijl-worpen. In 1848 kozen de kiezers van het departement du Cher hem in de Nationale vergadering. In 1849 moest hij echter reeds uit Frankrijk vluchten, en begon hij in Londen de ‘Lettres d'un proscrit’ en de ‘Loisirs d'un proscrit’3) te schrijven, die eene lijn aangaven, welke naar de Commune voerde. Hij ging van dien tijd af uitsluitend op in de politiek4). Slechts in 1885 deed hij nog eens een min of meer socialistisch drama opvoeren: ‘L'Homme de peine’. Doch in de dagen vóór 1848 is hij nog vooral letterkundige, al is die letterkunde een wapen, waarmede hij strijdt ten-bate van het socialisme.

Andere letterkundigen werkten in dien geest mede. Wij noemen bijv. Alphonse Esquiros. Doch bij hem is de bittere toon in den regel afwezig. Het is meer een pogen, een trachten, een beproeven, om den zin der menschen, de ziens-wijze der heerschende klassen, om te keeren. Want niet het schrale, bekrompen programma van een beteren regeerings-vorm, maar een streven naar eene andere maatschappelijke organisatie, moest, volgens hem, op den vóórgrond staan. De wreede ongelijkheden der samenleving waren waarlijk niet altijd het gevolg van natuur of schuld, maar

[p. 488]

voor het meerendeel van opvoeding, wetten en instellingen; in 't algemeen van het gemis aan voorzorg der leidende klasse. Een oneindig mededoogen, eene fijngevoeligheid voor 's menschen behoeften en nooden, moest in de plaats treden van het welbegrepen eigenbelang. In dien geest schreef hij, na eerst gedichten te hebben uitgegeven, in 1841 (anoniem) zijn ‘L'Evangile du peuple’, met de zeer geruchtmakende bladzijde, waarin Frankrijk als de stervende Messias der volken werd voorgesteld1). Na dien tijd schreef hij in 1844 het boek ‘Les Vierges Folles’ met de twee vervolgen ‘Les Vierges Sages’ en ‘Les Vierges Martyres’. Dit boek scheen een der grondslagen der ordelijke maatschappij aan te tasten en bracht hem in de gevangenis2). In 1848 kwam uit zijn ‘Fleur du peuple’, een lang dichtstuk, en in 1850 deed hij zijn werk ‘De la vie future au point de vue socialiste’ het licht zien. Hij was intusschen lid der ‘Assemblée législative’ geworden. Trouwens hij was in de actieve politiek opgetreden, met zijn in 1848 opgericht blad: ‘L'accusateur public’. De ‘coup d'état’ van Napoleon III wierp hem echter als balling uit het land. Om te kunnen leven, schreef hij in zijn ballingschap die schoone beschrijving van Engeland en vooral van de Nederlanden (‘La Néerlande et la vie Hollandaise’), waarvoor ieder Hollander hem dankbaar is. De socialistische ader was echter niet geheel opgedroogd. In 1869 - hij was weder tot afgevaardigde gekozen - gaf hij een merkwaardig opvoedkundig boek uit: ‘L'Emile du dix-neuvième siècle’, en in 1873 zijne studie over de geschiedenis der Fransche en Duitsche boeren: ‘Les Paysans’.

Wij vermelden hier ook nog Théophile Thoré. Hij is te La Flèche in het jaar 1807 geboren en stierf te Parijs in April 1869. Onder de Fransche kunst-kenners, vooral wat de beoordeeling der schilderwerken betreft, staat hij bovenaan. Hij vooral is het, die in Europa weder voor-goed de aandacht gevestigd heeft op onze Hollandsche musea. Voor de waardeering der oud-Hollandsche schilderschool heeft hij kostbare bijdragen geleverd. Die boeken over kunst zijn echter niet geteekend met zijn waren naam. Hij was toen reeds balling, werd overal door de Fransche regeering vervolgd en op de hielen gezeten, en schreef die boeken liever onder een pseudoniem: W. Burger, met welke signatuur dan ook zijne kunst-kritieken beroemd werden. In zijn vaderland had hij zich onder zijn eigen naam als uiterste republikein en socialist doen kennen. In het tijdschrift van Pierre Leroux: ‘La Revue indépendante’, was hij vast medewerker. Hij was het, die in 1842 bijv. de aankondiging schreef over het tweede deel van het boek

[p. 489]

van Louis Blanc, ‘Histoire de dix ans’1). In het jaar 1848 behoorde hij tot de heftigste clubs; met Barbès, Sobrier, Félix Pyat trok hij meestal ééne lijn; hij redigeerde met Pierre Leroux en George Sand een blad getiteld: ‘La vraie République’. In 1850 schreef hij zijn boekje: ‘La Liberté’. Zijn haat tegen den ‘bourgeois satisfait’ was dubbel sterk, omdat die kruideniers te-gelijkertijd gewoon waren de meest banale enormiteiten over de kunst, niet zonder deftigheid, ten-beste te geven.

Overigens gaven van zulk eene socialistische stemming bij wijlen, en als het ware sporadisch, allerlei Fransche schrijvers dier dagen blijk. Een Louis Ulbach gaf tegen 1851 uit zijn: ‘Lettres à Jacques Souffrant’, waarin de sociale questies uit het gevoelsstandpunt werden toegelicht. Trouwens hij zeide dáár in dat boek ruiterlijk: ‘het socialisme bestaat niet als strenge algebraïsche wetenschap, maar het is als eene ‘inspiratie’, als een ‘sentiment’2). In dat opzicht noemde hij zich socialist, en wilde hij, dat politiek opgevat zou worden als de kunst om de menschen door de rechtvaardigheid tot het geluk te brengen. - Eenigermate ging zelfs de beroemde geschiedschrijver J. Michelet dien weg op, toen hij in 1846 zijn wegsleepend boekje schreef: ‘Le Peuple’.

 

Maar van allen, die in Frankrijk op dien stroom van ‘sentimenten’ zich lieten wiegen, waren er geen, die verder op de golven zich waagden dan de vrouwen.

Zij vooral waren die socialisten zonder stelsel, die in de eerste plaats gehoor gaven aan enthousiasme, aan teeder medelijden met de arme menschheid, en aan zucht naar emancipatie.

Teekenen wij enkelen dier vrouwen.

Op den vóórgrond staat natuurlijk George Sand. De geheel éénige vrouw, die dezen naam, dien zij-zelve zich had gegeven, voor-altijd in de letterkunde zal voeren, blijft eene der belangwekkendste figuren uit onze eeuw. De omstandigheid zou zich kunnen voordoen, dat al haar romans, hoe schitterend geschreven, - en om haar stijl geheel te waardeeren legge men hare gloeiend levende zinnen naast eene bladzijde van mevrouw de Stael - zouden kunnen verloren gaan, en toch zou die vrouw haar eigen plaats blijven innemen. Slechts passe men de gewone regelen van het vrouwenleven niet op haar toe. Hoewel geheel en al vrouw, bekorend den man en door den man (mits hij eenig talent had) steeds bekoord, was zij het beeld van uitbundige kracht. Weekelijke zoetsappigheid was haar ten éénenmale vreemd. Den overvloed van leven, die zij in haar aderen voelde stroomen, liet zij onbelemmerd bruisen. Aan knellende maat onderwierp zij haar opulente vormen niet, en aan haar moraliseerende tijdgenooten riep zij de woorden van Goethe toe: ‘Gij kunt het maar niet zetten, dat een

[p. 490]

half-God zich van tijd tot tijd bedrinkt en als een vlegel zich aanstelt. zonder dat dit iets aan zijne goddelijkheid schaadt’. Zij nu gevoelde levendiger dan anderen, hoe éénzijdig en half onze beschaving is, met hare conventioneele behandeling van het huwelijk, met hare cynische vergoding van rijkdom. Zij tastte dus in haar romans zoowel het huwelijk als het gebruik van den eigendom aan. Zij droeg aanhoudend gloeiende kolen aan, die het vuur der socialisten voor uitdooven moesten behouden. Wel lieten die kolen soms eene soort van rook achter, die de menschen benauwde - hoe verontwaardigde men zich bij de verschijning van een Lelia, van een Mauprat! - maar zij bekommerde zich niet om de lieden, en ging ongestoord, opgewekt en goed-gehumeurd haar weg. En die weg liep altijd evenwijdig met de baan, die de socialisten bewandelden. Trouwens een Lamennais, een Pierre Leroux, een Louis Blanc waren haar vrienden. In samenwerking met Pierre Leroux schreef zij enkele van haar romans. Zelfs bij de ‘Consuelo’ is de inwerking van Leroux te bespeuren. De ‘Compagnon du tour de France’ van het jaar 1842 (Pierre Huguenin) is zuiver socialistisch gedacht en opgevat. In haar eigen levens-beschrijving, de ‘Histoire de ma vie’, zijn de beste gegevens te vinden, voor het intieme leven der Fransche socialisten, die wij achtereenvolgens behandeld hebben1). En de zes deelen brieven, welke na haar dood zijn uitgegeven, zijn ware archieven en documenten, èn voor het socialisme dier dagen, èn voor het diep en ernstig streven, dat den achtergrond vormde van haar schijnbare luidruchtigheid en onbesuisdheid. Het blijkt uit die brieven, dat er werkelijk bij haar kracht was, die zich-zelve soms intoomde; kracht, die harmonie kon scheppen. Haar bij wijlen zoo streng-ernstige gelaatstrekken waren naar de toekomst gericht.2)

En naast haar staat in die richting de vriendin van Franz Liszt, de gravin d'Agoult, die voor de nakomelingschap zich ook een eigen naam heeft weten te veroveren: den klinkenden naam van Daniel Stern. Ook tot haar kwamen de leiders van het socialisme, wanneer zij hulp en troost noodig hadden. Pierre Leroux

[p. 491]

kreeg van haar het geld, om als balling uit Frankrijk te kunnen vluchten. Haar geschiedenis der omwenteling van het jaar 1848, in twee deelen, blijft altijd de beste bron, om de bedoeling te leeren kennen der mannen, die werkelijk een oogenblik dachten, dat zij den hemel op aarde konden brengen. Nergens worden die illusiën, die idealen en die achter elkander uitéénspattende zeepbellen, met zooveel weemoed en aandoening beschreven. Daniel Stern ging als ‘artiste’ met al de socialisten om; zij reikte hun allen haar fijngevormde hand; zij was hun vriendin. Wie al de diepte van haar geest en al het liefelijke van haar hart willen leeren kennen, verzuime niet het boekje op te slaan, dat het beste van hare gevoelens en gedachten bevat. Wij bedoelen: ‘Pensées, Réflexions et Maximes par Daniel Stern’ versierd met haar edel profiel, dat als een ‘camée’ voor het titel-blad prijkt. Wij zouden uit het elfde hoofdstuk ‘over het volk’ gaarne bladzijde na bladzijde willen overnemen, wanneer het ons slechts er om te doen kon zijn, schoone gedachten in zuiveren vorm te laten waardeeren1).

Doch ons zoo uitgestrekt onderwerp gedoogt ons niet te veel uitweidingen. Wij hebben nog de namen van andere Fransche vrouwen in dit hoofdstuk te vermelden. George Sand en Daniel Stern waren toch eigenlijk slechts bondgenooten, zij het zeer vertrouwde bondgenooten der socialisten. Doen wij hebben kennis te maken met werkelijke socialisten onder die vrouwen. Wij noemen als zoodanig: Flora Tristan en Pauline Roland.

Flora Tristan2) schijnt ons de vrouw in opstand. George Sand, die voor ieder mild, goedhartig en vergevens-gezind was, noemt haar heerschzuchtig en toornig3). Zij kon of wilde zich

[p. 492]

blijkbaar niet voegen in de vormen onzer samenleving. Te verwonderen was dit niet. Onecht kind van een Zuid-Amerikaansch officier, - don Mariano de Tristan - die echter met haar Fransche moeder ging samenwonen, bleef zij met haar moeder op 5-jarigen leeftijd - zij was in April 1803 te Parijs geboren - zonder het minste fortuin in de Fransche hoofdstad over. De moeder deed altijd-door, doch steeds vergeefs, beroep op de rijke Zuid-Amerikaansche familie, die in Peru leefde. De dochter, die intusschen tot een verleidelijk mooie, romaneske jonge vrouw was opgegroeid, deed haar best als ‘ouvrière coloriste’ het brood te verdienen. Achttien jaren oud trouwde zij met een ‘peintre lithographe’; drie kinderen werden haar geboren, doch zij versmachtte in armoede en verveling. Zij ontvluchtte haar man, wilde zelf naar Peru, werd - wat men noemt - een ‘aventurière’, hechtte zich aan dezen en genen, wist werkelijk in Peru te komen, verwierf van den rijken broeder van haar vader, don Pio de Tristan, een klein jaargeld van 2500 francs, en week nu in 1834 weder naar Parijs, waar zij aan letterkunde zich wilde wijden. In 1835 kwam dan ook aldaar haar eerste brochure uit, een levens-bekentenis, onder den titel: ‘Nécessité de faire un bon accueil aux femmes étrangères’. Zij voorspelde daarin, dat een nieuwe eeuw voor de vrouw zou oprijzen door het socialisme. Haar ideeën ontleende zij aan het Fourierisme. In allerlei kringen van kunstenaars en ‘bohémiens’ werd zij gezien. In 1838 schoot haar vroegere echtgenoot op haar, doch miste zijn schot en werd zelf veroordeeld tot twintig jaren ‘travaux forcés’. Haar leven was niet bepaald rein. Zelve laat zij er zich aldus over uit: ‘het geestelijke huweis zonder twijfel schoon, ik begrijp dit, ik, die men voor eene “gedebaucheerde” vrouw laat doorgaan, omdat ik genoeg heerschappij over mijne zinnen heb om van preutschheid den brui te geven’.1) Maar hoe dit zij: de zaak der vrouwen en der armen trok zij zich met hartstocht aan. In 1838 liet zij een brief drukken aan de Kamer van afgevaardigden om de doodstraf af te schaffen, nadat zij eerst een petitie aan de Kamer had gericht om de ‘divorce’ als wet te regelen. In 1842 gaf zij eene beschrijving uit van eene reis naar Engeland. Het boekje heette: ‘Promenades dans Londres, ou l'aristocratie et les prolétaires anglais’. Het is een woedend vertoog tegen den rijkdom in Engeland: er komen bladzijden in voor, die op meesterlijke wijze den jammer van het fabrieksleven teekenen, maar ook episodes, die der welvoeglijkheid een blos op de wangen jagen2). In Frankrijk teruggekomen, gaf zij het werkje uit: ‘Union ouvrière’, dat in 1844 verscheen. Het eigenaardige van dit boekje was, dat zij daarin de arbeidende klassen opwekte voor zich-zelven te zorgen, geen heil te verwachten van de bezittende standen. Klassen-strijd kwam voor het

[p. 493]

eerst als leidend beginsel voor. Ook vond men daarin een plan, om alle arbeiders te bewegen eene kleine jaarlijksche bijdrage, bijv. van 2 francs af te staan, ten-einde een groot paleis, als dat der Invaliden te bouwen, waarin alle ouden van dagen, alle gebrekkigen en verminkten, hun dagen zouden kunnen slijten en de kinderen zouden kunnen worden opgevoed. Het boek of programma zette alles vrij breed uitéén, en was verrijkt met verschillende ‘marseillaises,’ gedichten van een werkman, van een schilder en van een student. Noch het prospectus, noch de verzen schijnen echter het talent te hebben bezeten, om de harten der menschen te kunnen vermurwen. Flora werd hoe langer hoe bitterder en beschouwde zich-zelve als een ‘paria’. Zij zwierf rond in Frankrijk, overal de arbeiders door redevoeringen opwekkende. Doch reeds in November 1844 stierf zij te Bordeaux. Na haar dood gaf in 1846 de oud-abbé Constant nog van haar uit: ‘L'Emancipation de la Femme, ou le testament de la paria’. Het is een deels mystiek, deels woedend betoog tegen de bestaande orde van zaken, vol pathos, declamatie, opwinding, vertwijfeling en drift. Bij haar is het socialisme reeds in staat van verzet1).

Veel edeler en reiner is het beeld van Pauline Roland. Deze gaat rustig en bedaard, zonder ongeduld, haar weg. Zij is wèl met hart en ziel de denkbeelden van het socialisme toegedaan, zij ziet wèl scherp de schaduw-zijden van onze instellingen betreffende eigendom en arbeid, maar zij houdt zich binnen de perken, zij wanhoopt niet: al worden de veldslagen door het volk telkens verloren, zoo zal toch de zaak van het socialisme (hiervan is zij overtuigd) de nederlagen overleven. Dit geeft haar kalmte en zelfbedwang, ook later, als zij wreed wordt vervolgd door de mannen van de orde. Zij was in 1810 in Normandië geboren en hield zich eerst bezig met letterkundige studiën, vooral betreffende Engeland. Op den leeftijd, dat zij haar overtuigingen vaststelde, was zij aanhangster van Pierre Leroux geworden. Zij schreef in de ‘Revue indépendante,’ die Pierre Leroux met George Sand uitgaf. In den jaargang van 1842 (pag. 184-193) treffen wij van haar een artikel aan, over den arbeid der vrouwen en kinderen in de steenkolenmijnen. In 1847 volgde zij Pierre Leroux naar zijne kleine kolonie te Boussac. Aan de ‘Revue sociale,’ die dáár te Boussac werd uitgegeven, werkte zij mede. In de aflevering van October 1847 (pag. 57 en volgende) vinden wij van haar een opstel met den titel: ‘De l'Esprit de la paix et de la Fraternité humaine,’ waarin enkele populaire nationale zangen (ditmaal ook een zang uit Italië) worden behandeld. Na de Februari-omwenteling stortte zij zich vurig midden in de meer actieve socialistische beweging. Zij hield zich ijverig bezig met de organisatie van arbeiders-

[p. 494]

associaties. Toen Napoleon III zijn staats-greep deed, werd zij dus gestraft en naar Algerië getransporteerd. Na een bitter en smartelijk lijden kreeg zij eindelijk - zij had inderdaad niets misdaan - gratie. Zij kon naar Frankrijk teruggaan, doch hare gezondheid was in Afrika geknakt: zij stierf op de terugreis te Lyon, den 29sten December 1852. Pierre Leroux heeft in zijn ‘Grève de Samarez’ (deel II pag. 337) haar een weemoedige herinnering gewijd. Maar de dichter Victor Hugo deed meer. Hij stichtte haar in harmonieuse klanken een monument, hechter dan metaal, duurzamer dan graniet. Zoolang de ‘Châtiments’ zullen worden gelezen, zal het gedicht ‘Pauline Roland’ de menschen bekoren en doen mijmeren1)

 

Die atmosfeer van gevoels-socialisme omgaf, tegen het einde der regeering van Louis Philippe, een groot deel van het Parijs dier dagen. Het was eene soort van electrische, al te warme, zoele dampkring, waarin men verwijlde2): een soort van romantiek, soms sentimenteele vermooiing. Natuurlijk had dit invloed op de publicisten en journalisten der stad. Voorzoover zij echter niet behoorden tot eene der vroeger ontwikkelde socialistische theorieën of scholen, is het zeer moeielijk hen als bepaalde socialisten te onderscheiden. Zij vormen een bont allerlei. Meestal reiken zij de hand aan politieke progressisten en aan zeer geavanceerde democraten. Het is soms zelfs uitermate bezwaarlijk, den overgang tusschen radicalen en socialisten te bespeuren en aan te geven. De staf van het radicale dagblad ‘La Réforme’ (zie dit deel der ‘Socialisten’ pag. 394), geleid door Flocon, was niet afkeerig van tijd tot tijd den socialen en socialistischen toon aan te slaan. De leiders van de uiterste linkerzijde der staatkundige groepeering versmaad'den de hulp der socialisten niet. Ledru Rollin was vóór 1848 niet uitsluitend een politieke Jacobijn3), en Michel de Bourges had buien, dat hij verder wilde gaan dan de meest roode socialisten4). Emile de Girardin was bereid elke maatschappelijke questie op de meest breede en pikante

[p. 495]

wijze te bespreken1). Zóó liepen de kleuren dezer heeren vrij verward door elkander. Is de oud-senator Victor Schoelcher, de man die den stoot in Frankrijk gaf tot algeheele afschaffing der slavernij in de koloniën, niet een soort van socialist geweest?2) Was Caussidière, die in 1848 zulk een rol zou spelen, man zonder stelsel en zonder vooroordeelen, doch die slechts één passie kende: den haat tegen den ‘bourgeois’, niet een socialist zonder het zelf te weten?3) Wij kunnen niet beslissen. Wel behoort zeer beslist tot de socialisten ‘le citoyen’ Greppo, die in 1848 een plaats in de Nationale vergadering verkreeg. Wij bezitten van hem een antwoord aan den maarschalk Bugeaud, die Augustus 1848 in de ‘Revue des deux Mondes’ een kritiek op het socialisme had geleverd. Greppo verweet den maarschalk een Malthusiaan te zijn, en ontwikkelde, hoe de algeheele associatie van alle arbeiders het reddings-anker der menschheid zou wezen. Voorts schreef Greppo nog in November 1848 een socialen catechismus, waarin hij een beknopt overzicht gaf van de leer der solidariteit4). - Wij vermelden hier ook Simon Granger, die de questie der Kerk uit een socialistisch standpunt behandelde. Hij schreef, vóór het uitbreken der revolutie van 1848, verschillende geschriften, die het volstrekte gelijkheids-beginsel poogden uitéén te zetten en te verbreiden.5) - Voorts noemen wij nog: Adolphe Boyer, die in 1841 zijne brochure ‘De l'état des ouvriers et de son amélioration’ het licht deed zien; René Didier, die in 1845 ‘Le livre des Communistes’ schreef; en G. Desjardins, den ouden adept der geheime genootschappen, die in 1848 uitgaf zijn: ‘De l'organisation de la fraternité, ou d'une constitution sociale à donner aux peuples’.6) Overigens kunnen wij slechts herhalen, dat menig min

[p. 496]

of meer heet gebakerde politieke publicist dier dagen, die in zijn eenvoud slechts de sociale beweging in Frankrijk dacht te helpen, zich telkens zinsneden liet ontvallen, waaruit het socialisme in 1848 munt zou gaan slaan.1).

 

En opgewekt door al die prikkelende invloeden, begonnen van uit de eigenlijke volksklasse allerlei figuren op te staan, die het socialisme luide en openlijk gingen verkondigen. In de vier volks-tijdschriften, die het Parijs dier dagen kende, journalen, waarin de beste arbeiders schreven, volgde men nog in de verte zeker stelsel. Het ‘Atelier’ zette koers in de richting van Buchez; ‘La Ruche Populaire’, in 1839 begonnen, was min of meer Saint-Simonistisch; ‘La Fraternité’ huldigde het communisme; ‘L'union’ was misschien het minst systematisch2). Maar buiten die tijdschriften om waren er arbeiders-schrijvers, die juist in eene meer vage gevoels-stemming de aansporing vonden, om, tegenover het, naar hun inzien, georganiseerd egoïsme van den ‘bourgeois satisfait’ te getuigen van het recht, dat een ieder kon doen gelden. Er waren wel is waar onder die arbeiders mannen, bij wie de stemming reeds tot daden aanzette: mannen, die in de maanden November en December 1831, en in April 1834, te Lyon op de barricades hadden gevochten, die aldaar in 1831 de leuze: ‘arbeidende leven of strijdende sterven’ hadden doen hooren, en in 1834 zich hadden laten inlijven in de organisatie der mutuellisten; anderen, die te Parijs in Juni 1832, in de straat van het klooster Saint-Méry, duur hun leven hadden verkocht, - maar die strijdende en hun leven op 't spel zettende socialisten onder de arbeiders waren vóór 1848 toch nog slechts eene minderheid. De meer algemeene stemming onder de arbeiders was vredelievend. Zij wilden niet allereerst verzet, wraak of geweld. Er heerschte onder hen nog een geest van broeder-liefde. De man, die hun zou weten duidelijk te maken, dat dit gevoel van broeder-liefde zich allereerst moest openbaren in hunne onderlinge verhoudingen, vond reeds daarom een open oor bij hen allen. Het was Agricol Perdiguier, van huis-uit een schrijnwerker3). Hij stelde

[p. 497]

zich tot levens-taak, de herinneringen der vroegere verbindingen van handwerks-lieden, der ‘compagnons’, te verzamelen, en de schatten dier overleveringen van kameraadschappelijk, gemeenschappelijk leven aan het tegenwoordige arbeiders-geslacht ter hand te stellen. Die traditie der ‘compagnons’ moest, naar zijn inzicht, weder een werkelijkheid worden. Van alle kanten zocht hij bouwstoffen voor zijn boek, dat voor het eerst in 1839 verscheen, maar later herhaalde malen werd herdrukt1), wij bedoelen: ‘Le livre du Compagnonnage par Agricol Perdiguier’. Perdiguier nam later in 1848 zitting als afgevaardigde voor Parijs in de Nationale vergadering, werd, gelijk het gewone lot dier toenmalige volksleiders was, in December 1851 door den man van den ‘coup d'état’ verbannen, schreef in die verbanning zijne gedenkschriften (‘Mémoires d'un compagnon par Agricol Perdiguier’) en is in Maart 1875 gestorven. Voor ons is hij merkwaardig, omdat hij de zuiverste vertegenwoordiger is van de socialistische stemming dier dagen onder de arbeiders; eene stemming van enthousiasme en van mystiek broeder-bewustzijn, van ernst, en van zucht om de levens- en arbeiders-conditiën te verbreeden; een gevoel niet vrij van sentimentaliteit, vaag en onpractisch, doch waarlijk niet onedel; eene reactie tegen de individualistische beschouwing der regeerings-klassen, doch wars van alle Staats-geknutsel, en er nog op uit, om te verhoeden, dat de maatschappij een gewapend kamp zou worden. George Sand ontleende voor haar roman ‘Le Compagnon du tour de France’ veel aan zijne mededeelingen.

 

Op den achtergrond van dit kleurrijk panorama, met al die door éénzelfden adem van mededoogen gedreven kleinere en grootere figuren, staan nu enkele behendigen.

Zij maken gebruik van die aspiratiën der massa, om ze naar eene voor hen gewenschte richting te voeren; zij achten zich in staat, al die verschillende stroomingen van meeningen, opvattingen en overtuigingen tot één grooten stroom te leiden, die hen-zelven - hun eigen ik - zou kunnen dragen tot op de hoogst verheven plaats van Frankrijk.

Er is bij hen - zoo men wil - ook stemming, maar vooral in de eerste plaats de vaste wil, om door de stemming der anderen een doel te bereiken, dat tevens hun eigen persoon ten-goede komt. Zij deelen enkele van die vage socialistische neigingen van hunne tijdgenooten, maar zijn bereid, tijdelijk aan elke gevoelsuiting, vooral der anderen, het stilwijgen op te leggen. Type en meester van al die behendigen is prins Louis Napoleon, de latere keizer Napoleon III. Men miskent hem, wanneer men uitsluitend bij hem aan egoïsme denkt. Neen, hij voelde iets mede voor de socialistische droomen; later zou het blijken, dat hij werkelijk Saint-Simonistische illusies koesterde, maar hij volgde allereerst de ster der Napoleons, en Napoleon de Groote had eens gezegd:

[p. 498]

‘alles voor het volk, niets door het volk’. In de dagen, waarmede wij ons nu bezig houden, zit hij als gevangene op het fort van Ham. En zie, in die gevangenis schrijft hij een boekje, dat eensdeels als programma moest dienst doen, anderdeels een soort van aanloksel moest vormen voor al die socialistische elementen, om zich onder zijne leiding tegen het ‘régime’ der ‘bourgeoisie’ van Louis Philippe te verzetten. Het scheen verleidelijk genoeg. Het heette: ‘Extinction du paupérisme, par le prince Napoléon-Louis Bonaparte’1). Het plan bestond hoofdzakelijk hierin: dat Frankrijk door eene wet zou decreteeren, dat al de niet ontgonnen gronden (circa 9 millioen hectaren) in eigendom zouden komen van arbeids-associaties, mits deze jaarlijks aan de tegenwoordige eigenaars der gronden zouden vergoeden, wat zij er nu van trokken; aan die arbeids-associaties zou de Staat voorschotten geven, en voorts zou de Staat die arbeids-associaties behoorlijk organiseeren. De schrijver dacht zich die arbeids-associaties als landbouw-kolonies, welke landbouw-kolonies echter op haar beurt arbeiders zouden kunnen afstaan aan de industrie. Het model, dat bij de organisatie dezer landbouw-kolonies zou gevolgd worden, was het voorbeeld van het leger. Het zwaarte-punt dier organisatie viel op de menschen, die men zou kunnen vergelijken bij de onder-officieren van het leger. Tusschen de arbeiders en hen, die ze aan 't werk stelden, stonden zoogenaamde ‘prud'-hommes’, en deze tusschenpersonen, gekozen door de arbeiders-zelven, zouden aan het hoofd staan van bijv. tien arbeiders, en het vertrouwen bezitten, zoowel van hen die werkten, als van hen, die 't werk bestuurden. Elke landbouw-kolonie, goed ingericht als model-hoeve, zou in elke streek eene missie vervullen als die, welke de kloosters in de Middeleeuwen volvoerden: weldadig en beschavend te-gelijk. De prins rekende uit, dat zulk eene kolonie in 't begin zich behoorlijk kon bedruipen, en later een niet onaanzienlijk overschot zou winnen, waardoor ieder arbeider deel aan 't eigendom zou kunnen bekomen, en in 't algemeen de consumtie van Frankrijk zou toenemen. Men behoefde dus niet meer overal verbruikers op te zoeken. - Wat geheel dit plan echter karakteristiek maakte, was de vorm en inkleeding. De prins gebruikte al de termen der socialisten. Hij wilde de industrie organiseeren en vooral den stand der arbeiders opheffen. Maar hij vergeleek dan de tegenwoordige arbeiders bij heloten te-midden van een volk van sybarieten (zie pag. 12). Hij prees zijne organisatie aan als eene uiting der goddelijke rechtvaardigheid, die wil, dat het zweet van den arme het hem toekomend loon verkrijgt (zie pag. 26). Hij wees op de schande van onze beschaving: dat in het Frankrijk, zóó rijk uitgerust door den hemel, een tiende der bevolking in lompen gekleed ging en van honger stierf naast de millioenen producten van grond en industrie (pag. 49). Hij wilde dat recht werd gedaan aan de arbeiders-klasse, die van alles, wat onze beschaving oplevert, onterfd is (pag. 50). Hij drukte er op, dat de retributie van den arbeid tegenwoordig

[p. 499]

aan het toeval of aan het geweld was overgelaten. Hij vroeg, dat de welvaarts-voorwaarden aldus zouden worden gewijzigd, dat niet meer ieder meester of patroon voor den arbeider een vijand zou wezen. Hij hoopte, dat men weldra zou kunnen zeggen: ‘de zege van het Christendom heeft de slavernij ten-onder gebracht; de zege der Fransche revolutie heeft de dienstbaarheid vernietigd; de zege der democratische ideeën heeft het pauperisme verdelgd’.

Verleider - zeggen de meesten. Verrader - mompelen de latere slachtoffers. Droomer, fantast, herneemt de geschiedenis!

Zeker is het, dat Napoleon III het hart van het Fransche volk, voorzoover het klopte voor eene milder maatschappelijke orde der toekomst, beter verstaan heeft dan de koning der burgerij: Louis Philippe.

En wat geheel zijn opkomen als keizer aangaat, zoo valt het niet te ontkennen, dat ja de zuil op de plaats Vendôme zijn eerste keurvorst, zijn ‘grand électeur’ was, maar is het evenmin te loochenen, dat Louis Napoleon voor de verbeelding der massa soms een soort van herziene en verbeterde Louis Blanc scheen, een man, die de heerschappij van den kapitalist wellicht vervangen zou door den invloed van den werkman1).

1)Zie ‘Le Comte d'Alton Shée, ancien pair de France, Mes Mémoires (1826-1848), 1869, Première partie’, pag. 325, vlg. Zie ook over hem: ‘Erinnerungen von Ludwig Bamberger,’ herausgegeben von Paul Nathan, 1899, pag. 465.
2)Het blad heette voluit: ‘Le Démocrate, semaine sociale et républicaine, journal des villes et des campagnes, Propriétaires-fondateurs et rédacteurs uniques: d'Alton-Shée et Fréd. Gérard. - Liberté, égalité, fraternité, solidarité.’ Het eerste nummer kwam uit 2 April 1848. Een nicht van d'Alton was de geliefde van Alfred de Musset en huwt later met Paul de Musset, na Alfreds dood.
1)Zie ‘Maurice de Guérin, Journal, lettres et poèmes’, 1862, bv. pag. 60 en later pag. 425. Vergelijk ook van dit deel der ‘Socialisten’, pag. 293.
2)Charles Pellarin, ‘Allocutions d'un Socialiste’, 1846, pag. 40.
3)Zie o.a. ‘La Revue socialiste’, Janvier 1890, pag. 40.
4)Zie die bladzijde ook overgenomen door Lamennais, ‘Affaires de Rome’, Edition Garnier, pag. 181-183. Over het gebruik, dat de socialisten van Châteaubriand maken, vergelijke men bijv, Pecqueur in zijn ‘Théorie nouvelle’ pag. 405 en 818, Vidal, ‘De la Répartition’ pag. 494, en François Huet, ‘Le Règne social’ pag. 288 en 361.
1)Het vervolg van deze bladzijde van Châteaubriand luidt aldus: ‘Le développement matériel de la société accroîtra le développement des esprits. Lorsque la vapeur sera perfectionnée; lorsque, unie aux télégraphes et aux chemins de fer, elle aura fait disparaitre les distances, ce ne seront pas seulement les marchandises qui voyageront d'un bout du globe à l'autre avec la rapidité de l'éclair, mais encore les idées. Quand les barricades fiscales et commerciales auront été abolies entre les divers Etats, comme elles le sont déjà entre les provinces d'un même Etat; quand le salariat, qui n'est que l'esclavage prolongé, sera émancipé à l'aide de l'égalité établie entre le producteur et le consommateur; quand les divers pays, prenant les moeurs les uns des autres, abandonnant les préjugés nationaux, les vieilles idées de suprématie ou de conquête, tendront à l'unité des peuples, par quel moyen ferez-vous rétrograder la société vers des principes épuisés? Bonaparte lui-même ne l'a pas pu. L'égalité et la liberté, auxquelles il opposa la barrière inflexible de son génie, ont repris leurs cours et emportent ses oeuvres: le monde de force qu'il créa s'évanouit; sa race même a disparu avec son fils. La lumière qu'il fit n'était qu'un météore....’
1)Zie over F.G. Coëssin, ons tweede deel der ‘Socialisten’, pag. 20. Zie voorts Oeuvres de Saint-Simon et d'Enfantin. ‘Notices historiques’, I, pag. 212, VI, pag. 101 en VII, pag. 16, en de Oeuvres d'Enfantin, VII, pag. 94. Raadpleeg ook den ‘Globe’ van 6 Januari 1832.
2)Zie F.G. Coëssin, ‘Premier Bulletin des enfants de Dieu’, Paris 1829, pag. 25, 39, 78, 84, 129, 134 en 151. - Pierre Leroux in zijn ‘Malthus et les Economistes’ 1849, spreekt op pag. 25 over Coëssin en zijn beeld van den mensch en de katoen. - Eenigszins uitvoerig over Coëssin spreekt ook Alexandre Erdan, in ‘La France mystique’ 2 vol. 1858. Zie deel I p. 144. - Erdan spreekt in zijn tweede deel, pg. 206 en volgende, ook over het ‘Institut Thalisien de Gleizes’, dat echter weinig socialistisch is.
1)Zie C.F. Chevé, ‘Visions de l'avenir’, 1868, pag. 18, 32, 47 enz. zie over hem ook Edouard Drumond, ‘La Fin d'un siècle’, 1889, pag. 110 en volgende. Chevé werkte een tijdlang (in 1849) onder Proudhon. Wij komen later op hem terug.
2)Zie ‘Globe’ van 14 Mei 1828, tome VI, pag. 402 en 470. Vergelijk nog over Joseph Rey den ‘Globe’ van 8 Januari 1831, voorts ons tweede deel der ‘Socialisten,’ pag. 314.
1)Zie Joseph Rey de Grenoble, ‘Des Bases de l'Ordre social’, Angers, 1836, tome II, pag. 453, 456, 461 en 541.
2)Zie E. Littré, ‘Conservation, Révolution et Positivisme’, 1879, pag. 142, 147 en volgende.
1)Zie bijv. Jean Saint-Martin, ‘F.V. Raspail, sa vie et son oeuvre’, Paris 1877.
2)Zie bijv. ‘Le Choléra en 1865’ par F.V. Raspail 1865, prix 50 centimes. Vergelijk ook Sebastien Commissaire, ‘Mémoires et Souvenirs’, 1888, I, pag. 128 (over ‘la cigarette de camphre’ van Raspail).
3)Zie de proces-stukken in het ‘procès et défense de F.V. Raspail’. Paris, Mai 1846.
4)Zie al deze stukken en de artikelen van ‘Le Réformateur’ in het boek: ‘Réformes sociales par F.V. Raspail’, Paris 1872. Over de gevangenissen pag. 257 en volgende. In het jaar 1848 redigeerde en gaf hij uit een blad ‘L'Ami du Peuple’, waarvan het eerste nummer 27 Februari 1848 verscheen.
5)Bij de arbeiders heette hij dan ook ‘le père Raspail’. Hij en Cabet waren de éénigen, die dezen naam van ‘père’ bij het volk hadden. Zie ‘Mémoires et Souvenirs de Sébastien Commissaire, ancien représentant du peuple’, 1888, tome I pag. 99. Bekend werden zijn almanakken voor 't volk, bijv. die voor 1849, met het opstel ‘La lunette du Donjon de Vincennes’; hij zat toen in de gevangenis. Hij werd meestal bij zijn mannelijk optreden voor het volk vergezeld door zijn in 1823 geboren zoon Benjamin Raspail, die in 1849 afgevaardigde was in de ‘Assemblée législative’, sinds werd verbannen, doch in 1876 en later altijd als ‘député’ zitting nam in de Kamer. Deze zoon stierf in September 1899.
1)Zie die merkwaardige rede in Emile Ollivier, ‘Lamartine’, Paris, 1874, pag. 120 en volg. Een fragment luidt aldus: ‘Les forces de pure résistance n'ont qu'une durée que l'on peut calculer à jour fixe. Tout s'émousse, mème les baïonnettes. Il faut une force d'impulsion à notre politique; il lui faut un sens social, une pensée organisatrice; il faut l'intelligence de ce que la société demande. Elle demande d'abord de la morale et de la lumière, que vous lui donnez avec trop de parcimonie dans votre système trop étroit d'instruction publique. Elle demande un système d'élection plus vaste qui, en élargissant la base politique de la société, lui donne plus d'aplomb sur elle-même et permette à toutes les classes de faire représenter leurs besoins et leurs intérêts devant la législation; elle demande des enquêtes permanentes sur nos maladies industrielles; elle demande l'allègement ou le redressement de certains impôts qui, comme l'octroi et d'autres impôts indirects, atteignent aveuglement le riche et le pauvre, et portent d'un poids plus lourd sur les classes ouvrières; elle demande que vous retiriez de l'état où ils sont une partie surabondante de vos prolétaires, en leur fournissant du travail, soit par voie d'association, soit par avances de capitaux et de terres dans les colonisations à l'intérieur ou au dehors. Ce qu'il faut au peuple, ce qu'il faut aux gouvernements, ce qu'il faut aux oppositions, c'est l'amour du peuple, c'est le zèle du bonheur des masses, c'est la charité dans nos lois; jetons-en à pleines mains; elle sera plus puissante que la force brutale’. Zie ook over hem Jules Simon, in het dagblad ‘Le Temps’ van 28 en 29 Augustus 1890, waar hij Lamartine in verband brengt met ‘le parti social’.
1)Zié over die ‘kelderwoningen’ te Rijssel ook de woorden bij Ruskin, ‘Fors Clavigera’, deel VIII, editie 1878, pag. 119 en volgende.
1)Zie coupletten van het vers ‘Les Fous’ door ons aangehaald in het tweede deel der ‘Socialisten’, pag. 70 en pag. 210. Het couplet uit de ‘Quatre Ages’ is door ons geciteerd in dit deel der ‘Socialisten’, pag. 343.
1)Pierre Dupont kwam uit een zijwevers-familie te Lyon. Zijn monument is er 29 April 1899 onthuld in den ‘Jardin des Chartreux’.
1)Wij bezitten van Boissy een bundeltje, met zijn portret in 1881 uitgegeven, getiteld: ‘Poésies Saint-Simoniennes et Phalanstériennes’. De verzen van Savinien Lapointe staan vooral in de ‘Revue indépendante’; hij was geboren in 1812 en stierf in December 1893; hij bleef schoenmaker, zooals zijn vader ook geweest was, en leefde dicht bij Sens, waar hij geboren was. Over Lachambeaudie en Vinçard zie onze ‘Studiën en Schetsen’, 1886, pag. 295. Lachambeaudie stierf, 65 jaren oud, in het jaar 1872. Hij had zich vooral gehecht aan de Saint-Simonisten. In dien kring maakten zijn fabelen zekeren opgang. In de maand Juli van het jaar 1911 heeft het stadje Mortignac in Dordogne, waar hij geboren was, een ‘buste,’ te zijner herdenking opgericht.
1)Zijn andere drama's zijn: ‘Une Révolution d'autrefois’ (1832), ‘Une Conjuration d'autrefois’ (1833), ‘Le Brigand et le Philosophe (1834)’, ‘Ango’ (1835), ‘Les deux Serruriers’ (1841), ‘Diogène’ (1846).
2)Het was eerst geschreven in het blad ‘La Réforme’, doch later afzonderlijk uitgegeven. Het droeg den titel: ‘Marie-Joseph Chénier et le prince des critiques’, 1844. Uit dien tijd dagteekent ook de schildering uit de regeering van Domitianus: ‘Les deux Martyrs’.
3)Beide boekjes kwamen in 1851 uit. Ter-zelfder tijd verschenen de ‘Deux lettres de Félix Pyat à M. de Chambord et à Barbès.’
4)Vergelijk zijn ‘Discours aux Ouvriers’ van 1867 en zijne brochure van 1869: ‘Les inassermentés’.
1)Zie ‘L'Evangile du peuple’ pag. 301 en volgende. Frankrijk bij Waterloo wordt vergeleken bij den kruisdood van Christus: ‘Un dur Cosaque au flanc la perça d'une lance’. Bekend is ook zijn ‘Histoire des Montagnards’, opnieuw uitgegeven in 1903 bij Garnier.
2)Het boek wordt nog telkens herdrukt. Wij bezitten eene uitgave van 1873.
1)Zie in de ‘Revue indépendante,’ tome IV (1842) pag. 457 en volgende.
2)Zie Louis Ulbach, ‘Lettres à Jacques Souffrant, ouvrier’ 1851, pag. 162 en volgende.
1)Men vergelijke de bladzijde, die wij op pag. 220/221 van dit deel der ‘Socialisten’ hebben aangehaald en vertaald.
2)Men vergelijke uit de brieven: ‘Correspondance de George Sand,’ editie 1883, deel I, pag. 341, 355, 369 (Lamennais); deel II, pag. 46 (Vinçard), 101, 128 (Leroux), 161 (over den ‘Compagnon du tour de France’), 197, 201, 258 (Leroux, drukker), 293, 304 (over Boussac), 306, 324 (Louis Blanc), 331, 346 (Agricol Perdiquier); deel III, pag. 99, 153 (Louis Blanc). Overigens raadplege men van haar de ‘Questions politiques et sociales’, in 1879 uitgegeven, waarin de artikelen uit den: ‘Eclaireur de l'Indre’, de ‘Lettres au peuple’ van 1848, het stuk, ‘La Guerre’ van 1859, en de meeste van hare overige pamfletten zijn opgenomen. Thans is ook gepubliceerd in de ‘Revue Bleue’ van 28 Januari en 11 Februari 1899 een: ‘Catéchisme social,’ in den vorm van brieven aan haar vriend Edouard Rodrigues, Gustave d'Eichthals schoonvader. Zij stierf 10 Juni 1876.
1)Wij citeeren slechts pag. 266 (wij gebruiken den derden druk, 1859, van de ‘Pensées, Réflexions et Maximes par Daniel Stern’): ‘Sont-ils donc vraiment atteints de démence ceux qui croient non seulement possible, mais nécessaire, une société qui assurerait au travailleur ces conditions de sécurité et de salubrité sans lesquelles son existence n'est qu'un lent et inutile martyre, où l'angoisse du jour prévoit, sans pouvoir la conjurer, la détresse du lendemain? Sont-ils insensés ceux qui demandent qu'une nation telle que la France institue pour la vieillesse et l'infirmité de ses armées industrielles des retraites honorables, sur le modèle de ce majestueux asile qu'un geste du grand roi ouvrit un jour à ses soldats invalides? Serait-il impraticable ce système d'éducation souhaité par tant de bons esprits, qui, prenant pour point de départ l'égalité civile, saurait, en des épreuves graduées, élire perpétuellement les intelligences supérieures destinées au travail de la pensée, et donner aux autres, avec les connaissances spéciales de métier et de profession des notions générales qui les rattachent à la vie commune par un lien spirituel?’
2)Zie over haar J.L. Puech in de ‘Revue de Paris’ van 1 December 1910.
3)Zie George Sand, ‘Correspondance,’ 1883, vol. II, pag. 332 (het is een brief van Januari 1845).
1)‘L'émancipation de la Femme, Ouvrage posthume de Flora Tristan,’ 1846, pag. 87.
2)Zie Flora Tristan, ‘Promenades dans Londres,’ pag. 57 en volg. (‘Filles publiques,’)
1)Zie een gunstiger oordeel over haar bij Sebastien Commissaire, ‘Mémoires et Souvenirs,’ 1888, tome I, pag. 108-110. Zie voorts Dézamy, ‘Code de la Communauté,’ pag. 60 en Pierre Leroux, ‘Grève de Samarez,’ II, pag. 44. Zij kreeg later in October 1848 te Bordeaux het onvermijdelijk gedenkteeken.
1)Wij nemen dit vers als bijlage tot ons hoofdstuk over. Zie voorts over Pauline Roland nog de ‘Correspondance de George Sand,’ deel II, pag. 281 en deel III, pag. 296. Het voornaamste over haar vindt men in Ch. Ribeyrolles, ‘Les bagnes d'Afrique’, histoire de la déportation de Décembre, Londres, Jeffs. 1853. Men leest dáár, pag. 184 en 245 en volgende, zeer schoone brieven van Pauline Roland uit hare gevangenis in Algerië; brieven, die haar karakter duidelijk doen uitkomen.
2)De jonge Duitschers, die na 1830 in Parijs kwamen, ondergingen allen die prikkelende werking: wij denken aan H. Heine, L. Börne, Karl Grün, Arnold Ruge, enz. enz.
3)Vergelijk vooral Sébastien Commissaire, ‘Mémoires et Souvenirs’, 1888, tome I, pag. 182 en 110.
4)30 October 1910 wordt een buste van Michel de Bourges te Bourges geïnaugureerd door Henri Brisson, president der Kamer.
1)Zie vooral ‘Pensées et Maximes, extraites des Oeuvres de M. Emile de Girardin par Albert Hetrel’, 1867.
2)Men zie vooral zijn ‘Histoire des Crimes du 2 Décembre’, Bruxelles, 1852 met de merkwaardige inleiding. Hij stierf in December 1893. Voor Victor Schoelcher werd 1 Juli 1904 een buste opgericht te Houilles (Seine-et-Oise); de geheele officieele wereld was daarbij; Camille Pelletan sprak.
3)Zie over hem: ‘Mémoires de Caussidière, ex-préfet de police et représentant du peuple’, Paris, 2 vol. 1849.
4)Beide brochures kwamen te Parijs bij Gustave Sandré (den uitgever van Pierre Leroux) uit. Zie over Greppo en Duvergier de Hauranne een aardige anecdote bij Jules Simon in de ‘Temps’ van 13 Januari 1891, als zij beiden, bij den staats-greep van December 1851, in dezelfde gevangenis opgesloten zijn.
5)Wij beroepen ons op de brochure van Simon Granger, ‘L'Eglise et le pouvoir’, die in 1847 verscheen.
6)Ch. Fauvety (die in Februari 1894 stierf en altijd zeer voor de vrouwen-emancipatie ijverde) en E. Barat behooren tot een later tijdperk. - Tot dit tijdperk behooren nog Henri Lecouturier, die in 1850 uitgaf zijn: ‘La cosmosophie ou le socialisme universal’; - voorts Alphonse Jobez, die in 1848 schreef ‘Une préface au socialisme’, en in 1852 ‘La femme et l'enfant ou misère entraine oppression’; - eindelijk den Belg I.B.A.M. Jobard, die in 1844 uitgaf zijn ‘Nouvelle Economie sociale ou Monautopole’.
1)Zie bijv. de woorden van Godefroy Cavaignac, in Louis Blanc, ‘Histoire de dix ans’, tome III, pag. 409.
2)Zie Corbon, ‘Le Secret du peuple’, 1863, pag. 118 Vergelijk ook de Colins, ‘Science sociale’, V pag. 489, en Proudhon, ‘Oeuvres complètes’, tome II, pag. 83. Vergelijk voorts het derde deel der ‘Socialisten’, pag. 338.
3)Zie een artikel over hem in ‘La Revue socialiste’ van Juli 1901 en verder het boek van E. Martin Saint-Léon ‘Le Compagnonnage, son histoire, ses coutumes, ses règlements, ses rites’, 1901, pg. 118 seqq. Dit boek geeft een goed overzicht van geheel het verloop van het ‘compagnonnage’ in Frankrijk tot op 1901.
1)Wij gebruiken een derden druk van 1857. Hij schreef in 1862 nog een drama: ‘Les Gavots et les Devoirants’.
1)Wij gebruiken de tweede uitgave, Parijs 1844.
1)Zie Jules Simon, in de ‘Temps’ van 9 April 1890. Vergelijk ook de meening van Victor Aimé Huber, in onze ‘Studiën op sociaal gebied’, 1877, pag. 107. Denk ook aan de brieven van Louis Napoleon, gevangene te Ham, aan George Sand, brieven die door den ‘Figaro’ van 5 April 1897 zijn bekend geworden. ‘Je désire - leest men in den brief van 24 Januari 1845 - un gouvernement qui s'occupe du bien-être du plus grand nombre’. D'Haussonville zegt in den ‘Figaro’ van 6 September 1910 te-recht over Napoleon III: ‘Ce n'était pas un homme de génie, tant s'en faut. C'était un doux rêveur dans le cerveau embrumé duquel se livraient bataille des vues politiques parfois sagaces, des instincts souvent généreux, des songes humanitaires et des rêveries internatonales.’
prepostterug  begin  verder