Het had den schijn, alsof de ontwikkeling van het socialisme, zooals het in Frankrijk na 1830 in allerlei stelsels en verschijnselen zich openbaarde, tot zekere afronding zou komen. Al de richtingen, die wij achteréénvolgens hebben behandeld - die der Saint-Simonisten, der Fourieristen, der communisten, der religieuse socialisten, der staats-socialisten, der collectivisten, en soms zelfs dergenen, bij wie het socialisme meer stemming dan stelsel was - schenen éénzelfden koers aan te nemen. Allen waren het er over ééns, dat de individualistische wijze van arbeiden en van huishouden onzer maatschappij, waarbij ieder voor-zich in concurrentie en wedstrijd tegen de anderen zijn stelling zocht te veroveren en te behouden, plaats moest maken voor een gezamenlijke in gang stelling der productie en gezamenlijke ordening der samenleving, met dien verstande, dat het gemeenschappelijk verkregen product weder op gemeenschappelijke wijze aan allen ten-goede kwam. Het zou dus altijd uitloopen op een strenge organisatie der maatschappij. Er zou een stevige maatschappelijke éénheid zijn. Een leiding, in één vaste hand geplaatst, zou alles besturen. De voorwaarden der welvaart van een volk zouden als het ware een gareel wezen, waarin een ieder werd opgenomen en waardoor ieders beweging werd gericht en gesteund. Naar dergelijk een doel streefden de pogingen van de meeste socialisten. Zij schenen rustig, bedaard, zonder ongeduld, gelijkmatig voort te spinnen aan de draden van dit netwerk, dat weldra, volgens hen, de samenleving zou bedekken en binden....
Toen echter weêrklonk eensklaps, uit het eigen kamp der Fransche socialisten, plotseling een geweldige en felle interruptie, een luid en doordringend ‘neen’.
Het was de stem van Proudhon. - Hij oordeelde, dat de Fransche socialisten zich illusiën maakten, wanneer zij dachten, dat zij de verschillende deelen van hun ideeën-kring reeds in behoorlijk verband hadden kunnen brengen. Doch tevens was hij vast overtuigd, dat die socialisten, terwijl zij zeer krachtig en goed de
denkbeelden en uitingen der ‘économie politique’ bestreden, op weg waren een gansch andere tirannie te stellen in de plaats der bestaande. De vrijheid liep bij hen gevaar. Hij achtte het dus zijn dure plicht hen te-recht te wijzen. Aan den éénen kant verweet hij zijn partijgenooten hun naïefheid en halfheid; aan den anderen kant brandmerkte hij hun miskenning en onderdrukking der persoonlijke, individueele vrijheid. Op dit laatste punt nam hij zonder zich van zijn voorganger bewust te zijn, de lijn op, weleer door Godwin aangegeven. Hij kwam tot Frankrijk met de leuze der Anarchie.
In dien geest - de vrijheid van het individu boven alles stellend - sprak en schreef hij een hard protest tegen zijn medestanders: de socialisten zijner dagen. Voor die socialisten werd hij de man, die altijd ontkende. Hij werd in hun oog de belichaamde negatie, een ware ‘dissolvans’. Zijn snijdende dialectiek liet hen geen rust. Hij schudde al die socialistische constructies door elkander. ‘Wat ik 't meest op aarde haat, na de opzettelijke leugen, is de deftige onzin’, zoo liet hij zich uit1). En dien deftigen onzin, ‘l'amphigouri’, heeft hij dan ook ten-bloede toe vervolgd. Tartend, een frons tusschen de oogen, zag hij zijn bondgenooten en tegenstanders aan. Zijn spot was altijd raak. Zijn kritiek ging zoo radicaal mogelijk te-werk. Geen atoom van mystiek stak er in dien man. Hij liet aan de logica van zijn verstand vrije vaart. Doch bij al zijn redeneerende dialectiek is hij toch te-gelijk zulk een verbazende realist. Hij blijft met zijn forsche gestalte op aarde staan. Hij stampt op den grond, snuift de frissche lucht op, en het bloed vloeit hem bruisend door de aderen. Hij wil den mensch niet veranderen, maar neemt hem zooals hij is. Hij wil hem geen instellingen doen opleggen door maatschappij of Staat, maar wenscht het gansche menschelijk verkeer in beweging te doen brengen door de overeenkomst van individu tot individu, waaruit wederkeerige rechten en plichten voortvloeien. Zelf is hij bij zijn omvattend streven volkomen in evenwicht, gezond naar lichaam en ziel, rein van zeden. De koortsachtige zenuwachtigheid van zijn tijdgenooten deelt hij niet. Van artisten is hij geen vriend. Hij komt dan ook uit de rangen van de mindere volks-klasse: geen fijne, tengere geleerde, maar een boersche, stevige, soms wat barsche autodidact. Vroolijk doet hij zijn werk; en hard werk is het, want meer dan dertig deelen zijn door hem volgeschreven in een niet te lang leven van 56 jaren. In alle opzichten een eerlijk man, die zich-zelven nooit zoekt, en nooit offert aan de goden van den dag. Hij is arm, doch draagt op stoïcijnsche wijze zijn armoede, zonder er over te klagen of zelfs van te gewagen. Van het begrip van ‘chariteit’ wil hij niets weten voor de samenleving. Als doel van al zijn streven, stelt hij slechts dit ééne: ‘rechtvaardigheid’ te doen eerbiedigen op aarde2). De éénige vraag, die hij bij alles
doet is deze: hoe rechtvaardigt zich dit of dat verschijnsel, en rechtvaardigheid wordt dan door hem veréénzelvigd met gelijkheid.
Zóó stond hij omstreeks 1840 als schrijver in Frankrijk op. Zijn stoere individualiteit, zijn oorspronkelijkheid maakte weldra een scherpen indruk, vooral daar zijn stijl die der beste schrijvers van Frankrijk was. Men poogde hem in een klasse van auteurs te rangschikken. De economisten dier dagen deelden hem dadelijk in bij een zoogenaamd ‘kritisch’ socialisme. De socialisten spraken van hun kant van de ‘individualistische reactie’ van Proudhon, en verweten hem niet anders te zijn dan het ‘enfant terrible’ van het economisme1). Doch hij bleef éénig, singulier in zijn opvatting. Hij-zelf noemde zich: ‘sentinelle perdue du prolétariat’2). Eén ding was zeker. Hij brak den geregelden loop der socialistische strooming. Zijn optreden bedoelde op zich-zelf iets geheel anders dan de eischen van het in zijn tijd gangbare socialisme. Hij wilde het huis zijner kameraden zuiveren van de spinnewebben der muffe stelsels. Krachtig en gespierd nam hij den bezem ter-hand, om de rommel-kamer van een reeds verouderend socialisme te vegen, en met zijn zwaaiende rukken joeg hij allerlei uitvaagsel van wolkend stof uit de wijd opengezette vensters.