terug  begin  verderprepost

I.

Hij zag 15 Januari 1809 te Besançon in de Franche-Comté, ook de geboorteplaats van Fourier, het levenslicht: in de oostelijke grens-provincie, niet vèr van Zwitserland. Gaarne noemde hij zich later een zoon uit de bergen van de Jura3). Zijn ouders behoorden tot de lagere klasse van het volk. Zijn vader was knecht in de bierbrouwerij van den heer Renaud, en zijn moeder was meid in diezelfde brouwerij. De moeder - Catherine Tournesi - was een sterke, aardige, brave vrouw, zij was een dochter van een soldaat en niet weinig trotsch op al wat die soldaat had bedreven. Zij wist haar zoon snedige anecdoten te vertellen van zijn grootvader, die niet altijd op den besten voet met de pastoors stond4).

[p. 506]

De brouwerij van den heer Renaud werd in 1814 door de geallieerden plat geschoten, en de ouders van Proudhon verloren dus hun kostwinning. Toen begon de vader een kleine kuiperij. Hij was een vroolijke, wat losse man, die niet veel wist en te schielijk zijn vrienden opzocht, doch de moeder - al kon zij kwalijk lezen of schrijven - was flink en hield het huishouden bij elkander. De vader stierf 22 October 18461), de moeder later in Januari 18482). Doch aandoenlijk is het op te merken, welk een brave zoon onze Proudhon voor die ouders was. Als hij later een man, een revolutionnair van beteekenis, geworden is, moeten zijn vrienden soms zacht en fluisterend op zijn kamer komen, want zijn moeder slaapt, en hij is bezig de vliegen van haar gezicht weg te jagen.

De opvoeding, die de ouders hem gaven, was zooals Gods water over Gods akker valt. Hij was de oudste van vijf kinderen, en hielp tot zijn twaalfde jaar in huis, of verdiende eenige stuivers met vee voor de boeren te hoeden. Op die zwerftochten met de ossen en de koeien, in het lange gras, langs den zoom van bergen, of op de vlakte, deed hij de liefde voor de natuur op, die van tijd tot tijd schittert in zijn boeken. Hij heeft bladzijden geschreven, die aan Rabelais en aan Zola doen denken, en die tot het allersappigst Fransch behooren wat onze eeuw heeft voortgebracht. De bladzijden zijn even frisch, even vochtig, even weelderig, even natuurlijk als de natuur die zij beschrijven. Proudhon dacht dan aan de tochten, die hij, als opgroeiende jongen, met zijn koeien deed3).

[p. 507]

Toen hij twaalf jaren oud was, zou hij in de wijn-kelders gaan werken, zijn vader helpen bij het kuipen. Maar de moeder had opgemerkt, dat de jongen wat wist, en zij ging dus naar haar vroegeren patroon, mijnheer Renaud, en vroeg hem ondersteuning. Deze hielp, en Proudhon kwam zóó op de Latijnsche school te Besançon. Hij was een koppig kind, doch ook koppig, hardnekkig in het werk. Dikwijls moest hij de lessen missen, als hij thuis moest bij-springen, doch hij haalde het verzuimde spoedig in. Zijn ouders hadden het zoo zuinig, dat hij geen enkel boek kon koopen. Hij moest ze dus leenen van zijn kameraden, en ze afschrijven. Doch op het einde van den cursus kwam hij met alle prijzen thuis. Er was juist dien dag niet veel eten: het was een dure, harde tijd. Op die wijze leerde hij Latijn en Grieksch. Toen hij wat ouder werd, behoefde hij de boeken niet meer af te schrijven, maar kon ze leenen van de stadsbibliotheek. Hij leende toen, zooals hij mocht, van alles. De bibliothecaris, Weiss, een bekende naam, gaf hem dan die boeken, doch vroeg hem eens: ‘Maar mijn jonge vriend, wat moet ge toch doen met al die boeken?’ - ‘Wat raakt u dat?’ is het antwoord. Proudhon is nog altijd hoofdig, en in zijn manieren onvriendelijk, stug, kort-af.

Op zijn achttiende jaar moest dat studie-leven een einde hebben. Hij moest zijn kost gaan verdienen. Bij het rondzien naar een beroep, trok zijn hart hem naar hen, die de boeken drukten. Hij werd, even als een Pierre Leroux, letterzetter, typograaf, en wel in de drukkerij der heeren Gauthier en Co. te Besançon. Weldra was hij bekend als een knap werkman en goed corrector. Hij zette de Latijnsche juridische boeken van Voet en Vinnius; ook ‘Le nouveau monde industriel’ van Fourier, doch het meest zette hij godgeleerde boeken, omdat het huis Gauthier en Co. vooral in theologie deed. Was het werk op de drukkerij gedaan, dan nam hij drukproeven mede, die hij mocht behouden, en zat dan, met zijn ellebogen op tafel, met zijn handen in 't haar, die vellen te

[p. 508]

overdenken. Zóó peinsde hij over de Vulgata, zóó werkte hij in de Kerkvaders. Om den bijbel goed te verstaan leerde hij Hebreeuwsch. Zij, die later zich zoo dikwijls over het feit verwonderden, dat Proudhon zooveel bijbelsche zin-wendingen en beelden in zijn stijl gebruikte, hebben er niet aan gedacht, dat dit een overblijfsel was uit zijn typografen-tijd.

Als typograaf deed hij ook zijn ‘tour de France’. De reizende gezel bezocht vooral het Zuiden van Frankrijk. Zijn ‘livret’ wordt nog altijd bewaard. Zóó kwam hij ook in den zomer van 1832 te Toulon. Hij had te Lyon en te Marseille vertoefd, maar nergens vast werk gevonden. Zijn bezitting was tot 3 francs 50 centimes geslonken, en de nood kwam aan den man. Maar te Toulon was ook geen werk. Toen - hij was 23 jaar en de vroolijkheid-zelve - had hij dat vermakelijk gehoor bij den burgemeester, dien hij sommeerde hem werk te geven. Hij was, bij dat optreden, reeds flink in de rol van het proletariaat tegenover den dienaar dier Juli-monarchie, welke de revolutie van 1830 ten eigen bate had weggegoocheld, en nu van volkswenschen niets meer wenschte te hooren1). De burgemeester gaf geen werk en Proudhon moest

[p. 509]

op zich-zelf blijven vertrouwen. Hij kwam weêr terug te Besançon in de drukkerij der Gauthiers, en droeg het plan in zijn hoofd, om zelf ook iets te schrijven. - Aldus bewerkte hij, 28 jaar oud, in 1837, zijn eerste geschrift. Het was een toevoegsel tot een ander boek. De abbé Bergier gaf namelijk een herdruk uit van zijn ‘Eléments primitifs des langues, découverts par la comparaison des racines de l'hébreu avec celles du grec, du latin et du français.’ Dit waren ook de talen, die Proudhon kende. Hij voegde er nu aan toe, anoniem, met verlof van den abbé, een ‘Essai de grammaire générale.’ Doch dit geschrift beteekende natuurlijk niet veel. Het was in Europa de tijd van de Bopps en der Grimms, en Proudhon stond niet op de hoogte van die taalkenners. Er staat hier en dáár een fraaie volzin in, voorts is het geheel bijbelsch gesteld, doch de studie der taal wordt er niet door vooruitgebracht. Later wilde hij er niets meer van weten, en toen het in 1850 werd herdrukt, was dit zeer tegen zijn wil.1)

Eens opgetreden als schrijver wilde hij wel op dien weg voortgaan. Hij had de drukkerij der heeren Gauthier verlaten, en met een ‘associé’ (Lambert) een eigen drukkerijtje opgezet. Dit gaf echter niet veel. Juist had echter de Academie te Besançon een beurs te begeven. Om de drie jaren kon zij aan den knapsten jongen man der provincie een jaargeld van 1500 francs toeleggen. Dit heette ‘la pension Suard,’ naar den man, te wiens eere die beurs was ingesteld.2) Proudhon dong er naar. Er was veel oppositie tegen zijn candidatuur. Hij was zoo zonderling zelfstandig; hij liet zich zoo voorstaan op zijn afkomst uit den arbeiders-stand. De vraag kon zelfs worden geopperd, of hij wel waarlijk godsdienstig was. Dus waren er allerlei bezwaren. Doch het viel niet te loochenen, dat hij tot de zeer knappe jonge menschen uit Besançon behoorde; hij werd dus den 22sten Augustus 1838 met de beurs begiftigd.

Hij was 29 jaren oud en voor drie jaren zonder zorg. Die 1500 francs per jaar waren voor hem een ongekende weelde. Hij was de wereld te rijk. Hij toog naar Parijs, om dáár vooral in de bibliotheek van het Instituut te gaan werken. En hij werkte er met verwoede vlijt; eerst aan literarische studiën. Wij kunnen,

[p. 510]

als wij willen, zulke aardige blikken in dien tijd van Proudhon werpen, wanneer wij in zijn brieven bladeren. Zijn boezemvrienden dier dagen waren twee Elzassers, die beiden redelijk figuur in de wereld hebben gemaakt, te weten: Ackermann en Bergmann. - De eerste is vooral bekend geworden door de sombere poëzie van zijn vrouw. Hij was een goed Fransch literator en ging, met aanbevelingen van Alexander von Humboldt, later in 1840 naar Berlijn, waar hij bij de uitgave der werken van Frederik den Grooten behulpzaam was. Hij stierf jong in 18461). De tweede, Bergmann, werd professor der filologie te Straatsburg. Hij schreef boeken over de Scandinavische literatuur. In 1866 kreeg hij moeielijkheden met de clericalen over de uitgave der ‘Evangiles annotés par Proudhon,’ welke editie hij had nagezien en bezorgd. Later opteerde hij (wellicht wegens dat voorval) voor Duitschland; hij stierf in 1887. - Welnu, de briefwisseling met die beide vrienden is vol aardige incidenten uit het studie-leven van Proudhon te Parijs in de jaren 1838 en 1839. Zij schrijven elkander lange brieven, doch niet veel. Want de post is voor hen duur. ‘Als ik eens rijk word - zegt Proudhon - schrijf ik u alle dagen franco.’ - Van Parijs keerde hij weder naar Besançon, vooreerst om beter de zorgen voor zijn eigen drukkerij te behartigen - welke drukkerszaak zeer onvoordeelige zaken maakte - en ten andere, omdat hij aan een stuk bezig was, dat hij te Besançon moest indienen. Dit stuk was een antwoord op een prijsvraag, door de Academie van Besançon uitgeschreven, en is zijn eerste geschrift van beteekenis geweest.

 

Het is 't boekje over de Zondags-viering (‘De la célébration du Dimanche’) in 1839 uitgegeven.

Het is zijn eerste sociaal of, wil men, socialistisch geschrift. Want het onderwerp werd geheel en al uit 't oogpunt der maatschappij en der maatschappelijke verhoudingen behandeld. Het boekje zette uit-één de theorie der maatschappelijke rust. In engeren zin is het geschrift haast een lofrede op Mozes en op de Israëlietische instelling van den sabbat. Maar een zeer eigenaardige lofrede. Het vraagstuk wordt van vier kanten bekeken: uit het standpunt van Staat of maatschappij, uit dat van het huisgezin, uit dat der zedelijkheid, en uit dat der gezondheid. En al de gezichts-punten, die men zoodoende op vierderlei wijze verkrijgt, moeten aantoonen, hoe de instelling van den sabbat de uiting was van de gedachte, om een beginsel van gelijkheid onder de menschen te bevorderen. Achter elkander worden nu die vier rubrieken toegelicht. - Eerst komt aan de orde het doel, dat Mozes door de sabbats-instelling beoogde voor Staat en maatschappij. De sabbat was in dit opzicht een tastbaar en zichtbaar vereenigingspunt, een symbool voor 't volk, voor de vaders en de kinderen. Men vierde dàn de verlossing uit Egypte. Alle bedrijven stonden stil, de tekst der wet werd her-

[p. 511]

dacht en uitgelegd, onderwijs in dit alles werd gegeven. Men voelde op zulk een sabbat, dat men te-zamen van één geslacht was. Dit is, volgens Proudhon, nog altijd het geval in de Fransche dorpen, niet meer in de steden, maar de dorpen hebben het hier aan 't rechte eind1). - Die sabbat gaf nu een plooi aan het huisgezin. Er stond geschreven; ‘gij zult op dien dag niet werken.’ Maar dit gebod gold evenzeer voor de vrouw, voor den dienstknecht, voor den os en den ezel. De dienstboden waren op dien dag vrij en gelijk aan de meesters. De vrouw en de dochters konden zich op dien dag gelukkig gevoelen. Ieder mensch mocht zich zijn adel dien dag bewust zijn, en het gevoel van een menschwaardig lot hebben, zooals thans nog op onze dorpen2). In dien kring van het huishouden had Mozes vooral tegen ééne zaak te

[p. 512]

strijden gehad, te weten: tegen de hebzucht, het jagen om steeds rijker te worden. Daarom gaf hij de wijding aan de rust. Daarom verordende hij hier voor allen gelijkheid van levens-voorwaarden. Hij deinsde hier niet terug voor de meest absolute consequentiën. De instelling van het jubeljaar, waarin alle landerijen op-nieuw moesten worden verdeeld, was slechts een toepassing van dit beginsel. De eigendom werd overal ingetoomd. De ware gelijkheid - die Christus ook in zijn parabel van de arbeiders in den wijngaard ontvouwde - werd voorgeschreven. Het gebod: gij zult niet stelen, had eigenlijk in het wezen der zaak deze beteekenis: gij zult niets voor u zelven wegleggen.1) De priester moest voor het handhaven van dit gebod zorgen en waken. - De Zondags-viering wordt daarna door Proudhon nagegaan uit de oogpunten der zedenleer en der gezondheidsleer. Wat het eerste betreft, de mensch komt op den rustdag tot inkeer van zich-zelf. Hij kan stille zijn. In die stilte en afzondering, vèr van het gedruisch en het geraas van het op andere dagen zoo bedrijvig leven, kan hij dieper nadenken, hooger zijn gedachte laten rijzen. De gegoeden en rijken der aarde waardeeren dit niet. Zij kunnen, als zij willen, altijd zich afzonderen: zij hebben geen eigenlijken Zondag meer, maar het volk, het lagere volk, heeft behoefte aan zijn Zondag. Voor hen, die dagelijks sloven, is die rustdag een uitkomst, een dag geheel anders dan de andere dagen van de week. - Ook voor de hygiëne werkte de sabbats-instelling uitstekend. Ter-wille van dien sabbat werd, ten-minste éénmaal in de week, het lichaam en vooral de woning op zorgvuldigste wijze gereinigd. Er kwam regelmaat en vastheid in dit schoonmaken van alles wat den mensch omgeeft. Het werd een vaste gewoonte. - Inderdaad is, volgens Proudhon, dit wel het opmerkelijkste van die instelling van Mozes, dat hij de gelijkheid van condities, die hij op deze wijze bevorderde, als iets instinctiefs, als iets onopzettelijks, als iets zeer gewoons wenschte te doen opvolgen en in stand te houden.

[p. 513]

Hoe meer men de geheele wetgeving van Mozes bestudeert, des te grooter wordt steeds onze bewondering voor hem. Hij is in waarheid de groote hervormer geweest. Wanneer zal eens in ons midden ook een maatschappelijk hervormer met een vast programma optreden? Dit programma1) moet ook de zaak van den eigendom regelen, want rijkdom en armoede nemen toe, en als men niets doet zal de strijd tusschen beide komen. Is de tijd der hervormers voorbij, welaan dan moet de maatschappij zelve de handen aan het werk slaan en het sociale probleem oplossen.

Dit nu was het antwoord, dat hij op de prijsvraag der Academie van Besançon indiende. Het was in alle opzichten buitengewoon. Een loffelijke vermelding kon men op zijn minst daaraan niet onthouden. Maar een prijs? Goede hemel, hoe waren de brave, deftige leden der Academie opgeschrikt door dergelijke sociale theorieën! En dan te denken dat de jonge man, die zoo iets schreef, die op deze wijze met vuur speelde, de jeugdige stadgenoot was, aan wien men nog wel een beurs had gegeven! De haren rezen te-berge bij die zinsneden over eigendom, gelijkheid en sociale reorganisatie. Men zou dan ook meer dan vroeger gaan toetsen of Proudhon wel al de verplichtingen nakwam, die het hebben van de beurs hem oplegde. Men had den economist Droz te Parijs reeds gevraagd, eens wat scherper toezicht namens de Academie op de studiën van Proudhon te houden. Hemel en aarde! Die bange, voorzichtige, langzame Droz ergerde onzen jongen berg-bewoner onuitsprekelijk, toen hij weder naar Parijs was gegaan. Het kookte in zijn hoofd en in zijn brein. Hij zou eindelijk eens rond-uit gaan zeggen, waar het dan met de maatschappij op stond.

3)Zie Proudhon, Oeuvres complètes, tome II, pag. 2. Voorts ‘Mémoires sur ma vie’ in de ‘Revue socialiste’ van Augustus 1904, en Bernstein ‘Documente des Socialismus’, Mei 1905, p. 225.
4)Zie de pittige bladzijden bij Proudhon, ‘De la Justice dans la Révolution et dans l'Eglise’. Eerste editie, 1858, tome I, pag. 465, 471/472.
1)Zie dien dood aandoenlijk beschreven in Proudhon ‘De la Justice’, enz., tome II, pag. 134/135; zie over dien vader ook ‘De la Justice’, tome I, pag. 201/202.
2)Zie ‘Correspondance de Proudhon’, 1875, tome II, pag. 275.
3)Zie de bladzijden in ‘De la Justice, etc.’, tome II, pag. 90-93 ‘Quel plaisir autrefois de me rouler dans les hautes herbes, que j'aurais voulu brouter, comme mes vaches; de courir pieds nus sur les sentiers unis, le long des haies; d'enfoncer mes jambes, en rechaussant (rebinant) les verts turquies, dans la terre profonde et fraiche! Plus d'une fois, par les chaudes matinées de juin, il m'est arrivé de quitter mes habits, et de prendre sur la pelouse un bain de rosée. A peine si je distinguais alors moi du non-moi. Moi, c'etait tout ce que je pouvais toucher de la main, atteindre du regard, et qui m' était bon à quelque chose; non-moi était tout ce qui pouvait nuire ou résister à moi. L'idée de ma personnalité se confondait dans ma tête avec celle de mon bien-être, et je n'avais garde d'aller chercher là-dessous la substance inétendue et immatérielle. Tout le jour je me remplissais de mûres, de raiponces, de salsifis des près, de pois verts, de graines de pavots, d'épis de maïs grillés, de baies de toutes sortes, prunelles, blessons, alises, merises, églantines, lambrusques, fruits sauvages; je me gorgeais d'une masse de crudités à faire crever un petit bourgeois élevé gentiment, et qui ne produisaient d'autre effet sur mon estomac que de me donner le soir un formidable appétit. L'alme nature ne fait mal à ceux qui lui appartiennent. - Que d'ondées j'ai essuyées! que de fois, trempé jusqu'aux os, j'ai sèché mes habits sur mon corps, à la bise ou au soleil! Que de bains pris à toute heure, l'été dans la rivière, l'hiver dans les sources! Je grimpais sur les arbres; je me fourrais dans les cavernes; j'attrapais les grenouilles à la course, les écrevisses dans leurs trous, au risque de rencontrer une affreuse salamandre; puis je faisais sans désemparer griller ma chasse sur les charbons. Il y a, de l'homme à la bête, à tout ce qui existe, des sympathies et des haines secrètes dont la civilisation ôte le sentiment. J'aimais mes vaches, mais d'une affection inégale; j'avais des préférences pour une poule, pour un arbre, pour un rocher. On m'avait dit que le lézard est ami de l'homme, et je le croyais sincèrement. Mais j'ai toujours fait rude guerre aux serpents, aux crapauds et aux chenilles. - Que m'avaientils fait? Nulle offense. Je ne sais; mais l'expérience des humains me les a fait détester toujours davantage.’ - Zie ook den lof, dien Sainte-Beuve, ‘Nouveaux Lundis’, III, pag. 160, aan dit Fransch geeft.
1)Zie Proudhon, ‘De la Justice dans la Révolution, etc.’, tome II, pag. 254-256: ‘Celui à qui je m'adressais était un petit homme, rondelet, grassouillet, satisfait, portant des lunettes à branches d'or, et qui certes n'était pas préparé à cette mise en demeure. J'ai pris note de son nom, j'aime à connaître ceux que j'aime. C'était un M. Guieu, dit Tripette ou Tripatte, ancien avoué, homme nouveau, découvert par la dynastie de juillet, et qui, quoique riche, ne dédaignait pas une bourse de collège pour ses enfants. Il dut me prendre pour un échappé de l'insurrection qui venait d'agiter Paris à l'enterrement du général. - Monsieur, me dit-il en sautillant dans son fauteuil, votre réclamation est insolite, et vous interprétez mal votre passe-port. Il veut dire que, si l'on vous attaque, si l'on vous vole, l'autorité prendra votre défense: voilà tout. - Pardon, monsieur le maire; la loi, en France, protège tout le monde. même, les coupables qu'elle réprime. Le gendarme n'a pas le droit de frapper l'assassin qu'il empoigne, hors le cas de légitime défense. Si un homme est mis en prison, le directeur ne peut s'approprier ses effets. Le passeport, ainsi que le livret, car je suis muni de l'un et de l'autre, implique pour l'ouvrier quelque chose de plus, ou il ne signifie rien. - Monsieur, je vais vous faire délivrer 15 centimes par lieue pour retourner dans votre pays. C'est tout ce que je puis faire pour vous. Mes attributions ne s'étendent pas plus loin. - Ceci, monsieur le maire, est de l'aumône, et je n'en veux pas. Puis, quand je serai au pays, où je viens d'appendre qu'il n'y a rien à faire, j'irai trouver le maire de ma commune comme je viens aujourd'hui vous trouver; en sorte que mon retour aura coûté 18 fr. à l'Etat, sans utilité pour personne. - Monsieur, cela ne rentre pas dans mes attributions.... Il ne sortait pas de là. Repoussé avec perte sur le terrain de la légalité, je voulus essayer d'une autre corde. Peut-être, me dis-je, l'homme vaut-il mieux que le fonctionnaire: air placide, figure chrétienne, moins la mortification: mais les mieux nourris sont encore les meilleurs. - Monsieur, repris-je, puisque vos attributions ne vous permettent pas de faire droit à ma requête, donnez-moi un conseil. Je puis au besoin me rendre utile ailleurs que dans une imprimerie, et je ne répugne à rien. Vous connaissez la localité: qu'y a-t-il à faire? que me conseillez-vous? - Monsieur, de vous retirer. Je toisai le personnage. Le sang du vieux Tournési me montait au cerveau. - C'est bien, monsieur le maire, lui dis-je les dents serrées; je vous promets de me souvenir de cette audience. Et quittant l'hôtel de ville, je sortis de Toulon par la porte d'Italie.’
1)Zie Proudhon, ‘De la Justice’, etc., tome II, pag. 324.
2)Zie over de ‘pension Suard’, Langlois in de voorrede van de briefwisseling van Proudhon, ‘Correspondance’, tome I, pag. XIX.
1)Zie over Ackermann vooral Sainte-Beuve, ‘P.J. Proudhon, sa vie et sa correspondance,’ 1873, pag. 238-241.
1)Zie Proudhon, ‘De la célébration du Dimanche’, in de ‘Oeuvres complètes’, tome II, pag. 133/134: ‘Le dimanche, dans les villes, n'est guère qu'un jour de fériation sans motif et sans but, une occasion de parade pour les enfants et les femmes, de consommation pour les restaurateurs et marchands de vin, de fainéantise dégradante, et de surcroit de débauche. - Dans les campagnes, où le peuple cède plus facilement au sentiment religieux, le dimanche conserve encore quelque chose de son influence sociale. L'aspect d'une population rustique réunie comme une seule famille à la voix du pasteur, et prosternée dans le silence et le recueillement devant la majesté invisible de Dieu, est touchant et sublime. Le charme opère sur le coeur du paysan; le dimanche, il est plus bienveillant, plus aimant, plus affable: il est sensible à l'honneur de son village, il en est fier; il s'identifie davantage avec l'intérêt de sa commune’.
2)Zie Proudhon, ‘De la célébration du Dimanche’, ‘Oeuvres’, tome II, pag. 139: ‘Le dimanche est le jour de triomphe des filles et des mères. Brillante de santé et de jeunesse, belle du témoignage de sa conscience, reconnue à la messe paroissiale entre toutes ses compagnes, quelle villageoise, une fois dans sa vie, ne s'est crue la plus aimable, la plus diligente, ou la plus sage? Quelle femme, au jour du dimanche, ne donne à son ménage un certain air de fête et même de luxe, et ne reçoit plus volontiers et d'une humeur plus caressante les amis de son époux?... La joie du dimanche se répand sur tout; les douleurs, plus solennelles, sont moins poignantes; les regrets, moins amers; le coeur malade trouve une douceur inconnue à ses cuisantes peines. Les sentiments se relèvent et s'épurent; les époux ont retrouvé une tendresse vive et respectueuse, l'amour maternel ses enchantements; la piété des fils s'incline avec plus de docilité sous la tendre sollicitude des mères. Le domestique, ce meuble à figure humaine, ennemi né de celui qui le paye, se sent plus dévoué et plus fidèle; le maitre plus bienveillant et moins dur; le paysan et l'ouvrier, que tourmente un vague soupçon d'égalité, sont plus contents de leur sort. Dans toutes les conditions l'homme ressaisit sa dignité, et dans l'infini de ses affections, il reconnait que sa noblesse est trop haute, pour que la distinction des rangs puisse la dégrader et l'avilir’.
1)Zie Proudhon, ‘De la célébration du Dimanche’, ‘Oeuvres’, tome II, pag. 149: ‘L'égalité des conditions est conforme à la raison et irréfragable en droit, elle est dans l'esprit du christïanisme, elle est le but de la société; la l'égislation de Moïse prouve que ce but peut être atteint. Ce dogme sublime, si effrayant de nos jours, a sa racine dans les profondeurs les plus intimes de la conscience, où il se confond avec la notion même du juste et du droit. Tu ne voleras pas, dit le Décalogue, c'est-à-dire, selon l'énergie du terme original, tu ne détourneras rien, tu ne mettras rien de côté pour toi. L'expression est générique comme l'idée même: elle proscrit non seulement le vol commis avec violence et par la ruse, l'escroquerie et le brigandage mais encore toute espèce de gain obtenu sur les autres sans leur plein acquiescement. Elle implique, en un mot, que toute infraction à l'égalité de partage, toute prime arbitrairement demandée, et tyranniquement perçue, soit dans l'échange, soit sur le travail d'autrui, est une violation de la justice communicative, est une concussion’.
1)Zie Proudhon, ‘De la célébration du Dimanche,’ Oeuvres, tome II, pag. 189. De regelen van zulk een programma zouden zijn: ‘Le crime est imputable, la satisfaction nécessaire, la peine juste et légitime. - Le travail est obligatoire, la propiété n'est qu'usufruit, l'hérédité un mode de conservation des partages; la liberté est équilibre; l'inégalité de nature s'affaiblit par l'éducation, et s'efface par l'égalité des fortunes. - Le mariage est exclusif et saint; toute fornication est un délit contre nature, contre les personnes et contre la société. - La raison surveille les sens; la conscience impose un frein aux passions animales. Jouir n'est pas la fin de l'homme mortel; mais cultiver son âme et contempler les oeuvres de Dieu. - Le mensonge est l'assassinat de l'intelligence; le serment est inviolable, - La loi n'est l'expression ni d'une volonté unique, ni d'une volonté générale; elle est le rapport naturel des choses, découvert et appliqué par la raison. - La sanction de la loi est en Dieu qui l'a donnée.’
prepostterug  begin  verder