Wij moeten ons thans bezig houden met Rodbertus, den ‘grondlegger’, zooals men hem noemt, van het Duitsche wetenschappelijke Staats-socialisme, die in het jaar 1875, zeventig jaren oud, op zijn landgoed Jagetzow is overleden.
Hij was een soort Pommersch land-edelman, in de verste verte geen volks-beweger, geen vriend van rumoerige propaganda, integendeel, een eenigszins éénzelvig karakter, geïsoleerd levend, hoog ontwikkeld door aanleg en studie, voornaam in vormen en omgang, conservatief haast in manieren en optreden; een vermogend grond-bezitter, die altijd in de weêr was zijn mooi landgoed zorgvol te administreeren, en die, na het dagelijksch toezicht op zijn akkers, zijn bibliotheek in zijn heeren-huizinge opzocht, om zich de historische ontwikkeling der maatschappij duidelijk te maken. Wel werd hij een poos in de jaren 1848 en 1849 door de vaart der politiek opgenomen, was hij lid der volks-vertegenwoordiging en zelfs een oogenblik minister te Berlijn, doch dit duurde niet lang: het was een kort voorbijgaand tijdstip, en weldra was hij weder te Jagetzow, reed hij te-paard zijn goederen rond, en zat hij 's middags - eenzame contemplatieve Robinson, zooals hij zich noemde - te peinzen en te schrijven in zijn studeer-vertrek. Van tijd tot tijd verschenen van zijn hand brochures, artikelen en boeken, die wel niet dadelijk een publiek vonden, niet onmiddellijk pakten, doch die ideeën strooiden, door de beste hoofden in Duitschland opgevangen, aanvaard en getoetst. Die ideeën wezen telkens en telkens naar een socialen Staat, bepaaldelijk voor Pruisen naar een sociaal koningschap. Na den oorlog met Frankrijk in 1870, en na de stichting van het Duitsche keizerrijk, wilde hij medewerken om Bismarck dien weg op te dringen. De vorm, waarin hij zijn denkbeelden kleedde, was daarbij zeer opmerkelijk. Hij schreef een eigenaardigen, oorspronkelijken stijl, sappig Duitsch, dat aan bruin-groene eikentakken en vochtig eikenloof deed denken. De inhoud was altijd zwaar doordacht, doch de vorm kenmerkte zich veelal door frischheid van uitdrukking; en daar dezelfde gedachte anders voorgesteld, telkens in de verschillende werken voorkwam, werd de eerst afschrikkende oogenschijnlijke duister-
heid der pittige, kort inééngedrongen zinnen langzamerhand voor gezette lezers helder en vol leven.
Eerst thans komen die werken volledig voor den dag. Een deel zijner brieven is in 1880 door Rudolf Meyer uitgegeven. Zijn schriftelijke nalatenschap is na zijn dood, van 1878-1885, vooral door professor Adolph Wagner en dr. Theophil Kozak bezorgd. Een gansche literatuur is ter toelichting zijner geschriften verschenen. Men doet echter het best de eigen werken van Rodbertus goed te lezen. Gemakkelijk is de lectuur niet altijd, soms eentonig. Is er reeds in zijn leven, behalve in de korte episode van 1848 en 1849, geen kleurrijk drama op te merken, zoo ziet men in zijn geschriften slechts te meer één voortgezette inspanning van gedachten, een splitsing der begrippen tot in het ragfijne, een wonder-scherpe ontleding van denkbeelden, bewonderenswaardig zelfs waar hij absoluut ongelijk heeft. Alles volgt in die bladzijden bij hem ééne lijn, van 't begin tot 't einde. Zijn leven is een echt denkers-leven.