Geen stelsel! Geen gezag, geen dwang, geen Staat, geen leiding van boven, geen organisatie of reglementeering, - maar volledige individueele vrijheid samengaande met gemeenschappelijk gebruik der productie-middelen, - maar volstrekte autonomie van ieders wil en opvatting binnen den kring der gemeenschap, - maar volkomen vrijlating en ontbreideling aller krachten, die van beneden uit de maatschappij beroeren, vormen en vervormen: - toestand, waarin alles ontboeid in beweging komt, waarin alles uit alles kan worden, - dit zou de leus zijn.
De man, die op de meest forsche wijze dit uitsprak was een Rus: Bakounin.
Een zware massieve man, gedreven door een alles-overweldigende revolutionnaire passie. Bij hem stond op den vóórgrond dat theorie niets beteekende zonder de daad. Hij bepaalde zich niet tot het uitspreken van zijn gedachte der anarchie, zoo als weleer Proudhon, neen, hij wilde die anarchie tot een feit maken. Waar hij, een reus in gestalte, zich vertoonde, dáár klonk wel zijn woeste welsprekendheid, schaterde zijn breede lach, weêrgalmden zijn kreten, doch werd allereerst iets gedaan. Men voelde een stoot. Hij stak een vlam aan, en 't vuur begon te woeden. Op ‘actie’, en op ‘actie’ alleen, scheen alles bij hem gericht. Zijn imponeerende verschijning deed denken aan een belichaamd onweder. Als in een orkaan bulderden geluiden en slagen.
Want de daad, waartoe hij aanzette, en die hij-zelf reeds aanving, was een daad van opstand tegen de bestaande orde. Men moest dadelijk verwerkelijken de sociale revolutie. Met trotsche minachting zag hij neder op het streven van hen, die in de verschillende landen den Staat wilden overmeesteren en bemachtigen. Neen, de Staat-zelf moest vernietigd worden, overal. Daarvoor was noodig een wilde verterende gloed. Men moest hebben, en daarop komt hij telkens terug, ‘le diable au corps’. Anderen moest men den duivel in 't lijf jagen. Satan - eens door Proudhon aangeroepen en verheerlijkt - werd ook door hem
begroet1). Gelijk Satan de ontkenner was van het hemelsche rijk, ontkende hij, Bakounin, alle aardsche Staten, was hij op zijn beurt en op zijn wijze een schepper der absolute vrijheid. En die vrijheid zou er komen, wanneer slechts vernietigd waren de twee historische ficties: God en de Staat. Met dat doel voor oogen beukte hij op al het bestaande: zijn vulcanische natuur - woest en toch goedig in 't gewone leven, gelijk het een reus betaamt - kende geen rust.
Vernietigen immers beteekende voor hem hetzelfde als scheppen. Als het bestaande gebouw der orde inéénviel, als alle staketsels en beschuttende omheiningen waren omvèrgeworpen, kwam het terrein vrij voor een nieuwe, ruim zich ontplooiende maatschappij, voor een nieuw leven zonder enge afgepaste voorschriften. Maar daarvoor moest allereerst dat oude verdwijnen. Vandaar dat het begrip vrijheid, tot de uiterste gevolgtrekking doorgevoerd, voorloopig zich oploste in het begrip opstand. Opstand van den mensch tegen elk gezag, goddelijk of menschelijk, collectief of individueel. Eerst als die opstand was gelukt en dus voor de menschheid ruim baan was gemaakt, kon de volledige ontwikkeling en het volle genot van alle menschelijke vermogens aanvangen, en wel voor een ieder door de opvoeding, door het wetenschappelijk onderwijs en door de stoffelijke welvaart, altemaal zaken die slechts aan een ieder gegeven konden worden door den collectieven, materieelen, intellectueelen spier- en zenuw-arbeid van geheel de maatschappij2). De vernietiging, inleiding dus tot het groote werk der menschheid, behoefde dus niet stelselmatig te-werk te gaan. Geen streng rigorisme, of wetenschappelijke deductie behoefde daarbij in acht te worden genomen. Neen, men behoefde slechts impulsies te volgen. Men ging een onbekende heerlijke toekomst te-gemoet, en sloeg nu slechts stuk wat den weg daartoe versperde. Men had zich zelfs vooreerst niet te veel te bekommeren om wat die toekomst zou brengen. Zij zou van-zelf opschieten als het oude wegviel. Ook van de zeer strenge organisatie der arbeiders-krachten, zooals Marx die met 't oog op den kamp tegen het kapitalisme bedoelde en reglementeerde, wilde Bakounin eigenlijk niet weten. Zijn plan ging samen met wat de Parijsche commune in 1871 ondernam. Die Commune was zijn ideaal3).
Toen de sociale elementen dáár aan het gisten en koken waren gegaan, toen de vlammen er uitsloegen, toen klopte zijn hart en begroette hij de nadering van de nieuwe wereld-orde.
Twee punten moet men bij 't beoordeelen van zijn persoon en schriften in aanmerking nemen.
Vooreerst dat hij een Rus was. Hij bracht een nieuwen factor in het socialisme: wij bedoelen het Slavische element. Niemand heeft dat eigenaardige van die Slavisch-Russische eigenschappen voor 't eerst beter in het licht gesteld dan de beroemde Alexander Herzen. Toen hij in 1850 zijn inhoudrijk boek ‘Vom anderen Ufer’ deed verschijnen, een kritiek en waardeering van hetgeen in het revolutie-tijdperk van 1847 tot 1849 in Europa was gedacht en gedaan, liet hij zeer bijzonder de aandacht vallen op het ‘nieuwe’ dat Rusland zou aanbrengen. En dat nieuwe bestond nu volgens Herzen vooral hierin: ‘Wij Russen - zóó sprak hij (zie pag. 142 van zijn geschrift) - staan op een zedelijk vrijer standpunt dan de Europeanen, niet enkel daarom omdat wij door de groote gebeurtenissen der Westersche ontwikkeling niet onder 't juk zijn gebracht, maar ook wijl wij van ons eigen verleden geheel vrij zijn. Onze geschiedenis is arm; haar negatie was de eerste voorwaarde van ons nieuw leven. Van het verleden bleef ons slechts over het volks-leven, het volks-karakter, de kristallisatie van den Staat. Al het overige is element der toekomst1). Goethes woorden over Amerika passen zeer goed op Rusland:
In de tweede plaats moeten wij bedenken dat Bakounin, hoewel hij een aantal gedrukte werken en manuscripten heeft achtergelaten, geen eigenlijk schrijver was. Hij was vóór alles agitator en redenaar. Zijn geschriften zijn veelal uitingen van 't oogenblik: onsamenhangend, chaotisch. Zij zijn wat den vorm betreft, noch evenredig, noch afgepast. Het zijn soms kreten als van een gewonden arend. Altijd zijn het fragmenten. Het belangrijkst zijn de brieven die hij schreef. Uit die brieven ontwikkelen zich dan als van-zelf zijn brochures en betoogen. Zijn grootste kracht zat echter in het gesproken woord. Als redenaar oefende hij overweldigenden invloed. Zijn welsprekendheid was wild en beeldrijk. Zijn onstuimige levens-kracht kwam dan aan 't licht. Zijn ongewoon groote gestalte veroorloofde hem houding en gebaar van een Simson. Daarbij vereenigde hij iets kinderlijks en iets vertrouwelijks aan zijn wilde energie. Hij deed denken aan Armand Barbès. Hij liet
zich zelfs gemakkelijk medesleepen door anderen, soms door mindere talenten, mits zij iets wilden en deden. Door dit alles kon zijn omgeving - hoe vreemd het ons klinke - spreken van de eigenaardige bekoring, die zijn persoonlijk optreden uitwerkte.
Zóó heeft hij geleefd tot 1876, toen hij, 62 jaren oud, in Zwitserland stierf1).