Het Communistisch Manifest van Marx en Engels, dat in het begin van Februari 1848, eenige weken vóór het uitbreken der revolutie, openbaar werd gemaakt, is nu de samenvatting der eischen, die het meest consequente deel der verschillende socialisten van het tijdvak tusschen de jaren 1830 en 1850 in hun brein had verwerkt. Hier werd aan de hand der geschiedenis een voorstelling gegeven der richting, die de socialisten moesten opgaan, voor zoover zij een goed aanééngesloten associatie, met leiding en bestuur volgens vaste regels, kortom voor zoover zij ‘organisatie der gemeenschap’ en doorvoering van 't begrip van het collectieve wilden in het leven roepen.
Aan het einde van ons tweede deel, de geschiedenis behelzende van het socialisme gedurende de eerste dertig jaren der negentiende eeuw, poogden wij, zooals onze lezers zich zullen herinneren, in het laatste hoofdstuk, een programma te leveren van het socialisme omstreeks het jaar 1830. Wij omschreven dit programma als een ‘verklaring der rechten van den mensch’, en somden twaalf van zulke hypothetische rechten op. Het zal onzen lezers toen niet ontgaan zijn, hoe vaag en nevelachtig de meeste van die te vindiceeren rechten waren. Het programma was meer een samenstel van wenschen en verlangens, dan van dadelijke en scherpe eischen. Maar de twintig jaren, die voorbij waren gegaan, hadden vrucht gedragen. De lijnen konden thans scherp getrokken worden. Men wist wat men wilde. Men verstond, dat het moest komen tot een emancipatie van de arbeiders door de economische vervorming en gedaante-wisseling der productie-zelve.1).
Het waren de Duitschers, die ditmaal een programma opmaakten, logisch en goed in elkander sluitend. Iets wat zich uit het oogpunt van het socialisme kon aanbieden als een ‘vrucht der tijden’. Franschen en Engelschen waren telken keer te-kort geschoten. Zij voegden nog steeds hypothesen en illusiën te-zamen. De Franschen vooral waren bezig alle mogelijke denkbeelden omtrent sociale orde door elkander te warren. Zij vervormden het terrein van het socialisme haast tot een zaaiveld van allerlei door hen uit te strooien somwijlen raadselachtige korrels, welker uitbotting allereerst henzelven zou verrassen. Zelven geraakten zij in de grootste verlegenheid, toen de revolutie in 1848 hen voor het feit zette, de maatschappij op stel en sprong te verbeteren. Toen was het, dat, naar de uitdrukking van Proudhon, de groote maskerade de straat opging1). Al de leiders der Fransche socialisten werden op de banken der Nationale vergadering geplaatst. Zij hadden het maar voor het zeggen. Lamennais, Buchez, Louis Blanc, Proudhon, Victor Considerant, Agricol Perdiguier, Thoré zaten naast elkander. En nevens hen voegden zich op die banken de werklieden-afgevaardigden: Albert2), Corbon, Astoin (zooeven nog sjouwerman te Marseille), Perpin de horloge-maker, enz. enz. En toen zij dáár voor het eerst in grooten getale als wetgevers nederzaten, meenden zij enkel door hun aanwezigheid reeds een goed figuur te slaan; de andere leden der Nationale vergadering waren bang voor hen. Slechts de Jacobijnsche republikeinen, die niet zoo talrijk waren in de vergadering van 1848, vroegen niets liever dan zich met hen te verbinden. Maar ziedaar: die socialisten zaten er, doch hadden niets te zeggen: zij deden den mond wel open, maar hun rede had geen inhoud: zij beteekenden en deden niets. Over een vast plan konden zij het niet ééns worden. Zij hadden geen oplossing aan te bieden. Zij gingen zelfs nog twisten over het ‘recht op arbeid’. In hun hersens hotste alles tegen elkander3). Er was overigens zelfs iets goedigs, sentimenteels in hun optreden. De tegenpartij was wel gek angst voor hen te hebben. Ja het mindere volk kwam te Parijs in Februari en Maart 1848 onder hun sentimenteelen roes of koorts. De arbeiders crediteerden de revolutie van 1848 drie maanden ellende, mits dan ook binnen dien tijd de sociale questie werd opgelost. Voorts werden in Parijs vrijheids-boomen geplant, werden de pastoors gevierd, als zij soms woorden lieten hooren, die aan de uitingen van den ‘Vicaire Savoyard’ van jean Jacques Rousseau deden denken. Zelfs Lacordaire deed een oogenblik mede.
Intusschen nam de oude behouds-partij, dezelfde die in het jaar 1830 had gezegevierd, en die nu slechts even het hoofd verloren had, de teugels van het Staats-bewind weder in handen. De schipbreuk der illusiën van 1848 was dáár. Het spel was gedaan. In de Junidagen van 1848 kwamen de materieele oorzaken aan den dag. De klassenstrijd werd een bloedig feit. De arbeiders op straat, door de Fransche socialistische leiders bedrogen en in den steek gelaten, wierpen tegen de troepen der bezittende klasse barricaden op, vingen op eigen hand den strijd aan, woedend en ernstig; zij rukten tegen de kanonnen op, onder den kreet: ‘brood of lood’.
Dat het bloed der arbeiders zoo rijkelijk stroomde, was het gevolg van een gemis aan een plan, aan een programma der leiders. De soldaten van het socialisme waren ongeoefend, hadden geen school doorloopen, waren niet geëxerceerd.
Het Manifest van Marx en Engels bedoelde nu aan den eisch van een goed plan en van een goed handboek te voldoen, altijd buiten den stroom van het anarchisme. Het behelsde een volledige instructie van hetgeen de arbeider weten moest om zich in de bestaande maatschappij te kunnen oriënteeren; en voorts gaf het een aanwijzing hoe alsdan in het leven te handelen. Men moest de verbeelding prijs geven, en alleen werkelijkheid en ervaring als grondslag van daden aanvaarden. Vastheid van gedrags-lijn en helderheid van doel waren dus eerste vereischten. Marx en Engels waren in staat die te verschaffen.